Preken gehouden in de kerk van Sint Jan de Doper te Amsterdam

2010-2011 A-jaar
2009-2010 C-jaar

Reakties op deze teksten zijn altijd welkom op
janengelen#outlook.coml. (Vervang # door @).

 

Sint Jan de Doper 6 november 2011 - Allerheiligen/Allerzielen
Job 19,1.23-27a; Romeinen 14,7-9.10b-12; Johannes 17,24-26


In Hoofddorp achter de Kerk van Sint Jan de Doper ligt een prachtig tuin met schitterende bronzen beelden. Een van die beelden is Job. Je ziet hem zitten, onttakeld op de mestvaalt. Job was een welvarend man. Geen wonder, zegt de duivel tegen God. Het gaat hem zo goed. Geen wonder dat hij van je houdt. Maar pak hem maar eens alles af: je zult zien, dan is zijn godsvrucht zo verdwenen.
In het verhaal krijgt de duivel carte blanche. Alles en allen worden Job ontnomen. Vereenzaamd en berooid komt hij op de mestheuvel terecht. Uitschot! Maar we horen Job zeggen: ik zou willen dat mijn woorden vastgelegd worden, dat ze uitgekapt worden in de rots en met lood worden gevuld. Job wil iets vastleggen dat voor hem vaststaat, ook wanneer hij het zelf niet meer ziet. Een les voor hemzelf en voor allen die zijn verhaal volgen. Wat is die permanente les dan?
We kennen die regel uit de ontroerende aria in The Messiah: I know that my redeemer liveth: Ik weet dat mijn verlosser leeft. Hij zal onze wereld binnenkomen. En zo geschonden als ik ben: met mijn eigen lijf en ogen zal ik hem zien - en daar verlang ik naar. Job, opgegeven, WEET: God geeft de mens niet op. Voor God blijf je een mens, ook als je nergens meer bent. Zoals wij hier zo vaak zeggen: onze namen staan geschreven in de palm van Zijn hand. Wij zijn een motief in wat Hij doet, Zijn handelen.
Paulus geeft de tekst die voor velen van ons in het geheugen gegrift staat sinds de begrafenis van bisschop Bekkers: Niemand leeft voor zichzelf, niemand sterft voor zichzelf. Wij leven en sterven voor God onze Heer, aan Hem behoren wij toe. Ons wezen, ons leven, is wezenlijk gericht op de mensen om ons heen met wie wij leven, en wezenlijk gericht op God die er voor ons wil en zal zijn. De Jood Paulus weet immers dat God niet van steen of inbeelding leeft. Wat God typeert is dat Hij, dé uitzondering is tussen al die Goden die de mensen nalopen. God bukt zich voor wie gebogen is. Hij richt je op laat je staan of gaan. Hoe dat gaat, hoe hij bij ons is, vaak weten en zien we dat niet, maar als Job weten we, Hij is er, ook voor ons.
Jezus zegt bij zijn afscheidsmaal in het Johannesevangelie tegen Zijn Vader: de mensen die jij mij gegeven hebt, mogen ze zijn waar ik ben. Jezus is bezig met een plaats. Hij wil plaats voor ons maken, ons een plaats aanbieden. Wat is die plaats dan? Waar is dat? Dat ze mogen zijn waar ik ben. Als wij daar zijn kunnen we de heerlijkheid aanschouwen die jij mij geeft omdat je al van voor de grondvesting van de wereld om mij geeft. Het misleidende is het woord "heerlijkheid". Voor ons heeft dat iets van stralenkrans, schittering. Terwijl het bijbelse woord hier veelmeer betekent: gewicht, dat wat de doorslag geeft. Iets wat door en door beslissend is. Wat is dat beslissende dan? Dat jij van mij houdt van voor de grondvesting van de wereld. De grondtoon van het bestaan is niet hoe wij met elkaar omgaan - kijk naar de kranten, luister naar de radio en zie de beelden op de tv. Niet die wereld bepaalt de grondtoon van ons bestaan. Nee, wezenlijk zijn wij gemaakt van de liefde waarmee God om ons geeft, om zijn lief kind Jezus, en in hem om ons allemaal. We doen er ons hele leven over om dat te leren. Want Gods liefde is geen romantisch verhaal. Het is een leven dat over de bergen en de door dalen van ons leven gaat, dat altijd zo nieuw is, als de dag van vandaag.
Allerheiligen en Allerzielen. We gedenken de grote gemeenschap van God en zijn volk door alle eeuwen heen, en we gedenken uitdrukkelijk al die mensen die ons zo vertrouwd waren en die we enkel nog in onze herinnering kunnen tegenkomen. Wij reiken wij elkaar de hand voor vrede binnen bereik en komen wij naar voren om de genegenheid te ontvangen waarmee de messias om ons geeft, met ons wil zijn.


30 oktober 2011 - 31e zondag door het jaar - Sint Jan de Doper Amsterdam
Maleachi 1, 14b - 2, 2b + 8 - 10, Matteüs 23, 1 - 12

Maleachi. De naam zal u niet veel zeggen. Zo vaak lezen we deze profeet, deze voor-spreker niet in de kerk. Maar Maleachi is een naam die beroep doet op alles wat klank produceert in je mond, probeer maar: m, l, ch. De lippen, de tong, het gehemelte en de keel. Maleachi, een mond vol. Maleachi, - mijn engel betekent dat. Meer moderne vertalingen zeggen dan: mijn boodschapper, maar een bijbelse boodschapper is een engel en een bijbelse engel komt altijd iets vertellen. Denk maar aan de kerstnacht als de boodschap luidt: "Eer aan God in de hoge en vrede op aarde aan de mensen die voor hem alles zijn." Het aardige is, dat het daar in de eerste lezing van vandaag ook over gaat. Het is alleen omgekeerd. De priesters die in het heiligdom in Jerusalem dienen, blijken niet te doen wat hun taak is. Ze miskennen Gods glorie - dat betekent: ze kennen God niet het gewicht toe dat Hem toekomt. Wat doen ze dan wel? Hebben wij niet allemaal één vader, en heeft niet één God ons geschapen! Waarom bedriegt eenieder dan zijn broer en schenden jullie het verbond?
Hoe ga je om met je broer? Dat betekent ook: hoe ga je om met je zus? Hoe ga je om met de mens naast je? Daarmee is de heiligheid van God in het geding. Het gaat dus niet over dogma's, over opvattingen, over eeuwenoude gebruiken of moderne standpunten. Het gaat enkel en alleen over: hoe ga je om met je broer, met je zus, met de mens naast je, met de mensen met wie je het leven gekregen hebt en deelt. U merkt: "Onze Vader" is een niet toevallige tekst. Een goede tekst voor iedere dag.

In het hebreeuws is de letter Lamed (L) de grootste letter. Er zijn leraren die dit geenszins verbaast. Want L, lamad betekent ook leren. Het leren is het meest menselijke dat er is. Geen mens is er te oud voor, zeggen we.
Groot is dus ook de catastrofe wanneer blijkt dat de leraren alles doen behalve leren, wanneer blijkt dat hun daden hun woorden ontkrachten, wanneer ze mensen gebogen laten gaan onder de lasten die zij opleggen, wanneer hun heiligheid enkel schijn is.

