kerstmis en de bijdrage van M A T T H E Ü S

door jan c.m.engelen

inleiding
algemene inleiding

M A T T H E Ü S  1,1-17

Voor het eerst komen we sporen van Kerstmis in het nieuwe testament tegen in Mattheüs 2. Je bereikt Mattheüs 2 alleen via Mattheüs 1. Die tekst heeft Mattheüs als toegang (voor-woord) meegegeven aan wat wij Mattheüs 2 noemen. (De verdeling in hoofdstukken en verzen die wij in onze bijbels aantreffen is pas lat ontstaan. Zij is gemaakt door Stephan Langton aan het begin van de 13e eeuw.)

Boek over de genesis van Jezus Messias,
zoon van David,
zoon van Abraham. (Mt 1,1)
Voor Mattheüs is Abraham blijkbaar het begin. Blijkbaar schrijft hij als iemand die vanzelfsprekend thuis is in de Joodse traditie en voor mensen die in dezelfde situatie verkeren. Wij die hier en nu, bijvoorbeeld in en rond Amsterdam lezen, zijn wellicht niet zodanig met die traditie bekend.
Abraham: de vader van de gelovigen. Deze uitspraak delen Joden, Christenen en Moslims met elkaar.
2. Abraham verwekte Izaak.
Izaak verwekte Jacob.
Jacob verwekte Juda en zijn broers.
Juda verwekte Peres en Zerach uit Tamar.
1. Eerst krijg je A. Van A kom je bij B. Van B ga je naar C. Van C naar D.Dat schema komt bekend voor. Zie Gen 5 en 10.  
2. En zijn broers. Deze toevoeging is binnen de formule van de tekst tot nu toe een uitzondering. Aan de orde worden gesteld Juda en de zijnen. De tekst van Gen 37-50 is daarmee geactiveerd, met de vernederde (Jozef in de put) die verheven werd, met de grote wereld Egypte en al. Zie Mattheüs 1,11. Welk eerder aan de orde gesteld thema vraagt daar aandacht?
 3. In Mattheüs 1,2 komen we de eerste vrouw tegen: Tamar (Gen 38). Het is een zwarte pagina uit het verhaal over Juda. Tamar dwingt pappa Jehoedah dwingt zij zijn werk te doen! Wil het verhaal verder kunnen gaan, dan zal er toch eerst een volgende generatie moeten komen! Daarom zal Jehoedah (grieks Judas) haar rechtvaardig noemen: zij laat de weg van het woord verder gaan.
Tamar is de eerste vrouw in Mattheüs. 1.
Na haar komt Rachab. Rachab is de vrouw die het mogelijk maakt, het veelbelovende land binnen te trekken. Zie Jozua 2.
Ruth vervolgens is de Moabitisch (niet-joods) meisje dat in grote solidariteit met haar schoonmoeder meegaat. Zie het boek Ruth. Haar trouw maakt het perspectief op de gezalfde mogelijk, de vrucht van de verzoening tussen Israël en de volkeren.

