Rome


Dit is niet een tekst om 1 keer te lezen. Hij is boordevol informatie.
Probeer een beetje spelend te lezen, af en toe een stukje. Dan kan het groeien.

de plaats
de eerste 1000 jaar - Rome ontstaat
de jonge kerk
Constantijn
onze wandelingen

de plaats

Het Rome waar je aankomt is het gevolg van 2800 jaar geschiedenis. De Tiber maakt daar een fraaie bijna 90 graden bocht westwaarts om zich daarna via een rustige weg weer ZO-waarts, ahw naar zijn zelfde westerbreedte te begeven. Getekend moet je je een gespiegelde 5 voorstellen (zonder streepje bovenaan). Dat halve ovaal met een verbreding naar boven biedt aan de onderkant, waar we het laatste stukje schuine streep van de omgekeerde vijf bereiken, ruimte aan de Collis Capitolinus, de Collis Palatinus en de Collis Caelius, drie heuvels. Op een ronde wijzerplaat localiseer je ze waar de kleine wijzer staat om 09.00 u., 8.30 u. en 06 uur. Zuid oostelijk onder Palatijn ligt de Collis Aventinus. Boven de eerste drie liggen de C.Quirinalis, de C.Vimalis en de C.Esquilinus. Alles bij elkaar een soort ovaal. Dat is de eerste, oudste omtrek van Rome. Heb je het getekend - nu ken je de vorm - controleer dan even op het kaartje of je idee goed is. De heuvels hebben de oudste bewoning. Daar was het droog. Een paar meter verder was de grond drassig. Dat wordt bewerkt, drooggelegd, bebouwd. Rome is begonnen.

 



We zijn hier ongeveer 800 jaar verder. In het "dal" tussen de eerste drie en de laatste drie heuvels staat sinds ongeveer het jaar 833 ab urbe condita (na de stichting van Rome) het Colosseum staat. Wij noemen dat jaar "80 na Christus". Het Colosseum is mede gefinancieerd uit de krijgsbuit van de plundering van Jerusalem. Je vindt dat afgebeeld op de triomfboog die ietsjes verderop staat, op het Forum Romanum - je kunt hem zien - van Titus. De bekende afbeelding met de zevenarmige kandelaar.


De zevenarmige kandelaar - Jerusalem verwoest, oorlogsbuit!
Je kunt dit alleen en van een afstand zien
wanneer je het forum op gaat.
In onze korenreis 2015 hebben we daar geen tijd voor.


Nero heeft daar (in het "dal") zijn beeld van 35 meter hoogte laten zetten, de Colossus, genoemd. Die naam is dank zij de spraakmakende gemeente de naamgever van dit bouwwerk geworden.

Links van het "Oudste Rome" ligt het Mars-veld (Campus Martius). Daar waren de soldaten thuis. Daar is nu het Piazza Navona.
Meer tegenover de punt dan de tekening suggereert (net boven de Janiculum - daaronder ligt weer de overkant van de Tiber, Trastevere) ben je in de oude tijd buiten de stad. Daar is ten tijde van Nero een renbaaneen begraafplaats. Petrus is daar begraven. Daarom komt daar in 324 dank zij Constantijn, de basiliek van Sint Pieter. De bisschop van Rome heeft intussen zijn kerk, zijn basiliek, in de Sint Jan van Lateranen, op de Caelius, geschonken door Constantijn in 313. De grond is vrijgekomen omdat daar de hem vijandig gezinde keizerlijke garde gehuisvest was.

Onze verkenning van de stad loopt voor 2/3 door dit gebied vande zeven heuvels. De eerste wandeling gaat tussen dit gebied - en waar het Vaticaan is.

De eerste 48 uur ongeveer en de laatste dag zijn we in en rond de Sint Pieter.