Matteüs hoofdstuk 23 zet daar op in. In hoofdstuk 26 begint het lijdensverhaal.
Nu we tegen het einde van het evangelie aanlopen pleit Jezus er voor, dat wij allen één Meester hebben en dat wij zelf allen broeders en zusters zijn, zoals we in feite ook maar één vader hebben, "onze vader". En als in een voetnoot onderstreept Matteüs dat. In die voetnoot klinkt wat eigenlijk vanzelfsprekend is: leraar zijn betekent dienaar zijn. Net zoals vader en moeder zijn gaat over het belang van de kinderen, zo gaat leraar zijn over het belang van de leerlingen.
Laat je geen Rabbi noemen. Daarmee wordt meer bedoeld dan dat je bescheiden moet zijn. Want de enige die Jezus in het evangelie Rabbi noemt is Judas. En wij weten hoe Judas omgaat met degene die hij Rabbi noemt. Laat je geen Rabbi noemen want één is jullie … meester, leraar. En jullie zijn allemaal … nee, geen leerlingen. Precies dat staat er niet. Één is jullie leraar en Julie zijn allemaal broers en zussen. Dat is het messiaanse programma, het koninklijke programma, het visioen van voor alle tijden.
Zo komt Gods koninkrijk waar wij van zouden willen dromen, van vrede op aarde voor al zijn mensen, Zijn mensen.
Genodigd aan de tafel van het laatste avondmaal zien wij elkaar aan. Wij wensen elkaar Gods vrede toe. Wij delen wat ons gegeven is, het geheim van ons bestaan, mens mogen zijn op aarde onder de hemel. Moge God met ons zijn.


16 oktober 2011 - Negenentwintigste zondag door het jaar - Sint Jan de Doper
Jesaja 45, 1 + 4 - 6; Matteüs 22, 15 - 21

Zo spreekt de Heer tot zijn Messias …Het zijn woorden die je werkelijk niet verwacht in wat wij noemen in de boeken van Mozes en de Profeten. Want als het over de Messias gaat, dat weten we, gaat het over Jezus. Die verhalen vinden we in het zogenoemde nieuwe testament. Daar horen we over de dagen en nadagen van Jezus en zijn leerlingen. Wanneer zij, de leerlingen van Jezus, er zich niet meer aan kunnen onttrekken dat Híj het is, dát Hij de Messias is, dan doen zij, en ook wij, in feite een beroep op een ouder woord, door de traditie geheiligdmet verhalen. Ook het verhaal van vandaag, deze tekst uit Jesaja, mag daarin meespelen. Zo spreekt de Heer tot zijn Messias - zijn gezalfde, tot Cyrus wiens rechterhand ik sterk heb gemaakt.
"De gezalfde" is uiteindelijk dé technische term voor de koning. Saul wordt in de bijbelse tradities als eerste gezalfd. Na zijn verwerping wordt David naar voren gehaald. De gezalfde is de koning. Maar eeuwen later wordt Cyrus de koning van de Perzen, "mijn messias "genoemd, mijn Gezalfde, mijn christos in het grieks. Dat Cyrus gezalfde, koning wordt genoemd maakt hem niet anders dan anderen. Het zet hem niet op een troon, maar het erkent in hem een zekere, een beslissende kwaliteit. Welke is die kwaliteit dan? Hij is degene die bevrijdt. Cyrus laat de ballingen terugkeren, naar Jerusalem, naar hun vrijheid.
Uw (konink)rijk kome. Zo is ons geleerd te bidden. Wat zeggen we dan, welke verwachting vertolken wij? Waar zien wij in de woorden van Jezus, met Hem, blijkbaar reikhalzend naar uit? Vrijheid en bevrijding staan hoog in het vaandel wanneer God koning is. Je hoeft alleen maar van exodus gehoord te hebben om dat te weten.
Meester, wij weten dat je waarachtig bent en dat je Gods weg in waarheid leert. Want jij ziet niemand naar het voorhoofd. Is dat zo? Het zal dus gaan over het kijken naar het voorhoofd van de mens, naar wat, zonder dat je je dat realiseert, de mens op het voorhoofd geschreven staat.
Is het geoorloofd? Mag het wel of mag het niet. Simpel eigenlijk. Is het geoorloofd, de keizer belasting te betalen of niet? Op het hoogtepunt van het verhaal is dit de kwestie. Belasting betalen aan de keizer, een knieval maken voor de heersende macht, voor de corruptie, voor alles wat zich keert tegen de kern van ons bestaan, de onderdrukker, de moordenaar, Rome! De keizer! Waar ligt jou zogenoemde solidariteit? Laat me een belastingmunt zien. Die munt hebben zij voor het grijpen, ligt snel op een hand. Schatplichtig is ieder. Welk beeld zie je en wat staat erbij geschreven? Het lijkt modern onderwijs. Geld als leermiddel. Laat zien! Wat zie je? Maar intussen heeft Jezus twee zaken genoemd. Het gaat over een beeld en een tekst.
En zij hebben hun waarheid als vanzelf in hun hand. De keizer! Maar Jezus blijft bij zijn verhaal. Waarheid is niet de formaliteit van het toepassen van regels. Waarheid is geen kwestie die je op je vingers kunt natellen. Waarheid gaat meer over wat/wie je kúnt zien, over wat zien eigenlijk is en wat je dan ziet. Hoe kijk je?
Niet alleen munten dragen een beeld. Volgens Genesis 1 zijn er meer beelddragers in deze wereld. Als je kijkt naar de mens, dan zie je in ieder geval vanuit zoals geschreven is, ook ons beeld op ons gelijkend (Genesis 1,18) - een oud maar zolang er mensen zijn ook voortdurend nieuw verhaal. Niet je kijken bepaalt hoe het in elkaar zit, maar het verhaal dat daar bij hoort draagt ongehoorde kennis aan. Alleen de bijbelse literatuur ziet in de mens Gods beeld en gelijkenis.
Het zou kunnen zijn dat we daar toch te licht aan voorbij gaan. De mens is steeds een uitzondering, absoluut. Losgemaakt, bevrijd, aan het licht gebracht. Om naar om te zien.


02 oktober 2011 - 27e zondag door het jaar zondag - Sint Jan de Doper Amsterdam
Jesaja 5, 1 - 7; Filippenzen 4, 6-9; Matteüs 21, 33 - 43

