Preken gehouden in de kerk van Sint Jan de Doper te Amsterdam

Preken 2009-2010 C-jaar
Preken 2010-2011 A-jaar

Reakties op de teksten zijn altijd welkom bij
janengelen#planet.nl. (Vervang # door @).

Het heeft geen zin een preektekst te lezen wanneer je niet eerst de daarbij horende bijbelteksten gelezen hebt.

De Sint Jan de Doper vindt U Pastorie : Poeldijkstraat 8, 1059 VM Amsterdam.
De Poeldijkstraat is een zijstraat van de Heemstedestraat, ter hoogte van de Ringbaan. Het is een kleine litugische gemeenschap. We proberen zoveel mogelijk samen te doen.
Onze vieringen zijn op zondag om 10.30.
U zult merken dat U van harte welkom bent.

Als U uit de stad komt met tram 2: de eerste halte na het Hoofddorpplein.


29e zondag door het jaar - 21 oktober 2012 - Sint Jan de Doper, Amsterdam
Jesaja 53, 10-11; Marcus 10, 35-45
Begrijpen is een merkwaardig woord. De dikke Van Dale zegt er over: iets met het verstand vatten, de aard, betekenis, het gevolg van iets, het karakter, enz. van iemand zich in de geest naar waarheid voorstellen. Ik hoor verstand en geest. Het heeft dus te maken met onze bovenkamer en met onze zintuigen, ons begrip. En dan zijn we weer bij begrijpen. "Niet begrijpen" is geen touw kunnen vastknopen aan. Dan kun je iets dus niet meenemen, meeslepen. Dan trek je het niet. Zolang de mens kan denken - wat dat ook zou mogen zijn - zolang is duidelijk dat wij maar weinig begrijpen van ons leven. In minstens twee soorten ervaringen beleef je dat niet begrijpen: in je verdriet en in je vreugde. In beide situaties onttrekt onze ervaring zich aan ons begrip. Precies dat soort ervaringen worden voortdurend vertolkt in de Bijbelse literatuur.


Neem de eerste lezing van vandaag. Jesaja 53. Israël, Balling in Babylon, begint zich langzaam te hernemen. Er is uitzicht op een mogelijke terugkeer naar het land dat de beloften draagt. Maar steeds blijft die vraag, hoe het eigenlijk allemaal mogelijk was. Hoe is de ballingschap mogelijk! Hoe kan God zijn volk, zijn Dienaar verlaten! En ook: hoe is het mogelijk dat deze Dienaar het buitensporige lijden op zich neemt en de mateloosheid, de onbegrijpelijke verlatenheid draagt! Door zijn zwoegen zal mijn rechtvaardige dienaar velen rechtvaardigen. Door zijn lijden op zich te nemen neemt hij het voor allen op. Is dat een troost? Kun je daarmee dragen wat je pijn doet, wat je ongelukkig maakt. Het lijkt er op dat een mens vaak geen keuze heeft, geen andere keuze dan zijn leven op zich te nemen. Het komt zoals het komt en we proberen er wat van te maken. Jesaja zegt dan: je bent de enige niet en je weet niet waar het goed voor is. In jouw opgericht gaan neem je anderen mee.

Met dit soort overwegingen komen we op de drempel van het verhaal dat Marcus vandaag voor ons heeft. Een ontroerend, leerzaam verhaal waarin alles wat je begrijpt tegelijk ook onbegrijpelijk is en omgekeerd. Ook wat je niet snapt herken je. Een verhaal dus om in te stappen.
Daar komen Jacobus en Johannes, twee van de leerlingen. Meester, wij willen dat je voor ons doet wat wij je vragen. Dit zijn dus heel moderne, uit de kluiten gewassen leerlingen. In het moderne onderwijs staat immers de leerling centraal. Jezus gaat in op hun vraag. Wat willen jullie dan? En dan komen die jongens met heel hun ambitie: Als het zover is, in je glorie, laat de een van ons dan rechts van je zitten en dan ander links. Minister van binnenlandse en minister van buitenlandse zaken willen ze worden.
De rechter en de linkerzijde in het evangelie zijn wel bekend (Marcus 15,27). En met hem kruisigden zij twee rovers, één aan zijn rechterzijde en één aan zijn linkerzijde. Zij konden het natuurlijk niet weten. Geen mens kan trouwens bedenken wat komen gaat, hoe alles vragend het leven is. Hoe hebben die zonen van Zebedeüs het gedurfd om met deze vraag te komen? We voelen de verontwaardiging van de anderen leerlingen. Ben je dan in staat om van de beker te drinken, mee te sterven? Zij weten van niks, maar dat lijkt hun geen probleem. En inderdaad, gedoopt worden is mee sterven met Hem.
Maar heel die uitleg lijkt aan de andere tien voorbij te gaan. Boos zijn ze. Ze hadden natuurlijk hetzelfde willen vragen maar … durfden dat niet. Zou het zo zijn? Maar in die collectieve woede geeft Jezus de les voor vandaag. Zoals het in de wereld toegaat: macht, gezag, ijzeren vuist, misbruik van macht - dat alles speelt in de droom van Jezus, de manier waarop hij ziet dat God koning is - uw koninkrijk kome - geen rol. Jezus portretteert heel scherp hoe hij de mensenzoon, het mensenkind, ieder mensenkind en ook zichzelf ziet: kind van Adam, mensenkind, mensenzoon. De Mensenzoon is niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen. Zijn leven is: Tot je dienst. Aan die opmerking, aan dit merk, herkennen wij hem, - en ieder ander in zijn spoor. Moge dat zo zijn.


 

5 augustus 2012 - 18e zondag door het jaar
Sint Jan de Doper Amsterdam

Exodus 16, 2-4.12-15; Johannes 6, 24-35

Als je het verhaal uit de eerste lezing van vandaag gaan filmen dan ben je veel tijd aan de voorbereiding kwijt. Midden in de woestijn. Afgeleefd en afgepeigerd het volk. En dat zou dan over vrijheid en bevrijding gaan! Had ons maar gewoon thuis gelaten! En: Je hebt ons naar de woestijn gebracht om ons van de honger te laten omkomen. Het is een beeld van ontluistering waar de honden geen brood van lusten. En dan de woede waarmee ze zich tegen Mozes richten. Maar, interessant: Mozes hoeft zich niet te verdedigen. God grijpt zelf in. Hij zal het laten regenen. (Regen, voor sommige rabbijnen een beeld van verrijzenis.) Iedere dag zal er voldoende zijn voor iedereen. Brood zal het regenen. Vlees zul je eten. Maar hoe arm moet je zijn om daar in te geloven? Je kunt het je niet voorstellen. Dat hoeft dan ook niet. Er zijn andere zaken mogelijk - zegt de tekst.
En ze zeggen: Wat is dat? Man-hoe? Wat is dat. Daar is manna van afgeleid. Wat is dat. In de woestijn leef je kennelijk van vragen.

Vorige week hadden we het verhaal over de vijf broden en de twee vissen. Twaalf korven bleven over. Ze wilde Jezus meteen tot koning maken, maar hij trekt zich terug in de bergen, alleen. Dan slaat de liturgische lezing weer een paar regels over. Dat zijn duistere regels. Nacht op zee. Duister. Storm. De leerlingen roeien wat ze kunnen. Ze zien Jezus over de zee gaan. Vreest niet. Ze willen hem aan boord nemen, ze willen hem hebben, en terstond bereikt het schip de wal. Duistere regels. Vorige week zei ik het ook al: aan de overkant. Het onttrekt zich aan wat wij voor ogen zouden kunnen hebben. Hoe kom je door de vast en zekere honger heen? Hoe kom je over de zee? Hoe kom je over de dood heen?
In Kfar Nachoem, het dorp van de troost, het dorp van "niet-alleen", daar vinden de mensen Jezus. Rabbi, hoe ben je hier gekomen? Hij zegt: jullie zoeken me niet omwille van de tekenen. Tekenen: dat wat zál geschieden. Denk aan: Gij zult een teken zien, een kind in doeken gewikkeld. Zij willen brood dat de honger stilt. Wij willen enkel het onmiddellijke. Maar het gaat om het voedsel dat blijft en dat, zo zegt Jezus, de Mensenzoon je zal geven. Op Hem heeft de Vader, God zelf, zijn zegel gedrukt. Mensenzoon. Mens. Adaam. Kind van Adaam. Dat is toch om te beginnen Abel, het eerste slachtoffer. De mensenzoon zal ons voedsel geven. Al eerder is in het Johannes-evangelie door Jezus gezegd: "mijn spijs is het de wil van de Vader te doen. "Wat moeten we daar dan voor doen? Vertrouwen te hebben in degene die God gezonden heeft. Maar welk teken laat jij dan zien dat wij in jou vertrouwen zouden kunnen en moeten hebben? Hoe zal in jouw leven blijken dat je het zegel van de Vader draagt, dat jouw leven en jouw weg betrouwbaar zijn? Het manna was betrouwbaar. Het heeft ons 40 jaar door de woestijn gebracht. Maar wat weten we van jouw betrouwbaarheid? Hoe kunnen we dat vertrouwen en daarop bouwen. Het echt brood uit de hemel geeft mijn vader jullie. Het echte brood is hij die het leven aan de wereld geeft.
Hij neemt de zonden op zich. Hij draagt de zonde van de broedermoord naar Jerusalem. Hij draagt de last daarvan tot op het kruis. Dat is zijn weg. Zijn betrouwbare weg. De weg die de Vader bezegelt.
Wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben. Daarom zijn wij hier. Wij stellen op hem ons vertrouwen, wij willen van zijn woorden leren en voeden ons aan zijn trouw.
Moge God met ons zijn.


 

17e zondag door het jaar zondag 29 juli 2012 Sint Jan de Doper Amsterdam
2 Koningen 4, 42-44; Johannes 6, 1-15

Het is dus rond Pasen. Het land geeft zijn eerste vruchten. Als blijk van dank en geloofsbelijdenis wordt iets van de eerste oogst naar de tempel of naar de priester gebracht. Paasbrood. Elisa zegt: geef dit aan de mannen te eten. Twintig kleine, op een vuurplaat gedroogde pannenkoeken voor honderd man. Dat is toch niks. Maar Elisa denkt daar anders over. Verder leven is blijkbaar niet alleen het resultaat van rekenwerk. Elisa zegt: geef het maar. Dat gebeurt en er blijft nog over. Het kan ook anders gaan. Daar zijn verhalen voor. Echt weinig kan ruim voldoende zijn.
In het Markus-evangelie waren we vorige week zo ver dat we vandaag het verhaal van de wonderlijke vermenigvuldiging van het brood zouden krijgen. De mensen die het leesrooster maken zijn daardoor op het idee gekomen, om datzelfde verhaal te nemen uit het evangelie volgens Johannes. Alsof die verhalen inwisselbaar zijn. Maar we moeten het er mee doen. Vijf weken lang gaan we lezen uit hoofdstuk 6 van Johannes. Voor wie preken mag is dat geen eenvoudige opgave. Dus maar beginnen.
Het verhaal begint met de overkant van de Zee van Galilea. Aardrijkskundig geleerd weten wij dat die Zee geen zee, maar een Meer is. Maar ik wil het niet beter weten dan Johannes. Johannes heeft het over de Zee van Galilea. De zee heeft diep bijbelse wortels, gaat over meer dan aardrijks- of zeekunde. De zee waar alles samengevloeid is in Genesis 1. De zee ook die er volgens de Apocalyps niet meer zal zijn. Zie, ik zie een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, maar de zee is niet meer. De zee is de plaats waar je geen grond meer onder de voeten hebt. Mi manca la terra, zingt iemand in de opera Don Carlos. "Het ontbreekt me aan aarde". Dan weet je dat hij dood zal gaan. Aarde heb je nodig om te kunnen leven, te kunnen gaan en staan. De zee is volstrekt onherbergzaam. Ook de volkeren die zo vaak over het Oude Israël heenvielen worden "de zee" genoemd. Je blijft er in. Over de zee heen vertelt en suggereert meer. Dat is ook over alles wat een mens ont-zetten kan heen. Overzijde.
Een grote menigte volgt hem Ze hebben zijn tekenen gezien. Die Jezus moet toch meer betekenen dan wij mensen in de regel voor elkaar kunnen zijn. Hij gaat de berg op, gaat zitten met zijn leerlingen. Dat wordt iets van leraar en leerlingen. De berg - Mozes! - speelt daarin mee. Er gaat geleerd worden. En dan horen we de tijd. Vlak voor Pasen, pèsach. Wij waren slaven in Egypte en Hij heeft ons bevrijdt. God als bevrijder, als degene die tijd en ruimte heeft voor een mens zodat hij of zij zich kan oprichten en kan gaan staan, zelf staan, zelfstandig.
Jezus slaat zijn ogen op. Nu begint de les. En dan gaat het opeens over iets uitermate praktisch. De leraar bekommert zich om het brood dat er niet zou kunnen zijn voor die menigte. Maar Johannes gooit ook meteen een vleugje roet in het eten. Jezus weet het wel maar hij wil Filippus laten horen. Filippus die zich verderop laten horen wat hem bekommert. Heer, laat ons de vader zien en het is ons genoeg. Filippus ook heeft ons in het begin van het evangelie gebracht naar Nathanael: "God geeft". Over wie Mozes gesproken heeft en de profeten, hem hebben we gevonden, Jezus uit Nazareth. Filippus die dus best op de hoogte is en die zeker respectvol met zijn leven omgaat krijgt in de woestijn de vraag: "Waar vinden we brood voor zoveel mensen". Met andere woorden: "Geef ons heden ons brood voor vandaag, het brood dat we nu nodig hebben." In de woestijn, alsof het de vraag om het manna is, het brood uit de hemel. We zingen dat hier soms: panis angelicus, het brood van de engelen.
Filippus geeft een praktisch antwoord. Het is te weinig. Andreas, de broer van Simon Petrus heeft nog wel die jongen met vijf broodjes en twee vissen, maar dat is toch eigenlijk een lege hand. Maar Jezus doet alsof het niet te kort is. Gras genoeg - in de woestijn. Laat de mensen gaan zitten. En wat we eerder verwachtten toen hij zijn ogen opsloeg - hij laat zijn ogen op, neemt het brood, breekt het - dat gebeurt nu. En er blijft over. Zo zitten wij vanmorgen hier, met wat ons overgebleven is. De Heer die zichzelf geeft als brood voor vandaag. Volgende keer meer.

Moge God met ons zijn.


16e zondag door het jaar 22 juli 2012 Sint Jan de doper Amsterdam
Jeremia 23, 1-6; Marcus 6, 30-34

In 1978 ging ik met een groep katecheten en pastores, Achter Amman, Jordanië, de woestijn in. Voordat we van de weg afgingen moesten we even wachten. Uit de woestijn kwam een stofwolk op pootjes aangedribbeld. Schapen op drift die elkaar verdringen om mee te kunnen. En vooraan liep als een vorst, rechtop, de staf steeds voor zich uit neerzettend de herder. Een vorst.
Jeremia heeft het niet op met de herders. Ze hebben het volk verloren hebben laten lopen. Ze hebben zich niet bekommerd om de gemeenschap. Ze hebben er niet op gelet. Misdaden noemt de profeet dat. God zegt door de profeet: ik let wel op jullie, op al jullie misdaden. Ik zal mijn overgebleven schapen uit alle landen bijeen brengen. En ik stel echte herders aan.
God zal zorgen voor een goede herder. Voor mijn gevoel word ik dan altijd ook meegenomen naar "de zoon van David" die wij iedere zondag bezingen met "Hosanna". Hosjeannah, wees toch eindelijk Hosjea, (Jezus). Die naam betekent: de Heer bevrijdt. (Een vraagje om mee te nemen. Hoe doet hij dat, bevrijden. Als God onze verlosser, bevrijder is, hoe gaat dat dan? Daar kom ik straks op terug.)
Voorlopig lijkt me niet leuk voor veel leiders die wij hebben en kennen: Wee de herders door wie de schapen van mijn kudden omkomen, verloren gaan. De media maken ons tot getuigen van veel te veel ellende.

