preken 06-01-2008 - 21-11-20010

preken 2011-2012

preken 02-12-20012-24-11-2013

2013-2015

 

Paasnacht , 20 april 2014 Amsterdam,
Sint Jan de Doper & De Ark-Jacobuskapel

Genesis 1, 1 – 2, 2;Psalm 104; Exodus 14, 15 – 15, 1; Romeinen 6, 3-11; Marcus, 16,1-8

Wij staan in de voorhof. Dit is nacht, dé nacht. Al 20 eeuwen lang wachten christenen op deze nacht, leven ze daarnaartoe en van daaruit. Elke zondag herinnert immers uitdrukkelijk aan Pasen, dat wonder van vrijheid en bevrijding waarover we niet uitgedacht raken en waar we geen woorden voor hebben. De dood kon Hem, de Zoon van de Vader, niet vasthouden.
Ook als we hier nu bijeenzitten: wij staan in de voorhof van een plaats waar ze Hem, onze lieve dode hebben neergelegd. We horen de voetstappen van de bezorgde vrouwen. “Wie zal de steen wegnemen?” Het is een vraag die verbleekt bij de verbijstering waar ze mee geconfronteerd zullen worden. Ze verwachten een dode en zien een levende, een jongeman in een wit gewaad. Ontsteltenis bevangt hen.
De maten waarmee wij meten wat ons gebeurt, blijken in hun handen niet te kloppen. Dood is dood blijkt betekenisloos te zijn, want je blijkt, - dat hoor je in het verhaal over de Heer die opgestaan is, - je blijkt ook te kunnen leven wanneer je gestorven bent. De traditie in het spoor van de Schriften zegt: wie in het verbond leeft, leeft, - ook wanneer hij gestorven is.
“Geloof me, het is waar”, zegt de hoofdman onder het kruis. “Deze man is een rechtvaardige.” Als iemand het woord bewaart, de belofte van God waarmee wij mogen leven, dan is Hij het, de gekruisigde naar wie wij mogen opzien.
De jongeman in het graf van voorbij zegt: “Hij gaat jullie voor naar Galilea”. Alles begint opnieuw. Hij gaat ons voor. In de Paasnacht begint het evangelie, het Goede Boek opnieuw.
De graftuin blijkt paradijselijk als wij de woorden horen, over het licht van dag één, die uitzonderlijke nacht waarin alles nieuw en anders blijkt. Waar de schrikbeelden, ook uit de actualiteit van het dagelijks nieuws ons honend achtervolgen – er is niets nieuws onder de zon, de wereld draait door – verbreekt de Schrift onze angst, wanhoop, leed, zorg. Het Goede Boek vertelt ons zeker deze nacht, dat de mens niet alleen is. Je gelooft het niet maar het kan. Je kunt mens zijn in Gods naam, mens in Gods hand, broer en zus zijn voor wie met je leeft, de mens naast je, dichtbij en ver weg.
Wij staan in de voorhof. Wij zien de vrouwen, de jongeman, het lege graf. We horen de woorden. Is het in zekere zin niet vanzelfsprekend dat vrees en ontzetting beslag op hen legt? Als alles anders is, als de wereld met zijn bruutheid en waan heeft afgedaan, wat moet je dan? De paasnacht is ook de nacht van het grote ontwaken. De meesten van ons hebben na de winter met argusogen het ontluikende en steeds sterker wordende groen gevolgd. Als alles anders is, wat moet je dan? Dat is de moeilijke vraag die ook zo eenvoudig is.
De Paasnacht is ook de nacht van opstaan, en meegaan in Gods houtsnijdend verhaal van vrijheid en bevrijding. Dat is het brood waarvan wij mogen leven. Dat is de beker met de wijn van het verbond dat als nieuw is, de beker die wij met Hem mogen drinken wanneer het rijk van God, het rijk van gerechtigheid en vrede gekomen is, en komt, steeds weer. Elke dag nieuw.
We staan in de voorhof. We mogen elkaar met nieuwe ogen zien. We mogen voor elkaar aanspreken wat deze nacht ons toefluistert, toevertrouwt: een goed en gelukkig paasfeest, een zalig paasfeest. We zullen er aan moeten geloven dat het broze en breekbare leven dat een mens heeft, is, dat ons leven goed is.
Moge dat zo zijn.