Ik meen dat het de eerste zondag van de advent was in 1964. Ik meen dat op die dag voor het eerst de eucharistie gevierd mocht worden in het nederlands. Er was voortaan ook een leesrooster van drie jaar. De lezingen van de zondag komen elke drie jaar terug. Eén evangelie per jaar, en Johannes bij de feesten. Ik zeg het een beetje snel.
In de loop van een jaar lezen we het hele evangelie. De laatste zondagen komen we dus in de buurt van waar het evangelie naar toe gaat. Die laatste zondagen bereiden ons dus voor op wat er met Jezus gebeurt in Jerusalem, op die dramatische dagen die wij tussen Palmzondag en Pasen gedenken. Dus we lezen die laatste spannende teksten voor de goede week, maar als we zover zijn beginnen wij met de Advent, gaan we lezen op weg naar Kerstmis en Nu zijt wellekome. Dat is dus eigenlijk een beetje vreemd.
Bij de evangelielezing van vandaag moeten we doen alsof wij Jerusalem zijn. Wij wachten op de komst van de Messias nu de hoge dagen van Pasen in aantocht zijn - over vrijheid en bevrijding, over God die naar ons omziet en uitziet. Wij wachten op Hem. Hij komt, hij komt - ook al weten we dat we nog veel over onszelf zullen moeten leren, nog alles zullen moeten leren. - Als alles aan het licht komt! - Toch, we durven ook aan het licht te komen. Daarom hebben we vandaag ook die regels uit de brief vaan de Filippenzen gelezen: Weest niet bezorgd. Durf je gebeden aan God voor te leggen dan zal Gods vrede over je komen. Durf stil te zijn voor God, durf te gaan staan. Leven is niet gemakkelijk, maar we zijn ook niet alleen. God wil met ons zijn, onze God zijn. En God weet dat het met ons en bij ons soms moeilijk is.
Mijn vriend heeft een wijngaard gemaakt. Een pracht wijngaard. Schitterende stokken, een wachttoren in het midden en een perskuip. Alles klaar voor de oogst. Want oogst komt er zeker bij zo'n wijnboer. Maar het gaat helemaal fout. Bij Jesaja moet Israël en moeten ook wij leren van onze fouten. De Ballingschap zal Israël en zal ook ons herinneren aan waar het om begonnen is: vrijheid en bevrijding, een leven lang op weg naar eenvoud en licht.
Matteüs zoomt in op die wijngaard. Hij spreekt tot de hogepriesters en de oudsten van het volk. De Heer heeft zijn stekje uit Egypte gehaald en het geplant in het goede en wijde land. Hij vertrouwt zijn wijngaard toe aan zijn wijnboeren. In de dagen van de oogst stuurt hij zijn dienaren om de opbrengst in ontvangst te nemen. En tot onze verbijstering zien we dat het fout gaat. Mishandelen, doden, stenigen. Dan kan toch niet. Nog eens, dus. En weer opnieuw slaat de verbijstering toe. Zoals ik al zei: ons moeten de ogen geopend worden om opnieuw naar Pasen te gaan, naar de Goede Week en naar Pasen. Uiteindelijk stuurt hij zijn zoon, Mijn kind, mijn vlees en bloed. Wat dan gebeurt is onvergeeflijk. Volg de nieuwsberichten. Nog steeds al dat leed dat de wereld niet uit is. Dat overbodige onpeilbare verdriet dat mensen elkaar aandoen. Dat totaal afwezig zijn bij elkaar, dat niet willen delen.
Het verhaal van Matteüs vertelt ook dat God in goed vertrouwen zijn zoon stuurt. Zolang wij het verhaal lezen en horen kunnen we doen alsof we leven in het tijdperk van de zoon, de dochter, het kind, de toekomst. Er zijn er die doen alsof het beste achter ons ligt, alsof we het beste al gehad hebben. Daarmee ontken je de tijd, de vruchtbaarheid, de belofte.

De geschiedenis hoeft zich niet te herhalen. Wij kunnen de beloften ontvangen en doorgeven. We kunnen onze hand uitsteken, ontvangen, delen, op hoop van zegen.
Wij gaan met de Zoon mee in de leerschool van het leven, nemen en geven tijd en ruimte.
In de viering danken wij God. Hij geeft ons zijn vertrouwen, Zijn lief kind.
Delen wij Gods liefde met elkaar en moge God met ons zijn.


De Drie Hoven, 20 september 2011

20:1 Want het koninkrijk der hemelen lijkt op een mens,- een huismeester, die als het licht wordt gelijk naar buiten komt om werkers te huren voor zijn wijngaard.
20:2 Hij wordt het met de werkers eens over een dinar voor de dag
en zendt ze uit, zijn wijngaard in.

20:3 Als hij omstreeks het derde uur naar buiten komt
ziet hij anderen, zonder werk, staan op de markt.
20:4 Tot hén zegt hij: ga ook jullie de wijngaard in,
en wat rechtvaardig is zal ik u geven!
20:5 En zij gaan heen.
Als hij weer naar buiten komt omstreeks het zesde en het negende uur doet hij evenzo.
20:6 Als hij omstreeks het elfde uur naar buiten komt vindt hij daar nog anderen staan
en hij zegt tot hen: wat staan jullie hier de hele dag zonder werk?!
20:7 Zij zeggen hem: Waarom? Niemand heeft ons gehuurd!
Hij zegt hen: ga ook jullie de wijngaard in!
20:8 Als het donker is geworden zegt de heer van de wijngaard tot zijn voorman:
roep de werkers en betaal de huurprijs, te beginnen bij de laatsten tot aan de eersten!
20:9 Als de mensen van omstreeks het elfde uur aankomen krijgen zij elk een dinar;
20:10 als de eersten aankomen menen zij dat zij méér zullen krijgen,
maar ook zij krijgen elk de dinar.
20:11 Als ze die moeten krijgen ontstaat er bij hen gemor tegen de huismeester.
20:12 Ze zeggen: deze laatsten hebben maar één uur gewerkt
en u hebt hen gelijk gemaakt aan ons die de last van de dag en de hitte hebben gedragen!
20:13 Maar hij zegt ten antwoord tot één van hen:
makker, ik doe je geen onrecht:
ben je het niet over een dinar met mij eens geworden?-
20:14 steek bij je wat je toekomt en ga heen:
het is mijn wil om aan deze laatste
net zo veel te geven als aan jou;
20:15 of staat het mij niet vrij om met het mijne te doen wat ik wil?-
Of is jouw oog boos omdat ik goed ben?-

20:16 zo zullen de laatsten eersten zijn
en de eersten laatsten!

?
We beginnen onze dienst hier op dinsdagmorgen altijd met bekende woorden. Het zijn woorden die ons als het ware uit ons eigen huisje halen, die ons even ons levenlaten vergeten om hier samen te komen rond de tafel, rond brood en wijn en de boeken open, en wij samen. Wij mensen die een heel leven gehad hebben realiseren ons al te goed hoe de woorden ons gevonden hebben.
Na de eerste woorden hebben we gezongen: Het woord dat U ten leven riep is niet te hoog is niet te diep voor mensen die 't zo traag beamen. Het is een teken in Uw hand, een licht dat in uw ogen brandt. Het roept u dag aan dag bij name.
Woorden roepen ons bij name, roepen ons wakker, helpen ons overeind te komen. Ze krijgen onze aandacht. Zo horen wij erbij en horen we op een wonderlijke manier bij Brood en Wijn, bij Jezus Christus bij elkaar, zeggen we Onze Vader alsof we inderdaad een beetje broers en zussen zijn van elkaar.
Het evangelie van vandaag neemt ons mee naar een heer die wel een fantastische wijngaard moet hebben. Hij komt mensen te kort. Hij begint zijn dag zodra het licht is om arbeiders voor zijn wijngaard te huren. Hij begint als 's morgens om zes uur. Blijkbaar vind hij niet genoeg. Zo gaat hij weer om 9 uur, om 12 uur - tot zelfs 's middags om 5 uur als je nog maar een uurtje mee kunt in het ritme van de werkdag.
Wat ik zelf interessant vind is: blijkbaar zijn er mensen die niet zo vroeg beginnen als het om werken gaat. Die zijn er 's morgens vroeg nog niet. Die komen pas om 9 uur, of om 12 uur. Ieder heeft zo zijn redenen om later te komen. Het heeft geen zin, je ben al zo vaak voor niets gekomen, niemand helpt je en je staat daar maar. Het zou me niets verbazen als die van 's middag vijf uur gekomen zijn omdat ze zich vervelen. Je moet toch wat. En dan word je plotseling geroepen, meegenomen. Het heeft natuurlijk geen zin, nog maar een uurtje! Maar ja. Als iemand je aankijkt, als je zo gevraagd wordt, dan ga je mee.
Het koninkrijk Gods blijft blijkbaar uitzien naar mensen. Welkom ben je. Ook als het laat is.
Dan komt de betaling. En dan blijkt dat het niet geeft dat je een laatkomer bent. Je krijgt het volle pond, het geld dat een mens in die tijd nodig had om te kunnen leven. Je gelooft je ogen niet. Alsof je … Een complete verrassing. Blijkbaar is dat belangrijk. Het gaat niet om afspraak is afspraak. Hetr gaat over een onvoorstelbaar goede heer die je wil meenemen, wie het om jou gaat. Ook als je later gekomen bent: je telt volop mee.
Wij worden hier aan tafel genodigd. Voor God tellen we volop mee. Het zijn Jezus woorden. Hoe langzaam we ook komen: er is een plek voor ons, bij hem mogen we ons thuis voelen en begrepen, gewaardeerd. Een God die van mensen houdt. Hij ontsteekt het licht in onze nacht. Hij neemt voor lief ons onvermogen. Met Brood en Wijn gedenken en vieren we dat. Kinderen van Onze Vader zijn.
Moge dat zo zijn.