Ik heb jullie vorige week al gezegd: na het evangelie van de vorige week vertelt Markus het onthutsende verhaal over de verjaardag van koning Herodes. Zijn dochter kiest als koninklijk geschenk het hoofd van Sint Jan de Doper. Daarna komen zijn leerlingen om hem te begraven. Direct daarop vertelt Markus het verhaal van vandaag. De leerlingen die Jezus twee aan twee had uitgestuurd komen terug met hun verhalen over alles wat ze gedaan hebben en wat ze geleerd hebben. De dood van Johannes betekent niet het einde van wat Sint Jan heeft aangekondigd. Toch, het lijkt er op dat Jezus voelt wat hem boven zijn hoofd hangt. Hij zegt: kom, we gaan naar een eigen plaats, een eenzame plaats. Al die mensen. Ze hebben zelfs geen tijd om te eten. - Maar dat is een opmerkelijk concrete vermelding. Geen tijd om te eten. Waarom zegt Markus dat? Waarom hier opeens praten over eten?
De behoefte van het volk blijkt ook onpeilbaar. Terwijl Jezus met zijn leerlingen in een boot oversteekt is het volk om het meer heen gelopen. Aan de overzijde wachten ze, wachten we- Hem op. In het zoeken naar de stilte blijken zij, de velen - de uittocht te herkennen. Velen, democratisch allen, voor allen die willen of zouden durven willen. Als hij vertrekt naar de woestijn, naar de overkant zorgen zij dat ze er al zijn.
Jezus is uit op rust, maar hij blijkt niet teleurgesteld. Hij voelt zich ook niet opgejaagd. Hij voelt medelijden. Waarom voelt hij medelijden? Markus legt dat uit. Omdat ze als schapen zijn die geen herder hebben. En dan zegt de tekst: en hij begint hen alles te leren. Polla, veel, in de zin van alles, alles wat er toe doet. Want dat leren moet U niet verstaan zoals wij dat werkwoord vroeger altijd begrepen. Je huiswerk leren, aardrijkskunde leren. Als Jezus de mensen leert, dan reikt Hij hen aan wat Hem dierbaar is, wat in Hem leeft en waar Hij van leeft, wat Hij voortdurend leert. Bijbels leren is steeds op zoek gaan naar jezelf, naar je weg, je waarheid en je leven. Hij wil hun herder zijn en begint hen dat wat er toe doet, het vele, te leren. Dat vele is ook dat wat ieder past, wat ieder eigen is. Wat Jezus je leert is volstrekt persoonlijk - zoals ook Gods schepping aan ons heel persoonlijk is, uitzonderlijk, want ieder mens is een verhaal apart. Gods verhaal voor ons om op verhaal te komen. Het kan U niet verbazen wanneer nu het verhaal van de zogenaamde wonderlijke broodvermenigvuldiging komt. Ze zullen samen eten, maar ieder eet alleen voor zichzelf, persoonlijk.

Vat ik samen: de leerlingen die terugkomen vertellen alles wat ze geleerd hebben. Jezus heeft medelijden met de mensen want ze zijn als schapen die geen herder hebben en hij begint hen te leren. Dat wat Hij leert is voor ieder afzonderlijk en persoonlijk. Daarom het vele voor de velen. Aan de tafel van de Heer mogen wij weten dat er ruimte voor ons is gemaakt, voor ieder van ons. Daarom zeggen we straks het woord dat alles samen vat, Onze Vader.

Moge God met ons zijn.


15e zondag door het jaar - 15 juli 2012 - Sint Jan de Doper Amsterdam
Amos 7, 12-15; Marcus 6, 7-13

In de eerste lezing is het wat wij noemen rond 750 voor Christus. We zijn in Tekoa. Dat is een steenworp afstand van Jerusalem en ook van Bethlehem. Daar woont Amos, een schapenfokker. Met Jerusalem dichtbij heeft hij een zekere afzet. En hij heeft ook moerbeibomen, een soort wilde vijgen. Het zijn bomen die een bepaalde aanpak vragen, maar als je dat weet en je daaraan houdt, wordt het ook wat. Maar nu.
De bliksem is ingeslagen bij Amos, deze man. Hij is vertrokken naar Bethel. Beth-el is vanouds een heilige plaats. Toen er nog een Tempel was in Jerusalem stond daar de Ark van het verbond. Nu is het een heiligdom voor de goden van de koning, voor de afgoden. Amatsjah is er priester.
Wat zie je Amos? Ik zie een paslood. En God zegt: ik zal een paslood aanleggen in het midden van mijn volk. Ik zal het niet meer sparen.
Amos vaart uit tegen de koning, tegen het hof en de bobo's, de rijken. Amos stookt overal zijn heilig vuur en dat geeft nogal wat onrust. Amatsjah gaat zich beklagen bij de koning, maar die doet niks. En daar begint de eerste lezing van vandaag. Amatsjah spreekt de profeet zelf aan. Hij zegt: Vlucht naar het zuiden, naar Juda. Met andere woorden: ga terug naar huis,sukkel en bemoei je met je eigen zaken. Ga naar huis en eet daar je brood , houd daar je profetenpraatjes. En laat Bethel en het heiligdom van de koning met rust. Dit hier zijn zaken van de koning.
En dan komt een moeilijk stukje. Want in het hebreeuws kun je niet zeggen "Ik ben".
Amos zegt letterlijk: Geen profeet, ik, - en, - geen profetenzoon, ik. Want een herder, ik. Kweker van moerbeibomen. Hij zegt dus: Ik ben geen profeet , ik ben geen vak- of hofprofeet. Maar ik geen profeet! Zou ik geen profeet zijn! Ik ben gewend om voor mijn dieren te zorgen. Vijgenbomen zijn mij terdege toevertrouwd. Maar zoals jullie …
Amos schuif je niet zo maar aan de kant. Hij is als menig artiest, geen uitzondering. Hij is iemand die met zijn kwaliteit, probeert te doen wat hij kan, om er iets van te maken, om een beetje "wij" mogelijk te maken. Daarom: trek als mijn profeet naar mijn volk Israël. Want met die valse koningen en hun afgoden is het bijbels Israël is geen baas meer in eigen huis.

Vorige week maakte Markus ons tot getuigen van wat er in de synagoge van Nazareth gebeurde. De mensen staan versteld van alles wat hij zegt. Ze komen zelfs tot: "Waar komt die wijsheid vandaan?" Maar dan wijzen ze dat toch meteen af. "Dat is toch de zoon van de timmerman". Even kijken ze in Nazareth op tegen hun jongen, maar dan gaan ze snel over tot de orde van de dag. In Nazareth hoeven ze hem niet, zoals straks in Jerusalem. Ze moeten hem niet. Maar hebben ze ooit gekozen voor de God van vrijheid en bevrijding, van eigen verantwoordelijkheid. De tegenstand van zijn stad, van Nazareth en van Jerusalem, kan het verhaal van en over Jezus niet tegenhouden. Twee aan twee stuurt hij zijn leerlingen.
Twee aan twee, als betrouwbare getuigen van Gods koningschap. Hun toerusting is enkel een stok en de sandalen - wat je overeind en wat je gaande houdt. Onderweg zijn zij overgeleverd aan wat komen gaat wanneer je uit bent op het koninkrijk Gods,op de nieuwe gemeenschap rond Jezus. We horen hen gaan. We horen wat er gebeurt. Omkeer. Doe weg wat de mens kleineert. Genees de zieken. Gastvrijheid lijkt daarbij cruciaal. Gastvrijheid verjaagt duivels en geneest zieken.
We horen in het verhaal van vandaag de leerlingen niet terugkomen. Hierna komt het verhaal dat de liturgie overslaat. Het feest van Herodes, de dans van Salome en de Dood van Sint Jan de Doper. Dat slaat het missaal over. Volgende week gaan we verder met de leerlingen die bij Jezus samenkomen. Terwijl hij met een boot oversteekt gaan de mensen gaan om het meer heen. Ze wachten hem op. De week daarna horen we de vraag naar brood, of liever, over de overvloed aan brood wanneer de vijf broden aanreiken en twee vissen.
Vandaag moeten we onszelf gaan zien als mensen met een stok die ons overeind houdt, met sandalen aan de voeten, op zoek naar de gemeenschap van"uw rijk komen"en geef ons heden ons dagelijks brood. Hij reikt het ons aan, om met elkaar te delen.
Moge God met ons zijn.


 

14e zondag door het jaar - 7 juli 2012 - Doop van Stefan - Sint Jan de Doper Amsterdam
Ezechiël 2, 2-5; Marcus 6, 1-6

(Het dopen van een kind is ook verkondiging aan de gedoopten die aanwezig zijn. Wat betekent het, gedoopt te zijn? Omwille van die verkondiging is de preek/meditatie wat ingeperkt. )


Het is toeval. Het kwam zo het beste uit dat we vandaag Stefan hier in de Sint Jan in Amsterdam gaan dopen. En dat past goed bij de eerste lezing.
Ook de profeet Ezechiël heeft natuurlijk volstrekt niet en nooit begrepen wat hem overkwam, vroeger, lang geleden, ooit eens. In feite is dat iets wat wij mensen met elkaar delen. Begrijpen is zo berekenend. Dan weet je wat je verwachten kunt. Maar in je leven is het vaak zo dat er veel is dat buiten de macht van de berekening valt. Neem alleen al het feit dat je leeft. De geest van de Heer komt over mij. Hij heeft het niet van zichzelf en geen mens heeft het van zichzelf. En dan moet Ezechiël ook nog naar Israël gaan. En Israël zal weten dat er een profeet is, dat het woord van al zo hoge een mond gevonden heeft. Je gelooft je oren niet. Of ze luisteren of niet, ze zullen weten dat er een profeet in hun midden is. De vader van Sint Jan de doper zegt over zijn kind: en jij kind zult profeet zijn van de allerhoogste. Als wij een kind dopen zeggen of bedoelen we dit ook voor dit kind. Het zal als ieder mens, een getuige zijn voor het leven, profeet zijn van de allerhoogste.

- Zo komen we in de synagoge van Nazareth. Jezus op bezoek, thuis, in zijn eigen synagoge. Terug van weggeweest. De verhalen over hem zijn al opgeklommen langs de heuvels rond het meer van Galilea. Ze kennen de eerste verhalen al en kijken hun ogen uit maar ze accepteren niet wat ze zien en horen. Ze weten wel beter. De appel valt niet ver van de boom. Het feitelijke dat nu gebeurt moet het afleggen voor oude kennis: "Dat is toch de jongen van de timmerman!". En laten we ons niets wijsmaken. Er is niets nieuws onder de zon. Stel je voor dat het anders zou zijn, dat je zou moeten veranderen. Het is een stalen muur. Als ze niets nieuw willen, kan er ook niets anders. Dan gebeurt er niets - als dat bestaat, alsof niets kan "gebeuren".
Jezus is verbijsterd over dat ongeloof. Maar hun ongeloof maakt andere wegen vrij. Hij verlaat zijn plaats en trekt uit naar de dorpen in de omtrek en daar begint hij te vertellen en hardop te dromen over zijn vader die in de hemel is.
Omdat ze hem thuis niet geloven is hij uiteindelijk ook naar ons gekomen. Van zondag tot zondag willen wij hier een uur samenkomen om te luisteren naar Hem en wat hem beweegt, proberen we te rusten in de schaduw van zijn woord en in de betrokkenheid die hij met ons wil delen bij het laatste avondmaal.
In Jezus zijn zoon wil de Heer met ons leven, wil hij onze Vader zijn.
Moge dat zo zijn


 

Als ik z'n stem maar hoor. Als ik Hem/hem maar hoor.
- 1 juli 2012 - 13e zondag door het jaar - Sint Jan de Doper Amsterdam
Wijsheid 1, 13-15; 2, 23-24; Marcus 5, 21-43

In onze kleine kerkgemeenschap, vanaf deze plaats, zeg ik wel eens vaker wat. Dat is wel gewoon en vertrouwd. Iedere zondag voel ik jullie stilte en jullie luisteren. En geloof me, ook al voer ik het woord, ik luister mee. Maar vandaag is het ook anders. Want wat moet je in de kerk zeggen, in de gemeenschap van de mensen om je heen, wanneer je 70 wordt. Vandaag hier: 70 Jaar! Laat ik me maar beperken tot de lezingen van vandaag.
De eerste zin van de eerste lezing is een pure overrompeling. God heeft de dood niet gemaakt. De ondergang van de levenden doet hem geen plezier. Wij zijn gewend aan het idee, dat God over leven en dood gaat, maar volgens de verteller van het boek Wijsheid heeft God de dood in ieder geval niet gemaakt. De ondergang van de levenden doet Hem geen plezier. Het bijbelboek Wijsheid zegt: God heeft geen schuld aan onze dood. Hij heeft het niet verzonnen.
Met andere woorden!
Ook voor God is de dood iets hart verscheurends. Het kan eigenlijk niet. Dat is de definitie van wat niet Goed is: het kan eigenlijk niet. Zelfs God heeft de dood nooit kunnen en willen bedenken. Dat is hem als het ware "uit de hand gelopen". Het is niet de straf die onze "eigen schuld dikke bult"is omdat wij stout geweest zijn. Als je je man verloren hebt, of je vrouw, - of je vader of moeder, of je broer of zus - de dood is geen straf en is niet iets wat God bedacht of gewild heeft. Daarvoor is de dood te onherroepelijk. De verteller van de eerste lezing weet zeker dat God de dood niet wil. Hij is het niet schuld dat we sterven. De dood hoort niet bij Gods schepping. Wat deze uitspraak betekent, daar is uiteraard over te twisten of na te denken, maar duidelijk is: het sterven wordt niet gebagatelliseerd. Niets is erger dan afscheid moeten nemen van iemand die je lief is. Het is een pijn die blijft.
Gerechtigheid is onsterfelijk - zegt de tekst. Wat is gerechtigheid? Een van de antwoorden is: Het geschieden van het woord. "En Hij heeft het gezegd en Hij doet het nog ook". Mijn leraar Ben Hemelsoet beschreef zo het woord wonder. En hij heeft het gezegd en hij doet het nog ook. Alsof je leven een wonder is! Dat is voldoende voor de tweede lezing.
- Arme Jaïrus. Zijn kind. Maar let op de woorden, mijn dochtertje. Jaïrus krimpt van zorg over zijn zorg voor "zijn dochtertje". Strakjes zal blijken dat ze 12 is. In de bijbelse traditie ben je dan geen parkietje meer in een kooi, geen dochtertje. Dan ben je in feite al volwassen. Het gaat snel in het Midden Oosten. Terwijl Jaïrus met Jezus en een paar leerlingen op weg is naar zijn huis komt die zieke vrouw. Heel haar vermogen heeft ze uitgegeven in de hoop dat de medicijnmannen haar zouden kunnen helpen, maar haar ziekte is alleen maar erger geworden. Twaalf jaar lang dwingt haar zieke lijf haar buiten de gemeenschap te leven. Waar iedereen is mag zij door haar ziekte niet komen, mag of kan zij niet komen. Buitengesloten. De verhalen over Jezus brengen haar op het idee: Als ik alleen maar zijn gewaad kan aanraken.
Aanraken is je identificeren met, op persoonlijke wijze je binden aan. Zijn gewaad aanraken is dus nauwelijks iets van "alleen maar". Het is totaal. (En misschien moet ik jullie daar iets bij vertellen. Wanneer de Tora-rol, zeg even de kern van de bijbelse traditie, in processie naar de lezenaar wordt gebracht wordt, staan de mensen in het pad gereed. Ze raken het kleed over de rol aan. Het kleed, het doek, het gewaad van de boekrol. Ze identificeren zich bij voorbaat met de woorden die ze zullen horen wanneer de boeken open gaan. Identificatie, toewijding.) Wat betekent die identificatie? Wat wil zij als zij, zoals heel de synagoge, alleen maar de zoon van zijn gewaad wil aanraken. Je identificeren met. Ik herken me in je woorden. Ik herken me in wat je zegt. Ik voel dat jij mij in ieder geval begrijpt. Haar de hand uitstrekken is haar horen en haar gehoord willen worden. Haar hand is een vraag om ruimte en tijd, om er te mogen zijn.
De vrouw geneest en het is typerend voor Jezus dat hij dat niet onopgemerkt voorbij laat gaan. Hij wil het weten. Hij maakt haar tot onderwerp van haar verhaal. Wie heeft mij aangeraakt? Bevend en bang gaat zij daar op in. Hij geeft haar het woord en richt het meisje. Meisje, vrouw. Uitdrukkelijk beveelt Hij dat wat er gebeurd is een geheim moet blijven. Alsof het nog niet zo ver is. Alsof er nog geen woorden voor kunnen zijn dat meisjes vrouwen zijn en als het goed is jongetjes mannen. Meisje sta op.
Waar gaat het eigenlijk over?
Mag ik daar iets over proberen te zeggen nu ik vandaag 70 word?