Na Ruth spreekt Mattheüs 1,6 over die van Uria.
Aan het einde van de lijst van namen - heel die geschiedenis met al zijn wel en wee - is er tenslotte Mirjam/Maria.
 In het boek over de Genesis van de Messias noemt Mattheüs vijf vrouwen, een handvol ‘troost'. Zij kunnen het blijkbaar opnemen tegen al die ‘mannetjesputters'. (Zie eventueel naar Jesaja 51,1-2! Het bijbelse woord troosten betekent: Niet alleen laten, aanwijzen hoe je verder kunt gaan.
3. Peres verwekte Chesron. Chesron verwekte Aram.
4. Aram verwekte Amminádab.Amminádab verwekte Nachson
5 Nachson verwekte Salmon.. Salmon verwekte Boaz uit Rachab.  Boaz verwekte Obed uit Ruth.Obed verwekte Jesse.
6. Jesse verwekte David de koning.
David verwekte Salomo uit die van Uria.
4. Na na ons de zond­vloed (Gen 6-9) en dan liever de lucht in (Gen 11) begint met Abraham a.h.w. de schepping opnieuw - re-creatie!
Na alle doen alsof de mens alleen is (Genesis 2,18 - waarvan akte in A&E, K&A, de vloed en de toren) begint nu het verhaal over doen alsof je niet alleen bent: Abraham.
5. Met David is het eerste deel van het verhaal rond. Zie: zoon van David (1,1) tot David: koning! Hoezeer heeft die lijst van namen tot de Messias te maken met het koningschap! Ook bij ‘Uw rijk kome' speelt dat een rol. In de tekst staat: uw koningschap.
7. Salomo verwekte Rechabeam.
Rechabeam verwekte Abija
Abija verwekte Asaf.
8. Asaf verwekte Josafat.
Josafat verwekte Joram.
Joram verwekte Uzzia.
9. Uzzia verwekte Jotam.
Jotam verwekte Achaz.
Achaz verwekte Hiskia.
10. Hiskia verwekte Manasse.
Manasse verwekte Amos.
Amos verwekte Josia.
11. Josia verwekte Jechonia en zijn broers
ten  tijde van de Babylonische Ballingschap
6. De lijn van David naar Jezus is niet een opgaande lijn. De continuiteit wordt verbroken door de Babylonische ballingschap.
7. Mattheüs stelt de ballingschap de eerste keer aan de orde in Mattheüs 1,11. Daar vinden we ook weer: en zijn broers. De broederschap wordt genoemd bij Egypte en de Babyloni­sche Ballingschap: ten tijde van nood. 
8. Een ononderbroken reeks van 39 keer het werkwoord verwekken in de actieve vorm. De 40e keer staat het werkwoord in de lijdende vorm. Bij een zin in de lijdende vorm hoef je het onderwerp van de aktie niet te noemen.
            De bijbel gebruikt vaak de lijdende vorm om - uit eerbied - de naam van God niet te hoeven noemen. In de lijdende vorm wordt aangegeven wat God doet. Moge jij gezegend
worden betekent: moge God je zegenen.
12. En na de Babylonische Ballingschap:
Jechonja verwekte Sealtiël.
Sealtiël verwekte Zerubbabel.
Zerubbabel verwekte Abihud.
Abihud verwekte Eljakiem.
Eljakiem verwekte Azor.
13. Azor verwekte Sadok.
Sadok verwekte Achiem.
Achiem verwekte Elioed.
14. Elioed verwekte Eel'azaar.
Eel'azaar verwekte Mattan.
Mattan verwekte Jacob.
Jacob verwekte Jozef, de man van Maria
uit wie verwekt werd Jezus, die Christus genoemd wordt.
18. Al die geslachten samen derhalve:
van Abraham tot David veertien geslachten
en van David tot de ballingschap veertien geslachten
en van de Babylonische Ballingschap tot de Christus veertien geslachten.
19. De genesis ...
9. De tweede keer klinkt: Babylonische Ballingschap, met alle dreiging vandien.
10. Al die namen zullen de meesten van ons vreemd klinken. Wij zijn in deze geschiedenis niet thuis. Wij, wie wij christenen ook zijn, blijken naast deze namen, in de regel vreemdelingen.
11. Let wel: elke naam is de kortst mogelijke samenvatting van een geschiedenis. Al die vreemde namen geven a.h.w. de kortst mogelijke samenvatting van de Tenach.