Wat nu voor ons het symbool van Rome is, het eerste waar we bij “Rome” aan denken, de Sint Pieter, komt pas in 1505 in de planning. Julius II wil de in verval geraakte Sint Pieter laten slopen. Bramante moet een nieuwe kerk, een wereldwonder creëren. Hoogrenaissance. Van hem is de plattegrond. Het is een grieks kruis. De vier beuken eindigen in vier halfronde uitbouwen. Waar zij elkaar ontmoeten is de bekroning, de koepel. Paus Julius sterft in 1513, Bramante in 1514. Alleen een tekening en een penning zijn van diens plannen overgebleven.
Paulus III stelt in 1546 Michelangelo aan als de nieuwe architect. Deze verbreedt de dragende zuilen om het gewicht van de koepel te kunnen dragen. Als hij sterft is de tamboer (de “trommel” waarop de koepel staat) bijna klaar. Giacomo della Porta houdt zich "zo goed als" aan de plannen van zijn voorganger. Het wordt een dubbele koepel (met een binnen- en een buitenkant. Dat kun je goed zien als je, na het eerste stuk met de lift, Vanaf de onderkant van de koepel te voet naar boven gaat).
Het langwerpige schip wordt toegevoegd. Het is een al ouder idee. In 1607 valt het besluit dit te bouwen. Carlo Maderno is de architect. Van dichtbij neemt de voorgevel het zicht op de koepel weg. Bernini, de uitvinder van de barok is de laatste architect. Van hem is het bronzen baldakijn en de ovale zuilenrij rond het Pietersplein.


De eerste 1000 jaar - Rome ontstaat 

Rond 370 AD is Rome waarschijnlijk de grootste samenklontering van mensen op aarde. De stad heeft tussen een half of een heel miljoen inwoners. Dat is af te leiden uit de voorraad graan die naar de stad komt voor het populus romanus. Alleen echte Romeinen komen daarvoor in aanmerking. Dat betekent dat er in die tijd tussen 120 000 en 200 000 echte burgers van Rome zijn. De rest is import, vreemdeling, slaaf.
Het is in 370 best een probleem het nodige voedsel uit Carthago in Rome te krijgen. Vroeger leverde Egypte ook, maar sinds ded keizer van Rome in Constantinopel woont, gaat het Egyptische graan naar Constantinopel. Wie betaalt dit graan? De senaat. Wie zitten er in de senaat? De notabelen, de mensen "met een gezicht". Zij leiden de stad, regelen de belasting. Even, snel door de bocht: dit graan geven ze omdat zij de mannen van aanzien zijn. Daarom geven ze als teken van hun positie brood - en naar wij weten, ook de nodige "spelen". Zo kwam je voor de dag. Bereikt je zoon zijn leeftijd en wordt hij ook notabel, gaat hij meetellen, dan vier je dat in het circus, ten aanschouwe van iedereen. Zo weet iedereen er van...

Overigens: weet wel dat de mensen in het Rome van de tweede eeuw na Christus hebben een gemddelde levensverwachting van 25 jaar. De mensen uit die tijd zijn zijn meer overgeleverd aan de dood dan de meeste mensen uit ontwikkelingslanden nu. Wie zijn kindertjd overleeft blijft gevaar lopen. Vier van de honderd mannen worden ouder dan vijftig. Bij vrouwen ligt het getal lager. De dood vreet de bevolking kaal.Wil de bvolking van het Romeinse Rijk enkel maar stabiel bijven dan moet iedere vrouw vijf kinderen krijgen. De gemiddelde leeftijd waarop Romeinse meisjes trouwden was niet hoger dan 14 jaar. In Noord-Afrika - ook Romeins Rijk - is een begraafplaats gevonden. 95 % van de vrouwen was getrouwd en meer dan de helft van hen gestorven voor hun 23ste.
In die samenlevingen was men overtuigd van de sterfelijkheid van het leven. Het betekende vaak de bevrijding van de "ziel", nu eindelijk niet meer gebonden aan het bijna alleen maar kwetsbare lichaam. Mensen zijn sterfelijk; gebouwen en geschriften zijn eeuwig.

Hoe is het bestuur van Rome, en later de steden georganiseerd, die eerste 1000 jaar? Hoe werd je in het oude Rome notabel? Of, en dat is dezelfde vraag: hoe werd je rijk?
Simpel: dank zij het land. De oogst betekent elk jaar weer rijkdom. Land wordt voedsel (Peter Brown, Through the eye of a needle, Wealth, the Fall of Rome, and the making of Christianity in the West, 350-550 AD, Princeton and Oxford, Princeton University Press, 2012, p.3). Voedsel is "gereserveerde tijd", voor later, een verzekerde toekomst.