Waar het over gaat is dat je uiteindelijk niet alleen bent. Let op het woord uiteindelijk.
Wij hebben als kind geleerd dat we geschapen zijn. Dat betekent voor ons, voor mij als kind in ieder geval, dat God mij gemaakt heeft. Maar mensen maak je niet. Ook God doet dat niet. Geschapen zijn betekent meer: afgescheiden zijn, losgemaakt. Jij bent jij. Jij bent niet een ander. Zoals in een gezin ieder kind anders is, volstrekt anders, zo ben jij ook anders. Ik ook. Afgescheiden. Wij staan er werkelijk helemaal alleen voor. Daarom heeft het scheppingverhaal het meteen over HEMEL EN AARDE. Wel alleen, de aarde, de mens, maar ook niet alleen. Er bestaat zoiets als een verbond of verband. Wij horen bij. Iemand zegt Jij tegen je en je bent, hoe dan ook niet meer alleen.
Als ik je stem hoor.
De stem - iemand die het tegen jou heeft, tegen jou hoogst persoonlijk - de stem grijpt je bij je kraag, trekt je uit het water. Je staat wel op je eigen benen, maar je staat er niet meer alleen voor. Iemand staat tegenover je, loopt naast je, biedt je een paar woorden aan of een kopje koffie.
God betekent uiteindelijk: je of jij, je bent niet alleen. Hij is er ook nog. En ook als het gordijn dicht gaat hoef jij niet bang te zijn. Voor de mensen om je heen beteken je, ben je iemand. Zelfs als je gestorven bent kijken ze je aan, denken ze aan je.
Denken aan iemand is iemand zien als een levende. De joodse leraren zeggen: wie in het verbond leeft, leeft ook als hij gestorven is. Dat is dus niet diepzinnig mee gewoon reëel. Als ik zijn stem maar hoor. Als ik HEM maar hoor. Als ik maar woorden voor hem heb.
Dat is ook wat wie hier vandaag doen. Hij geeft ons het brood als gebaar van zijn eigen leven. Als wij het brood delen met elkaar hebben we gemeenschap met hem, horen wij bij wijze van spreken zijn stem, horen wij Hem. Het breken van het brood is het openen van de boeken. Die boeken lezen ons en lezen wij samen. Ze geven ons het woord.
Moge God met ons zijn.
Jan Engelen * 01-07-1942


Heilige Drie-eenheid - 3 juni 2012 Sint Jan de Doper, Amsterdam
Deuteronomium 4, 32-34.39-40; Romeinen 8, 14-17; Matteüs 28, 16-20

Na Pinksteren wil de liturgie geheel in de sfeer van de vroomheid van de voorafgaande eeuwen, nog eens even alles bij elkaar zetten. We krijgen samenvattingsfeesten: Drievuldigheidszondag, Sacramentsdag, het Heilig Hartsfeest (op de vrijdag na de derde vrijdag na Pinksteren). Ik denk dat wij allemaal de namen van die feesten kennen. Maar verder? Elementen uit verhalen zijn uit de verhalen gehaald, zelfstandig gemaakt, maar missen dan - als ik dat niet al te oneerbiedig zeg, ook "kop en staart". Waar gaat het eigenlijk over? Of is dit een vrome spraakverwarring?
Vandaag is het Drievuldigheidszondag. Ik zal daar iets over moeten zeggen.
We kennen de formuleringen nog uit onze kinderkatechismus: De Vader is God, de Zoon is God en de Heilige Geest is God. Als achtjarige meende ik te weten dat er dus drie Goden waren. Eén plus één, plus één is drie. Dat wist je als achtjarige wel. Maar het wonderlijke was: deze drie waren één. En het voorbeeld daarbij was: drie lucifers branden. Je houdt ze bij elkaar. Eén vlam. Daar was niets tegen in te brengen. Ik mocht niet spelen met lucifers natuurlijk, maar dit was heel duidelijk. Nu, een paar jaar later, vraag je je toch af: waar hebben we het over? Als iemand tegen Jezus in het evangelie zegt: "Goede meester", zet Jezus deze leerling op zijn nummer: "Er is er maar één de goede en jullie zijn broers en zussen". En als de hogepriester zegt: "Zeg ons, ben jij de Messias, de Zoon van God", dan zegt Jezus: "Jíj zegt het. Dat zijn Jouw woorden. Maar ik zegt je, van nu af aan zul je de mensenzoon zien komen op de wolken des hemels". Jezus houdt niet van die taal. Toch zegt de gelovige Thomas, wanneer hij zijn vingers in de wonden van Zijn handen, en zijn hand in de zijde heeft gelegd: "Mijn Heer en mijn God". En Jezus wijst hem niet terecht.
Waar hebben we het dus over? Jezus noemt God: "mijn vader" en hij leert ons: "Onze Vader", of "mijn en jullie vader". De apostel Paulus zegt dat wij door de doop filii in filio, zijn geworden, zonen en dochters in de zoon, in die ene, de nieuwe mens, die nieuwe adam. En wij leerden allemaal vroeger, dat we door de doop kinderen van God werden. Als Lukas het heeft over de vaderen van Jezus spreek hij van achteren naar voren, en komt zo uiteindelijk bij : zoon of kind van Adam, zoon of kind van God . Wanneer wij hier naar luisteren gaat het op Drievuldigheidszondag ook over ons. Ook wij horen bij die kinderen van God. Johannes spreekt daar in zijn brieven zo uitdrukkelijk over.
In de oude tijd wilde men, net zoals vandaag, graag precies weten hoe het zat. En zoals men meende te weten wie of wat een mens was, zo meende men ook te kunnen weten wie of wat God is - terwijl je ook die momenten kent dat je niet weet wie de mens naast je is. Ik zei tegen mijn studenten als ze wat ouder waren graag: er is niemand die ik zo goed ken als mijn vrouw, maar er is ook niemand van wie ik zo weinig begrijp als van mijn vrouw. Als dat thuis al zo is, wat menen we dan toch te kunnen en te moeten weten over het grote geheim dat God is. Geheim: zicht wordt wat onzichtbaar blijft.
De vader zegt: "Zie, mijn kind, mijn welbeminde, luister naar hem". Jezus leert ons over zijn en onze vader die in de hemel is. En wanneer hij doopt, doopt hij met heilige geest. De geest van de heilige, de woorden die ons gegeven zijn. Ik sprak daar onlangs over.
God is een geheim. Er zijn momenten dat dat voor ons een open boek is, dat we ons volkomen bij Hem thuis voelen. Maar als we dat voelen en weten, onttrekt Hij zich ook aan ons. Mijn God mijn God, waarom laat je ons alleen, heb je ons verlaten - voor ons is die tekst niet moeilijk. En Jezus maakt in alle verhalen van en over Hem, God voor ons heel zichtbaar. Hij is het dagelijkse brood waar wij van mogen leven, het licht in onze ogen, de warmte die we voelen. En dat is niet enkel dit moment, maar het is dit levende moment in de dynamiek van het heden dat het verleden meeneemt en voor zich voor ons uit strekt. Die geest is en het leven geeft, bidden we iedere zondag.

Blijkbaar "is er iemand die om je geeft". En mens zijn op aarde, onder de hemel, dat is mogelijk.
"Ik hoorde een jongetje in de synagoge met zijn vader praten. Hij zei: Abba." Meer is er niet over te zeggen. Dat woord, pappa zouden wij misschien zeggen, intens vertrouwd van jongs af aan, heel je leven klinkt er in mee, met alle warmte die een mens toe te wensen is, dat woord zegt alles. De Geest staat daarvoor in, verbindt (tegenwoordige tijd) hemel en aarde. Moge dat zo zijn.


 

Pinksteren ,27 mei 2012, Sint Jan de Doper, Amsterdam
Handelingen 2, 1-11; Joh. 15, 26-27; 16, 12-15

Wat met Pasen begint, wordt in eerste instantie voltooid met Pinksteren. Pinksteren is bijbels gesproken om te beginnen de voltooiing van de eerste oogst in het voorjaar. Zeg maar wat bij ons over een maand volop gaande is, aardbeien, bessen, kersen, sla. Pasen het begin van de oogst, de eerste oogst. Pinksteren het feest over hoe goed het leven is.
Pasen is ook de uittocht uit de slavernij, uit het slavenhuis Egypte. Dat is op zich een onmogelijkheid. Eén keer slaaf, altijd slaaf. Het slavenleven is uitzichtloos. Het zal nooit veranderen. Totdat je dan bij de uittocht de ogen open gaan. Hoe kan dat? Hoe is het mogelijk dat het ondenkbare gebeurt, dat altijd vernederden met opgeheven hoofd de onbekende toekomst, iets volstrekts anders, het vrije leven tegemoet gaan? Hoe is vrijheid mogelijk? Hoe kan het? Daarover gaan met Pinksteren de boeken open. Pinksteren is niet de intocht in het veelbelovende land, eind goed al goed, wat wij misschien zouden denken, maar Pinksteren is het sluiten van het verbond aan de voet van de berg. Het sluiten van het verbond. Wij krijgen het woord, de Tora, die aanwijzing ten leven. Je kun t leren van je verleden. Heel het bijbelse verleden hoort daar ook bij. Ik zeg graag: geloven betekent ook, dat je er een enorm geheugen bij krijgt. Heel veel verhalen worden nu ook jouw verhalen. Pinksteren heet in de joodse traditie het wekenfeest. Want we zijn zeven weken, zeven keer zeven dagen verder dan Pasen. Met Pinksteren krijgen wij woorden, gebaren en taal om alles wat het leven ons biedt en waar het ons mee tegemoet treedt, aan te kunnen, en op te staan als mensen die van vrijheid en verantwoordelijkheid weten. Woord en antwoord, dat maakt Pinksteren mogelijk. Vrijheid is immers geen chaos voor chaoten. Alleen in verbondenheid, in woord en antwoord, is vrijheid mogelijk.
Pinksteren is dus het feest van de eerste oogst, en van het verbond, van verhalen en taal, van zin en samenhang. En dan nu nog de verhalen van de leerlingen van Jezus daarbij.
Hemelvaart, wel een feest van vreugde, maakt ons in feite ook een beetje tot wezen. Achterblijvers. Jezus is niet meer in ons midden, wat nu? Afgelopen zondag wordt ook wel wezenzondag genoemd. Want zonder Jezus zijn de leerlingen hun levende midden kwijt. Maar er is nog een belofte. De Geest. Vandaag komt die belofte uit. Pinksteren, het feest van de Heilige Geest, of van de Geest van Heiligheid. Heilig betekent niet "vroom", of "bijna overdreven braaf", maar"bijzonder, opmerkenswaardig, wat aandacht verdient, waar je oog voor moet hebben. Om te latenhoren wat de Heilige Geest betekent, oproept, kunnen we het best terug naar die eerste eye-opener, het scheppingsverhaal. Al in de tweede regel kom je de aarde alleen tegen. Alles plat, alles hetzelfde, uitzichtloos. Het scheppingsverhaal vertelt om te beginnen dat hemel en aarde één zijn, onlosmakelijk met elkaar verbonden. Niets kan daar tussen komen of daar iets aan toevoegen. Maar regel 2: de aarde, alleen, is woest en leeg, duisternis over de vloed - zonder overzicht of inzicht, zonder enige mogelijkheid, ontoegankelijk, enkel radeloze duisternis. En als we dat beseffen, horen we: en Geest van God, intens waakzaam aanwezig, over onze aarde heen, over onze aarde. Nu we beseffen dat de aarde feitelijk alleen is, krijgen we te horen: toch niet alleen! Zoals ieder mens feitelijk alleen is, - maar dank zij degene die je tegenkomt, mensen met wie je leeft, toch niet alleen. Zo komt het woord verbond weer terug. Met elkaar verbonden. Dat is ook wat "religie" betekent, verbonden, wederzijds en wederkerig verbonden, in woord en antwoord.
Leven met de Geest betekent dat wij niet opgaan in het heden, of dat het heden geen afsluiting is. Het heden is eerder ontsluiting, begin, verder gaan, missie - met alles wat daar als (ongekende, nog niet gekende) mogelijkheden bij hoort. De geest zal ons de komende dingen aankondigen. Maakt wat nog niet is, voelbaar, tintelend. Zoals het licht van de vroege ochtend het geheim van de komende dag bevat, verraadt.
"De woorden die ik jullie gegeven heb zijn geest en waarheid", zegt Johannes (in het zesde hoofdstuk). Zo simpel. Alles wil er uit. Alles wordt duidelijk. We durven de toekomst aan. Laat maar komen. In Gods naam. Wij weten dat Zijn woorden met ons meegaan. Zo delen wij zijn leven, zijn bestaan met ons, zijn lichaam. Moge dat zo zijn.



Hemelvaart van de Heer - 17 mei 2012 Sint Jan de Doper, Amsterdam
Handelingen 1, 1-11, Marcus 16, 15-20

Het moet een zeldzame tijd geweest zijn, die veertig dagen na Pasen. Jezus, gestorven en begraven - eind van het verhaal, en dan blijkt de dood niet het laatste woord te hebben. De barensweeën van de dood konden hem niet vasthouden, zegt Lukas in het Pinksterverhaal. Jezus verschijnt te midden van de leerlingen. Als de Boom des Levens staat hij in hun midden, als hun midden. Thomas mag zijn vinger in de wonden leggen en Hij, Hij spreekt woorden van zeldzame vrede.
Veertig dagen blijft hij met hen optrekken. Wat doet Hij al die tijd? Waar hebben ze het over? Al deze verhalen zijn afkomstig van Lukas. En Lukas is zeer spaarzaam over die laatste veertig dagen. Ze spreken over HET RIJK GODS. Ik moet U zeggen, dat is toch wel een wonderlijke zaak. Want, als je spreekt over "het koninkrijk Gods", waar gaat het dan over? "Uw koninkrijk kome", wat hopen en wensen we dan? Waar zijn we met de woorden van Jezus op uit, wat zien we vol verlangen tegemoet?

Het "koninkrijk van God" is op de eerste plaats iets NIET. Kort gezegd: God is niet een koning als een pharao. God is geen koning over de rug van de mensen heen. God hoeft geen koning te zijn ten koste van mensen die gekromd in het stof uit klei voor de farao stenen moeten maken, steden moeten bouwen.
Als Mozes wordt uitgestuurd om het volk uit de slavernij te bevrijden zegt hij: maar als ik zeg "De God van onze vaderen stuurt mij en zij vragen: hoe is zijn naam? - wat moet ik hun dan antwoorden?" God souffleert hem dan uit het brandende braambos, uit de struik die het leed dat wereld heet vertolkt. God onthult zijn betrokkenheid met woorden als: "Ik ben er ook nog". Ik heb dit verhaal al vaker verteld, maar ik heb niets anders. Gods koningrijk is ons heden en onze toekomst. Gods koningschap is zijn belofte dat de dood het laatste woord in ieder geval niet heeft. Hij is voor ons een open horizon, een uitnodiging om met het leven in zee te gaan en ons toe te vertrouwen aan Onze Vader die in de Hemel is, in de hoop en zekerheid dat ons leven een heiliging is van zijn naam.
Ook op zijn meest verlaten moment wist Jezus: In uw handen beveel ik mijn geest. God is voor wie wil een absolute onvoorwaardelijke garantie: Ik ben er voor jou. "Voor mij ben jij mijn schepping, mijn alles. "God zegt tegen ons niet:"Jij bent veel voor mij," maar: "Jij bent ALLES voor mij," een absolute uitzondering. Jij bent Jij voor mij.
Veertig dagen voor het koning zijn van God. Niet de farao, niet de bank, niet de economie, niet de "stand van zaken", niet "noem maar op", maar GOD IS KONING. Ons leven "king size"-formaat.

Volgens Lucas breekt dan toch die dag aan dat ze alleen verder moeten. Ze gaan die heuvel op die in het verlengde van de Olijfberg ligt. Ik stel me altijd voor dat ze met zijn allen om Jezus heen staan. Ze horen die laatste woorden. "Het is jullie niet gegeven het uur te kennen dat de Vader vaststelt . Maar je zult kracht ontvangen en mijn getuigen zijn in Jerusalem, in Judea, in Samaria en all over the World, kath' holon ton kosmon." Wij spraken daar afgelopen zondag nog over.
Het lijkt er op dat ze niet eens tijd krijgen om daarover na te denken of daarbij stil te staan. Ze. Ze en we. Want terwijl hij dat zegt verdwijnt hij voor hun ogen. Een wolk, teken van Gods aanwezigheid wanneer bijvoorbeeld het volk door de woestijn trekt. Teken ook van Gods aanwezigheid wanneer de Tempel in Jerusalem in gebruik genomen wordt. Een wolk, God zelf, onttrekt Hem aan hun ogen.
Als zij naar Hem willen kijken zien zij elkaar, zien wij elkaar. Met zijn verhalen zijn wij op elkaar aangewezen.
Hemelvaart maakt ons mensen met een zending. Het is aan ons, voortaan, om uit te leggen wat het voor ons betekent, dat God koning is. Dat hij er wil zijn voor iedere mens, opdat hij of zij kan leven, opdat hij of zij vrede en veiligheid voelt, hoe bedreigd en bedreigend het leven soms ook is, vaak is. In Zijn hand zouden wij veilig zijn - zegt Jezus die vandaag teruggaat naar zijn vader. Over tien dagen vieren wij de gaven van de woorden die ons gegeven zijn, de oogst van al die toekomst en beloften, de Geest die hemel en aarde bijeen houdt. Daarvoor staan die drie namen: de vader, de zoon en de Heilige Geest. Let it be en moge God met ons zijn.