12. Na 39 keer verwekken nu, in 1,16, de aanhef van die ene, uitzonderlijke, om wie het Mattheüs vanaf het begin (Mattheüs 1,1) begonnen is.
13. Hoe geschiedde die uitzonderlijke verwekking van die éne in het huis van David de koning dan? Daarover gaat het volgende verhaal. Dat begint met een woord uit de eerste regel. In het grieks staat hier gènesis, afgeleid van gennaoo, hier vertaald met verwek­ken. Hoe die verwekking plaats vindt, vertelt Mattheüs vanaf 1,18.
14. Het woord broers begint bij Mattheüs al direct bij het begin. Je zult het woord ook dominant ontmoeten in Mattheüs 28. Zie daartoe, na 28,7.8, hetgeen in 28,10 geschreven staat. Het woord broers hoort bij het geheim van de verrijzenis.
(Zie bij dat slotverhaal ook Rom 4,17vv. Daarbij moet je ook steeds denken aan de twee absolute dieptepunten: Egypte & Babylon). Broers kunnen samen onze
vader  zeggen.
15. Steeds gaat het van vader op zoon, de zoon als degene om wie het de vader begonnen is. Het geheime begin van Abraham (God roept) blijkt op het einde aan het werk. Uit wie verwekt geworden is. (Zie boven, opmerking 8. G-d doet.)
16. (Waarom G-d? In de Joodse traditie is men zeer terughoudend met het spreken over God. Dat gaat terug op alle eerbied voor de naam van God. In meer orthodoxe kringen geeft men dit aan door het weglaten van de klinker. Je kunt dan niet gewoon doorlezen alsof er niets aan de hand is.)
17. Hoe doet G-d dit? Hoe kan Hij iets doen? Daar zal nu over verteld worden. Het begint met Jozef.
18. In het hebreeuws hebben de cijfers ook een letterwaarde. (Een werkstuk wordt ook vaak verdeeld in 1 a, b en c. De letters a, b en c hebben dan de betekenis van 1, 2 en 3.) De hebreeuwse naam David schrijf je in het hebreeuws - zoals alle hebreeuwse woorden - zonder klinkers. David schrijft men DWD. De letter D (na de a, b en de g) is 4; de W(aw) is de zesde letter. De naam David is derhalve gelijk aan het cijfer 14. Drie keer veertien: wat komen gaat is drie keer DWD, David.
19. Al de namen die Mattheüs in de eerste 16 regels van zijn tekst noeMattheüs vatten voor wie er van weet de Tenach samen. Voor veel lezers van nu betekent dit, dat er nog veel te studeren is. Maar let wel: je hoeft niet alles in een keer te weten en je kunt niet alles in een keer leren. Elke afstand overbrugt men stap voor stap. De namen uit Mattheüs 1,2 bijvoorbeeld vatten het hele boek Genesis samen. Dat is dan eventueel om mee te beginnen. En voorlopig, na enige globale eerste kennis, kun je best zeggen:’Dit slaan we even over.’ Het blijft dan nog een witte plek (is niet: blinde vlek). Verderop wordt die ingevuld. Methodisch is dit een goede manier. Het gaat over teksten en teksten lopen niet weg.
20. Hetzelfde is anders. Voorlopig zijn we dus helemaal niet meer bezig met: ‘Wat kun je op de basisschool wanneer Kerstmis koMattheüs?' Vooralsnog bekijken we eerst eens nader het materiaal.
Wil je een leeshulpje? Beantwoord dan de volgende vragen zo kort mogelijk.
1. Welk woord vind je in Mattheüs 1,1 en 18? (Dit verschijnsel is gangbaar is de bijb.lit.: een tekstgedeelte wordt begonnen en afgesloten met hetzelfde woord. Dit verschijn­sel heet inclusio. Zijn we het bij Mattheüs al eerder tegengeko­men?
2. Wat maken de namen van Mattheüs 1 de gemiddelde lezer van vandaag duidelijk? Is daar iets aan te doen?
3. Welke omschrijving wordt boven bij ‘namen’ gegeven?
4. Wat is het verschil tussen ‘een witte plek’ en ‘een blinde vlek’?
5. Wanneer gebruikt Mattheüs. het woord ‘broers’?
6. Wat doet Mattheüs met het woord ‘verwekken’?
7. Welke betekenis heeft in de bijbel de lijdende vorm vaak?
8. Waarom schrijven sommigen ‘G-d’?
 