 

Witte Donderdag 2014

Exodus 12 : 1 – 11; Joh. 13,1 - 15

Wanneer wij in onze vieringen samenkomen, verzamelen we ons om te beginnen en steeds opnieuw weer om de geschriften. De heilige teksten brengen ons binnen in het verhaal. Het verhaal creëert een open plek waar wij in mogen binnen komen. We kijken rond. Hoe staan ze daar in het slavenland Egypte rond het paaslam, de lendenen omgord, de staf in de hand. Wat een tafel. In der haast gebakken brood, geen tijd om te rijzen.
Het bloed van het lam op de deurposten. Angstige spanning en hoop kleurt deze nacht. De engel van de dood zal voorbijgaan. De huizen van de kinderen van Israël, vandaag ook onze huizen bij wijze van spreken, gaat die engel voorbij. Voorbijgaan, voorbijtrekken, overslaan: Pesach.
De kleine kring rond het lam. Als we elkaar aanzien, zien we wie we zijn: familie, buren, lotgenoten. De kleine kring op weg naar het einde van de slavernij, de kleine kring voor het grote avontuur van vrijheid en bevrijding, rond het lam. We weten niet eens wat het is, de vrijheid en bevrijding, maar het zet een dikke streep door het verleden van slavernij en fijn gemalen worden door de tand des tijds. Het brood in grote haast klaargemaakt. Paasbrood, matsebrood. Brood van vrijheid en bevrijding bij het bittere kruid van de slavernij. Je moet dat eten, deze nacht, of terdege weten dat het gegeten is en wordt, het brood en de bittere kruiden. Vrijheid en bevrijding proeven, het ongewisse tegemoet, het leven een groot avontuur.
Hoe hebben ze daar gestaan, de lendenen omgord, de staf in de hand. Overhaast zul je het eten. Deze nacht. Ik zal de eerstgeborene slaan.

De leerlingen van Jezus hebben de paasmaaltijd klaargemaakt.

Alles wat het verhaal vertelt, vertelt het nu, voegt het toe aan het heden als dagelijks brood. Verbijsterd zien de leerlingen wat hun Meester doet. Hij legt zijn bovenkleren af, omgordt zich met een linnen schort. Hij doet wat een dienaar doet. De gastvrijheid die de Heer biedt wordt zichtbaar in het wassen van de voeten van zijn leerlingen. Het is de simpele daad van een van harte welkom, “rust uit, neem plaats”. Een dienaar komt dat doen, vaak natuurlijk een vrouw. Jezus, een man die als een vrouw alles doet om je op je gemak te laten voelen. Je moet voelen dat je in zijn verhaal welkom bent.
Alles wat aan je is blijven kleven door je handel en wandel wordt afgewassen. Het is z8oiets als door het water gaan en aankomen, binnen komen. Voelen, hoe welkom je bent.

Petrus speelt voor ons de rol die wij scherp aanvoelen. Hij is namens ons degene die het niet begrijpt. Petrus wil orde op zaken brengen en hij wil het zo graag goed doen. Niet jij mij, maar ik jou. “Ik zal jou de voeten wassen.” Precies dat is de les die wij vandaag leren moeten. In zijn naam, namens Hem, hebben wij elkaar welkom te heten in het land van de levenden, in woord en wederwoord bij wijze van spreken elkaars voeten te wassen.