6e zondag van Pasen - 13 mei 2012 - Sint Jan de Doper, Amsterdam
Handelingen 10, 25-26.34-35.44-48; Johannes 15, 9-17

De kerk kent tegenwoordig vele zorgen. Toch: Ondanks alle zorgen weten we dat het christendom een wereldreligie is. Met alle onderlinge verschillen, meer dan 2 miljard mensen zijn christen. Je kunt je bijna niet voorstellen dat dit oorspronkelijk, helemaal niet zo vanzelfsprekend is.
Christendom is afgeleid van Christus, de Griekse vertaling van het bijbelse m'sjiach - ook wel in het Grieks verbasterd tot Messias. Het messianisme is oorspronkelijk enkel en alleen een joodse aangelegenheid, een joodse verwachting. Joodse hoop die joodse mensen doet leven, ook nu nog.

Waarom altijd dat praten over bijbels, Hebreeuws, en wat moet dat voortdurend spreken over het Grieks daarbij? Heel simpel: het Grieks is het Engels van 2000 jaar geleden. Sinds Alexander de Grote rond 400 voor Christus zijn rijk bij elkaar gevochten heeft is het Hellenisme (Hellas, Griekenland) het Grieks de taal van de mondiale cultuur geworden. Wanneer de leerlingen van Jezus over de grens van de Joodse wereld heen gaan om in de cultuur van de grote wereld binnen te gaan, doen ze dat in het Grieks. Één van de eersten die dat doet en die we kennen is de apostel Paulus. Zijn brieven gaan naar Epheze, naar de Galaten, naar Kolosse en noem maar op. Het zijn steden waarvan de ruïnes in het tegenwoordige Turkije liggen. 2000 Jaar geleden zijn dat Griekse steden. De taal dan Grieks. Denk ook aan Lucas, vermoedelijk een niet-jood met belangstelling voor de joodse cultuur. Zo komt hij in aanraking met de Messiaanse beweging en wordt hij leerling en evangelist, verteller en kroongetuige van de verhalen over en van Jezus.
Die overstap van de kleine gesloten joodse wereld naar de Grieks sprekende wereld van alle volkeren rondom gaat niet vanzelfsprekend. Daar gaat de eerste lezing over, een gedeelte uit het verhaal over Petrus en Cornelius. Petrus is de leider van de nog steeds kleine groep christenen die alsmaar verder groeit, die mensen aantrekt en opneemt in de jonge christelijke gemeenschappen. Het grote probleem wordt: kunnen niet-joden ook christenen worden?
Cornelius is een Romeinse legeraanvoerder over een honderdtal soldaten. Hij ziet in een droom een engel die hem opdraagt, Petrus te ontvangen. Tegelijkertijd droomt Petrus iets over een laken dat uit de hemel neerdaalt, vol met allerlei dieren, reine en onreine. Hij krijgt de opdracht te slachten en te eten. Alsof er geen onderscheid is tussen rein en onrein. Alsof er geen verschil is tussen de joodse wereld en al die anderen volkeren daaromheen.
Als Petrus bij Cornelius binnen komt knielt die voor hem neer. Petrus wil dat niet. Hij zegt: ik ben ook maar een mens. Daarmee realiseert hij zich blijkbaar ook, dat hij gelijk is aan Cornelius, ook een mens. En de ontdekking gaat verder: voor God bestaat er geen onderscheid tussen de mensen. Hij roept iedereen, Hij is er en wil er zijn voor iedereen, zonder onderscheid.
De Geest komt over allen en iedereen is het er mee eens dat je niemand het doopwater kunt weigeren die de geest ontvangen heeft.
En dan het evangelie van Sint Jan. Zoals is blijkbaar een magisch woord. Door een vergelijking wordt iets waar wij geen woorden voor hebben, taal en daarmee toegankelijk. In de regel slaat het woord bij Johannes terug op het werkwoord. Liefhebben zoals. Vader en Zoon zijn in het evangelie van Johannes werkelijke minnaars, gelijkelijk. De tekst komt uit de toespraak van Jezus aan de tafel van het Laatste Avondmaal. De woorden nodigen ons uit, in de wederzijdse en wederkerige liefde van de vader en de zoon een plaats te zoeken. Die plaats is te vinden waar wij elkaar beminnen, waar wij om elkaar geven, waar we vrienden zijn.
Kerk, afgeleid van Kyriakè. Het kyriakè oikia, het huis van de kyrios, het heer-lijke huis is. In Gods liefde voor ons staat op tafel wat de Heer aan ons geeft. Woorden om te proberen. Zijn Zoon om mee te leven, onze broeder, onze Heer.
Moge dat zo zijn.


 

5e zondag van Pasen - Sint Jan de Doper in Amsterdam - 06 mei 2012
1 Johannes 3, 18-24; Johannes 15, 1-8


Over bevrijding hebben we het de afgelopen dagen veel gehad. Niet zoveel over vrijheid. Vooral over bevrijding. Vrijheid en bevrijding zijn voor mij woorden die heel vaak door mijn hoofd dwalen. Dat is de schuld van de bijbelse literatuur. Dat begint al op de eerste bladzijde: om te beginnen God schept. Blijkbaar kan en wil HIJ dat, blijkbaar is het aan HEM, heeft HIJ die vrijheid. En dat horen we dan meteen in die onmetelijke ruimte van hemel en aarde. De hemel waar God God is, de aarde waar zo aanstonds de mens ook zeker mens zal kunnen zijn, mogen zijn, moeten zijn. Dat gaat niet zo van een leien dakje. Want zoals bij God, zo is ook bij die mens VRIJHEID in het geding. Die mens moet er voor kiezen, je moet het willen en waar maken.

Sint Jan heeft het er in zijn brief over. Het gaat niet over de stoere taal van politici zodra ze een camera in de buurt weten, en het gaat ook niet over het "beslist van plan zijn". Het gaat over simpele praktijk van elke dag, van elk moment. De toewijding, - er voor staan of er voor gaan, - het eenvoudige doen geeft doorslag en betekenis. Door onze daden laten we zien wat we kiezen. En als het goed gedaan wordt zit je vanzelf in het spoor van dat bevrijdende scheppingsverhaal. Het goede, dat wat liefde belooft. Dan is ook zicht geboden op je adres, op waar je je thuis weet.
Als je bij HEM thuis bent dan ben je iemand als Abraham, dan weet je van gastvrijheid, dan weet je ook dat er ruimte is voor jou - niet jij op je beste momenten, maar jij zoals je in je daden bent. God begrijpt meer van jou dan jij zelf, zegt Sint Jan. "Vertrouwen in de zoon" en "houden van elkaar" blijken parallel te lopen. Het zijn de rails van ons leven. Dat is een van de consequenties wanneer je bijvoorbeeld "Onze Vader" zegt.
Vrijheid en bevrijding. Dat is de kern van ons leven volgens het exodusverhaal. Een wereld van slaven is een on-wereld, een onding. Want het leven moet veelbelovend zijn.

Hoe veelbelovend het goede land is, blijkt uit de druiventrossen van de verspieders. Vandaag brengt Jezus ons naar de wijnstok zelf en naar de wijngaardenier die de wijnstok beheert. Verbondenheid met die stok betekent vast en zeker voeding. De wijngaardenier ziet daar hoogst persoonlijk op toe. Geen vrucht, geen voeding. Wel vrucht? Dat betekent onderhoud, verdergaande zuivering. Maar de wijnstok is de vitale kern en het hele gebeuren zelf.

We hadden het vorige week over IK BEN, dat wil zeggen GOD IS. In IK BEN mogen we voor alles de stem van het brandende braambos herkennen. Ik ben er ook nog. God die zich over zijn kind in het slavenhuis ontfermen zal. Pas daarna lees je door: de waar-ige wijnstok. Ik zeg het een beetje vreemd: waar-ige wijnstok. Maar als ik het zo zeg dan hoort U de betekenis van waarheid die hierboven omschreven wordt. Waarheid laat je niet koud. Dan begrijp je ook beter waar het die waar-ige wijnstok om gaat. Zes keer noemt de tekst tussen regel 2 en 9 het woord vrucht. Het gaat deze stok voor alles om de vrucht. Regel 2 (de eerste drie keer voor het woord vrucht) geeft als het ware het beleid. Elke rank aan mij die geen vrucht draagt snijdt Hij af, en elke die wel vrucht draagt zuivert HIJ, opdat ze meer vrucht mag dragen. In regel 3 tot 9 wordt het woord vrucht uitgespreid tot een ruimte voor de leerlingen. Het basiswoord wordt: blijven in mij.
Hij, God, is dé plaats. Dáár KUN je zijn. Vrijheid en bevrijding. Joodse mensen hebben vele manieren om GOD ter sprake te brengen, vele namen. De Goed, de Barmhartige, enz. Eén van die namen is DE PLAATS, in het hebreeuws MOKUM. Een plek waar het goed is om te zijn, bij wie je je geborgen mag weten of en bij wie je kunt schuilen, vertoeven. Een plaats waar je gezellen wordt.
Moge dat, in de naam van de Vader en de Zoon, zo zijn.

 

4e zondag van Pasen Amsterdam, Sint Jan de Doper, 29 april 2012
1 Johannes 3, 1-2; Psalm 23; Johannes 10, 11-18

Het ontbreekt mij aan niets. Op zich is dat een wonderlijke zin. Niet: Mijn herder is de heer, ik heb alles - maar: mijn herder is de Heer, het ontbreekt mij aan niets. Wie dat gedacht en geschreven heeft, heeft geweten wat ontbreken betekent. Hij of zij moet het tekort gekend hebben, en toch hebben gezegd: dat is bij mij niet het geval. Het ontbreekt mij uiteindelijk en eigenlijk aan niets.
Wat ontbreekt ons dan? Wat is het tekort waar wij mee leven en dat ons toch geen pijn doet? Eigenlijk is dat simpel: wij leven van de beperking, van voorlopig, van verder. Je weet niet waar je naar toe onderweg bent, maar je weet wel dat het leven verder gaat. Dat tekort van maar even hier en nu, en dan weer verder, is geen ontbreken. Want het leven dat je leeft, hier en nu, is het leven dat je krijgt, dat je bent. Wij zeggen en wij vinden: een godsgeschenk. Zelfs als het regent en alsmaar blijft regenen: deze dag krijg je toch maar. Volgens mij is deze kinderlijke afhankelijk die Johannes bedoelt wanneer hij schrijft: we worden kinderen van God genoemd en we zijn het ook … nu al zijn we kinderen van God en wat we zullen zijn is voor ons nog niet zichtbaar. Leven in en merkwaardig soort afhankelijkheid - want dat is vermoedelijk een van de bouwstenen van wat wij liefde noemen. Vrij en tegelijk afhankelijk zijn, of afhankelijk en tegelijk vrij zijn. Los zijn, jij zijn.
Ik bedoel: het leven is alles behalve vanzelfsprekend. Het is mondjesmaat en stap voor stap. Het is jammer wanneer je pas wanneer iets voorbij is merkt dat het goed was. God zegt in het scheppingsverhaal dat het goed is. Hij víndt dat. Voor mij is dat een constatering en een belofte. Als je probeert te leren, zo te kijken als hij, dan zul je moeten toegeven dat het - wat er ook gebeurt - goed is. Kind van God zijn, proberen te zijn, willen zijn. Leren Onze Vader te zeggen, te voelen, te verkennen en te proeven.
In het evangelie zegt Jezus volgens Sint Jan hetzelfde. Ik ben - dat wil zeggen God is voor mij.
Ik ben, God is voor mij, de goede herder, een echte herder, echt dat wat een herder is. In het latijn: een pastor. Pastor zijn is niet voorbehouden aan pastores. God is een pastor. En alles wat God is, is ook een opdracht voor de mens, misschien beter: een uitnodiging en een opdracht voor mij. God is goed betekent: ik moet proberen goed te zijn. God is barmhartig, ik moet proberen compassie te hebben, te leren.
God is een echte herder: ik moet proberen een echte herder te zijn. U merkt: ik zeg steeds ik. Geboden gelden niet voor een ander. Een gebod geldt voor mij. De ander mag gerust zeggen: dat is voor ook zo - mooi, maar dat ís de blijft altijd de verantwoordelijkheid van de ander.
God is de goede herder - dat is ook een uitnodiging om er over na te denken, welke mogelijkheden het woord herder geeft. Ik wil daar niet meer over uitweiden. Het is een uitnodiging om daar zelf wat over te peinzen. Maar ook wanneer je je hand uitstrekt als je te communie gaat, ook dan heeft je hand alles van een herder. Ontferming, betrokkenheid, genegenheid.
De echte herder komt niet tersluiks of in het geniep binnen. Wie dat doet is een rover. Als het moeilijk wordt hoor en zie je ze niet meer. Veelvraat wolf kan dan de kudden uiteenjagen. De rest kun je je voorstellen. Maar de echte herder wordt direct herkend. Wederzijdse herkenning. Ook andere schapen uit andere schaapstallen zullen die stem herkennen. Zo wordt verscheidenheid gerespecteerd en eenheid mogelijk.
In die herkenning noemt Jezus God: Mijn Vader en Onze Vader. Moge dat ook voor ons zo zijn.


Pasen - 8 april 2012 Ark-Jacobuskapelgemeente en Jan de Doper Parochie - Amsterdam
Ezechiël 37: 1-14; Johannes 20,11-18


Pasen 2012. Wat kun je zeggen? Moet je zeggen of zou je willen zeggen. Het eigenaardige doet zich voor dat dit eigenlijk geen probleem is, geen probleem méér is. Kunnen en moeten zijn goede hulpwerkwoorden nu het Pasen is. Afgelopen nacht hebben we meegemaakt, hoe de duisternis van de nacht uiteenspatte door het teder licht van de Paaskaars, zo klein, zo nauwelijks begonnen, maar zo definitief anders dan al het andere dat we deze week samen beleefd hebben van Palmzondag en Hosanna, de hoop en de innigheid van Witte Donderdag, de troosteloze treurigheid van Goede Vrijdag op Golgota en het onvermijdelijke graf met de steen ervoor. En dan die stem: wat zoeken jullie de levende bij de doden?
Wat kun je zeggen?


Onze kranten en alle andere nieuwsbronnen maken er geen geheim van. Crises overal. Zorgen, veel zorgen, onzekerheid, en dat vlammende geweld op zoveel plaatsen van onze arme aarde. Het geschenk van het leven dat eindeloos gebagatelliseerd wordt, geminacht, op het spel gezet of meedogenloos vernietigd. Het dal van de dorre beenderen van Ezechiël heeft niets van een fantasie, is meer het drama van alledaagse realiteit. Maar de stem roept Ezechiël bij de tijd. Als Ezechiël profeteert, als hij de tijd bij zijn Tora houdt en Gods commentaar op al die troosteloosheid laat horen, voegen de beenderen zich aaneen. Ik zal jullie graven openen, ik laat jullie uit je graven komen en jullie terugbrengen naar je land, je Israël, terugbrengen naar de belofte die Abraham op de been bracht voor een ander land, een ander leven. Leven is niet wat achter je ligt. Het is het nu, gedragen door de verwachting. Ezechiël zegt: gedragen door de zekerheid en betrouwbaarheid van God die met je spreekt. Hij is er ook nog en dat zul je merken.


Het stille verdriet van Maria begrijpen we, bijna, van binnen uit. Hij was toch Hij die komen zou en nu!? Niets is er over van haar opleven toen Hij haar zag, haar herkende en een paar woorden voor haar had. De geschiedenis heeft als een beest op Hem ingeslagen. De stilte van het graf is alles wat over is. Zij huilt. "Vrouw", WAT zoek je. De twee engelen in het graf troosten haar niet nu haar Heer zelfs gestorven verdwenen is. En dan staat daar die man achter haar. Hij zegt: WIE zoek je? Hij, de tuinman - zeg het anders, de man van de tuin. Alsof de deur van het paradijs open staat. De man van de tuin. Maar het is niet goed voor een mens, alleen te zijn. Ook deze vreemde man. Hij kan zich geen houding meer geven. Hij kan haar nog alleen noemen bij haar naam. En zij weet meteen …


Raak mij niet aan - als de boom des levens. Onttrokken aan ons rekenen en plannen, onttrokken aan onze handigheid, eigenlijk ontwapenend. Een stem die spreekt, die je noemt bij je naam, om je te sturen naar je broers en zussen en te vertellen over mijn vader en jullie vader, onze vader. Dat moeten we vandaag zeggen. Hij is er ook nog.
Met Pasen begint alles opnieuw. Alles is anders. In en door Jezus die verrezen is maakt onze vader duidelijk dat de dood niet het laatste woord heeft, maar het licht. Een goed Pasen.