 

Mattheüs 1,18-25 

18. Van Jezus Christus was de genesis aldus:
Nadat zijn moeder Maria verloofd was met Jozef,
voor hun samengaan werd zij gevonden
in haar schoot hebbend uit heilige geest.
19. Jozef haar man,
omdat hij een rechtvaardige was
en haar niet te kijk wilde zetten,
besloot in het geheim haar weg te sturen.
1. Alleen hier gebruikt Mattheüs het woord dat hier met verloofd zijn vertaald is. Het gaat om een eenmalige verhouding in de tekst.
2. Let wel: aan de orde is een kind dat van hemelswege te wereld koMattheüs. Hoe dat moet? God mag het weten. Hoe kan de hemel op aarde vrucht dragen? Ofwel: hoe kan de hemel op aarde iets klaar krijgen? 
3. Jozef heet een rechtvaardige. Wat is een rechtvaardige? In het nederland hebben we daar omschrijvingen voor. Maar je zult nooit op de bijbelse betekenis van het woord rechtvaardige komen. Het is de vertaling van dikaios (gr), de vertaling die de LXX gebruikt voor het hebreeuwse tsaddiek. Een tsaddiek staat tegenover een rasja, een afbreker, ondermijner. Zie Psalm 1. Een tsaddiek is een bewaarder. Wat bewaart hij of zij dan? Hij/zij bewaart het woord, de Torah. Door de bewaarder kan Gods woord op aarde geschieden. [Jozef is volgens de traditie timmerman: hij timmert aan de weg van het woord!] 
4. Uit heilige geest. Het wantrouwen van velen van vandaag tegenover deze woorden is goed. Daarmee verplaatst de lezer zich perfect in de rol van Jozef. Die besluit immers, Maria - zij heet al zijn moeder - in het geheim weg te zenden! Als de lezer zich verplaatst in de rol van Jozef, dan zal hij/zij als rechtvaardige het woord moeten bewaren, zich houden aan, zelfs houden van de tekst.
            Overigens: voor geest moet je altijd terug naar Gen 1,2: dat hemel en aarde toch één zijn, dat je toch mag zeggen hemel en aarde. Het gaat daarbij om de geldigheid van het zeer onderschatte verbindingsteken/woordje en.
 5. Hier snijdt de tekst al voor de eerste keer het thema van de scheiding aan. De meesten zijn heel snel geneigd dit te verstaan in de zin van de huidige burgerlijke wet. Maar let wel: hier gaat het over een verbinding die iets/alles laat zien van hemel én aarde. (Zie eventueel: J.Engelen, Mattheüs 1-4, Kampen 1981, pp.20-24.) Het gaat hier over hét Verbond.
 6. De lezer die het besluit van Jozef mist zal de rest van de tekst ook niet kunnen volgen.
 20. Terwijl hij dit van plan was,
zie,
een bode van de Heer liet zich
op de wijze van een droom aan hem zien,
zeggend:
Jozef, zoon van David,
vrees niet tot je te nemen Maria je vrouw,
want het in haar verwekte is uit heilige geest.
21. Zij zal een zoon baren
en jij zult zijn naam roepen Jezus,
want deze zal redden zijn volk van hun zonden.
22. Maar dit geheel is geschied
opdat vervuld wordt het woord van de Heer die spreekt door de profeet:
23. Zie,
het meisje zal hebben in de schoot
en zij zal een zoon baren
en zij zullen zijn naam roepen Immanuël,
dat vertaald is: te midden van ons God.
 7. Wat Jozef in 19 wil, doet hij in 24 niet omwille van hetgeen verteld wordt in 20-23. Hij droomt. Hoe een Jozef dromen kan weten wij uit Gen 37v. 
8. Bode/engel. In het grieks: aggelos, boodschapper. Het grieks en het hebreeuws hebben één woord, waar de latijnse vertaling onderscheid ging maken tussen een bode horizontaal (nuntius) en een engel verticaal (angelus). Bijbels gesproken bestaat dit verschil niet. Een bode is een bode, een soort PTT. Hij heeft een aggèlion, een boodschap of bericht, hij komt iets berichten, een en al verhaal. Als het een goed bericht is, heet dat een eu-aggèlion. Daar is evangelie van afgeleid, het goede verhaal. 
9. De hemel is de eerste plaats die het evangelie volgens Mattheüs noemt. De hemel is de plaats van God; de aarde is de plaats van de mensen. Zie Ps 115,16.
 10. De bode die zich laat zien geeft te horen. Daar komen woorden aan te pas, tot en met de profeet toe.  
11. Een man, een vrouw, een kind: de tekst lijkt geschreven naast Exodus 2.
12. Uit heilige geest. Wat de lezer reeds weet dank zij de goede engel (e­vangelist) - de lezer weet vaak meer dan degene over wie hij/zij leest! - krijgt Jozef nu te horen. Wat betekent dit? Wat gaat er nu beginnen? Dat zal Jozef, als hij een goed hoorder (n.b: bewaarder) is, moeten uitleggen. Daartoe wordt hij in dienst van de hemel genomen. Hij zal zich laten gezeggen. Hij zal de NAAM roepen. Die naam doet er toe, stelt wat voor, lijkt TORA uitgelegd door de profeet!
 13. De uitleg is: God redt. Dat is bekend uit het exodus-complex, als God door de bevrijding uit de slavernij zijn visite­kaartje op tafel legt: iemand die redt, die vrij maakt. Aan die uitleg wordt toegevoegd:’Van zonde'. Zonde is het enige dat ‘niet goed' is, ‘doen alsof je alleen bent' (zie Gen 1,18). Zonde is dus dat wat het verbond in gevaar brengt, opheft, ontkent, op het spel zet. Het vergeven van zonde is het herstellen van het verbond, het verbond weer nieuw, als nieuw maken. Daarom: Nieuwe Verbond is Vernieuwde Verbond. De Tenach staat daar bol van!
24. Toen Jozef was opgestaan uit de slaap
deed hij zoals de bode van de Heer hem opgedragen had
en hij nam zijn vrouw
25. en hij kende haar niet totdat zij een zoon had gebaard
en hij riep zijn naam Jezus.
14. Het werkwoord opstaan reikt tot het einde van het evangelie. Bijbels gesproken sta je nooit zo maar op. Je staat altijd op om iets te gaan doen. Daarom mag je hier ‘gespannen' vragen:’Wat gaat Jozef doen?' 
15. Jozef gaat doen wat hij gehoord heeft. Voor horen, zie Deut 6,4. Uit wat hij doet, blijkt Jozef iemand die bewaart. Daarom is Mattheüs 1,24 volstrekt niet overbodig: hij doet zoals hij gehoord heeft, houdt zich aan het woord dat hij gekregen heeft, geeft dat woord door het roepen van de naam.
Wie wij kennen als Jezus is volgens Mattheüs zo door Jozef in 's hemelsnaam geroepen.
 16. Immanuël is een hebreeuwse naam. Imm/te midden van; anoe/ons eel, afgeleid van elohiem/God. Dit woord, helemaal aan het begin van het evangelie volgens Mattheüs, wordt aan het einde van het evangelie, anders geschreven, hernomen: ‘Ik ben te midden van jullie'.
 17. Zij zullen roepen: wie zijn zij? Die vraag blijft liggen tot het einde van het evangelie.
 18. Door wat Jozef doet wordt Jezus geboren in het huis van David, te midden van al die namen die Mattheüs 1,1-17 noemt. Het zou een beslissend verhaal gaan worden over G-D REDT, over pleisters op de wonden en het helen van breuken, het oprichten van wie door slavendrijvers in de klei vertrapt wordt. De lezer kan alleen maar benieuwd zijn. Wat hier gezegd wordt is vooralsnog enkel toezegging, belofte. Het moet nog geschieden. Hier is de naam nog roeping: daar is verwachting geïnvesteerd.
 19. Jezus. De naam ons zo vertrouwd. Het is een verlatinisering, afgeleid van de griekse vertaling, Dat grieks was Jèsoes, een weergave van het hebreeuwse Jesjoea/Josjoea/Jozua/Jehosjoea. Zie Jozua 1 en Num 13,16.
 