11 sept 2011- 24e zondag door het jaar - Sint Jan de Doper Amsterdam
Ziekenzondag Sirach 27, 30 - 28, 7; Matteüs 18, 21 - 35

11 september is nu al tien jaar niet meer zo maar een dag. Alsof geweld ooit iets opgelost heeft. Het is een les die steeds herhaald moet worden, voortdurend aandacht vraagt. Want onze gemeenschap is zeer kwetsbaar. We hebben daar de vorige week ook over nagedacht. Onze kennis en techniek maakt ons machtiger maar ook kwetsbaarder. Het kwaad kan zich gemakkelijk en snel, en met veel geweld verspreiden. Hoe kun je dat leren: vergeef ons onze schuld zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven? Broederschap en vergeving horen bij elkaar. Het heilige brood dat wij in de dienst van woord en communie met elkaar mogen delen is het brood van de broederschap, het brood van God koningschap, de gave van de liefde en de genegenheid, maar ook van spijt die mogelijk is, en vergeving, weten dat je gekend wordt zoals je bent, en bemind. Ook de zorg die we voor elkaar proberen op te brengen is eigenlijk vanzelfsprekend: zo worden immers ook wij verzorgd door onze God en zijn lief kind Jezus Christus.

Blijkbaar is de broederschap, de nabijheid en vertrouwdheid van broers en zussen, super gevoelig. Hoe vaak moet ik dat, vergeven, wanneer mijn broer iets tegen mij misdoet? Het antwoord is meer dan een grapje voor rekenmeesters. Want 70 jaar geldt als een voltooid mensenleven. Zeventig keer zeven is dan: heel je leven lang iedere dag weer. Want vergeven gaat uiteraard veel verder dan het kinderlijke: "Ik ben stout geweest, heel dom, maar gelukkig, het geeft niet meer; God neemt het mij niet meer kwalijk." Vergeven is ook gaan staan waar de wereld begint. De engel met het vlammend zwaard die de toegang naar het paradijs bewaakt, bewaakt niet alleen. Hij bewaart ook. Bewaren, intact laten. Het geheim van het leven blijft als nieuw, nog niet aangeraakt.
Het evangelie van vandaag geeft op fundamentele wijze aan hoe God de gemeenschap draagt.
U hoorde het verhaal over die Heer en de knecht. Bij de afrekening blijkt de knecht zwaar onder de maat te blijven. Het zal hem alles kosten, zijn vrouw, zijn kinderen, zijn hele leven. Maar smekend, op zijn knieën, laat die heer zich op zijn best zien: hij voelt medelijden, misschien beter "betrokkenheid". Alles wordt die knecht vergeven. Blijken zal dat die knecht doet alsof er niets gebeurd is.
Terwijl hij naar buiten gaat komt er een medeknecht die hem iets schuldig is, iets, zo goed als niets. Een paar grijpstuivers, maar de knecht uit het eerste verhaal vergrijpt zich aan die ander die om medelijden vraagt en gooit hem in de gevangenis waar hij nooit zal uitkomen. Nooit?
Dat blijft natuurlijk niet onopgemerkt. Wat hij doet strookt op geen enkele wijze met wat hem overkomen is. Dank vergeldt hij met stank. Dat komt de Heer uit het eerste bedrijf ter ore. Die heer zaal nu gaan spreken over alle schuld. Als jij niet kunt vergeven kan jou ook niet vergeven worden. Onverbiddelijk blijkt die heer. Want die Heer overkomt wat de medeknecht overkomt.

Wat je aan de minsten van de mijnen doet, heb je mij gedaan. Wat je de minsten van de mijnen misdoet, doe je mij te kort. De economie van het koninkrijk der hemelen is een spannende zaak. God wil dat we delen, dat we het goede dat ons overkomt ook delen met elkaar. Dat is ook de sleutel die vergeven vraagt en draagt. Zo is Hij Onze Vader.
In onze gemeenschap zijn mensen het hele jaar door actief voor anderen. Zij zijn een les voor ons allen. Zo zouden wij dat ook willen doen. Zo leren we dat ook van onze Heer die het brood voor ons breekt en met ons samen leeft wanneer wij met elkaar delen.
Moge dat zo zijn.


 

4 september 2011 - 23e zondag door het jaar zondag - Sint Jan de Doper, Amsterdam
Ezechiël 33, 7 - 9; Matteüs 18, 15 - 20


We hebben twee dagen mooi weer gehad, maar verder zijn het eigenlijk rusteloze dagen. Al dat gedoe waar de media je voortdurend mee bestoken. Crisis na crisis. De koningin zou te veel macht hebben en daar is haar ambt te goed voor. En pastoors beslissen of je al dan niet kerkelijk, of uit zíjn kerk begraven mag worden. Alsof DE kerk iets anders is dan het Volk van God. En in al die discussies rond hoe sommigen in de kerk menen kerk te moeten of te mogen zijn komen dan ook weer al die verhalen over jonge mensen die gehavend en misbruikt zijn door de macht van notoir zieke mensen voor wie een mensenleven blijkbaar niet heilig is, onschendbaar en te respecteren. En dan die honger op zoveel plaatsen!

Rusteloze dagen beleven we en het einde daarvan is nog niet in zicht. Daarvoor zijn minstens twee redenen aan te wijzen. De eerste is de meest praktisch: wij beschikken over steeds betere mogelijkheden om te communiceren, om achter verborgen drama's te komen. De tweede is het meest feitelijk: democratie is moeilijk. Het is een zware opgave om te worden wat we zijn, een volk, een samenleving. Wij samen - wat is dat? Hoe gaat dat? Hoe moet dat? Hoe delen en dragen wij verantwoordelijkheid? Wat is ieders rol daarin en hoe houden we elkaar bij de les?
Want U begrijpt, daar gaat het in de beide lezingen van vandaag over.

Als je broeder zondigt … Sommige teksttradities spitsen dat zelfs toe: als je broer tegen jou zondigt. Dan moet je het op je nemen naar hem toe te gaan en hem tussen jou en hem alleen bestraffen. Een beetje typisch! We kennen toch ook die regels als"oordeel niet opdat je niet geoordeeld wordt', en "de maat waarmee jij meet, daarmee zul ook jij gemeten worden". En U kent het verhaal over de splinter en de balk. Maar als je dan weet dat het werkwoord zondigen een zuinig woord is bij Matteüs, en als je weet dat dit woord bij Matteüs alleen nog klinken zal uit de mond van Judas - dan zult U wel vermoeden dat er meer aan de hand is dat een uit de handlopend conflict tussen mensen die elkaars naasten zijn. Het gaat precies om dat elkaars naasten zijn, broer en zus zijn van elkaar - als dèmos, als volk, samenleving, als gemeenschap - bijbels gesproken de broederschap.
De broederschap is hét bijbels onderwerp. Let maar op: we hebben eerst adaam, de mens, en chawaah, wij zeggen Eva, de moeder van de levenden. En dan ..? Twee broers en de aarde wordt rood. Abel, damp, mist, tevergeefs - het eerste slachtoffer, broedermoord. Esau en Jacob zijn ook niet echt vetrouwenwekkend. En over hoe de broers met Jozef omgaan, de lieveling van zijn vader in de put geworpen en als slaaf verkocht. Slavernij, mislukte broederschap, uitbuiting, knechting.
Straffen, zo blijkt uit de lezing van vandaag, is niet een draai om de oren geven of iets anders onaangenaams waar je de ander toe verplicht. Straffen is herinneren aan de broederschap.
Na zijn verrijzenis stuurt Jezus de vrouwen die naar het graf gekomen zijn en volstrekt onverwacht de eerste getuigen worden van Jezus die verrezen is, krijgen van hem een opdracht. Jezus stuurt hen naar zijn leerlingen. Maar hij noemt hen met een nieuwe naam. Hij zegt:"mijn broers". De eerste uit de doden is de eerste van en voor de velen, zijn broers en zussen, zijn volk, want Gods volk.
Daarom is hij brood geworden voor onderweg, deelt hij zijn lichaam, zijn leven met ons. Om ons toe te rusten voor een werkelijk leven met elkaar, als broers en zussen, kinderen van één vader, onze vader. Moge dat zo zijn.