Verbijsterd zien wij wat er gebeurt. Jezus trekt zijn kleren uit en Jezus trekt zijn kleren aan. Daartussen zien wij in een sprekend gebaar hoe het lichaam van Jezus zich buigt over de voeten van elk van zijn leerlingen. “Wees welkom, ook jij!” Als Petrus willen wij echte
leerlingen zijn: “Dan niet alleen mijn voeten, maar mijn handen en mijn hoofd”. Merk je de volgorde op: van handen naar hoofd, van het doen naar het denken en voelen: handen en hoofd.
Verbijsterd eigenlijk moeten wij van hem leren, dat Hij, onze leraar, onze lieve Messias niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen. Als wij Hem achterna, als wij in Zijn spoor willen leven, dan zal dat zijn als mensen die graag zeggen:L “Tot je dienst”, of “na U”.
Zo geeft Hij Zichzelf aan ons, in deze nacht: als het brood van ellende, maar ook met de smaak van de bevrijding, als het brood dat zal bevrijden uit de ellende, het brood van het koninkrijk ook dat komt.

Wij mogen dezer dagen in de liturgie – dat bescheiden dienstbetoon met elkaar ten overstaan van wat ons gegeven is – deze zaken meemaken: verbijstering over wat zich onder onze ogen afspeelt, ontroering ook over zoveel goedheid die zich als ware het natuurlijk aan ons geeft en die ons welkom heet aan de tafel ook, waar wij vrijheid en ware vrede proberen te spellen met het brood dat ons heden gegeven wordt.
Moge dat zo zijn.

Jan Engelen, 17 april 2014

Zondag 2 maart 2014 Achtste zondag door het jaar
Jesaja 49, 14-15; Matteüs 6, 24-34

Het heeft heel wat voeten in aarde voordat Jezus in het Evangelie van Matteüs eindelijk mag beginnen. Heel wat voeten, het hele oude testament, alles van Mozes en de Profeten. Alle verwachting en hoop op bevrijding, alles wat het volk van God kan leren van zijn geschiedenis, maar ook alles wat het leven ons te overwegen en leren aangeeft: Matteüs mobiliseert dit alles om vervolgens Jezus door de Doop in de Jordaan en die lange tijd in de woestijn naar Galilea te laten gaan. Daar roept hij zijn leerlingen. Daar trekt hij rond om waar mensen wonen te preken en te genezen. Woorden die goed doen, heilzaam zijn. Alles wat niet-goed is, wat de mens in de kou zet en alleen laat, heeft nu een geduchte tegenstander gevonden, iemand die het er niet bij laat zitten. Wie is Hij dan? Wie is hij dan, die Jezus?
Het lijkt er op dat Matteüs heeft gewacht dat wij die vraag zouden stellen. Want door die vraag “Wie is die Jezus”, gaan wij beter luisteren en kan Matteüs laten horen wat het aanbod is. Jezus gaat in hoofdstuk 5 de berg op, gaat als Mozes de berg op - Mozes de leraar. En Hij gaat zitten, als een leraar. En zoals bij een bijbelse leraar: de leerlingen komen naar hem toe, maken hem tot het middelpunt van hun leven voortaan. Deze beroemde tekst heet "De Bergrede". In drie grote hoofdstukken merk je dat Matteüs zich niet meer in kan houden. Systematisch, punctueel, strak geordend komt alles er uit. Geen woord te veel, zoals dat altijd bij de leraren in en rond de bijbelse literatuur het geval is. We horen het programma waar Jezus voor gegaan is, de. Woorden waar ze Hem op gepakt hebben. Woorden die als zaad in de akker zullen vallen om vrucht voort te brengen. Wat zijn dan die woorden? Waar zet Jezus op in? Wat zet Hij ons voor?
Het gedeelte van vandaag begint met tweetallen. Ook al is 2 altijd 1 en 1, de ene altijd meer, of minder. Twee appels zijn altijd verschillend. Naar de een gaat je hand uit, de ander laat je liggen. Twee heren kun je niet dienen. Schipperend aanpappen en nathouden is er niet bij. Uiteindelijk ga je voor God of voor de Mammon, voor wat en Wie ons bindt of voor wat ons scheidt, voor open handen of gebalde vuisten.
In de tweede regel komen we twee woorden tegen die we bijna van jongst af aan kennen, maar u kunt dat niet weten want de vertalers vertalen dat al eeuwenlang weg. In de tekst staat psychê en sooma, ziel en lichaam. Voor de vertalers klopt dat niet. Want de ziel is toch al eeuwenlang het onzichtbare, de kern van een mens. In de woorden van Jezus die u net hoorde is de ziel bezig met eten en drinken. Dat is heel zichtbaar, heel praktisch ook. Je zult op tijd moeten eten en drinken. De honger en de dorst komen steeds weer terug. Het lichaam wordt genoemd met de kleding. Het is het laatste wat God doet in het scheppingsverhaal. Alsof je kleding je tweede huid is, zoals mensen je zien en zoals je naar jezelf kijkt wanneer je in de spiegel kijkt. Dat min of meer constante ik. Zo voorbijgaand als honger en dorst zijn, zo voortdurend aanwezig is het lichaam. De vogelen des hemels mogende doen denken aan de hemelse Vader, Onze Vader die in de hemel is. En de bloemen in het veld mogen je doen denken aan Salomo. Salomo moet het afleggen tegen de schoonheid van de bloemen in het veld.
Wat opvalt in deze woorden is hoe Jezus kijkt. De vogels met al hun drukte - je ziet ze niet zaaien, je ziet ze niet maaien. Het is bijna een geintje. Zie je dat voor je, bijna een tekenfilm: zaaiende en maaiende vogels! Jezus zegt: ze doen het niet. Zij leven in een soort heilige onverschilligheid. Hun vader in de hemel zorgt voor hen. Hun Vader, Onze Vader. Bij lelies zie je niet dat ze zich afbeulen of spinnen. Maar zelfs de verfijnde Salomo is niet in staat zich zo op te tooien.
Als je voor de korte duur alsmaar bezig bent met eten en drinken en voor lange duur alsmaar met hoe je aangezien wilt worden, vergeet je dan niet iets wezenlijks? Het is maar een vraag.
Het wezenlijke is volgens Jezus, zoals Matteüs Hem ziet en hoort, de hemelse Vader die er ook nog is, Onze Vader.
Wij zeggen: onze dagen zijn geteld. Dat geldt als een waarschuwing. Het klinkt naar: “Pas op, het houdt een keer op!” Maar al je dagen zijn geteld betekent: er is Iemand voor wie je dagen tellen, voor wie al je dagen kostbaar zijn. Ook dat hoort tot de kern van de woorden die Jezus vanaf de berg van alle verhalen tot ons spreekt vandaag. Moge God met ons zijn.