 

18 maart 2012 - 4e zndg Veertig Dagen Tijd - Sint Jan de Doper Amsterdam
2 Kronieken 36, 14-16.19-23; Johannes 3, 14-21

De Babylonische Ballingschap is eigenlijk de geboorteplaats van het boek en de boeken die wij de bijbel noemen. In Babylon, wanneer het volk eigenlijk niets en nergens meer is, in Babylon breekt de herinnering door. "Wij waren slaven in Egypte en de Heer heeft ons bevrijdt - en dat zal hij zeker nu ook doen. Die verwoesting van de Tempel in Jerusalem in de oertijd, ver voor het begin van de christelijke jaartelling,"die verwoesting is het einde niet. Voor de bijbelse mensen is en blijft het een litteken dat steeds pijn blijft doen. Troostend hebben de leraren woorden gevonden. Ze zeggen: wij waren zover weg dat God geen andere mogelijkheid meer had dan het afbreken van zijn Huis. Het is een schaduw die ook door de evangeliën loopt. Pas in de rouwtijd van de Ballingschap komt het volk weer bij zinnen. En dan komt Cyrus, de Perzische koning, de eerste in de Bijbel die Messias, gezalfde, mijn gezalfde genoemd wordt. De toezegging van koning Cyrus maakt mogelijk wat geen mens meer durft te dromen. God zelf zal zijn Huis herbouwen. Wij, christelijke lezers, kunnen er over peinzen - We zijn daar de vorige week al een beetje mee begonnen: ZIJN HUIS, ZIJN ZOON, Waar Hij uit gebouwd is, waar wij uit gebouwd zijn. God ontfermt zich over de mens, over zijn mens, over zijn mensenkind.

Vorige week waren we in de Tempel in Jerusalem. Het evangelie maakte ons tot getuige van de Tempelreiniging. Jezus joeg de kooplui de tempel uit. Maar van het Huis van Mijn Vader geen Huis van Verkoop en Handel. Na de vrede van de bruiloft van Kana waar Jezus zoiets gewoons als water verandert in zoiets bijzonders als wijn, heel goede wijn - zon goeie hebben we nog nooit gehad - breekt ineens als een donderslag de chaos uit op het tempelplein. Weg, weg. En de leerlingen herinnerden zich. De boeken bleken open. En meteen blijkt het Pasen. De lazen we de vorige week nog. Het bijbelgrieks prent het in ons geheugen: Jezus IN Pasen, In Jerusalem, IN het feest. Het is Pasen in Jerusalem. En dit verhaal speelt zich af in de nacht. Paasnacht in Jerusalem. Dan kan het maar over één ding gaan. Dan moet gedacht, gepraat en gezongen worden over die wonderlijke macht wanneer God zijn volk uit de handen van de pharao grist en hen brengt naar de Zee en naar de overkant. Dat wordt een moeilijke weg en blijft een moeilijke weg. Want hoe het ook gaat, je leven moet je iedere dag en eigenlijk ieder moment weer uitvinden,
Nicodemus, een farizeeër, is die nacht bij Jezus.Hij wil met zijn leraar leren wat Pasen betekent. Nicodemus zal straks ook het lichaam van het kruis nemen. Met Nicodemus peilen we Pasen. Slavernij en bevrijding. En dan komt dat gesprek bij die vreemde passage over de koperen slang. Al het kwaadaardige heft zijn kop en beukt in op het volk dat het eigenlijk niet ziet zitten. Wat moet je nu toch in die woestijn van elke dag. Bijtend en verlammend gif dat je niet van je af kunt schudden. Daarop maakt Mozes een koperen slang op een staf. Wie daarnaar opziet wordt genezen. Wie zich richt op het handwerk van Mozes en wat Mozes aanreikt, wie dat doet leert anders te kijken, leert óp te zien en daarvan te leven. Wij mogen leren te vertrouwen op de zoon die God ons schenkt. Licht en openheid. Letterlijk: het goede mag gezien worden.
God is door en door betrokken op de mens. In zijn lief kind geeft Hij zichzelf. Opdat de wereld zal kunnen leven. Wie dienovereenkomstig probeert te doen, wie daden van genegenheid doet, kiest voor het licht waar de schepping mee begint. Diens daden blijken in God gedaan te zijn. In de schaduw van het laatste Avondmaal is dat vandaag de handreiking. Leren leven in het licht van God die ruimte en tijd geeft.
Moge dat zo zijn.


 

11.03.2012 - 3e zondag van de Veertig Dagen, Amsterdam, Sint Jan de Doper
Exodus 20, 1-17, Johannes 2, 13-25

De eerste lezing, Exodus 20 kennen wij als "de tien geboden". Ik hoef U niet uit te leggen hoe we dat van kinds af aan begrepen hebben. Tien keer werd ons de les gelezen. Tien redenen werden aangewezen die duidelijk maakten waar wij eigenlijk en feitelijk onder de maat bleven. Tien geboden, een zwaar juk om te dragen. De tekst hoorde waarschijnlijk al zo'n 2,5 duizend jaar bij het joodse ochtendgebed. Maar toen de joodse gemeenschap merkte dat de tekst door christenen gezien werd als de bijbelse samenvatting van wat mensen moesten doen en laten, hebben ze de tekst nog alleen in stilte gezegd. Want je mag mensen niet de kans geven, verkeerde dingen te leren. Onze "tien geboden" noemen zij "de tien woorden". Want slaven in Egypte krijgen deze tekst te horen als een paspoort van de bevrijding. Tien keer "mijn woord heb je". Tien keer: "Als je met deze God in zee gaat dan zal eens de tijd aanbreken dat je niet meer achter andere goden aanloopt, dan hoef je je zekerheid niet meer ergens anders vandaan te halen. Dan zul je niet meer moorden, roven, leven van de ontrouw." En als je daar oren naar hebt, dan is er natuurlijk niets op tegen om zo'n leven te gaan oefenen. U hoort, niet meer de kramp van moeten en zullen, maar de rust en de vreugde van de herkenning. Tien kansen voor een ander leven. Tien keer "wij samen", zo luidde indertijd een beleidsdocument van wijlen bisschop Zwartkruis. Wij samen op de weg van vrijheid en verantwoordelijkheid, door God voor vol aangezien, vol kansen en mogelijkheden. De tien woorden als summum van Gods creativiteit. Wat mensen in zijn naam kunnen!
Nog steeds is het Johannes-evangelie bezig te beginnen. De tweede helft van hoofdstuk 2. Paasfeest van de Joden betekent voor Jezus: op naar Jerusalem. Alsof die stad Hem eigen is, door en door vertrouwd. Maar voor onze ogen speelt zich een tumult af dat zichtbaar maakt wat er aan de hand is, wanneer "de tempel" het "huis van mijn vader" wordt. Dat is geen winkel van vroomheid, voor pelgrims en voor handelaars, hoe goed bedoeld wanneer ze het goed bedoelen.
Ook voor de leerlingen gaat het evangelie nu definitief beginnen. In dit geweld gaan voor hen de boeken open. Waar zij het van zullen moeten hebben begint hier: Zij herinneren zich. Van nu af aan betekent het leven van Jezus voor hen, dat de boeken open gaan. In geuren en kleuren speelt zich voor hun ogen af waar de heilige boeken, maar ook waar het leven van Jezus naar toe wil, waar het om draait.
De instantie pikken het niet: welk teken? Wat zullen wij gaan zien? Wat laat jij ons zien! Breek de tempel, breek Gods aanwezigheid af en binnen drie dagen zal ik hem opnieuw bouwen. Op de derde dag, als alles definitief gaat worden. Zij menen dat weg te kunnen wuiven. 47 Jaar is aan deze tempel gebouwd. Het precieze getal brengt veertig jaar in herinnering, de tijd in de woestijn, maar ook het verhaal over de dagen van de werken van het begin, het scheppingsverhaal in zeven dagen, wanneer alles genoemd wordt, alles een plaats krijgt en plaats vindt. Daarmee liggen de boeken open. Wanneer Hij verrezen is uit de doden herinneren zijn leerlingen zich dat Hij dit gezegd heeft. Van nu af aan lopen de Schrift en de woorden die hij spreekt in de herinnering der leerlingen synchroon. Van Zondag tot zondag volgen wij die weg. Volgende week het visioen van de paasnacht, de mensenzoon verheven.
Er is nog veel te vertellen. Volgende keer meer. Breken en delen we wat we aan de tafel van het laatste avondmaal van de Heer mogen ontvangen. Delen we hem in ons midden, als ons midden, met elkaar. Moge dat zo zijn.



 

4 maart 2012 - 2e zondag van de Veertig Dagen - Sint Jan de Doper Amsterdam
Genesis 22, 1-2.9a.10-13.15-18, Marcus 9, 2-10

Waarom lezen we in de kerk altijd bijbelteksten? Simpel. Zonder die teksten hebben we niets te vertellen en weten we niets van alles wat die verhalen ons te vertellen hebben. Neem dat fantastische verhaal over Abraham dat wij zo juist hoorden. Abraham de "vader van de gelovigen". Kijk naar de cijfertjes boven de lezing van vandaag in het boekje en zie hoe ZE omgaan met de vader van de gelovigen, dan begrijp je ook waarom ZE zo omgaan met de gelovigen - maar dit terzijde. Het verhaal van vandaag is wereldliteratuur. Het gooit hoge ogen, baart opzien en schrik. Schilders hebben ons het gruwelijke van dit verhaal in onze ogen gewreven. In de godsdienstlessen mocht het verhaal 40 jaar geleden niet verteld worden. Het zou kinderen bang maken voor hun vader!
Maar je kunt dit verhaal ook zo laten horen dat je voelt hoe Abraham aan zijn kind gehecht is. Je zoon, je enige, van wie je houdt, Izaak. Izaak het kind van de beloften. Al voor het verhaal over Abraham en Sara begint is Sara onvruchtbaar. Daarom weten we dat hun verhaal niet ver zal komen. Maar God maakt Abraham tot een zegen. Uit hem zal een groot volk komen. Dan zal er toch een kind moeten komen. Dat wordt meer dan een leven lang wachten. Pas als Abraham 100 is komt het kind van de belofte - eindelijk. Zijn HOOP, zijn ZEKERHEID, zijn STEUN en TOEVERLAAT, zijn ALLES. U begrijpt: nooit zal Abraham opgeven. Zijn zoon is zijn God. Daarover gaat het verhaal. Abraham zal nog moeten leren dat Isaak niet is: " MIJN zoon", maar "mijn ZOON. Dat is heel iets anders.
In 1978 was ik in Jerusalem in het Rockefellermuseum. Daar wordt de hele ontwikkeling van het pottenbakken sinds duizende jaren voor de gewone jaartelling bewaard en zichtbaar gemaakt. Al lopend daar stond mijn hart opeens stil. Uit een gebarsten pot staarde een kinderskelet me aan. Het kind moet ongeveer zo oud zijn geweest als mijn jongste toen, ongeveer een jaar. Er stond bij geschreven: "Jericho, 2000 vóór". Als mensen in die wereld iets belangrijks deden, bijvoorbeeld het bouwen van een huis, brachten ze een offer van wat hen dierbaar, kostbaar. Een kinderoffer was een deel van de cultuur. Dat is de wereld van Abraham. Abraham moet in dit verhaal ook leren dat dit niet kan. Je offert je kind niet. Daarom gaat het verhaal tot op de rand om dan om te keren. Een ram neemt de plaats in van de Zoon. Toch, de traditie houdt vast aan de hardheid van het verhaal. In het volgende verhaal sterft Sara. Er zijn leraren die zeggen: als Sara hoort wat Abraham met Isaak van plan was sterft zij van schrik. En het verhaal vertelt over Abraham die met zijn knechten terug gaat. Waar is Izaak? Er zijn verhalen die vertellen dat God Izaak uit de doden heeft opgewekt.
Genesis 22 brengt ons ook aan de voet van het kruis. U hebt het gehoord: de ezel, vroeg in de morgen, het hout, de berg, de twee knechten, en de derde dag - U weet: Pasen!

De aanhef van het evangelie zegt: na zes dagen. Wie dat weten wil begrijpt dat we worden uitgenodigd tot een van de geheimen van de zevende dag. Het wordt de dag van een hele klim. Met de drie leerlingen worden wij meegenomen om op zekere hoogte ingewijd te worden in kath'idian, in waar Hij eigen is, in het zijne. In het licht van dag één (hier dus de 8ste, de dag over de sabbath heen) straalt zijn gewaad - de vader is immers begonnen te spreken: licht moet er zijn. We ontwaren we Elia en Mozes. Ook de volgorde van die namen, de laatste die het eerste is, brengt ons terug naar het begin. Petrus begrijpt dat hij nu wel moet aangeven, hoe goed het is. Taal van iemand die verbluft is, fluistert Marcus. De stem zet Jezus in de geuren en kleuren van Genesis 22. Degene naar wie de vader van de gelovigen iedere dag naar uitgekeken heeft , de beminde zoon. Als zij later naar beneden gaan, zo horen we, vragen zij zich af wat dat betekent: opstaan uit de doden.
Het zijn grote geheimen, de verhalen die we met elkaar delen in het woord dat God ons geeft. Moge het ons meenemen in het grootse respect dat God voor zijn mensen heeft.

Sint Jan de Doper - Aswoensdag - 22 februari 2012


Op Aswoensdag beginnen we opnieuw. We gaan ons uitdrukkelijk voorbereiden op de gebeurtenissen die in de Goede week en met name met Pasen hun hoogtepunt zullen bereiken. Pasen is voor ons niet alleen het begin van het voorjaar, van nieuw leven overal. Maar met Pasen beleven we de vernieuwing van het aangezicht van de aarde. Pasen is de manifestatie en uitleg van Gods grote daden, van de bevrijding van het volk uit de duisternis van Egypte en de opwekking van Jezus uit de doden. Vandaag, op Aswoensdag, gaan we ons weer voorbereiden op Pasen.

De liturgie voor Aswoensdag brengt ons om te beginnen allereerst onder het gehoor van de profeet Joel. Zijn woorden worden ons voorgehouden, en mogen we ons eigen maken.
Onze lezing van vandaag komt uit hoofdstuk 2. In het eerste hoofdstuk heeft zich een ramp voltrokken. Sprinkhanen vreten het land leeg. Het (bijbelse) volk heeft in feite zelf zijn wijngaard geslagen met ontzetting, de vijgenboom geknakt.
De tekst van dat eerste hoofdstuk is de moeite van het lezen waard. Wanneer u een beetje tijd geeft zult u merken dat de tekst voor zich spreekt. Intens poëtische beelden schilderen de troosteloosheid van een weggevreten land. Heel de samenleving totaal ontwricht. Blijkbaar is het bij zo'n oude tekst mogelijk zo actueel als de actualiteit te zijn. De weiden in de woestijn zijn verteerd, de bomen verzengd, zelfs de dieren van het veld komen om van de dorst omdat de beken hun water niet meer geven.
In alle troosteloosheid komt dan in het tweede hoofdstuk, de lezing van vandaag. Een stoot op de bazuin. Een nieuw initiatief.
We horen hoe God de profeet en ook ons toevertrouwt, dat we ons, al lijkt dat onwaarschijnlijk, toch ook opnieuw kunnen oriënteren. Kondig een vastentijd aan. De onthouding van wat voor de hand ligt zal laten zien dat genieten niet vanzelfsprekend is. We willen wat van onszelf. We willen ons vrij maken voor anderen. De rouw zal zichtbaar maken dat we weten wat we over ons afroepen wanneer we alsmaar doorgaan met ons toe-eigenen wat toch steeds gave blijft. Vasten en rouwbeklag spellen de toekomst wanneer we zo doorgaan. Ze maken het gemis manifest. Daarmee wordt duidelijk: laat God, maar ook, laat jezelf zien dat het je ernst is. Laat jezelf zien dat je het weet. God kan een nieuw begin mogelijk maken. Je kunt daar je stem aan geven in de liturgie en in het leven zoals het zich elke dag aandient. Toen is de Heer voor zijn volk opgekomen en heeft hij zijn volk gespaard (Joel 2,18). Nu zal hij dat weer doen.