Zondag 21 augustus - 21e Twintigste zondag door het jaar - Sint Jan de Doper Amsterdam
Jesaja, 22,19-23; Matteüs 16,13-20

Het zou me niet verbazen wanneer U het verhaal van Sebna uit de eerste lezing niet kent. Een jaar of twee geleden moest ik voor het eerst over deze tekst schrijven. Ik had het verhaal nog nooit gelezen.
Sebna is de hoogste ambtsdrager aan het hof van de koning Hiskia. We zitten dan ongeveer 700 jaar voor het begin van de gewonen jaartelling. Het is een moeilijke tijd. De Assyriërs dreigden onverbiddelijk. Ongeveer alles ter wereld is sinds die tijd anders geworden, maar toch. Het verhaal over Sebna sluit aan op wat vandaag ervaren. Het is herkenbaar.
Sebna is een van de hooggeplaatsten aan het hof. Ritselaar en regelneef. Alles heeft hij in handen. Alles. Ook al lijkt het anders, de tijd heeft hij niet in handen. Hoog tegen de wanden van het Cedrondal heeft hij al wel zijn pronkgraf laten uithouwen, de kleine Farao. Tot over zijn dood heen alles keurig geregeld. Hij zal er voor eeuwig goed bij liggen. Maar dan komt hij Jesaja tegen.
Ik zal je van je post verjagen en je stoten uit je ambt. Ik zal mijn dienaar roepen, Eljakiem. Die krijgt het pronkgewaad, de koninklijke scherp en de sleutel. Hij zal als een vader voor de mensen van Jerusalem zijn. Dertig, veertig jaar geleden was het in Nederland gewoon vaders als bedenkelijke wezens af te schilderen. Het waren potentaten, Onderdrukkers. Ze waren autoritair, bezeten van macht. De Bijbel heeft zo nooit over een vader verteld. Bijbels gesproken is een vader iemand die zich over je ontfermt, die ruimte biedt, die je zijn laat.

De leerlingen van Jezus volgen in het evangelie hun leraar. Hun leven is een leven lang leren. Leerling zijn is een leven lang leren. Als bisschoppen de opvolgers van de apostelen zijn … een levenlang leren. De leerlingen in het evangelie zijn trouw in het volgen, maar het blijkt ook vaak, eigenlijk voortdurend, dat ze het niet kunnen volgen. Ze kunnen er geen touw aan vastknopen en dat is eigenlijk logisch. Want het goede is niet wat vanzelfsprekend is, wat bij mij past, bij mij aansluit. Het goede komt mij tegemoet, wenkt, nodigt uit. Het goede is om naar uit te zien. Zo zien zij naar hun leraar.
Wie zeggen de mensen dat de mensenzoon is? Jezus heeft het over zichzelf. Hij noemt zich de mensenzoon, een mensenkind, een kind, een mens. Maar, zoon van de mens, zoon van Adam, dat zou ook Abel kunnen zijn. Wie zeggen de mensen dat de mensenzoon is? Daar hoeven de leerlingen niet over na te denken. De boeken liggen gaan als vanzelf open. Namen vallen: Johannes de Doper, Elia, Jeremia. We begrijpen, dat zijn namen die veel verhalen zijn, veel verhalen van op hoop van zegen, of hopelijk eindelijk een beetje beter. Johannes de Doper, Elia, Jeremia.

Maar blijkbaar is dat een antwoord van te ver weg. Wie zeggen de mensen … wie zeggen jullie dat ik ben? Als je zo voortdurend bij hem in de buurt bent, als je zo voortdurend voelt vanwaar de wind waait, vanwaar de woorden komen … wie zeggen jullie dat ik ben?

Petrus speelt de rol van jullie. Wie zeggen jullie? En als vanzelf zegt Petrus de kei: Jij bent de Messias, de zoon van God die leeft. Wat zegt hij eigenlijk? Dat weet hij zelf ook niet, maar het was er uit voor het gezegd werd. Jij bent de Messias, de zoon van God die leeft. Bij Petrus liggen de beste kleren gereed voor zijn vriend en leraar wanneer hij het mag zeggen: Jij bent de Messias, de zoon van de levende God. Dat klinkt heel vroom, het is oprecht en vol overtuiging. Volgende week zal ook blijken dat hij zijn eigenwoorden niet begrepen heeft. Dat kan ook niet. Die woorden onttrekken zich aan ons weten. Ze zijn zo hoog. Heilig, heilig, heilig - volstrekt apart. Vol zijn hemel en aarde.
Jezus zien en volgen betekent voor Petrus weten, dat er een kroongetuige is voor het leven dat God ons schenkt - let op: schenkt, niet geschonken heeft maar schenkt, ieder moment, ieder moment nieuw. De Messias, de gezalfde, de koning die zich voor ons buigt om ons te dienen. Volgende week zal Petrus die les moeten leren. Vandaag neemt hij ons mee in het visioen dat hij voor zich ziet wanneer hij over Jezus spreekt. Messias, zoon van God die leeft.
Jezus Messias is het geheim dat ons meeneemt in het leven, in zijn leven, door het brood dat hij met ons deelt, dat voor ons zijn leven met ons is.
Moge God met ons zijn.


Zondag 14/15 augustus 2011
Wij, Sint Jan de Doper in Amsterdam, wij vieren: Maria tenhemelopneming

Apocalyps 11, 19a + 12, 1 - 6a + 10ab
Lucas 1, 39 - 56

In mijn herinnering, jeugdherinnering, is 15 augustus hoogzomer. Zelfs midden in de week een verplichte zondag-middag. We voelden ook dat het zondag was. De kerk zit vol. Enkele oudere mensen maar vooral kinderen, allemaal met een grote bos bloemen, eigenlijk wilde bloemen, kruiden. "Kroetwusch" heette dat. Die bloemen werden gezegend en daarna werden die bloemen in de schuur of in het schuurtje gehangen. Dat was een bescherming tegen onweer, tegen gevaar. Deze zegening, ongeveer 60 jaar geleden, herinner ik me als de dag van gisteren. Alles feestelijk, alles zomer. Het was voor mij een teken dat geen ramp ons klein kon krijgen. Maria zorgde daar ook voor.

Een jaar of 6 geleden waren mijn twee oudste zussen die intussen gestorven zijn een gebed van mijn moeder aan het reconstrueren. Ze kwamen heel ver. "Gij zijt machtig ons van lijden en gevaren te bevrijden. Waar de mens geen hulp meer ziet, daar ontbreekt de uwe niet." Eeuwenoude zekerheid, simpele woorden. Het klonk in alle bescheidenheid en vertrouwen ook heel zeker: "Gij zijt machtig ons van lijden en gevaren te bevrijden."