zondag 23 februari 2014 Zevende zondag door het jaar
Leviticus 19, 1-2.17-18; Matteüs 5, 38-48

Over Allard Pierson wordt verteld dat hij zei: “Wees volmaakt zoals uw hemelse vader volmaakt is: dat kan niet! Dat is voor een mens onmogelijk! Bovendien, ik wil het ook niet.” Hij legde zijn ambt neer en verliet de kerk. Die volmaaktheid vond hij een onmogelijke eis. Dat hij die woorden verkeerd begrepen had kwam niet bij hem op. Het stond er toch!

Voor christenen was het nog geen algemeen inzicht zoals bij het Jodendom, dat er twee bronnen van traditie bestaan, de Schriftelijke en de Mondelinge. De schriftelijke is, wat wij noemen de Bijbel. De mondelinge traditie is het lange proces door de tijd heen van hoe de mensen met de teksten omgingen in het dagelijks leven. In de Joodse gemeenschap was ook de mondelinge traditie Tora – democratisch, want daarin draagt de feitelijke gemeenschap vertegenwoordigd in de leraren van generatie op generatie door al die eeuwen heen de verantwoordelijkheid voor de gang van zaken. Oorspronkelijk was het ook verboden die mondelinge traditie op te schrijven. Wat geschreven is blijft, lijkt zo onwrikbaar. Schriftelijke traditie, vastgelegd, is uitgesproken, is een stem uit het verleden, duidelijk een stem. Maar het is ook een stem die een context nodig heeft van mensen die met de woorden geleefd hebben en die elkaar aanzien, samen leven.