In het Matteüsevangelie gaat de knop definitief om in het vijfde hoofdstuk: Jezus op de berg van alle verhalen, de Bergrede. We horen het visioen van Jezus de gekruisigde. Dit zijn de woorden waar hij zijn leven op inzet, waar hij zijn leven voor geeft. In het midden van al de woorden op de berg vinden we, wellicht onverwacht, de drie praktische aangelegenheden die de kerk ons vandaag wil voorhouden. Aalmoezen geven, bidden en vasten. Het gaat daarbij blijkbaar om drie activiteiten die niet vanzelfsprekend zijn, die niet "in de aard van het beestje" liggen. Want : 1.Aalmoezen geven. waarom zou je een ander geven wat van jou is? 2 Bidden. Waarom woorden van een ander zeggen alsof het jouw woorden zijn? 3. Vasten. Waarom zou je je inperken in zaken die van jou zijn?
Aalmoezen geven. Meer letterlijk staat er niet aalmoezen geven, maar je over de ander ontfermen. Daden doen waaruit betrokkenheid blijkt. Je hoeft niet te verantwoorden wat de ander met jouw hulp doet. Simpel: geef als dat nodig en mogelijk is. En maak er geen theater van. Laat het niet je eerste zorg zijn dat anderen zien hoe goed je bent. Doe als Onze Vader, doe in het verborgene ziet is er dan niets.
Datzelfde geldt voor het bidden. Maak er geen drama van. Sluit je op in je binnenkamer. Dat gebaar van het sluiten vestigt het oog op het moment van dichtgaan, op de deurpost. We weten van de deurposten die bestreken waren met het bloed van het lam in de paasnacht. Sluit je in je binnenkamer, binnen de ruimte waarvan je weet dat die je gegeven is. Laat je gebed voor jezelf en je God zijn.
Een hele cultuur hoort bij het woord vasten, tot en met vastentrommeltje toe. Maar in de bijbelse traditie is men spaarzaam met vasten. Het geweld van zolang het licht is niet eten wordt maar weinig gebruikt. En toch: wanneer je het doet: maak geen theater van je toewijding. Dan ben je meer jezelf toegewijd dan God die in het verborgene ziet.

Het Onze Vader
De drie praktische aangelegenheden die op Aswoensdag in de liturgie worden aangeprezen staan in het midden van de zogenaamde Bergrede. Ze zijn de spil. In het midden staat bidden. Het is jammer dat de tekst van het Onze Vader, die daar, helemaal in het midden staat, weggelaten is. Daarmee is de lezing een soort beeld als dat van de verwoeste stand (Rotterdam) van Zadkine, een stad zonder hart. Maar het hoeft geen probleem te zijn.

Wanneer we één tekst van jongst af aan kennen is dat het Onze Vader. Wanneer we straks, getekend met het Askruisje, de kerk verlaten nemen we in ons hart het Onze Vader mee. Dat is onze kracht, ons geheim. In die woorden horen we het programma van Jezus, horen we waarom en waarmee hij naar Jerusalem gaat. Horen we zijn wapen, wat hem sterk maakte en op de been houdt.
Vandaag beginnen we aan de 40 dagen die ons voorbereiden op dag één, de dag die Pasen heet. Moge God met ons zijn.


Voorbeden
Bidden we voor de Kerk van God hier, op deze aarde.
Heer, zo vaak weten we niet waar we mee bezig zijn, wat we zouden willen.
Wees Heer onze God,
bemoedig ons met Uw vertrouwen
en leer ons hoe wij Uw Zoon kunnen volgen
op zijn reis naar Jerusalem.
Heer onze God, wij bidden …

Bidden we voor de grote wereld waarin wij leven.
Heer onze God, onze wereld wordt steeds kleiner en groter tegelijk.
Problemen stapelen zich op,
De zorgen zijn groot en het leed is vaak niet te peilen.
Geef onze wereld leiders die hun verantwoordelijkheid willen dragen,
Die ons betrekken in de zorg voor anderen dichtbij en ver weg.
Geef ons het geduld om ons te oefenen in verantwoordelijkheid en betrokkenheid.
Heer onze God . …

Bidden we voor de mensen met wie wij leven.
Bidden we voor onze kleine kerkgemeenschap,
Voor de mensen om ons heen,
Thuis, op ons werk.
Voor de kinderen en kleinkinderen,
Voor de mensen die ziek zijn …
Voor de mensen die wij missen omdat ze er niet meer zijn …
En voor alles wat ons bezig houdt …
Heer onze God …

Meer dan wij het zeggen kunnen bent U onze God.
Wees Heer onze God,
Ontferm U over ons
En ga met ons mee,
Alle dagen die wij leven,
Omwille van uw lieve zoon,
Jezus Christus, onze broeder, onze Heer.
Amen


12 februari - Zesde zondag door het jaar - Sint Jan de Doper, Amsterdam
Leviticus 13, 1-2.45-46; Marcus 1, 40-45

U hebt al gemerkt, het gaat in de eerste lezing van vandaag over wat wij vroeger de melaatse noemden. De tekst is daar heftig en beslist over. Iemand die door die kwaal is aangetast moet buiten de gemeenschap leven. Alles wat een mens nodig heeft om te kunnen leven, zijn lijf en leden, alles wordt bedreigt door een gezwel, een uitslag of een vlek, die dodelijk is voor hem maar ook voor het leven van de gemeenschap. Daarom mag hij of zij niet meer zijn waar de gemeenschap is. En mocht zo iemand, wat niet te verwachten was, toch genezen, dan moest hij naar de priester. In het bijbelse Israël staat de priester in dienst van het leven. De dreiging van de dood dient hij te bezweren. Alleen de priester kan je genezen verklaren.
We worden ook nog een keer geconfronteerd met dat altijd verkeerd begrepen woord "onrein". Onrein is voor ons gevoel "niet schoon" of vies. Maar het bijbelse onrein betekent: jij staat buiten de gemeenschap, letterlijk, jij mag niet meer meedoen. Daarom: buiten de gemeenschap.
Ik heb U de vorige week er op gewezen hoe vaak Marcus het woordje "en terstond" of "en gelijk" gebruikt. Alsof het verhaal in volle vaart verloopt. Vandaag horen we dat niet. Vandaag horen we dat niet. Aan het einde van hoofdstuk 1 komt er een soort rust. Een soort van windstilte. Opeens is het decor leeg. Zelfs zo leeg dat we de naam van Jezus niet meer horen. Stil! Er komt naar hem toe een melaatse. De richting van het lopen staat vast. Naar hem toe. Wie is hij? Die melaatse komt naar hem toe, overbrugt de afstand met zijn roepen, valt op zijn knieën en zegt: Als je wilt! jij kunt mij genezen! Een variant lijkt het wel op Uw wil geschiede, gelijk in de hemel zo ook op aarde. Als jij wilt … wat kan er dan gebeuren voor mij op aarde. Als jij voor mij de hemel wilt zijn, wat is er dan voor mij? Genezen. Reinigen. Weer opnemen in de gemeenschap. Jij niet met name genoemde kunt mij, melaatse zonder naam, weer opnemen in de gemeenschap. Weer mee mogen doen, verzoend worden met.

Hij valt op zijn knieën. Gebaar en taal brengen Jezus letterlijk van zijn stuk. Hij strekt de hand uit, raakt hem aan. We horen hoe het lichaam van Jezus onderwerp van het werkwoord aanraken wordt. Hij vertolkt de gevraagde gemeenschap. We zien de woorden gebeuren. Maar, zegt hij van wie wij nog steeds niet weten wie hij is, laat je zien aan de priester en offer voor je reiniging wat Mozes heeft voorgeschreven.
Zo'n veertig jaar geleden zeiden we graag dat Jezus zich niets aantrok van alle regels. Hier horen we: wie om reiniging vraagt moet zich voegen naar de woorden van de Tora. Dat is een getuigenis. Maar de man loopt over. Hij vertelt Jan en Alleman wat hem overkomen is. Het verhaal dat niet mag, wordt een verhaal op pootjes. Iedereen krijgt er mee te maken. Maar er gebeurt wat niet kan. Dat is moeilijk te verteren. Hij wordt gelijk uitgeworpen. En het gevolg is: Jezus kan ook niet meer binnen zijn. Hij wordt een outsider. Buiten, op eenzame plaatsen is hij.
Maar dat buiten wordt een vindplaats. Een markt. Van alle kanten komen de mensen naar hem toe. Alsof Jezus een oase is in de eenzaamheid, een plek met water in de woestijn die gemeenschap mogelijk maakt.
Een moeilijk verhaal en tegelijk en makkelijk verhaal. Wanneer ik een vogel zou zijn en wanneer er een boom in de buurt zou zijn: ik zou op een van de takken zitten en het tafereel aanschouwen. Uw wil geschiede. Jezus die mensen bijeen brengt. Zijn naam borgt gemeenschap, ons, onze vader. Vandaag komen nog steeds, buiten de drukte van de stad, mensen bijeen. Zij horen naar Hem, horen bij Hem. Uw wil geschiedde. En moge God met ons zijn.



5 februari Vijfde zondag door het jaar Amsterdam, Sint Jan de Doper
Job 7, 1-4.6-7; Marcus 1, 29-39

Dat leven eenvoudig is, of dat het alleen maar zon en maneschijn kent, wij weten dat het niet zo is. Leven is soms/vaak/eigenlijk zo gecompliceerd, zo veeleisend, zo oneerlijk! Daarom moest het boek Job er wel van komen. Job, een goed man die het voor de wind gaat. "Zal wel", zegt de tegenpartij. "Natuurlijk is Job vroom. God is hem goed gezind, Hij heeft alle reden om dankbaar te zijn. God is van mening dat dit roddelen in de bovenkamer is. Hij geeft de tegenpartij de kans die hij wil. Binnen de kortste keren is Job gebroken. Zijn kinderen verdwijnen, zijn vrouw, zijn bezittingen. Zo eindigt Job op de mestvaalt.
De hemel speelt hoog spel over de rug van Job. Al zijn glans en luister wordt hem ontnomen om zichtbaar te maken dat een mens van God en mens verlaten, nog steeds een mens voor God is, desnoods tegenover God. De dagen branden. Hij snakt naar schaduw. De maanden en nachten zijn vol vruchteloos getob. Job kan niet bij zijn heden zijn. 's Avonds wacht hij op de morgen, 's ochtends verlangt hij naar de avond. Zijn leven is enkel onrust, onraad, angst. Geluk zal er voor hem niet meer zijn, nooit meer. En het boek Job blijft in feite daarbij.
En terstond, of en gelijk. Dat staat in Markus. Niet zoals in onze boekjes "in die tijd". En terstond. Wat is er gebeurd? Jezus is bij Marcus gedoopt. Dan oogst hij de eerste leerlingen en gaan ze naar Kapernaum. Ik heb u daar vorige week over verteld, die bezeten man in de sjoel die van mening was dat Jezus hem pijn wilde doen. Jezus heeft die man bevrijd van zijn angst en zijn bezetenheid, en terstond … zo begint dit verhaal. In vliegende vaart gaat het verder Maar wat we krijgen is in feite een huis, tuin en keuken verhaal. Om te beginnen herkenbaar. Met Jacobus en Johannes komen we thuis bij Simon en Andreas en direct worden we naar de schoonmoeder van Petrus gebracht. Weer zien we, zoals in het voorafgaande verhaal, de anderen tegenover die ene. De leerlingen overbruggen de afstand. En terstond - alweer dat woord terstond - vertellen ze Hem over haar, effenen zij voor Hem de weg, effenen ze zijn weg lijkt het wel. Hij neemt haar bij de hand en richt haar op. Het vuur verlaat haar en zij staat op en dient hen. Haar dienen is mogelijk omdat zij opgestaan. Is dat het begin van de gemeenschap, de dienst? Opstaan om te dienen. De mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden maar om te dienen. Opstaan en dienen. Zoals we ons in Job mogen herkennen wanneer het leven hem hopeloos en onbegrijpelijk overvalt, zo mogen we ons ook herkennen in de schoonmoeder van Petrus, in de angst van Petrus, in de zorgen van de leerlingen en in Jezus die haar de hand reikt zodat zij op kan staan. Dood en verrijzenis horen in het evangelie bij elkaar.
Dan dooft het licht in het verhaal. De deur van het huis staat bol van het leed dat wereld heet, en velen genas hij. Velen is in het evangelie democratisch allen. Allen die willen, allen die zich, zoals wij dat zeggen, geroepen voelen. Grappig vind ik dat de boze geesten Hem kennen. Die weten dat Hij aan hun lijf komt, dat aan hun rijk een einde zal komen.
Dat allemaal loopt uit in Jezus op een plaats in de eenzaamheid, in de woestijn, zeggen wij dan. Petrus zou de gelegenheid van allen die Hem zoeken willen uitbuiten: "Allen zoeken je". Nu kun je zaken doen, nu hebben de mensen gehoor voor je, geven ze thuis. Maar Jezus zegt dat hij verder moet. Het verhaal begint nog maar pas. Hij trekt van stad tot stad, preekt in de synagoge. Commentaren merken vaker op dat het jammer is dat we nauwelijks weten wat hij preekte. Dat klopt natuurlijk niet. Hij preekt dat we op moeten staan, dat we moeten dienst kunnen doen als getuigen van de opstanding, de verrijzenis. Hij preekt in vele tonen dat het niet goed is voor een mens om alleen te zijn, wat dat ook betekenen moge, het kan zoveel betekenen.
We weten dat het evangelie ons gevonden heeft, het goede verhaal. Wij horen erbij als Hij ons aan de paastafel zijn gaven geeft, Zichzelf.
Moge God met ons zijn. Jan Engelen


 

29 januari Vierde zondag door het jaar
Sint Jan de Doper, Amsterdam

Deuteronomium 18, 15-20; Marcus 1, 21-28

We zeggen graag - zeker als we een beetje ouder geworden zijn: je bent nooit te oud om te leren. Want een mens blijft leren. En dan komt de kern. Je blijft leren van je ervaring, van wat je meemaakt, van waar je midden tussen in staat. Leren, studeren, is meemaken, je concentreren op, en in je opnemen, voor je zien, kunnen. Dat doet Mozes vandaag in de eerste lezing ook. Hij vertelt hen wat er gebeurd is, de acta, en wat er gebeuren zal, te doen staat, de agenda. Aan de voet van de berg van het verbond, van waar je opziet en onder de indruk bent, ontroert, beseffen ze dat het te groot voor hen is. Wie kan dat verdragen?
Het volk vraagt niet meer de stem van God te hoeven horen, niet meer dat grote vuur te zien. Daar blijf je in. Kan er niet iemand voor hen uitgaan, iemand die bemiddelt tussen ons en dat grote gebeuren? Daarom heeft God gezegd, uit hun midden een profeet te zullen roepen, iemand die namens (pro) Hem spreken (fèmi) zal. Pro-fèmi, profeet. Wat is een profeet? Gods woord is in zijn mond. Hij zal uitleggend voorgaan. Na Mozes zal God een andere profeet doen opstaan naar wie je luisteren moet. Een andere profeet. Een uit je broers. En die profeet zal weten dat hij namens God spreekt, of hij zal zwijgen en niet spreken.
De profeet is dus iemand naast je, tegenover je, namens je, voor jou. We weten allemaal dat we het van anderen moeten hebben. Alleen is maar alleen. Dan blijven hemel en aarde gesloten. De ander opent voor ons de wereld, neemt ons mee, doet het licht opgaan. En eens gegeven is altijd gegeven. De mensen die ons het leven geleerd hebben blijven bij ons, blijven ons nabij. Alsof tijd niet bestaat, het leven altijd heden.
Dat fundamentele gegeven in het leven van een mens, van iedere mens, is ook de sleutel tot de heilige woorden die ons als Schrift gegeven zijn, die ons voor blijven, voor ons. Het kan niet op.

Het evangelie brengt ons naar het meer van Galilea, een kom water als het ware uit de rotsen opgeschept. Vissers in beweging. Kfar Nachoem, het dorp waarvan de naam troost spelt. Sabbat. Synagoge. Samenkomen, leren en vieren. En terstond is er in de synagoge een man met een onreine geest: "Wat is er tussen ons en jou, Jezus van Nazareth. Ben je gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wie je bent. De heilige van God. Met een enorme heftigheid gaat hij te keer. Fel tegen Jezus. Maar waarom? Hoe komt hij er op? Er is nog niets gebeurd. En hij spreekt de waarheid. Jezus is de heilige van God. Maar waarom denkt hij dat Jezus hem komt vernietigen? Ik weet! Vanwaar deze "gemeenschap onmogelijk makende" kennis?
Markus spreekt over leerlingen, over Jezus als leraar, en de mensen die verbaasd zijn over zijn leer. Drie keer iets van het woord leren. De man met de onreine geest komt met ik weet. Hij hoeft niet te leren. Hij weet. De onreine geest maakt door zijn weten de gemeenschap onmogelijk. Wat hij weet zorgt ervoor dat hij en Jezus, of dat de gemeenschap en Jezus niet bij elkaar kunnen komen. Gemeenschap, bij elkaar horen, samen optrekken en verder gaan, in zee gaan met - bij hem kan het niet. Dan zou hij zichzelf moeten opgeven, loslaten, toevertrouwen aan. En dat kan hij niet. Maar voor Jezus hoeft hij dat ook niet. Hij neemt het over. Zwijg stil en ga weg! Als de boze geest het zwijgen wordt opgelegd gaan de mensen spreken. Allen luchten hun hart: Wat is dát nou, een nieuw leren dat iets te zeggen heeft! Misschien nog mooier: iemand die de anderen het woord geeft.