Wil je samenvatten? Hier enkele vragen.

Wat betekent Immanuël?

Waarvan is de naam Jezus afgeleid.

Wat is zonde?

Aan welk verhaal dien je als eerste te denken wanneer het gaat over ‘God redt'.

Geef enkele eerste regels bij het woord ‘naam'.

Leg het bijbelse woord ‘rechtvaardige' uit.

 

 

 

Mattheüs 2: Tijd en plaats.

2.1. Als nu Jezus verwekt geworden was
in Betlehem van Judea
in de dagen van Herodes de koning
zie
wijzen uit het oosten kwamen te Jerusalem
2. zeggend:
Waar is de koning der Joden die geboren is?
Want wij hebben zijn ster gezien in het oosten gezien
en wij zijn gekomen om hem te eren.
1. Verwekt geworden was: een complete samenvatting en herhaling van Mattheüs.1.
2. Twee plaatsnamen. Beeth-lechem  naast, blijken zal tegenover Jerusjalaiem. Als je zegt Bethlehem, welke naam heb je dan ook genoemd? Wie Beeth-lechem zegt, zegt ook Jerusjalaiem. Beeth-lechem de stad van David. En het lijkt er op, dat Jerusalem aan zijn afkomst herinnerd moet worden. Van Bethlehem tot Jerusalem gaat het verhaal over koning David. Zo zal na het verhaal van Mattheüs ook over het onderwerp van het evangelie gesproken moeten worden. Bethlehem roept om David. Welke naam roept Jerusalem dan? Wat is er met het Jerusalem van Herodes aan de hand? Hoe zit het met ‘koning' Herodes?
 3. Alleen hier staat 2 keer koning Herodes. Zie 2,7.12.13. Blijkbaar wil Mattheüs hier het woord koning laten zien. Door koning die geboren is krijgt hij koning tegenover koning. Dat levert een vraag op, simpel: Wie is de echte koning?
4. Ster: zie Numeri 24,17. Maar let er vooral op, waar de ster zijn lezer wil hebben!
 5. Tegen het decor in de aanhef van Mattheüs 2,1 geschiedt iets nieuws: daar komen de wijzen, mét hun merkwaardige vraag. Hoezo merkwaardig? Hun vraag met ‘koning der Joden' komt uiteindelijk als opschrift boven het kruis.
 6. Uit het oosten. Zij vragen naar de ‘koning der Joden'. Als zij Joden waren geweest, hadden ze naar ‘onze koning' gevraagd. Uit hun vraag blijkt, dat zij vreemdelingen in Jerusalem zijn.
Als wij (de lezers) ons in Mattheüs 1 vreemdelingen voelden, kunnen we hier achter de wijzen aangaan. Zij zijn achter een ster aangegaan. Wat wil die ster? Waartoe, om ons wat te laten zien, neemt Mattheüs een ster in dienst? We horen:’koning der Joden'.
 7. Als koning eren vinden we in de bijbel voor het eerst in de geschiedenis van Jozef en zijn broers: Genesis 37,10.
2,3. Als koning Herodes het hoorde
schrok hij en heel Jerusalem met hem;
4. en hij vergaderde al de overpriesters en
schriftgeleerden van het volk
en hij trachtte van hen te weten te komen
waar de Christus verwekt zou worden.
5. Zij zeiden hem:
in Bethlehem van Judea
want zo is geschreven door de profeet:
6. en jij Bethlehem van Judea
geenszins ben jij de minste uit de leidslieden van Judea,
want uit jou zal de leidsman voortkomen
die mijn volk Israël zal hoeden.
8. Om wat zij zeggen schrikt hij. Waarom? En waarom schrikt "heel Jerusalem met hem"? Wat is er met Jerusalem gaande dat het schrikt?
9. De vergadering van de overpriesters en schriftgeleerden van het volk koMattheüs na deze tekst pas weer in 26,3 bij elkaar. Daar begint het lijdensverhaal. Of begint dat hier al? Wat heeft het een met het ander te maken?
10. David is die leidsman uit Bethlehem. Denk aan "Zoon van David". De eerste die met name zo genoemd wordt is Jozef. Hij is een ‘bewaarder'.
 11. De wijzen (ster) geven de tijd; het boek geeft de plaats.
 12. In de profetentekst neemt God het initiatief m.b.t. ‘mijn volk'. Daarop neemt nu Herodes zijn initiatief ‘in het geheim'.