In de geschiedenis van de leerlingen van Jezus is dat wat moeilijker. Want al heel snel in de kerkgeschiedenis wordt naar Romeins model, de gezaghebbende lezing de stem van het gezag. En gezag is dan niet alleen “iets te zeggen hebben”, maar ook heel vaak: het gelijk van de sterkste, of de machtigste – bijna altijd gemodelleerd, niet naar hoe Jezus met de mensen omging, maar naar hoe de koningen, keizers, hertogen en weet ik wie baas waren in hun miezerige wereldje huis hielden. Denk aan de meestal feodale verhoudingen. Toen bisschop Zwartkruis kwam met “De Kerk wij samen” was dat een vrucht van het concilie, maar ook wijsheid van een kerkleider voor wie mensen mensen zijn. Wijsheid die weer terug lijkt te komen. Alsof het gezond verstand ook mag spreken. Mag: het moet spreken.

Het gezonde, zelfs het gehoorzame verstand moet spreken. Daar mogen we ons niet aan onttrekken. Want: wij moeten volmaakt zijn zoals onze hemelse vader volmaakt is. Dat horen we vandaag Jezus zeggen, en we horen in de eerste lezing ook zoiets. - Maar is dat dan in feite niet een onmogelijke eis?

Wie zegt dat het een eis is? Twintig jaar vertelde de pastoor van Sint Odiliënberg vlak onder Roermond in een preek: het Jodendom was een godsdienst van de wet, van de hoge eis. Mensen moesten volmaakt zijn. Daarom gingen Joden ook niet om met zieken en zwakken, die waren niet volmaakt. Die werden aan hun lot overgelaten. En toen kwam Jezus. Die zei dat we van elkaar moesten houden. Deze pastoor van een kerk die tegenwoordig basiliek heet, prachtig gelegen op een heuvel, was niet alleen antijoods maar ook dom. Blijkbaar had hij de lezing van Matteüs van vandaag nog nooit gelezen – wat goed mogelijk is wanneer je niet lezen kunt. Matteüs schrijft het ons vandaag voor: Wees volmaakt zoals onze hemelse vader volmaakt is. Ik ben indertijd, na de preek de kerk uitgegaan. Met zo’n domheid beleid ik mijn geloof niet.

Volmaakt is niet foutloos. Volmaakt is niet excellent. Mensen kunnen voor elkaar alles zijn, volmaakt. Af en toe uit de slof schieten of iets anders onverwachts of merkwaardigs doen verandert daar niets aan. Mensen zijn voor God zoals zij zijn, volmaakt, zelfs heiligen, om naar uit te zien en op te zien. Mensen zijn een verademing. Nu kan het leven beginnen.

U moet – hoor mij! Maar toch, u moet – u moet daarbij altijd denken aan God aan het werk in het scheppingsverhaal. De wereld komt in beeld. Planten en bomen schieten uit de grond, schaduw en voedsel, tekenen van leven en leven mogelijk maken. En in de lucht waar wij niet kunnen gaan of staan: de vogels; in het water waar voor ons geen wegen zijn: vissen. Boven veilig en beneden veilig en dan komt de kroon op het werk, de dieren in het veld, en uiteindelijk de mens, Gods grootste wonder, geschapen naar Gods beeld op hem gelijkend – je gelooft het bijna niet . Nu wordt alles goed. Als God de mens op handen de wereld in draagt, dan is voor Hem alles Zeer Goed. Je mag dan niet morrend en mopperend brommen dat dat wel een beetje naïef is, want mensen, dat is toch ook een boel gepruts en veel ellende. Dan gaan we er van uit dat God robotjes geschapen heeft, machientjes. En dat het scheppingsplan een goed geschakeld computerprogramma zou zijn. Nee, het goede is een uitkomst, een mogelijkheid, een uitzicht, een warmte die bestaat. Ik stel mij voor dat Jezus zo naar de mensen keek: wat goed, wat een geschenk – steeds weer nieuw en verrassend, een geschenk, zo volmaakt als onze hemelse vader is. Moge God met ons zijn.