Het grote Romeinse Rijk bestaat uit zelfstandige steden die aan het Rijk van de Keizer enkel een belastingverplichting hebben. Iedere stad wordt door de keizerlijke bureaucratie aangeslagen. De stadsraad (curiales) besluit wie dat hoe moet opbrengen. Die aanslag bestaat uit een hoeveelheid graan of alles wat waarde heeft. Daarnaast moet de raad het plebs van de stad besturen. Overal in de stad en de steden verschijnen graansilo's.
Als je curialis wordt, lid van de stadsraad, wordt je meer een edele. Ze mogen je dan bijvoorbeeld geen zweepslagen meer geven. Groepen van 30 tot 100 mensen (de raad) bepaalt de gang van zaken en het lot van 2000 tot 5000 mensen (de stad). Met de uitbreiding van hetRijk wordt de macht in het Romeinse Rijk doorgegeven, van de top naar de plaatselijke gemeenschappen. Ook buiten de stad (het land om de stad heen hoort bij de stad) gebeurt dit. Het is dus niet zo dat de locale bevolking onderdrukt wordt door het centrale gezag. Regelgeving ter plaatse en controle op de uitvoering is het werk van de grote en kleine "baasjes", de mensen die de ter plaatse de macht in handen hebben. De rijken blijven op natuurlijke wijze rijk. Ze worden beschermd door hun eigen gezag.
Rijkdom blijkt uit de vanzelfsprekende manier waarop de rijken hun gunsten en geld (politiek) uitdelen. Het syteem van patronage is gebruikelijk. Waar wij in vele gevallen zien dat geld bepaalt wie de macht heeft, zien we in het Romeinse Rijk, dat geld zich voordoet waar macht is. En deze macht deelt zich uit, blijkt uit (berekend) vrijgevig gedrag.
Kleine rijken of grote rijken doet er niet toe. Beiden zijn even machtig, even rijk. Bestaande erschillen worden bepaald door een individuele of familiaire situatie of geschiedenis. De armen zijn niet degenen die wij arm noemen. Ze kunnen best niet onbemiddeld zijn. Maar ze horen niet bij de notabelen.

In de meer bevolkte gebieden (Noord Afrika, Italië, Zuid-Spanje of Frankrijk) liggen de steden een kilometer of 15 van elkaar. De wegen tussen de steden zijn de corridors waarlangs de welvaart naar Rome vloeit.

Na de eerste eeuw van welvaart dank zij de vrede vestigt begint de ontwikkeling van "Europa", in feite de bouw van veel streken waar nieuwe eliten zich vestigen. Zij brengen Rome ook buiten de stad, willen meer Romein zijn dan de Romeinen. Centrale plaatsen zijn Milaan, Trier, Barcelona, Bordeaux, Merida, Carthago. In de derde eeuw komt dat tot een soort hechting. Er heerst relatieve rust. De vijanden kun je niet meer met een relatief gewone krachtsinspanning onderwerpen. De verdere groei hapert, de grens van het rijk is bereikt. En tegelijk worden de grenzen worden minder grenzen. Het worden meer ontmoetingsplaatsen. Contact en doorvoer. De Romeinen prijzen bijvoorbeeld de Germanen voor hun kracht. Ze hebben, zo schrijft Vegetius (in Epitoma rei militari 1.2 (uittreksel van militaire zaken, 390 na Chr.), meer bloed dan de door de zon uitgedroogde mensen van rond de Middellandse Zee. Niet-Romeinen worden Romeins soldaat, krijgen Romeinse training en maken een Romeinse carriere. Ze kunnen hoge posities krijgen in het leger. De volksverhuizing is daarom niet zozeer een "inbraak". Het is minder het "overtrekken van de reeds vervaagde grenzen door de barbaren" dan een soort collectieve opstand tegen het oude gezag. Maar dat komt pas in de vijfde eeuw.