Eeuwenoude zekerheid. En nog steeds, ondanks alles: aanspraak. De kerk heeft altijd geweten dat je je tot de moeder van Jezus kunt wenden. Zij is een uitzondering en voor haar zijn wij dat allemaal: uitzonderingen, want een moeder weet dat ieder kind iets totaal eigens is, een uitzondering. Maria is vooral een moeder en zij weet aan haar ene kind wat het betekent om moeder te zijn. Zij heeft genoeg meegemaakt met haar jongen. De manier waarop zij dat kind accepteert wanneer de engel bij haar komt - uw wil geschiede, mij geschiede naar uw woord - laat het maar komen wat er ook gebeuren gaat - op dezelfde manier zal ze zich ook over ons ontfermen. Dat gaat steekt uit boven de wisselvalligheid en wankelmoedigheid van de onzekere tijden.

Eeuwenoude zekerheid, en dat terwijl de teksten over haar zo zuinig zijn.
We weten bijbels gesproken nauwelijks iets van dat meisje uit Nazareth of all places, geboren in een plaats waar de bijbel zelfs geen naam voor heeft, achtergebleven gebied achter de heuvels rond het Meer van Galilea. Achtergebleven gebied, maar ook heimweeland. Land van verlorenheid en smeken om ontferming, erbij willen horen, mee willen doen en zeker weten dat je mee mag doen, - dat je er mag zijn, er wilt zijn. Mij geschiedde naar uw woord - woorden die we na mogen zeggen, woorden die het leven ons wil leren.

In de joodse traditie bestaat de spreuk: een man wiens vrouw gestorven is, die man heeft de verwoesting van de tempel meegemaakt. Je lief is de plaats waar, en degene bij wie je thuis bent, het heilige, het uitstekende en bijzondere - ook in je herinnering. Je lief, - de tempel, Gods huis. Dat hoor je in de eerste lezing.
De tempel, de ark - de tekst gaat snel naar binnen toe. De tempel gaat open, de ark wordt zichtbaar. Dan gaan de ogen omhoog: een teken aan de hemel. De vrouw, de zon, de maan, de sterren. Een vrouw in barensnood. Een draak staat gereed. Maar het kind wordt naar God gebracht, de vrouw naar de woestijn. En de aanklager,de duivel, de mensenverslinder, uiteindelijk is die er niet meer. Alleen de kracht en het koningschap van God, en de macht van Zijn Gezalfde.

De meeste van ons kennen de volgende woorden nog: zetel van wijsheid, mystieke roos, toren van David, Ivoren Toren, Gouden Huis, Ark van het Verbond, Deur van de hemel. Morgenster. Wij zouden daar niet meer op komen. Het zijn woorden uit een oude wereld. Maar u hoort het vertrouwen, het geijkt zijn door de eeuwen. Veel leven van mensen is in die woorden opgesloten. En taal is het enige dat we echt hebben en dat ons heeft. Woorden en beelden hebben ons vast, leiden ons. Maria Ten Hemel Opneming.

Maria Ten Hemel Opneming is een feest waar veel over te doen is geweest. Maar uiteindelijk gaat het over een simpel en zeker gevoel.
In alle eenvoud gelooft de kerk dat de moeder van Jezus nadat zij gestorven is bij haar Zoon zal zijn, bij God thuis is. En zo gek is dat niet. Wanneer een mens die ons dierbaar is, gestorven is, dan weten we dit zeker: Voor God gaat het leven van een mens niet verloren. God ontfermt zich over een mens, ook wanneer die mens gestorven is. En onze domme dingen, onze onhandigheden, onze fouten - wanneer God groter is dan ons hart en alles weet dan zal hij alles begrijpen en alles vergeven. Zo is God. Maar dit ter zijde. Vandaag is aan de orde dat Maria de moeder van de Heer is, dat zij bij haar en onze Heer is. Er zijn zelfs tradities die haar niet laten sterven. Daarvoor al wordt zij in de hemel opgenomen. Het zij zo.

Is het niet zo dat het leven een groot geheim is? Dat we er niets van begrijpen? Zoals we niets begrijpen van een bloem in de knop, of van een "een en al" geurende roos. Nu iedereen zich druk maakt over speculanten, beursproblemen, aandelen, rentes en crises is het goed om ook op te letten, en niet te vergeten wat dit jaar voortbrengt: het licht, de warmte - ondanks de regen toch warmte, en alles wat zich rijp aandient. Oogst. Het jaar begint zijn oogst op te leveren. Een van de vruchten van de oogst is dat wonderlijke leven van dat meisje uit Nazareth dat geroepen wordt om moeder te worden van een wonderlijk kind, dat als ieder van ons uitzonderlijke kind zal blijken. Dat onbegrijpelijk leven - in de hemel opgenomen - thuis bij God, zoals ieder van ons, nu en ook straks.

In deze viering gedenken we haar zoon, delen we wat Hij ons geeft, zijn leven, zijn lichaam, zijn vlees en bloed. Zijn heden. Hij gaat met ons op de weg, onze weg, - een weg die zich voor ons aandient.
God laat je niet alleen.
Moge God met ons zijn


 

zondag 31 juli 2011 - 18e zondag door het jaar - Sint Jan de Doper
Jesaja 55,1-3; Matteüs 14,13-21

Het blijft heel vreemd in de eerste lezing. Heb je geen geld, kom dan om brood te kopen. Je zou toch denken dat dit niet gaat. Kom kopen, geniet zonder geld te betalen. Komt kopen wijn en melk. Wat een vreemde handelaar is dit? Alsof het hem op geen enkele wijze over het gewin gaat. Alsof God, want over hem gaat het natuurlijk - hij is de "ik" in de eerste lezing - alsof God niet gediend is van dienst, van je buigen en inleveren. Het onderdrukte volk dat hunkert naar de bevrijding kan bij zijn God werkelijk terecht. Neig uw oren komt naar mij en luistert en jullie zullen leven. Alsof leven met horen te maken heeft, met leren luisteren. Wij hadden het daar de vorige week ook over, toen Salomo een horend hart vroeg. En ik denk ook aan Maria, de zus van Martha, die hunkerend naar alles wat hij zegt aan de voeten van de leraar zit. En ik denk ook aan de moeder van Jezus die in Kana tegen de mensen zegt: Wat hij ook zegt, dat moeten jullie doen.
Wijn, melk en brood voor niets te koop. Het wezenlijk wat er toe doet deelt de God van deze verhalen uit op de drempel van de bevrijding. Ons kunnen is zo groot. De media maken voor ons contact met ondenkbare werelden. Wij wonen zoals we straks zullen zingen overal nergens thuis. Altijd met onszelf opgescheept slaan wij onze ogen op naar de bergen: Hoe is uw naam, waar zijt gij te vinden? Kom jullie die geen geld hebben, geniet zonder geld en zonder te betalen. Hoe kan de stilte ons deze raad geven. Uw naam worde geheiligd, uw Rijk kome, geef ons heden ons dagelijks brood.

Het evangelie neemt ons mee naar Jezus in een bootje onderweg naar een stille plek. We kunnen het ons voorstellen: die arme man en al die mensen die aan zijn lippen hangen. Maar het lijkt alsof het volk hem niet met rust wil of kan laten. Te voet jagen ze om het meer heen. Als hij aan land komt staan ze er weer. Voor Mattheus is de kerk het voetvolk dat voor de meester uit gaat om hem te ontmoeten wanneer hij aan land komt, wanneer Hij over de wis en zekere dood heen, er is voor Zijn mensen. Als een weldaad gaat hij rond. Alles heeft hij welgedaan, tot wie zou ik anders gaan. Dat gaan naar, je keren naar hem toe met lege handen, je bekeren, is een heel acute en steeds weer nieuwe uitnodiging voor ieder die zich geroepen voelt, weet.

