Een artikel in Tertio, 20 februari 2011

 

“Eigenlijk de eerste vraag: waar taalt gij naar?”

Jan Engelen is een Limburger in de grootstad Amsterdam – en voelt zich daar prima. Hij heeft jaren catechese/catechetiek gedoceerd en blijft denken, lezen, schrijven en (s)preken rond geloven vanuit een vooral taalkundige invalshoek. Veel ervan valt te vatten onder zijn vraag: “Wie zal jou ontregelen?”

Religie bestaat pas in de bedding van de taal – of taal is er de bouwsteen van. Dat merk ik wanneer ik bijvoorbeeld binnen de vereniging ‘SPKS’, de Stichting voor Patiënten met Kanker aan het Spijsverteringskanaal. Daar leer je dat helpen als lotgenoot meer is dan goeie bedoelingen hebben. Ik leer namelijk luisteren naar de kleine woorden en gebaren. Alleen door intens aanwezig te zijn kun je horen. Alleen horend kun je antwoorden. Ik leer dus mijn mond houden en zo anderen zelf te zien. Ja, ik word mijn eigen leraar. Intens er bij zijn. Net zoals ik jaren geleden studerend in Parijs de brieven van mijn vrouw scherp las en herlas, zoekend naar signalen van emotie tussen haar vaak feitelijke informatie. En dat lukte altijd. Dat is meteen ook de basis van mijn exegetisch werk, en van Bijbeluitleg in het algemeen.

Wie een Bijbeltekst leest, heeft immers vaak last van… zichzelf. Eigenlijk moet je afstand nemen. Je moet op vele manieren en zo langzaam mogelijk lezen en loslaten. Geef de tekst de tijd. Schrijf hem geheel of gedeeltelijk over. Je moet leren de tekst te 'vangen' in zijn eigen systeem. Ik onderzocht bijvoorbeeld in mijn proefschrift de samenhang van Joh 7. Dat leek in de ogen van meerdere commentaren een samenraapsel. Door de tekst woordelijk te nemen, los van mogelijke betekenissen, ontdek je een bepaalde systeem in de gang van de woorden, een drievoudige herhaling van woorden die bijbels geldigheid hebben, zin hebben. Het makkelijkste voorbeeld is: “Oordeel niet op zich, oordeel het rechtvaardig oordeel.” Drie keer oordeel/oordelen. Dat oordeel moet met name Bijbels gesproken rechtvaardig zijn. Waaraan moet je een oordeel bijbels toetsen? Dat kan alleen maar betekenen: “oordelen overeenkomstig de Tora”. Oordelen overeenkomstig het kernboek en kernbegrip van de joodse traditie. Het wordt over en over gelezen. Het onderricht van Mozes voor zijn mensen waarmee hij wie bij hem te rade gaat leert en “opricht”.
De wet betekent hier wat zij werkelijk betekent: wet van weten.
‘Recht’ geeft hier zin en oriëntatie, richting. De boodschap moet iedereen als individu zelf vinden. Dat is de manier waarop jij jezelf oriënteert, richting en zin geeft.
Je kunt alleen jezelf de wet lezen.

Bijbels lezen is altijd hardop. Je hoort je eigen stem. Nu heb je het zelf gehoord, weet je. De wet is wat een mens weten mag. Zoals de jonge jood na zijn bar Mitzva zelf uit de wet mag voorlezen, en zelf mag studeren om zelf verantwoord mee te praten over wat hij leest: de sabbat viert het weten dat wij delen en viert dat wij in deze wereld plaats vinden.
Zo moeten wij ook met de traditie omgaan: zij is als de zee die ons draagt en waarop wij met ons bootje varen. Dat doet mij denken aan iemand die op een studiedag van theologen alsmaar over ‘de Here Jezus’ bazelde. Hij zag alleen het lampje, niet de leidingen en alles wat het licht met de centrale verbindt. Verbondenheid is ons geheim. De waterzuchtige in Lc 14 (gelezen op de zondag dat we met elkaar dit gesprek voeren) wordt bijvoorbeeld genezen doordat hij “erbij genomen werd”. De vertaling van die passage verduistert helaas die betekenis. Eens te meer verengt de vertaling de verstaanshorizon, terwijl het compacte Grieks en Hebreeuws ruimte schept. En wie die talen niet kent adviseerde ik: koop in je buitenlandse vakantie een anderstalige bijbel, liefst een beetje oude. Als je en Bijbeltekst in een andere taal leest, lees je langzamer, dus lees je meer, meer van de tekst en meer voor jezelf, zeker als je het met anderen doet.