 

De plaats, de ster, het kind.

2,7. Dan roept Herodes in het geheim de wijzen
en hij tracht van hen nauwkeurig te weten
de tijd dat de ster heeft geschenen;
8. en hij zendt hen naar Bethlehem en zegt:
gaat en doet nauwkeurig navraag naar het kind
en wanneer jullie het gevonden hebben, boodschapt het mij
opdat ook ik kom om hem te aanbidden.
9. En nadat zij de koning gehoord hebben gaan ze heen.
En zie: de ster die zij in het oosten hebben gezien gaat voor hen uit
totdat hij kwomt en staat boven waar het kind is.
10. Bij het zien van de ster verblijden ze zich met grote blijdschap
11. en ze komen in het huis en zien het kind met Maria zijn moeder,
en ze vallen neer en aanbidden hem
en zij openen hun schatten en brengen hem geschenken:
goud, wierook en mirre
12. En in een droom gewaarschuwd niet terug te keren naar Herodes
wijken zij uit langs een andere weg, naar hun huis.
 1. In het geheim, bij Mattheüs maar twee keer voor. In het evangelie volgens Mattheüs zijn er slechts twee die iets in het geheim (willen) doen. De ‘rechtvaardige Jozef' en Herodes worden door het ‘heimelijke' van wat zij willen naast elkaar gezet. Wat zij willen - ‘weg met die vrouw', ‘weg met dat kind',  in het geheim, zal op het einde van het evangelie openlijk, in het openbaar, officieel, ten aanschouwe van iedereen gebeuren! Jozef en Herodes willen beiden het verhaal niet door laten gaan. Ze willen er een einde aan maken. Het moet maar uit zijn! Dat zal men aan het einde van het evangelie ook trachten. Maar ook dan komt er de wonderlijke, bijbels gesproken bekende wending als begin van een nieuw verhaal. Als de vergadering in hoofdstuk 26 van Mattheüs weer bij elkaar komt als decor voor het lijdens- en het verrrijzenisverhaal.
leesaanwijzing
 2. De ster gaat weer voor hen uit. Waar is zij intussen gebleven? Welke donkere wolk hangt er boven Jerusalem dat men uitgerekend daar, in het Jerusalem waar de Schriften vol van staan en waar alle verhalen bewaard worden de ster niet ziet staan?
 3. Over de ster is nogal wat te doen geweest: echt? niet-echt? een visioen? waar? wanneer? hoezo? buiten-bijbelse berichten? een komeet? enz. Beter lijkt het, je door de ster mee te laten nemen om te zien waartoe Mattheüs. deze ster ‘in dienst genomen heeft'. Waarheen wil die ster de lezer/toehoorder brengen. Aldus brengt de tekst de lezer evenals de wijze naar waar hij hen hebben wil, bij het kind.
 4. Het gaat goed met het verhaal zou men naïef mogen denken. Waar de wijzen toe komen, om te aanbidden, dat wil Herodes ook. Zie hoe nauwkeurig hij navraag doet naar de tijd. Als je verderop ziet waartoe die tijd bepalend is (‘van vier jaar en jonger'), dan zal de schrik je om het hart slaan!
 5. Goud voor de koning; wierook voor de tempel; en mirre? In het evangelie vindt je de mirre nog een keer, in hoofdstuk 26. Het is daar een rekwisiet in de handen van een vrouw. Jezus geeft - bij alle verontwaardiging van de leerlin­gen - een zeer opmerkelijke uitleg van het enige dat bij Mattheüs goede werk heet. ‘Met het oog op mijn begrafenis!'
 6. Als je let op de elementen van het verhaal, dan heeft deze tekst meer van voorbereidend ‘einde van het evangelie' dan van de sfeer die ‘Drie koningen zagen een sterre' suggereert. Welke elementen komen daarvoor in aanmerking?
7. Langs een andere weg terug. Een geliefd traditioneel commentaar luidt hier: als je dit kind gezien hebt kun je niet meer langs dezelfde weg terug.