Jezus gaat de synagoge binnen (v.21). Daarmee begint het verhaal. En het verhaal over hem gaat uit naar alle kanten (v. 28). Daarmee eindigt het. Zo hebben wij elkaar gevonden en vinden wij elkaar, hier rond de altaartafel, in woord en gebaar, het lichaam van Christus.
Moge dat zo zijn.


 

8 januari 2012. - De Heer laat zich zien. Driekoningen - Sint Jan de Doper Amsterdam
Jesaja 60, 1-6; Matteüs 2, 1-12

Sta op, schijn, want gekomen is je licht. De zon is over je op aan het gaan. Terwijl heel de wereld nog in duisternis verkeert en door het duister wordt bedekt, licht het fel op over Jerusalem. Alle licht moet op die stad vallen en iedereen ziet het. Want de Ballingen in Babylon krijgen de vrijheid zoals indertijd de slaven in Egypte een uittocht kregen, een exodus. Alles wat God kan en vermag, vrijheid en bevrijding worden zichtbaar In Jerusalem. En óp trekken de volkeren. Alle volkeren worden "WIJ". Dank zei Onze Vader worden we broers en zussen, zonen en dochters.

Dat wij hier op zondag samen komen, dat wij hier kerk zijn, is een al lang verhaal. Wij zijn kerk - kyriakè oikia - hoort u dat kyriakè, kerk. Kyriakè. Kyrie, dat weten we, is Heer. Kyriakè is heer-lijk. Van de Heer. Wij zijn kerk, Huis van de Heer. We weten niet hoe lang nog, maar dat is ook onze zorg eigenlijk niet. Het is Zijn zorg. Wij zijn Huis van de Heer, kerk, zo'n beetje ook Heel Jerusalem. Het zijn de verhalen die ons tot kinderen van Jerusalem maken, tot mensen van Zijn Verhalen.

Wanneer Maria en Jozef naar Bethlehem gaan weten wij wel wat er aan de hand is. Augustus moest zo nodig. De mensen wilde hij geteld hebben dan kon hij zijn mannetjes de belasting laten incasseren. En in Bethlehem verloren is toen dat kind geboren. Bijna weggeworpen in een stal, bij de besten thuis. In een krib gelegd. In doeken gewikkeld. Het is voor ons niets nieuws, we weten dat. Als de os en de ezel staan we erbij, geven die arme mensen een beetje warmte. In doeken gewikkeld - een detail maar. Maar in doeken gewikkeld dat is ook wat ze straks met dat arme lichaam zullen doen, wanneer ze hem van het kruis afnemen, wanneer WE hem van het kruis afnemen. Dat arme lichaam. Dat lichaam dat we ook in een dienst van Woord en Communie mogen delen met elkaar, willen delen.

Maria, Jozef en dat kindje. Sinds een week drie is het hoge woord er uit. Elisabeth zei tegen haar familie en heel de buurt dat het kind Johannes moest heten. Wij weten: Sint Jan de Doper. En Zacharias begint opeens weer te praten nadat hij 9 maanden met stomheid geslagen was, en in stilte bad dat het goed zou gaan met dit volstrekt onverwachte, een kind, geboren terwijl zij al zo oud waren dat de verwachting allang verdwenen was. Een kind dat je meeneemt over de horizon van je eigen leeftijd heen. Nu moet je wel verder kijken.

Zo hebben Maria en Jozef ook naar de kribbe gekeken, naar hun kind, in doeken gewikkeld. Herders zijn opeens plompverloren binnengevallen. Een zootje ongeregeld. Gasten van het veld. Een paar schapen, een blaffende hond die de wereld buiten hield. Verwarde mannekes, - laat het ze niet horen - met dromen en plotseling de hemel vol, engelen, vrede op aarde, vrijheid en bevrijding enzovoorts, free at last.
En Maria is moeder geworden. Zij bewaart al die woorden, zoals de kerk dat ook probeert. Woorden bewaren. Want je gelooft het niet, maar van woorden moeten we het hebben, woorden delen we als brood. Ze maken ons leven mogelijk. Maria bewaart al die woorden.

Vandaag meldt dan ook Matteüs zich. Als het over kerstmis gaat zijn er immers twee getuigen. Lucas begint in de tempel en dwaalt dan af naar die uithoek op de rand van de woestijn bijna, Bethlechem, het kind in de kribbe. Matteüs begint zijn evangelie zijn Goede Verhaal met Egypte, Babyonische Ballingschap en Bethlehem.
Hij begint eerst met al die namen, al die verhalen. Abraham, Isaak, Jacob en weet ik veel. Ook David en Salomo, tot aan Maria en Jozef toe. Het kind van Kerstmis hoort bij al die namen,- al die verhalen, - niet te tellen. Al die verwachting, die onzekerheid die maar duurt en houdt het dan nooit op, en toch, gelukkig, eindelijk: licht in de duisternis.

Matteüs noemt eerst Bethlehem en daarna pas Jerusalem. Dat is een leesaanwijzing. Jerusalem mag en zal weten van haar afkomst, bescheiden, klein, zo klein als Bethlehem van jongetje David, weggeplukt van achter de schapen om de mensen van zijn vader een kans te geven en zo goed en kwaad als het gaat koning voor hen te zijn , het op te nemen voor hem. Zo wordt Jezus in Bethlehem geboren - en meteen begint de wereld van ver buiten die verhalen zich te roeren. Wij zijn er ook nog. Als dat licht in Bethlehem geboren wordt doen wij ook mee. Achter dat licht gaan ze aan, achter dat licht gaan we aan, mee in die wolk van stof die de wijzen uit het Oosten meebrengen als ze in Jerusalem aankomen. Op naar het licht, op naar dat kind. Waar moeten we zijn? De city where it all happens zal wel de stad van die grote koning zijn. "Waar moeten we zijn?"


Maar Jerusalem geeft niet thuis. Met Herodes zijn ook de boeken dichtgegaan, lijkt het wel. Maar van de andere kant, toekijkend van tussen de gordijnen, zien we hoe die onnozele Herodes ons voordoet waar we moeten en hoe je daar komt. Hij roept alle hogepriesters en schriftgeleerden - die hebben we strak nodig voor het decor van het lijdensverhaal, weet U nog! Alsof dat verhaal hier al begint. Donkere wolken trekken zich samen boven Jerusalem - en Herodes laat onverstoord de hogepriesters en schriftgeleerden de boeken open maken om te zien waar ze moeten zijn, waar WE moeten zijn.
Bethlehem - we hadden het kunnen weten. In Bethlehem gaan de boeken uiteindelijk open en begint het verhaal van David, van Bethlehem tot Jerusalem, en van Jezus, van Bethlehem tot Jerusalem. Dat lied begint ook bij Maria en Jozef zouden naar Bethlehem gaan. Als een stelletje kleine kinderen rennen die wijzen - niet goed wijs. Echt niet. Zij hebben dat bij zich wat straks op het bordje boven het kruis staat. U weet wel: "Koning van de Joden". Ze rennen die laatste kilometers naar Bethlehem. Ze komen langs het graf van Rachel immenoe, Rachel onze moeder. Vondel laat haar dwalen door berg en beemd en over de velden van Ephraim, Bethlehem. Ze zoekt haar kinderen en laat zich niet troosten want ze is haar kinderen verloren en hoe kun je dan nog leven, rust vinden. Het is de vraag of de Messias haar troosten kan!
Maar vandaag gaan de wijzen ons voor naar Bethlehem. Drie koningen zagen een sterre en wij gaan achter de muziek aan, met hen mee.

Wat hebben die wijzen gevonden? Welke droom openbaart zich voor hun ogen? Wat is te gek om waar te wezen, daar, in die kribbe, in doeken gewikkeld? Een kind kijkt je aan, kijkt ons aan, biedt zich aan - ook aan ons. De Heer laat zich zien.
Laat ons zingen en bidden. Delen we met elkaar wat ons gegeven wordt.



1 januari 2012 - Nieuwjaar, Besnijdenis van de Heer, Heilige Maria, moeder van God
Amsterdam, Sint Jan de Doper.
Galaten 4, 4-7; Lucas 2, 16-21

Voor voorgangers in de liturgie is het vandaag een verwarrende dag. Omdat het vandaag de achtste dag van Kerstmis is, is het vandaag het "feest van de besnijdenis van de Heer". Voor ons is dat een ietwat merkwaardig feest. Wat moeten we daar nu mee. Ik kom daar dadelijk op.
Een groot feest duurde eeuwenlang acht dagen. Daar hebben wij tweede kerstdag, tweede paasdag en tweede Pinksterdag aan over gehouden. Op de achtste dag was het feest afgelopen. Bij Kerstmis betekende dat zo'n beetje: nu kon het werk van Jezus beginnen. Daarom: Nieuwjaarsdag, een nieuw begin. En Paus Johannes Paulus heeft het feest van de besnijdenis van de Heer omgedoopt tot het feest van het moederschap van Maria.

Ik ga terug naar waar het allemaal om begonnen is. Rond de jaren 60 van de vorige eeuw, dus zo'n 50 jaar geleden was er een theologisch congres op de Universiteit van Groningen waar ook Prof. Flusser zou optreden, een eminent Joods geleerde. Voor hij aan zijn conferentie begon werd hem in goede gemoede verteld dat hij niet de nadruk moest leggen op de besnijdenis van de Heer. Daar zouden mensen door in verwarring kunnen raken. Dat Jezus een Jodenman was, 50 jaar geleden was dat nogal verwarrend. En de besnijdenis komt te dicht aan het vlees.

Maar hoe is het in feite. Eerlijk gezegd: volgens de bijbelse verhalen weten we tot nu toe nog steeds niet wie of wat er met Kerstmis geboren is. Het kind in de kribbe heeft nog geen naam. U hoorde dat in de eerste lezing. Pas op de achtste dag, waarschijnlijk omdat men dacht dat het kind het zou redden en in leven zou blijven, krijgt het kind een naam. En in bijbelse kringen: omdat het een joods jongetje is wordt hij op de achtste dag een "kind van het verbond," een kind van Abraham. Ik denk dat wij het als een vanzelfsprekende zaak beschouwd hebben. Gedoopt worden is min of meer natuurlijk. Je werd, zeker vroeger, gedoopt, zoals je vader en moeder en hun ouders ook gedoopt waren. Wij realiseerden ons nauwelijks dat je net zo goed niet gedoopt kon worden. Want door de doop wordt je opgenomen in de gemeenschap van de leerlingen van Jezus, wordt je volgeling van de Messias. Zoals een joods jongetje door de besnijdenis kind van Abraham wordt. Wat betekent dat? Dat betekent in beide gevallen dat heel veel verhalen van anderen, over Adam, en Paulus, en Elias en David - noem maar op, al die bijbelse verhalen worden ook jouw verhalen. Door de besnijdenis en door de doop wordt je "het kind van heel veel verhalen" en ook kind van de verhalen over die verhalen. Zonder die verhalen over God en zijn mensen hebben we geen verhalen. Of anders gezegd: zonder verhalen zijn we niet wie we zijn. Foto's, en liederen, alles wat bij uitstek zo menselijk is,zijn moderne verhalen. Ze geven kleur aan ons leven, voeden de verwachting. Zo ook, aan dan kom ik bij de moderne naam voor dit feest: feest van Maria, de moeder van de Heer. "Moeder van de Heer", wij weten dan, ook "onze moeder". Het zal niet lang duren in de verhalen dan mogen we ook "Onze Vader", zeggen. En we weten ook: dank zij die vader zijn we broers en zussen van elkaar. Daarom proberen we ook te leren elkaar te vergeven en opnieuw te beginnen. Ik weet wel, je kunt best zonder verhalen leven, en als je hart niet meer klopt heb je het gehad - maar ik denk dat dat alleen maar zo lijkt: zonder verhalen zijn we geen kind meer van onze ouders, geen broer of zus van onze broers en/of zussen. Bloedverwantschap is vooral verhalenverwantschap. Daarom zijn katholieken anders dan Protestanten, maar daarom ook zijn we als katholieken en Protestanten bijvoorbeeld, al 70 jaar lang bezig, echt bezig, dichter bij elkaar te komen en elkaar als broers en zussen te herkennen. Dat gaat langzaam., want groeien gaat langzaam.
Jezus de Messias, het kind van Kerstmis, een wereld van verhalen. Wij weten dat we niet alleen zijn, dat God oog voor ons heeft en dat we het leven werkelijk delen. Daarom strekken we onze hand uit en weten we dat God om ons geeft.
Moge dat zo zijn.


 

24 december 2011 - Kerstmis - nachtmis in de Sint Jan de Doper in Amsterdam

Jesaja 9, 1-3.5-6; Lucas 2, 1-14


Het Oosten. De oriënt, waar je je op oriënteert, vanwaar de zon opgaat. Het daghet in het Oosten. Het licht komt uit het oosten. In de kerken van het Oosten vind je iconen, teksten voor mensen die niet kunnen lezen maar die de beeldtaal wel verstaan. Op kerst-iconen zie je vaak een oudere man, zijn gezicht bijna verdwaald in zijn baard. Ook in Europese schilderijen zie je bij het kerst-tafereel Jozef in een hoekje, als een oude man, aandachtig aanwezig. Maar je ziet aan hem: hij hoort er eigenlijk niet bij. Dat is ons vroeger met grote stelligheid geleerd. Hij was de voedstervader, leerden we. Bij Jezus moesten we uitdrukkelijk weten, dat Hij de zoon van God is, alsof niet ieder kind een kind van God is.
Op onze televisieschermen hebben we de laatste weken veel oudere mannen met tranen gezien. Het zijn kinderen van de rekening, van talloze, levenslange, pijnlijke rekeningen, nooit betaald, - rekeningen van een dwaze geschiedenis. Deed het maar niet zoveel pijn. Het heeft zoveel pijn gedaan. Het doet nog zoveel pijn. En krijt niet meer.
Donkere wolken hebben zich boven ons samengebald. Europa, de banken, de markten, het geld, de pensioenen, de dieren, het milieu, het onderwijs. De ouderen, de jongeren, de kinderen, de zieken, de mensen zonder werk, de zorg voor de gehandicapten, - al die kwetsbare en gekwetste mensen. De oude woorden van Jesaja zijn volstrekt hedendaags: Het volk dat gaat in duisternis - of, zoals wij het net in de vertaling hoorden - het volk dat in duisternis wandelt. Duisternis alom. In dat duister komen wij tesamen omdat er een ster is gaan blinken, omdat het verhaal ons ter ore is gekomen.

Het kwaad is als de dood. Het doet een mens verbleken. Het confronteert je zo met jezelf dat je geen kant uit kunt. Daar is niet uit te komen en daar kom je ook niet uit. Je kunt je niet over je verdriet heen zetten. Niemand kan zichzelf aan zijn of haar eigen haar uit de put trekken. Is er dan een ander?

Maar hoe zou je kunnen denken dat je alleen bent? Hoe komen we op dat armzalige idee dat we alleen zouden zijn? Wij - de aarde alleen.
Je weet toch, vandaag, dat gisteren niet de laatste dag was. Zelfs al pakken duistere wolken zich samen, al weten we en zien we, bijna niets meer: wij komen te samen onder het sterren blinken. We hebben behoefte aan een nieuwe intimiteit, aan weer opnieuw gevonden worden. We komen samen, we luisteren naar de verhalen en we zingen liederen samen.
Verbaasd, verwonderd, verstild heffen we deze nacht ons hoofd omhoog. Want een kind is ons geboren! De eeuwenoude mens ziet de nieuwe Adam. Een kind is ons geboren. Een nieuwe tijd, een ongehoord nieuwe wereld breekt aan. Een nieuwe tijd, ook al zullen en kunnen we onze opening geloven. Dat hoeft ook niet. Want het kind zal blijken in ons te geloven. Het kerstkind gaat niet met ons mee, maar het kerstkind neemt ons mee, maakt ons weer tot kinderen die blij kunnen zijn met dit zeldzame, menselijke licht, eenkind in ons midden.
Ondanks alles, of misschien wel precies omwille van alles: ieder kind is zijn kind, iedere mens is zijn mens, is alles voor hem. In elk van ons biedt God ons Zijn Zoon aan. Ieder van ons mag vannacht uit het goede verhaal geboren worden.
En dit zal jullie een teken zijn: je zult een kindje vinden, in doeken gewikkeld. En de hemel zingt mee. Glorie aan God is vrede op de aarde die hij aan zijn mensen geeft.Hoe het ook zij: het kerstkind kijkt ons aan. Zeldzame vrede. Moge Kerstmis goed voor U zijn.
Ja, moge dat zo zijn.