Interessant is dat de leerlingen, zeg maar de harde of zachte kern van de gemeenschap om hem heen, het eigenlijk steeds niet begrijpt. Het wordt al donker. Stuur die mensen weg, stuur ze naar huis, naar hun dorpen om wat te eten te kopen. Maar Jezus staat voor een andere economie. Geven julie hen te eten. Maar wat moet je dan met vijf broodjes en twee vissies! Simpel. Laat ze gaan zitten. Hij leit mij in een oase van groen, daar is het goed rusten. Als de echte herder in de buurt is kom het mensenvolk niet te kort.


In die tijd voer Jezus in een boot … Zo begint de lezing in onze vertaling, maar dat heeft Matheus niet geschreven. Gehoord hebben wijkt hij vandaar uit … Het is het uitwijken waar Jozef mee begonnen is toen hij met het kind en zijn moeder vluchtte naar Egypte. Uitwijken dat spelen blijft totdat Hij definitief begint aan zijn reis naar Jerusalem. Dat uitwijken wordt gemotiveerd door gehoord hebbend. Wat heeft Hij dan gehoord? Het voorafgaande verhaal is het verhaal over de moord Johannes en zijn leerlingen die hem begraven. Johannes, voorloper in leven en overgeleverd worden, in leven en dood. Dat gehoord hebbend wijkt hij uit naar de overkant, naar een woestijn-plek. Maar de menigten hebben het ook gehoord en de steden lopen leeg achter hem aan. Als hij aan land komt grijpt een diep gevoel hem aan. De krachtelozen (alleen hier gebruikt Matteüs dit woord) geneest hij. Wordt nog uitgelegd wat dit betekent? Daarop komen de leerlingen. Zij moeten het brood dat zijn zegen geeft delen. Zegenen en delen. Je kunt delen. Dan wordt je verzadigd en blijft er ook over, voor zovelen. Zo wil hij overgeleverd worden. Zegenend en delend en overblijvend, ook voor ons, hier, nu, vandaag. Moge God met ons zijn.


zondag 24 juli 2011
17e zondag door het jaar
1Koningen 3,5.7-12
Matteüs 13,44-52

Hoe oud zal het verhaal over de jonge koning Salomo zijn? Dat weten we niet. 700 voor Christus? In fragmenten wellicht nog ouder. Maar wat doet het er toe? Heel oud in ieder geval. En reken maar dat die koningen in de ogen van die tijd en door de ogen van hun mensen gezien in dat nog steeds extreem kleine wereldje waarin afstanden eindelos waren - dat die koningen giga-figuren waren. Bijna God zelf. Hij hoefde zijn wenkbrauwen maar op te trekken of met zijn duimen te knipperen.
David is dood. Zijn oude dag heeft hij mogen beleven maar uiteindelijk is gestorven. En Salomo, voor hem zijn geliefde zoon, - hij heet Zijn Vrede, Sjelomo - Salomo zal zijn vader opvolgen. Wat wordt er verteld in het kader van die troonsbestijging? Het verhaal van vandaag rondt dat af. De koning droomt. God verschijnt in een droom aan de koning. Wat wil je dat ik je geef? Nu zal hij gaan voor de hoofdprijs. Wens, wat is je eerste en laatste wens, je vurigste wens? En de Salomo die we dan horen spreken is vertederend. Ik ben nog maar een jongen. Ik weet nauwelijks iets van links of rechts. Als een dienaar st ik tussen dat grote volk van jou. Wat wil ik? Wat wil ik in 's hemels naam ten einde raad. Ja: één ding wil ik. Geef mij een horend hart! Dat is alles. Een horend hart.

Hart is richting. Geef mij een doelgericht gevoel voor richting. Laat mij met een gevoel voor richting luisteren. Want hij zal wat te horen krijgen. Leer mij echt te luisteren. Ik zou het liefst zeggen: leer me hoe ik bij de tijd kan zijn. Want spreken speelt zich altijd af in het heden. Wil je horen wat er gezegd wordt? Dan moet je nu luisteren, bij de tijd zijn. Het zou een zegen zijn wanneer we, de kerk, de staat, maar ook de man op de straat of het kind dat de was kan doen, ook ik zelf - het zou een zegen zijn als in bij de tijd kon zijn, alert, attent. Een luisterend oor.

Want het rijk der hemelen lijkt op een schat verborgen in een akker.
Uw rijk kome. De manier waarop U koning bent, moge dat voor ons voor ons toegankelijk zijn, zichtbaar worden, duidelijk, een ervaring.

De rechtvaardigen zullen stralen als de zon in het koninkrijk van hun vader. Dat is de laatste regel die voorafgaat aan de gelijkenissen van vandaag. Stralen als de zon. De rechtvaardigen. Jozef is bij Matteüs de eerste rechtvaardige. De rechtvaardigen bewaren de weg van het woord. Denk ook aan de hoofdman onder het kruis: waarlijk, deze is een rechtvaardige. De rechtvaardigen zijn mensen die laten zien dat Gods woord betrouwbaar is, dat Gods woord mensen tegemoet komt, mensen bewaart. Het zijn mensen die je moed geven: zie je wel, het komt goed. De rechtvaardigen zullen stralen als de zon in het koninkrijk van hun vader.
Die stralen, de glans van die zon wordt meegenomen en schijnt over de wereld, over het land, over de akker waarin een schat verborgen is. Het is als iedere akker die als het goed gaat ieder jaar weer opnieuw een bron van verwondering is, als ons leven waar je zo vaak ondanks alles blij mee bent. Er is een schat in die akker verbonden, een verleden dat één en al toekomst is. Weet niet ieder wat je in zo'n geval te doen staat?
Zie dat die akker van jou wordt en breng de schat aan het licht. Eigenlijk zo gemakkelijk en voor de hand liggend. Als je iets hebt dat de moeite waard is, dan investeer je toch. Dan ga je toch. Diezelfde glanzende, stralende zon, gaat ook mee wanneer we die kostbare parel vinden. Het is een toespitsing ook. In de akker de schat, en temidden van de mooie parels die ene schitterende. Volop moet dan het licht weerkaatsen. En in al dat licht glinstert ook de oogst van de visvangst. Daar wordt onderscheid gemaakt, definitief onderscheid.

Als je deze zaken verstaat ben je als de Schriftgeleerde, zegt Matteüs. Een echte Schriftgeleerde laat zien dat nieuwe dingen ook oud zijn, en dat oude zaken in feite ook zo goed als nieuw zijn. Wellicht is dat waar het over gaat. Een horend hart. Bij de tijd (van het onderricht) te zijn, stil staan bij wat het leven je biedt, en daar te zoeken naar dat ene, de Ene, die ons het leven geeft. Met het oog op dat leven neemt Jezus ons in vertrouwen. Neem en eet, dit is mijn lichaam, dit ben ik, zo leef ik te midden van jullie als die schat in de akker, die glanzende parel. Moge God met ons zijn.