Na 100 krijgt het Imperium te maken met de problemen die alle grote imperia krijgen. Het op de keizer en het hof gebaseerde keizerlijk gezag gaat van de ene superrijke familie naar de volgende. Dat brengt spanning mee, naijver. Je krijgt militaire coups, plaatselijke burgeroorlogen. De bevoorrading gaat stokken, er komen lacunes.
Achteraf mag je zeggen:het succes van de tweede eeuw is zo groot, dat alle eeuwen daarna "verval" lijken. In feite moet je misschien simpel constateren dat de volgende eeuwen meer terugkeren naar de orde van de dag (Peter Brown, a.w., p.10). Om meer greep te krijgen op de gang van zaken probeert Rome meerdere bestuurlijke initiatieven. Regionalisering, provincialisering, het verdelen van de macht onder vier of twee leiders. Eind derde eeuw zal Diocletianus het rijk verdelen in diocesen.

Constantijn wordt door zijn soldaten in 307 uitgeroepen tot Augustus. Nu gaan er dingen gebeuren die volstrekt niet in de lijn van de geschiedenis of de verwachting liggen. In 309 vervangt hij de bestaande munt door de solidus, een gouden munt. Daarvan gaan er 72 in een pond goud. Geleideijk aan wordt graan of zilver als betaalmiddel vervangen door goud. In de nieuwe bestuursstructuur die ontstaat wordt de soslidus het betaalmiddel. (Soldaat is daarvan afgeleid.)
Constantijn (321) stelt zijn gezagdsdragers aan. Aan het hof en in de steden verschijnen nieuwe leidinggeven. Ze worden beloond voor hun trouw en effectiviteit. Zo ontstaat in de steden een nieuwe macht (meer centraal geleid) met nieuwe rijken tegenover de (regionale en plaatselijke) macht van de oude adel.

Een goede oogst wordt begin vierde eeuw zeker nog gezien als een geschenk van de goden. Keizer Maximus II Daia, - historisch een volmaakte illustratie van de boven kort beschreven historische ontwikkelingen, zoek eventueel zijn naam op (internet) - een van de laatste heidense keizers in het Oosten schrijft in 311 nog dat zijn vervolging van de christenen de goden behaagd heeft. Hun gunst heeft zich vertaald in een goede oogst.
Een hoeveelheid graan kun je gelijk stellen aan de waarde van goud. Dat is makkelijker te bewaren en over en weer te "vertalen". Zo komen de graansilo's buiten de steden te liggen, wordt het mogelijk het graan te bewaren tot het duurder wordt. En de keizer betaalt zijn mensen in gouden munten. Dat kun je zien aan de kleding en (later) in de mozaieken en fresco's.

Naast dit centrale gezag dat zich decentraliseert in kleine (gezags-)strukturen en zich centraliseert rond nieuwe gezagsdragers (Brown schrijft dat het niet veel gescheeld had of het keizerlijke Trier had Milaan voorbij gestreefd) zijn er de christenen - steeds plaatselijk georganiseerd, met een groot gevoel voor verbondenheid (vooral in oude en steeds weer nieuwe teksten, met enigheid en onenigheid) met de geloofsgemeenschappen in andere plaatsen. Hoe kunnen we kijken naar de beginnende kerk in Rome.

 