Hoe komt een mens tot taal? Begint spreken instinctief? Is het imitatie? Of gaat een mens spreken, nog voor hij of zij vocabulariseert, omdat hij of zij aangesproken wordt, van begin af aan voor vol wordt aangezien en dan de woorden ongeweten voor lief gaat nemen, als onderstreping van de gebaren en omgekeerd, omdat er iemand is die je gehoor geeft, het woord geeft. Door de taal – het kunnen spreken en horen – word je opgenomen in iets als een ‘wij”.

Ook geloof wordt niet uit tekst geboren, maar in de ontdekking van de ander: “Waar taalt gij naar?”. Filosoof Paul Ricoeur heeft het over verbergen en tonen: ‘het symbool geeft te denken’. Derrida gaat verder. Hij streept de vastliggende betekenissen door. Als de betekenissen niet kloppen kan ik niet meer spreken, klopt “het subject” niet meer. Ik ben onthand. De filosoof-theoloog Emmanuel Lévinas trekt de lijn door: de ander geeft mij te spreken, roept mij , simpel door naar me te kijken, door me te kijk te zetten, - dwingt me, mij te verantwoorden. Dat is het wonder dat de ander voor mij doet, dat ook alleen de ander voor mij kan doen, namelijk mij openen.
De ander is voor Lévinas ‘le visage, celui qui vous vise’, het gezicht dat je viseert. Visage is dan letterlijk het aangezicht, hij of zij, steeds concreet de ander. En visage is niet alleen het aangezicht, maar ook jij geheel en al lichaam. Want dat is de grote ontdekking voor de mens: de ander bleef aanvankelijk een ding om te gebruiken, maar die ander zegt ‘Au’, zet me daarmee voor het blok. Ik moet tekst en uitleg geven, leren, rekening te houden met. Zo groeit het wonder van de redelijkheid, eindelijk logisch: ik hou van nu af aan rekening met jou, ik probeer dat althans.
De ander ont-regelt mijn onnozelheid. Zo wordt mijn taal geboren: in de apologie, de verontschuldiging. Het was nooit mijn bedoeling de ander pijn te doen. “De ander”, wat wist ik van “de ander/Ander”. Hoe zou ik van “de ander” kunnen weten? Je kunt de andere mens toch niet bedenken? Hij of zij is toch geen inhoud van mijn hersenpan! Aangesproken, voor vol aangezien, wordt het ik als het ware bevrijd door het jij. Het ik leert eindelijk zijn of haar ogen open te maken, ontwaakt, gaat zien. ‘Het ik wordt aan het jij’, zal de joodse denker Martin Buber zeggen. “De Heer heeft mij gezien en onverwachts ben ik opnieuw geboren en getogen”, dicht Oosterhuis. Nu er een adres blijkt te zijn kan ik spreken, mij richten tot. Ontsta “ik als (mee)spreker”.

We hebben behoefte aan verbindingen. We hebben dat zelfs nodig. Want dat is fout in onze traditie: we delen lichaam en ziel (1) op, we halen ze uit elkaar en leggen beiden apart. Dan hoort taal bij de ziel. Daarmee is het lichaam monddood gemaakt, ten dode is opgeschreven. Maar het lichaam is niet het dode lichaam. Het dode lichaam is geen lichaam meer. Het is dood. Het lichaam doet iets, het leeft. En leven is meer dan het opbouwen en afbreken van eiwitten, zoals water meer is dan H2O.

Eigenlijk denk ik dat mijn lichaam en mijn taal, mijn “kunnen spreken” synoniem zijn. Wij leven veel meer in de taal en als taal, dan in enkel het fysieke. Ik leef in mijn lichaam, en ik leef in mijn taal. Mijn taal is mijn lichaam zoals ook mijn lichaam mijn taal is. Ik ben mijn lichaam, ik ben mijn taal.
“Rond mijn 64ste realiseerde ik me opeens: ik voel mij thuis in mijn taal, beelden, woorden. Ik vond dat een raar idee/gevoel. Hoe kom je er bij om zoiets te denken? Ik heb het tegen nog al wat vrienden gezegd. Ze begrepen het. Het was een typisch gevoel maar ze konden het meevoelen. De taal, de woorden, de beelden, wat ik zou willen zeggen en probeer weer te geven is mijn rijkdom.”