 

Kerstnacht 2011 - De Drie Hoven - oecumenische viering

Bethlehem. Mooie naam, Bethlehem, Brood-Huis. Een plek waar brood thuis is. Daar moet het goed toeven zijn. De geur van vers gebakken brood isme bekend. Op weg naar mijn werk kwam ik jarenlang langs een bakkerij. Uitgenodigd door de geur en de warmte. Een goede wereld, Bethlehem!
Maria en Jozef moeten wel vreemdelingen geweest zijn in Bethlehem. Door het gebod van keizer Augustus hebben ze hun huis moeten achterlaten om op weg te gaan naar Betlehem. Een onmogelijke reis. Onmogelijk, kijk maar naar die jonge vrouw, Maria. In haar toestand moet die reis onmogelijk zijn. Vaak grijpen haar handen haar buik. Herkend beschermen. Je mag er toch niet aandenken dat het kind iets overkomt.
Bethlehem, brood-huis, de "Stad van David" zeggen ze zelfs. Maar Bethlehem is niet thuis, biedt geen huis, geen dak boven het hoofd van die vrouw met haar kind op komst. De radeloosheid van Jozef, bezorgd als hij is. Haar weeën moeten al wel begonnen zijn. Het was haar eerstgeborene. Dan begint het eerder of duurt het langer want je weet niet wat er gebeurt, die eerste keer.
Bethlehem geeft niet thuis. Geen huis, geen dak, geen plek voor moeder en kind. Zo komen ze, verloren, in een grot waar een paar beesten staan. En als het zover is komt het kind in de kribbe, die voederbak voor de dieren.
In Bethlehem, zo hopeloos verloren. Er is een bijbelse traditie die zegt:"Voor wie er niemand is, over hem of haar zal God zich ontfermen". Omdat Lucas, de verteller van het kerstverhaal, niet meer weet wat hij nog kan zeggen, laat hij de hemel open gaan. Een hemelse legermacht blijkt groot koor te zijn. Het lied is maar een regel lang. Het gaat over wat God in de Hoge eert. Wat is Zijn Eer, Gods eer? Dat er vrede is voor de mensen. Vrede voor Zijn Mensen. Want onze God is eenGod die van mensen houdt. Het evangelie wil dat telkens opnieuw weer duidelijk maken. Tot en met het Paasverhaal toe. Onze God is een God die van mensen houdt.
Dat is het lied van Kerstmis, dat vanuit de hemel over die man , die vrouw, en dat kind klinkt. Voor mij is het dat kleine schilderij van Rembrandt, heel veel donker en toch een warme gloed van licht. Het straalt, en bereikt na al die eeuwen ook ons.

Heeft de eenvoud maar ook onmiskenbare warmte van het kind in de kribbe, ons iets te bieden. Als ik ons hier zo vanavond zie is die vraag al beantwoord. Wij voelen ons aangetrokken door de ogen vanuit nauwelijks nog geboren kind. In hem komt een nieuwe wereld ons tegemoet. Het kind van Kerstmis , kwetsbaar en weerloos, is onze zekerheid, dat God het wel degelijk voor ons opneemt. Hij komt naar ons toe, opent onze dagen nu wij als de herders in het veld in deze nacht het kind van al die verhalen begroeten. Nu sijt wellekome ...

Rond de kribbe van Bethlehem, "Brood-Huis" treffen we elkaar, zien we elkaar aan en delen wij zijn "vrede op aarde".
Een gelukkig en zalig Kerstfeest. moge dat zo zijn.

 

 




11 december - Derde zondag van de Advent - Jan de Doper
Dienst van woord en communie met medewerking van de Amsterdamse Cantorij

Jesaja 61, 1-2a.10-11;Johannes 1, 6-8.19-28
Dat het vandaag in onze kerk bijzonder is hoef ik U niet te vertellen. Meer dan mijn woorden kunnen zeggen horen wij de klinkende klanken van de devotie, de verwachting, de vreugde en de stilte, die componisten in hun muziek als klanken kunnen laten horen wanneer het over Kerstmis gaat. Dank je dat jullie hier zijn, Amsterdamse Cantorij.
Ik kwam onlangs een in het nederlands vertaald kerstlied tegen, een vertaling van Stille nacht. Daar werd gezongen dat de Heer er niet tegen op zag, af te zien van zijn waardigheid, om naar beneden te komen en kind te worden in een stal. Als operaliefhebber weet ik: mensen kunnen veel zingen wanneer ze geroerd zijn, maar dit soort teksten is rabiate onzin. Gods adel is een soort pauwentroon, geen goud en edelstenen. "Zijn mensen", zelfs de mensen is hem alles. Daar doet Hij alles voor. Daar gaan Kerstmis en Pasen precies over. Onze sterfelijkheid wordt niet opgeheven maar God heeft het laatste woord: hij is er en blijft er voor ons. Wij, zijn mensen. Hoor naar Jesaja vandaag:
De geest van de Heer is op mij want de Heer zalft mij. Dan volgt het programma: het goede verhaal voor de armen, om de gebrokenen van hart op te binden. Vrijheid voor wie gevangenis en open ogen voor wie gebonden zijn. Tot wie richt de gezalfde, de Messias zich? Dat is beschamend bijna, duidelijk. Het adres, de mensen voor wie "de gezalfde" er is, dat zijn degenen die in het duister opgesloten zijn, geknakt, troebel. En weer slaat de lezing teksten over. Wat wordt er dan overgeslagen? Jammer. Is het niet troostend wanneer wij horen dat de treurenden van Sion in plaats van as een sierraad krijgen, dat er vreugdeolie komt in plaats van de rouw en een mantel van liederen in plaats van een benauwde geest. Als terebinten van gerechtigheid worden wij, aanplanting van de Heer. Als wij te snel de woorden van dankbaarheid lezen kunnen we nauwelijks weten waarom we dankbaar zijn. Jesaja en de Messias, ons kind van Kerstmis opnieuw.
Sint Jan staat die vandaag in het Johannesevangelie staat te dopen. Na het woord, het licht en het leven, komt er een gezondene. Iemand met een missie. Om te getuigen van het licht. Ik stond er bij en ik keek er naar, zegt het bekende kinderlied over de twee beren. Dat is het getuigenis: ik stond er bij en ik keek er naar. Ik heb het zelf gezien. Het licht! Een getuigenis niet zomaar, niet impulsief of willekeurig. Het verhaal van Sint Jan begint toen joden uit Jerusalem priesters en levieten naar hem toe stuurden om, hem te vragen: jij, wie ben je? Een tekst vol regieaanwijzingen. Want joodse "priesters en levieten" zijn mensen die in de Tempel en de synagoge dienen: "Tot je dienst!" Zij dragen bij tot het heilige gebeuren van de dag in de Tempel in Jerusalem. "Priesters en levieten" zijn ook de mensen die voorgaan bij het lezen uit de Schriften overeenkomstig de leeswijze van de Synagoge. Wat in het verhaal van vandaag bij de Jordaan gebeurt, het getuigenis van Johannes, heeft alles te maken met de Tempel en de Tora, met het Huis en het Woord van de Heer. Priesters en levieten worden door Joden die thuis zijn in Jerusalem heel exact naar Johannes gestuurd met een precieze vraag. Wie ben je? Hoe kan ik je kennen? Hoe laat je je kennen?
De Tempel en de Schriften zijn aan de orde wanneer het gaat over de identiteit van de mens die komt om te getuigen. Namen komen voorbij, mogelijkheden. Elia, de vader van de profeten (die Mozes op handen draagt), dé Profeet, Jesaja, die alles weet van ballingschap en bevrijding voor Israël en Jerusalem. Het zou een zegen zijn wanneer de kerken er zich op zouden beraden, dat de Tempel en de Schriften er toe doen wanneer het om en over de Messias gaat. Johannes gaat ons hier voor.
Johannes doopt met water, de messias doopt ons met heilige geest. Ik neem U mee, terug naar het aloude verhaal over de schepping van HEMEL EN AARDE. De aarde alleen is woest en leeg, duisternis over de vloed. Maar die treurigheid is enkel opmaat voor wat nu komt: en de geest van God zweeft boven de wateren. Er komt iets, er staat iets te gebeuren. De hemel gaat open. Moge het woord van de muziek en van het goede boek ons vandaag op het spoor van Gods liefde zetten. Daartoe immers delen we de gaven die ons gegeven zijn, Zijn Zoon, Zijn Kind.


 

4 december 2011- Tweede zondag van de Advent - Sint Jan de Doper
Jesaja 40, 1-5.9-11; Marcus 1, 1-8

We gaan straks weer het Rorate zingen. Wanneer je het een keer gehoord hebt vergeet je het je leven lang niet meer: consolamini, consolamini, popule meus - Troost je, troost je, mijn volk. Elk woord wordt door de klank en de intensiteit van muziek en woorden geëtst op je gehoorbeen, elk woord gewogen. God wil zijn volk troosten. Israël, zijn volk, is niet meer de verlatene, de verstotene naar "mijn volk"! Heb je het voortaan over Hem, dan heb je het over zijn mensen. Heb je het over zijn mensen, dan heb je het over Hem. Zeg tot de steden van Jehoedah: "Zie jullie God". Hij de herder. De lammeren draagt hij aan zijn borst.
Maar toch wil ik vlug naar Sint Jan de Doper, onze patroonheilige.

Markus is de enige evangelist die het woord evangelie in zijn schild voert: Begin van het evangelie gelijk geschreven staat. Een wonderlijk verhaal dus, want het is een verhaal als de schriften die open gaan, gelijk geschreven staat. Met het evangelie gaat het Boek open, een eu- angellion, ik vertaal graag: een goed verhaal. En wat is een goed verhaal? Dat is een verhaal waar je stil van wordt, of een verhaal waar je van op kijkt - het laat je niet koud, neemt je mee. Het verhaal over het goede. En het goede is altijd persoonlijk. Het is goed voor mij, voor jou, voor ieder die er van hoort. Het goede is innemend, uitnodigend. Er bestaat meer dan het heden, meer dan het hier en nu. Het Goede. Het valt buiten de maat van het gewone. Het goede is buitengewoon. Denk ook aan: En God ziet hoe goed het is.
En dan! Zie ik stuur mijn engel voor je uit die voor jou de weg zal banen. De tekst presenteert zich heel persoonlijk. Het gaat over mij en jou. De woorden willen zich uitdrukkelijk richten op jou, voor jouw aangezicht om voor jou een weg te banen. Een engel die een weg baant. Kennen we die? Is daar over geschreven. Ik kan alleen maar denken aan de engel die in de paasnacht door de dorpen en steden van Egypte trekt om de huizen van de slavenkinderen die naar bevrijding hunkeren over te slaan in die nacht, de nacht dat de eerstgeborenen van de Egyptenaren sterven. Voor jou een weg. Alsof het werkelijk bestaat, verlossing, bevrijding, een droom voor mijn aangezicht. Een droom voor mij. Gaat het verhaal dan ook mij aan? Ben ik aangesproken? Mag ik mee. Schipper mag ik overvaren, bij de Jordaan, bij Johannes met zijn staf en zijn schelp.
Johannes tekent aan de oever van de Jordaan met zijn staf in het zand. Hij zegt omkeren. Wij vertalen altijd bekeren. Ik zie dan altijd een opgeheven vingertje. We zijn dan stout geweest en moeten ons bekeren. Maar daar gaat het niet over. Het gaat over omkeren, om van richting veranderen. Daarom die engel voor je aangezicht, daarom die weg die gebaand wordt. Want de richting staat met het evangelie onherroepelijk vast. Al die bijbelse verhalen willen maar één kant op, namelijk uit de woestijn door het land naar Jerusalem. Volgende week horen we dat weer opnieuw, dan uit de mond van Johannes de evangelist. Jerusalem, de droom van de ballingen. Stel je voor dat het waar is, stel dat Jerusalem weer onze plaats is , dat we weer opnieuw bij God te gast mogen zijn in het land van alle verhalen, in de schaduw van het heiligdom op de berg.
Voor ons aangezicht. Twee dingen. Allereerst de tekst, het verhaal. Het verhaal zal ons voorgaan. Op de tweede plaats, de tafel. Wij komen samen in de schaduw van de tafel van het avondmaal. In de kring van de leerlingen horen wat over wat God met ons voorheeft, het goede, dat wij werkelijk mogen leven, onze dagen op aarde.
Reiken we zo aanstonds elkaar de hand van de vrede en delen we wat ons gegeven wordt.
Jan Engelen


27 november 2011 - Eerste zondag van de Advent - Sint Jan de Doper
Jesaja 63, 16b-17.19b; 64, 3b-8; Marcus 13, 33-37

Opeens is alles veranderd. Plotseling zijn we begonnen 2011 af te schrijven. We richten ons op voor het jaar dat komen gaat. Want er begint een nieuw jaar wanneer het Kerstfeest afgesloten is. Kerstmis duurde vroeger als alle grote feesten een week. Daarna, zo dacht men indertijd, begint het echt. En Kerstmis begint niet dan na een behoorlijke voorbereiding. Vier weken duurt de advent, zelden zo lang als dit jaar. Want Kerstmis valt op zondag. Dus de vierde adventsweek duurt een week. Dat is niet gering. Extra oefentijd.

We beginnen dus opnieuw. Maar is dat niet een beetje merkwaardig. Immers: alles gaat gewoon door. Hoe kun je dan gaan doen alsof je opnieuw begint? Toch denk ik dat het antwoord op deze vraag behoorlijk simpel is. Het is zinnig om opnieuw te beginnen omdat ons leven, ondanks alle continuïteit, elke dag opnieuw weer een uitzondering is. Ons leven begint elke dag weer opnieuw. Het steeds weer opnieuw beginnen is een wezenlijk moment in ons alledaagse leven. Dat oefenen we echt in de advent. Hij komt! Dat "oefenen" oefenen we om te beginnen al met de lichtjes en het aanbellen op Sint Maarten. Hij komt oefenen we ook met Sinterklaas. We moeten leren wat dat betekent, verwachten en delen met elkaar. Al die feesten gedenken woorden die belangrijk voor ons zijn - voor ons. Vieren, stil staan bij de tijd en de voorlopigheid van het bestaan doen we gezamenlijk.

Hoe beginnen we dan in de advent? We krijgen dit jaar als eerste Jesaja te horen. En moet je horen hoe het begint. Want jij bent onze vader, want Abraham kent ons niet en Israël weet niet van ons - Jij bent onze vader, onze bevrijder, dat is voor altijd je naam. De tekst klinkt vanuit de ballingschap. Hoe groot is Israëls verlatenheid wanneer zelfs Abraham niet meer gekend wordt als "onze vader". Waarom liet je ons afdwalen van je wegen? De tekst vraagt God zich weer te ontfermen over zijn volk. Doe het omwille van onze vaderen. En de tekst is niet flauw. Geen verontschuldiging, maar direct een geloofsbelijdenis. God, jij bent onze vader. Wij zijn de klei, jij bent onze pottenbakker. Wij zijn allemaal het werk van je handen. Kun je nog simpeler zeggen dat het leven een wonder is, afkomstig uit Gods hand!
Toch: deze tedere woorden willen ons niet in slaap laten vallen.
Wachten, verwachten, is attent bij de tijd zijn. Wanneer is het zo ver? De verwachting die zo groots ons leven inkleurt, wanneer is het zover? Bij de tijd zijn, bij de tijd willen zijn - de waakzaamheid die van ons gevraagd wordt is die van een mens aan wie een schat wordt toevertrouwd, vertelt het evangelie. Als de Heer weggaat vertrouwt hij ons een deel van zijn vermogen toe. Ons leven is ons toevertrouwd. Wat wacht ons dan? Wat is het onberekenbare waar we op moeten rekenen?
Deze tijd van het jaar begint ermee, ons te wijzen op de kinderen. En we gedenken: als je niet wordt als kinderen. De drukke en belangrijke grotemensenwereld zal geleid worden naar het kind van Bethlehem. Het kind als leraar. Wat kun je van kinderen leren?
Ik wil alleen die vraag stellen. Wat kun je van kinderen leren. Want als je van kinderen kunt leren dan is dat een persoonlijke zaak. Dus wat je van kinderen kunt leren is ook persoonlijk. Het kan een aandachtspunt voor deze week zijn: wat zou ik van kinderen kunnen leren? Het zou me niet verwonderen wanneer die vraag je brengt naar een nieuwe manier van leven. Levinas, en groot filosoof heeft geschreven: jeugdigheid hoeft niet een voorbijgande fase in je leven te zijn. Die jeugdigheid heet in onze kerkelijke taal maagdelijkheid, onbevangenheid, openheid. Fris zijn. Blijkbaar is het niet zodat het leven voor ons niets meer in petto heeft. De advent geeft ons de tijd nog eens te kijken naar het begin en naar waar het om begonnen is. God wil voor ons een nieuw begin zijn.
In de schaduw van de tafel van het laatste avondmaal ontwaren wij een kind. God biedt zich in alle weerloosheid aan. Wij worden uitgenodigd. Bij hem zijn wij welkom.
Moge dat zo zijn.