de jonge kerk 

a. Galilea - Jerusalem - diaspora

Alle vier eerste "verhalen over Jezus", de evangeliën, beginnen bij de Jordaan. Je ziet dat direct al bij Marcus en Johannes. Mattheus en Lucas laten aan die doop een inleiding voorafgaan. Dat zijn wat wij sinds ongeveer 1450 de eerste 2 hoofdstukken noemen. Mattheus vertelt over: hoe na al die namen (korte samenvatting van de joodse geschiedenis) een nieuwe naam geroepen wordt, Jezus, en in het tweede hoofdstuk, hoe de volkeren (de niet-Joden, dus in de regel ook wij) komen om de geboren koning der Joden te aanbidden. Lucas opent zijn verhaal met een plechtigheid in de Tempel hoogverheven. De naam Jerusalem noemt hij pas als Jezus naar de Tempel in Jerusalem gebracht wordt. Dat eerste verhaal gaat over hoe dat gegaan is, toen Johannes de Doper verwacht werd. En over hoe de engel naar Nazareth ("off all places") gaat, naar Maria gaat. Maria bezoekt haar nicht Elisabeth. In het "heden" waar Maria en Elisabeth elkaar ontmoeten komen twee werelden, oud en nieuw, bij elkaar. Wat nog onzichtbaar is, zal verteld worden als evangelie volgens Lucas.
De Jordaan ligt tussen "het veelbelovende land" en de woestijn. Tussen "het oude alsmaar hetzelfde" van 40 jaar woestijn en het nieuw land, het nieuwleven "voor je voeten", aan de overzijde.

Jezus komt uit Galilea, naar de Jordaan, naar Johannes, om zich daar hem te laten dopen. De hemel gaat open en Genesis 1 begint opnieuw. Wil je weten hoezo? Je kunt deze link volgen.
Na zijn doop en de hemel open gaat Jezus terug naar Galilea. Daar trekt hij prekend en genezend rond Rond ongeveer de helft van de eerste drie evangeliën, de drie synoptici, vertrekt Jezus. Hij gaat naar Jerusalem om daar met zijn leerlingen, zoals veel Joden dat doen, Pasen te vieren. Daar wordt hij gevangen genomen, veroordeeld, gekruisigd. Dan komt een verhaal waar wij geen woorden voor hebben. Het zal door heel de wereld gaan.

Galilea is een wijkplaats voor vluchtelingen uit Jerusalem, Judea. Het is heimwee-land. Mensen uit Galilea weten van Jerusalem, het huis van de vader. De upperten van Jerusalem diskwalificeert de Galileeërs worden zij gediskwalificeerd als am ha-arets, volk van het land, boerenpummels. Maar het zou kunnen zijn dat deze mensen meer met Jerusalem verbonden zijn dat degenen voor wie Jerusalem vanzelfsprekend is.

Jezus gaat met zijn leerlingen naar Jerusalem om daar Pasen te vieren. Pasen is het feest: slaven worden bevrijd, duister wordt licht, de doden leven. Het geheim van die bevrijding is de God die in Exodus 3,14 vanuit de struik die "het leed dat wereld heet" vertolkt. Die struik brandt maar verbrandt niet. God souffleert op verzoek van Mozes zijn Naam ("Uw naam worde geheiligd"). Hij zegt: ehjeh asjer ejeh. "Ik zal zijn als ik zal zijn". Wij zouden misschien mogen weergeven als: "Ik ben er ook nog. Begin maar aan dat werk dat onbegonnen is. Waar geen begin aan is. Ik ben er ook nog en dat zul je merken. Het verhaal begint pas. Als een lopend vuur gaat dit verhaal met de Joodse nederzettingen rond de Middellandse Zee, "de wereld" rond.
In het begin van de jaartelling woont maar een klein deel van de Joden in wat tegenwoordig Israel heet. Als Paulus in de wereld van de volkeren (niet Joden) begint te preken, begint hij in de synagoges. In de Handelingen vind je daarover verhalen. In Paulus en Petrus krijgt het opnieuw pootjes.

b. Rome

Auteurs uit eind 2e en derde eeuw vermelden dat Petrus naar Rome is gekomen. In 64 zou hij door Nero gekruisigd zijn en vlak bij zijn executieplaats begraven. Paulus is zeker naar Rome gekomen. In een proces tegen hem in Caesarea (Handelingen 25) beroept hij zich als Romeins staatburger op de keizer. Hij zal in Rome berecht worden. Twee jaar leeft hij relatief vrij in Rome. Iedereen mag hem bezoeken. In 64-67 wordt hij onthoofd. Hij wordt begraven in een graf dat men in Sint Paulus buiten de Muren vermoedt.