Ergens rond “de jaren zeventig” realiseerde ik me: ik denk na over nogal wat dingen en heb daar een mening over. Een ander denkt over hetzelfde na en heeft daar een andere mening over. Hoe kan hetzelfde anders zijn? Wat is denken? Wat gebeurt er wanneer ik probeer te begrijpen? En wat is dat ik dat, zo probeert te begrijpen? Eigenlijk is dat nog steeds wat mij bezighoudt, elke dag. Iemand die mij van zeer nabij kent zegt enkele dagen geleden nog tegen me: “Ik ken jou nou 40 jaar. Jij bent in die veertig jaar niets veranderd. Jij bent nog steeds met dezelfde dingen bezig. Je zoekt nog altijd op dezelfde manier alsof je dat gisteren bedacht hebt.” Het maakt me verlegen, maar ik voel dat het waar is. Zo ben ik.

Geloven is een soort denken (een zekere rationaliteit) – geen moraal of dogmatiek: dit doen, dat laten, dit aannemen, dat verwerpen, enz. Mijn geloof is een vorm van hechting, net als to love, liefhebben. Denken ont-hecht, doet je vallen uit de vanzelfsprekendheid, tot je gaat her-kennen. Volgens filosoof Jean-Luc Nancy kennen we namelijk niet alleen of niet primair door de ogen (het licht, het zien – ik zie, ik heb helder, inzien, overzien, doorzien, transparantie enz.), maar door aan te raken: ik kom in de buurt van, ik voel, ik bespeur. Voelen impliceert ook “de grens ontdekken”. Iemand aanraken is heel iets anders dan bijvoorbeeld een tafelpoot aanraken. Bij iemand aanraken voelen we terdege een grens. Het zien weet niet van een grens. Meedogenloos legt het beslag op de dingen.
Anders gezegd: je gaat niet op een terras zitten en ongegeneerd andere mensen aankijken. Maar op een film of op de televisie kun je ongegeneerd andere mensen aankijken.

Kerken moeten sluiten. Er komen geen gelovigen meer. Of: gelovigen hebben het gevoel dat geloven iets anders is dan wat “de kerk” als geloof propageert. Kerk is nooit “alleenvertoningsrecht” geweest. Dat hoor je aan de eerste woorden, wanneer dat bijvoorbeeld mag zijn: “Onze vader”. Geloven is totaal inclusief. Geloof is waarschijnlijk meer “een kwaliteit van de taal”, van “wat ons gegeven is”, dan een daad die ik stel.

Liturgie is niet wat een kerk doet/kan/mag zolang er officiële ambtsdragers zijn, mensen die aan gestelde eisen beantwoorden. Liturgie is “in opdracht systematisch oefenen”. Liturgie brengt het volk (laos) samen, onderhoudt het (tourgein): het laat het volk volk worden, de mens mens– zodat de mensen de eer van God worden, zoals de kerkvader Ireneus van Lyon het zei.
God wil volstrekt niets anders dan dat de mens mens wordt. Hij heeft, wanneer ik mijn bijbel geloof, niets anders aan zijn hoofd. Dit is het enige dat onaards moeilijk blijkt en dat steeds opnieuw weer de bedoeling blijkt. Dat de mens mens wordt. Dat is geen oude opdracht maar een steeds nieuwe – want iedere dag heeft meer dan genoeg aan zijn eigen zorgen. In de liturgie, in de taal, gebeurt dan iets ongelooflijks. Zoals wanneer ik bij mijn kleinkinderen ben: hun vreugde, steeds van elk van hen afzonderlijk want ze zijn zo anders – hun vreugde is ook mijn vreugde. Preken functioneert ook binnen een dergelijk kader. Je leert de mensen niets. Wie ben jij dat jij anderen te leren voorhoudt. Probeer het zelf maar eens goed te doen. Maar preken, een gemeenschap rond iemand ook namens de anderen spreekt, biedt de aanwezige gemeenschap, een band. De ander mag vinden wat hij of zij vinden kan. Niet “wat de predikant je voorhoudt”, of “wat ik als predikant wil”. Autoriteit werkt net zo. Ze souffleert meerdere teksten. Daaruit moet je leren je eigen tekst te kiezen, je eigen dictie ook. Autoriteit is taal in de breedste zin van het woord.
Muziek is niets anders dan een verdichting van de taal of de communicatie. Muziek vertolkt de verbondenheid met de dingen en doet zingen, zoals mijn kleinzoontje dat tot uitdrukking brengt. Opeens is hij begonnen met zingen. Zo ontstaat uit het zingen de muziek, een liedje - en dat leidt vervolgens tot instrumenten, ersatz-stemmen. Zoals je bij Messiaen in de ruimte van de klanken, taal hoort, verlangen, durf, geduld, – en dat raakt altijd snaren bij mensen, zeker wanneer zij er bij zijn wanneer die muziek gebeurt.
Liturgie is voor mij een zoekend delen. We doen het op de oude manieren die we kennen, maar liturgie is het mysterie van het “wij” als je het geluk hebt gehad die taal te mogen leren. Liturgie is de gemeenschap omvattende geloofstaal, geloofslichaam. Zij is de ervaring van het geloven, van je hechting en biedt uit haar voorraad, haar schat van eeuwen, mogelijkheden die kunnen helpen bij het re-creëren van een ervaring. Kerk, liturgie, is niet stappen in een systeem, zoals je in een trein stapt. Zij verkent mogelijkheden, biedt alternatieven en mogelijkheden. Gods fantasie is werkelijk niet uitgeput door wat de eeuwen hebben voortgebracht.
‘Hét geloof’ bestaat niet. Catechese is ook niet zozeer “geloof doorgeven”. Het biedt een mogelijkheid tot vorming in drie deelgebieden. Individuele vorming, van kind tot mens worden. Sociale vorming, van ik uitgroeien tot een wij. En religieuze vorming, in de zin van, het doorgeven van verhalen waarin wij thuis mogen komen. Een van de leukste kwaliteiten van geloof is: je geheugen wordt met ontelbare gigabytes vergroot. Het geloof vergroot je geheugen onmetelijk met verhalen, beelden, melodieën – schatten die naast alle ellende, ook door onze geschiedenis zijn voortgebracht. En catechese laat dan weerklinken, meetellen: in de catechetiek speelt de echo een rol, want ik laat de Bijbel in mensen mee-resoneren. Dat is ook de eigenlijke betekenis van dat woord: Echo-en.