 

 Naar Egypte - uit Egypte.

2,13. Na hun uitwijken
zie
een bode van de Heer laat zich in een droom zien aan Jozef zeggend
sta op,
neem het kind en zijn moeder tot je
en vlucht naar Egypte en ben daar tot ik het je zeggen zal
want Herodes zal het kind zoekenom het te doden.
14. Hij dan, opgestaan, neemt het kind en zijn moeder tot zich in de nacht
en wijkt uit naar Egypte.
1. Deze twee verzen horen bijeen door het woord uitwijken. In het ‘uitwij­ken' wordt Egypte naar voren geschoven.  
2. Uitwijken. Zie: 2,12.13.14.22. Zo ook: 4,12; 12,15; 14,13; 15,21. Het woord speelt in de tekst wanneer Jezus gevaar loopt. Dan is er steeds een ‘uitwijken' totdat Jezus naar Jerusalem gaat.
            De tekst weet zeer wel van zijn onderwerp: eerst ‘het kind', daarna pas ‘zijn moeder'.
3. Egypte van de slavernij wordt de veilige plaats; Jerusalem, stad van vrede, is de plaats van de dreiging geworden. Zie Apoc.11,18: ‘De grote Stad die 'geestelijk' Sodom en Egypte wordt genoemd. (Sodom, Gen 18, de stad van de ongastvrijheid; Egypte van de slavernij die mensen ontkent). Het evangelie begint bij een Jerusalem dat alles wat Jerusalem tot Jerusalem maakt vergeten is, omgekeerd.
 
2,15. En hij is daar tot het einde van Herodes,
opdat vervuld zou worden wat de Heer gesproken heeft
door de profeet die zegt:
Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen.
16. Dan wordt Herodes, ziende dat hij door de wijzen is bespot, woedend
en weggezonden hebbend brengt hij alle kinderen om
in Bethlehem en in alle grensgebieden, van twee jaar en daaronder,
overeenkomstig de tijd die hij van de wijzen te weten is gekomen.
17. Dan wordt vervuld wat gesproken is door de profeet Jeremia die zegt:
18. Een stem wordt te Rama gehoord,
wenen en veel klagen:
Rachel beweent haar kinderen
en zij wil niet getroost worden omdat ze er niet meer zijn.
19 Als Herodes nu aan zijn einde gekomen is,
zie,
de bode van de Heer liet zich in een droom
aan Jozef in Egypte zien, zeggend:
20. Sta op,
neem het kind en zijn moeder tot je
en ga naar het land Israël;
want degenen die de ziel van het kind zochten zijn gestorven.
21. Hij dan stond op en nam het kind en zijn moeder tot zich
en ging naar het land Israël.
22. Maar horend dat Archalaüs koning is over Judea
in plaats van zijn vader Herodes
vreest hij daarheen te gaan.
Daartoe in de droom opgedragen
wijkt hij uit naar het grensgebied van Galilea.
23. En hij komt hij gaat wonen in een stad, Nazareth genaamd,
opdat vervuld wordt wat gesproken wordt door de profeten:
Nazoreeër zal hij geroepen worden.
 