Het verhaal over Petrus en Paulus, en over de eerste Christenen in Rome is vaak verteld, genuanceerd, aangevuld, en natuurijk vaak verbeeld (tot en met films) en dus ook gekleurd. Gegevens over die eerste christenen in Rome uit die eerste tijden ontbreken. Wat wij weten gaat terug naar documenten uit eind tweede eeuw. Natuurlijk is het waar dat er vervolgingen zijn geweest. Nero (54-68) geeft de christenen de schuld van de brand in Rome die vermoedelijk door hem is gesticht om de ruimte te krijgen voor een mooi nieuw Rome. Keizer Domitianus (81-96) al was dat misschien meer incidenteel. KeizerDecius (249-251) verdigt het edict uit, dat iedereen moet offeren voor de keizer. Christenen weigen dat. Kerken worden verwoest, heilige boeken verbrand, mensen gemarteld en gedood. In de oude kerken was er een ereplaats voor de martelaren die het overleefd hadden. (Martelaar is afgeleid van martyreoo, getuigen.) Maar wellicht mag je ook zeggen dat de geschiedenis van de christenen een onopvallende geschiedenis is. Rome is gewend aan een veelheid van volkeren en mensen die overal vandaan komen.
Die eerste Christenen zullen vermoedelijk mensen geweest zijn die zich in de buurt van de al oude joodse gemeenschappen ophouden. Voor niet Christenen is er in ieder geval in de regel geen verschil tussen Joden en Christenen. (Dat verandert - wel zeer definitief - wanneer het Christendom staatsgodsdienst wordt.)
Zoals altijd en overal waarmensen zijn, en mensen zijn altijd anders: er zijn goede relaties en slechte.
Zoals de Joden komen ook christenen samen op de zaterdagavond - wanneer de joodse mensen het sluiten van sjabbes vieren. (Die christelijke viering gaat van zaterdagnacht naar zondagmorgen, "bij het oplichten van de dag", een herinnering aan het christelijke paasfeest, maar ook omdat het makkelijker, praktischer is). De tegenwoordige zondag is nog steeds de eerste dag, feria prima. Ook in de bijeenkomst van de christenen gaan de boeken open, worden de verhalen verteld. In de synagogen is de laatste lezing altijd "uit de profeten", in de kerken is het laatste verhaal altijd een gedeelte uit een van de Evangelisten. Daarop volgt altijd iemand die over het voorgelezene vertelt, preekt. In de bijeenkomsten wordt ook samen gegeten, gedeeld. De mensen komen samen in een van de huizen van de leden van de gemeenschap. Dat verandert pas begin vierde eeuw, wanneer de keizer basilieken laat bouwen.

Maar het begin is grootdeels verborgen in het duister. Documenten of inscripties ontbreken. De verhalen en de beelden die we kennen, komen uit films als Ben Hur of Quo Vadis en hun voorgangers. Wat zij vertellen over vervolgingen kent zeker momenten van waarheid. Er zijn er velen vermoord om hun geloof. Maar er zijn er ook velen die in relatieve vrede hebben kunnen leven, met hun geloof en hun mensen om zich heen.

Catacomben, ondergrondse begraafplaatsen. Ze bestaan op veel plaatsen, ook buiten Rome. De Romeinen verbrandden hundoden. De as kwam vaak in de catacomben. De christenen begroeven hun doden in doek gewikkeld. Het graf was een ligplaats, afgesloten met een plaat marmer. Een begraafplaats was door de wet beschermd gebied, daarom veilig. De oude in die eerste twee eeuwen kleine christengemeenschappen komen er samen. De graven kennen een verschil tussen de doden. Allen zijn bewonderdswaardig gelijk. Een soort ideale samen-"leving" zonder de compromiterende feiten uit de dagelijkse gang van zaken. Het geeft ook te kennen, dat God meer macht wordt toegekend dan aan de dagelijkse gang van zaken of zij die de "dienst" uitmaken. De graven van de martelaren hadden zo, onverwacht, een troostend vermogen.

Aan dat schemerduister van de voorgeschiedenis komt een einde wanneer keizer Constantijn het van Maxentius wint. De God van de christenen is sterk gebleken. De Sint Jan van Lateranen is daarvan het eerste bewijs, een geschenk van de keizer aan de kerk. De Sint Jan van Lateranen is "de moeder van alle kerken". De tekst vind je bij de ingang.