Onze vader: vader of moeder is de bedding die je deelt, het voorafgaande waar ook mijn geschiedenis tot nu deel van uitmaakt. Onze is jij en ik. Hemel is de eerste in het niet te scheiden koppel hemel en aarde. De een kan niet zonder de ander. Hemel en aarde is dus niet het universum, noch het heelal. Niet “eer aan God in het universum”. Ook niet met Kerstmis: Eer aan God in het heelal. De hemel is het voorwoord, de aarde het woord. De hemel makt, zo vertelt het verhaal, ook door de geest, de taal, het kunnen spreken, mogelijk, zodat de aarde een plaats voor mensen kan zijn, is. Het Allerhoogste buigt zich om een plek te creëren voor de mens, - Gods liefste schepsel als je Hem gelooft, op zijn woord neemt.

Jan Engelen (68) is blij dat hij sinds 1967 bij en in de grootstad Amsterdam woont. Hij woonde van 1995-2005 in Roermond maar is met heimwee terug naar Amsterdam gegaan. “Daar gebeurt tenminste wat.” Het is voor hem een wereld die altijd nieuwe kansen biedt. Zo is hij nu druk in de wereld van kankerpatiënten, maar ook figureert hij soms in de opera. “Ik maak van alles mee, ontmoet mensen, leer de wereld van patiënten kennen, maar ook het opera-gebeuren. In al die werelden gebeurt en beweegt van alles
.
Maar godsdienst en religie hebben hem altijd beziggehouden, aanvankelijk als karmeliet, daarna als docent catechese/catechetiek. En dan vooral vanuit taal en verwondering over de heiligheid van mensen. Bijna wekelijks leidt hij een viering in een Amsterdamse parochie.

(1)(toegevoegd) ZIEL
Marc Girard schrijft in L'Évangile selon Jean, Montréal 2017 dat je bij het bijbelse woord ziel niet moet denken aan het hylemorphistische (hulè/stof; morfè/vorm) idee van de griekse filosofie, maar aan de nefesj. Dat woord verwijst naar een bij uitstek concrete lichamelijke werkelijkheid, de ademhaling, de keel. Nefesj en ruach, ziel en geest, zijn het instrument en de circulerende inhoud, de lucht in beweging. Hij vertaalt ziel met gorge, zo je wilt keel. Denk aan: dat grijpt je bij je keel, dat komt aan je ziel. In II, 20, n.3 noteert hij dat gorge biologisch leven betekent, psychologisch verlangen en de diverse aangename en moeilijke emoties; anthropologisch verstand, wil, geheugen, moreel bewustzijn en spirituele dynamiek.