3. Uit Egypte geroepen. Een citaat uit de profeet Hosea (11,1). Die naam wordt evenwel niet genoemd. Zie ook Exodus 4,22. Uit Egypte geroepen: de Messias overkomt de geschiedenis van het volk. Wanneer de synagoge de bevrijding uit Egypte gedenkt, dan is dit ook een verhaal voor dit kind. (Ieder in de synagoge bid iedere morgen Ex.15, alsof men zojuist door de Rode Zee is gegaan, aan de dood (slaap) ontkomen en opgestaan. Het paasverhaal dient ieder jaar aan de paastafel zo verteld te worden, dat ieder weet, dat ook hij of zij uit Egypte bevrijd is!)
 4. Herodes bespot: tegenover de aanbidding van de ware koning, de bespotting van de valse koning.
 5. Voor de bepaling van tijd: zie boven 6.2.4.
 6. Pas in 2,17 wordt de naam van de profeet genoemd: Jeremia. Jeremia, de kroongetuige van de verwoesting van Jerusalem is de enige profeten naam die in deze geschiedenis klinkt. Hij is in Egypte geweest en zal met de ballingen de tocht naar Babylon meemaken.
7. Rama ligt langs de weg die de Ballingen naar Babylon gingen. Rachel is de moeder van Jozef en Benjamin. Zij sterft bij de geboorte van Benjamin in Efrata - een plekje direct tegen Bethlehem aan. Zie Gen 35,16-18. Vgl: ‘O Kerstnacht schoner dan de dagen’ uit de Gijsbrecht van Vondel.
 8. Troosten, vgl Mattheüs 5,3. De Trooster is de Geest, Zie Joh 14,16v; 16,7.13. Denk ook aan Gen 1,1-2. De geest geeft aan dat ‘de aarde toch niet alleen’ is, dat het verhaal toch verder gaat. Zie GO p.24v. Rachel weigert zich te laten troosten. Toch: vóór en achter de kinderen van Bethlehem die Rachel beweent wordt gesproken over moeder en kind. Mattheüs 2,18 = Jer 31,15.
            Rachel wil zo graag kinderen maar krijg ze vooralsnog heel lang niet. Zij wordt uiteindelijk moeder van Jozef en Benjamin. Toch ziet de joodse traditie haar als een van de aartsmoeders van Israël. De laatste stamvader van de 12 stammen is haar kind. Op het gebied dat zijn naam (en voor een klein deel die van Juda) draagt is de tempel gebouwd.
Wanneer mensen lijden zal er geen sprake zijn van enig verschil tussen verwanten en vreemden. Zij zal over hen allen wenen, hun verlorenheid op zich nemen en hen verzekeren van haar hulp (Jer 31,15). Haar graf zal zo een teken zijn dat er een einde zal komen aan de tijden van moeilijkheden en angst. Dat zal het blijven tot aan het einde van de ballingschap en, volgens sommige wijzen, tot aan de verrijzenis van de doden toe.
  De Zohar (Joodse mystiek, 13 eeuw) vraagt: 'Wanneer de Messias komt, waar zal hij gaan? De Schrift antwoordt:'Langs een weg' (Deut 22,6), dat is een toespeling op het graf van Rachel dat zich bevindt bij de tweesprong van de wegen'. De Messias, zo voegt hij er aan toe, 'zal haar troosten. Zij wil niet getroost worden door de Heilige, Hij zij geprezen, maar zij zal de troost ontvangen van de Messias; ze zal opstaan en hem omhelzen. Dan zal het licht gaan schijnen over de wereld, te beginnen bij de stad Jericho'... 'De Messias', zegt Levinas, 'is de rechtvaardige die lijdt, die het lijden van anderen op zich genomen heeft'. Dit is bij Rachel het geval. Zij is ontroost­baar om het leed van haar kinderen en zij accepteert alleen maar de troost van de Messias zelf. C.CHALIER, De Aartsmoeders, Hilversum 1987, p.189v.
 9. NAAR HET LAND Israël! Eindelijk koMattheüs het land waar het na de bevrijding uit de slavernij en bij het terugkeren uit de Ballingschap om begonnen is binnen bereik!
10. Roepen: jij (1,21); zij (1,23); hij zal worden (2,23)
11. Welke profeten worden hier geciteerd? Geen. Maar! 'Het hebreeuws schrijft alleen de medeklinkers. In het medeklinkerbe­stand zijn natsor en netser hetzelfde. Daarmee koMattheüs Jes 11,1 binnen bereik.
            Op de aangegeven plaats spreekt Jesaja over de roos van Jesse, het rijsje, de scheut aan de oude stam. Daarnaast vraagt het in het hebreeuws geen moeite, koMattheüs het ook vaker voor, dat de letters Jota en Waw op elkaars plaatsen staan. Natsor/Nazarener en Natsir/’iemand die de naziraatsgelofte heeft afgelegd'. De aandacht gaat dan in de richting van het zonnekind van Manoachs vrouw. Sjemesj/zon: Simson (Richt.13). Het boek Richteren hoort bij de profeten. Zo staat er in de tekst van Mattheüs terecht een meervoud.’ (J.E. Mattheüs 1-4, Kampen 1981, p.48.)
Nu pas is Mattheüs zo ver, dat hij zijn verhaal kan laten beginnen bij de Jordaan. In Mattheüs.1 & 2 is heel de Schrift gemobili­seerd: Mozes en de Profeten, Egypte en de Ballingschap.

 

Mattheüs 1-2 is nu niet meer op de eerste plaats een illustratie van ‘onze gevoelig­heid' die elk jaar met Kerstmis blijkt. Het is het begin van het evangelie, vertelt over de verschijning des Heren, over hoe hij over wie het een evangelie lang zal gaan, in ons midden een verhaal is geworden - ons midden, onze ‘band'. van de kerk. Dat verhaal begint met Mattheüs 1 en 2.        

 

Zo je wilt: op naar Lukas