Sacros(anta) Lateran(ensis) eccles(ia),
de buitengewoon heilige kerk van Lateranen (is)
van van alle kerken van de stad en de wereld,
de moeder en het hoofd.

Hoe gaat het vanaf begin vierde eeuw?

Constantijn

De man
Het is niet zo: vandaag is Constantijn nog een gezonde heiden en dan komt de confrontatie met zijn tegenstander Maxentius. Hij droomt dat hij in het teken van het kruis zal overwinnen. Dus: hij schildert kruisen op de schilden van zijn soldaten. Constantijn wint de slag en wordt christen. Hoe deze zaken zich hebben afgespeeld zullen we nooit weten. Simpel: er zijn geen teksten over en het ligt niet voor de hand te vermoeden dat die er wel zijn en enkel nog gevonden hoeven te worden. Dat alles speelt zich af in het schemerdonker van de geschiedenis. Wat onder andere zaken wel vast staat is dat hij op 28 oktober 312 zijn rivaal Maxentius verslaat. Hij schrijft zijn overwinning toe aan de God van de Christenen. Hoe hij die God ziet is onbekend. Bekend is dat hij die God als de sterkere ziet. Die God is even sterk en nieuw als hij. (Hij brengt wel nog overwinningsoffers aan de Romeinse goden. Pas op zijn sterfbed zal hij zich laten dopen.)
"De christelijke God en de mensen die hem dienen hebben geen andere, kleinere goden nodig. Constantijn hoopt dat deze God hemzelf en zijn rijk even effectief zal beschermen als hij zijn kerk en zijn volk, de christenen in de tijden van de vervolgingen heeft beschermd. Daarom beloont Constantijn de leiders van die kerk met passende privileges. Hij beloont hen omdat zij de rituelen beheersen. Dat doet het gewone christenvolk niet ... Daarom zet hij zich ook in voor de eenheid en organisatie van de kerken. Hij en ook zijn zoon zetten zich in dat de eredienst voor God correct geschiedt en Hem behagen zal." (Brown, a.w. p. 33) In Constantinopel komt het experiment van een Christelijke staat een aardig eind. In het Westen is daar geen sprake van. De leidende klasse in Rome blijft grotendeels heiden. Daar heeft Constantijn geen moeite mee. Voor hem is belangrijk: de christenen worden niet langer vervolgd en de kerkelijk leiders worden begunstigd en beveiligd. De universaliteit van de kerk betekent dat je overal christenen kunt vinden. Christenen waren niet van mening dat ieder christen moest worden. Dat wordt misschien later in de tijd en op plaatsen veel later veel later anders.

Ook staat vast dat Constantijn (samen met zijn dan nog medestander Licinius) in 313 een brief uit laat gaan naar de stadhouders van het Oost-rijk waarin een officieel einde wordt gemaakt aan de christenvervolgingen. Bezettingen, grond en gebouwen moeten toegegeven worden. Constantijns sympatie voor het christendom was geen berekende politiek. Hij kan niet het idee gehad hebben dat het verbreide christendom in het ) Oosten of het langzaam groeiende christendom in het Westen de godsdienst van de meerderheid gaat worden. Zijn sympatie voor het christendom betekent eigenlijk het voorbijgaan aan de opvattingen van de oude Romeinen.
Wanneer Licinius in 320 toch met nieuwe christenvervolgingen begon eindigt dit verhaal met een oorlog tussen beiden. Constantijn wint en is alleenheerser. In 330 bouwt hij Byzantium uit tot zijn polis, stad, Contantinopel. Dat wordt het nieuw Romeinse centrum van onderwijs, macht en cultuur.

 

Zijn bestuur
Constantijn reorganiseert de leiding van het leger, het hof en het bestuur van het rijk en de districten waarin het rijk verdeeld is. De bisschoppen en clerus worden naar voren geschoven maar krijgen geen rijksfuncties. Pas na 370 beginnen de rijken interesse te krijgen voor de steeds centraler wordende kerken.

De bisschoppen en de clerus krijgen van Constantijn dezelfde voorrechten (vrijstelling van publieke diensten en ook van bepaalde, niet alle vormen van belasting) als de anderen die zich inzetten voor culturele en religieuze doeleinden. Bij die anderen hoorden de priesters van de Romeinse goden, leraren, artsen, leiders van de joodse gemeenschap.
Rond 350 maakt de Christelijke kerk op een merkwaardige manier deel uit van de Latijnse samenleving. Vlees en spieren van echte macht in de samenleving moeten nog groeien. Bisschoppen en clerus gaven leiding aan een nog nauwelijks zichtbare gemeenschap. Zij zijn de leiders van religieuze gemeenschappen die gegroeid zijn waar de groepen in de samenleving elkaar tegenkomen. Het moet nog een gebouw worden.

Een klein gedeelte van de catacomben zijn de catacomben waarover wij gehoord hebben, plaatsen waar onderdrukte en gemartelde mensen van een kerk die vervolgd wordt hun rustplaats vinden. Het grootste deel van de catacomben gaat terug tot de tijd na de bekering van Constantijn. Daar zie je een weergave van de bonte samenleving in al zijn lagen waar de christenen van de vierde eeuw ook deel van uitmaken. Sarcofagen zijn alleen maar voor de echt rijken. Tien tot vijftien solidi, een derde of een kwart van het jaarloon van een latijnse leraar. Die werden gekocht door wat wij ondernemers zouden noemen, werkgevers die voortkomen uit de handwerklieden en vaklui die werken metmarmar, glas, hout, metalen, of advocaten, kooplui en hogere ambtenaren. Op de platen van de graf-nissen in de catacomben lees wie er bij elkaar wonen in de stad: kunstenaars, ambachtslieden, kooplui, lagere ambtenaren, zijde-weefsters, spiegel-makers, paardenhandelaren, theatermensen. Uit die bonte wereld tussen de superrijken en de straatarmen, uit de grote groep die zichzelf niet rijk vindt, komen de christenen met hun bisschoppen en dienaren van de zich langzaam maar zeker organiserende kerk. Wat die mensen aan de kerk geven, geven zij aan God. "Uit wat we van U ontvangen hebben geven wij U." Zo geven Joodse mensen, zo doe de Christenen dat ook. Je kunt dat ook zien en kerken en synagogen. En de kerk voelde zich uiteraard verplicht, op te komen voor de armen. Denk aan de woorden van Jezus tegen de "rijke jongeling": "Als je volmaakt wil zijn, ga dan heen, verkoop wat je bezit en geef het aan de armen. Kom dan en volg mij." (Mattheus 19,21)

 

Gegeven de naderende datum van de reis vermoed ik, dat er verder geen nieuwe informatie geschreven gaat worden. Wellicht publiceer ik wel de teksten over de plaatsen die we gaan bezoeken en waar ik eerder over schreef.

Jan Engelen
Amsterdam, 23 augustus 2015

 

 

 

 

 

Internet

Santa Maria Maggiore, Santa Maria in Trastevere, San Prassede e.a. in Rome

eerste St.Pieterbasiliek - oude tekeningen en reconstructies

Kijk ook eens naar wat Wikepedia geeft bij woorden en namen als Colosseum, Catacomben, Solidus, Capitool, Sint Pieter, Constantijn, Sint Jan van Lateranen, enz. enz. Er is zo veel.

Maar: niet te lang. Neem de nieuwe informatie steeds in kleine "pakketjes" van bijvoorbeeld een half uur. Eventueel print je wat. Dan kun je strepen zetten. En lees nog eens wat je gelezen hebt. Herhaling is leerzaam. Eventueel schrijf je eens een paar woorden op. Dan begin je met het verzamelen van je eigen ervaringen met "het oude Rome", "het oude Christendom", en "Katholiek zijn", dat wil zeggen in "een lange geschiedenis van Europa" leven. Het isdaar niet alles "goud wat er blinkt", maar het is ook niet allemaal tevergeefs geweest. Er gloeien kolen in de as!

Jan Engelen