 


Pinksteren, 12 juni 2011 Sint Jan de Doper, Amsterdam
Handelingen 2,1-11; 1 Korintiers 12,3b-7. 12-13; Johannes 20.19-23


Met Pinksteren sluiten we de reeks van feesten af. We krijgen nog wel Drievuldigheidszondag en Sacramentsdag, maar dat zijn feesten die als een soort orgelpunt de laatste toon, de afsluiting laten horen. Een verlengt Pinksteren of een samenvatting van al de feesten die we gevierd hebben. Pinksteren is een wonderlijk feest. We voelen dat het een groot feest is maar er tegelijkertijd hebben we er geen plaatje bij. Je vindt het feest ook niet in de Evangeliën. Net zoals het Kerstfeest danken van Pinksteren aan Lucas. Hij vertelt er over in de Handelingen van de apostelen, de eerste lezing van vandaag. De evangelie-lezing heeft het over die avond van de eerste dag van de week. Dat is dan nog steeds Pasen bij Johannes. Dus de lezingen laten Pasen en Pinksteren op een dag vallen. In feite is dat zo gek niet. Die feesten hebben alles met elkaar. Dat is zelfs gemakkelijk uit te leggen.

Pasen is om te beginnen de Uittocht uit de slavernij, zeg de Uittocht uit duisternis en dood. Zo begint met Pasen het echte leven. Daarom lezen we dan het Scheppingsverhaal. Over Hemel en Aarde en de Geest van God die beiden bijeen houdt. De goede wereld, uitzicht op het goede leven, op vrede: HOE GOED IS HET. Zo wordt in dat eerste verhaal de tijd geteld. HOE GOED tot en met ZEER GOED. Het geheim van PASEN, want hoe kan dat, dat slaven vrij worden, dat doden levend worden - het geheim van Pasen wordt zichtbaar op de vijftigste dag - zeven keer zeven dagen - dag 50. Pentecostes in het grieks, Pinksteren.

Op de vijftigste dag komt dat volk van vroeger slaven bij de Sinaï. Het verbond wordt gesloten. Als Mozes niet naar de berg was gekomen dan was de berg naar Mozes gekomen. Mozes komt met de 10 woorden, beeld van heel de schrift, van alle woorden die ons gegeven zijn naar beneden. De 10 woorden als Magna Charta van onze vrijheid en bevrijding. Met donder en bliksem, vuur en storm, wordt het verbond, het aloude en altoos nieuwe verbond gesloten. Hemel en aarde geven elkaar de hand. Mattan Tora, het schenken van de tora, van al de woorden. Daar, in dat verhaal aan de voet van de berg, daar vinden we de elementen die we nodig hebben voor de eerste lezing, het Pinksterverhaal van de leerlingen van Jezus. De aarde is die ene plaats waar ze bijeen zijn. Daarvandaan komt dat geluid van de hevige wind die over de aarde blaast en het vuur dat zich over elk van hen verdeelt om hen aan te vuren, enthousiast te maken, begeesterd, geestdriftig. Eén vuur dat zich verdeelt over ieder van hen, en allen in dat éne vuur één. Dat hoor je ook terug in dat wonderlijke van heel de wereld in Jerusalem bijeen. Lukas vertelt geroerd dat er in Jerusalem vrome mensen wonen, afkomstig uit alle volkeren onder de hemel. Al die mensen horen die Galileeërs praten in hun eigen taal. Niks geen Babylonische spraakverwarring meer. We begrijpen elkaar.

Al die mensen bijeen. Johannes focust in het evangelie op de leerlingen in hun angst bijeen met gesloten deuren. Niets kan daar in of uit. Toch: Jezus gaat in hun midden staan met zijn wonderlijk intieme woorden: vrede op jullie. Hoe zal hij dan naar hen gekeken hebben? Hij blaast over hen, als ware hij die wind over de wateren, de geest van God over de wateren van de dood. Hij blaast over hen zoals God over die mens die hij uit klei van de aarde gevormd heeft: en blaast de levensadem in zijn neus.


Jezus in het midden blaast over ons. Je hoort het bewegen van de lucht, de adem, zijn leven. Ontvang de heilige geest. Maak al die verschillen één. En vergeef elkaar de zonden want anders blijven ze, blijft de onvrijheid en het onvermogen. Heel. Deel vrede met elkaar. Deel mijn lichaam en bloed, mijn leven, mijzelf zoals ik ben, mijn vrede. Dat willen wij hier vandaag bijeen. Moge dat zo zijn.


4e zondag van Pasen

Handelingen 2, 14a.36-41
Johannes 10, 1-10

Eerlijk gezegd: ik vind niet dat de liturgisten het ons niet gemakkelijk gemaakt hebben. Het is nu al de tweede of derde zondag dat we bezig zijn met de Pinksterpreek van Petrus. Maar het blijkt al een oude kerkelijk traditie te zijn. Ook de kerken in het Oosten lezen het Apostlicon in de weken tussen Pasen en Pinksteren. Daarmee bedoelen ze de Handelingen van de Apostel. Ieder jaar opnieuw gaan we dan te rade bij de beginperiode van de kerk. Kan ik iets uit de lezing van vandaag halen zodat we daar iets aan hebben?
Ik vind mooi die ontsteltenis. Diep getroffen zeggen ze tegen Petrus en de apostelen: Wat moeten we doen, mannen, broers. Blijkbaar zijn hier in de jonge Kerk geen verhoudingen aan de orde zoals wij die kennen. Broederschap, zusterschap, de nabijheid van naasten is de sleutel voor de vraag: "Wat moeten we doen". Ook het bijbelse woord Israël is een bijzonder woord. De grote franse filosoof Levinas die ook veel gedaan heeft aan de uitleg van de joodse, dus bijbelse traditie zegt: De naam Israël is niet de aanduiding van een natie of een volk. Israël staat voor een bepaalde kwaliteit van mens zijn. Het is gen eretitel maar een woord dat ieder insluit die dat wil. Ook wij mogen ons beschouwen als de mensen die naar Petrus luisteren. De lezing slaat zijn speech over maar geeft wel de slotzin: Jezus die wij gekruisigd hebben, God heeft Hem tot Heer en tot Messias gemaakt. Die woorden maken een verpletterende indruk, dat wil zeggen: blijkbaar moet en kan het anders! Wat moeten we doen? Praktischer kan een vraag niet wezen. Het verkeerde geslacht moet het blijkbaar in een andere keer of richting gaan zoeken. Dopen wijst op ommekeer, vergeving van zonden op kiezenvoor het verband van het verbond. En de Geest met zijn Gaven duidt de intense en persoonlijk samenhang van hemel en aarde aan, samengevat in het woord "broeders".

De tweede lezing brengt ons naar een vertrouwde situatie. De herdertjes lagen bij nachte. Herders, schaapskooi. Een buitengewoon geliefd beeld. De herder en zijn kudde, of de kudde en zijn herder. Uiteindelijk immers zijn de schapen overgeleverd aan de herder. Hij moet voor hen uitgaan op zoek naar wat overgebleven is na de regen als groen op het land. En de tempel in Jerusalem is beschouwd als de schaapskooi. Daar verzamelt de grote herder heel zijn kudden. Vandaag gaat de belangstelling uit naar wie in de schaapskooi binnen komt. Eigenlijk is het zo'n onbewaakte kring van opgestapelde stenen dat je er makkelijk in binnen kunt komen. Maar wie zich zo opdringt, binnendringt, is niet de echte herder. Je merkt dat ook. De schapen luisteren iet. Ze volgen niet. Integendeel: ze vluchten. Als het niet te oneerbiedig is lijkt dat bijna hedendaagse kerkgeschiedenis.
Wat is er aan de hand? Er is bij die schapen iets typisch aan de hand. Ze herkennen de stem. Het gaat niet over wat hij zegt, die herder, maar het gaat over de klank van zijn stem. Die stem is voor hen een betrouwbare wereld, iemand die om hen geeft, die voor hen door het vuur gaat.
De zondag waarop dit evangelie gelezen wordt heet al sinds jaren roepingenzondag. Want de echte herder komt als een geroepen. Ik denk dat Johannes het daarbij niet heeft over een kerkelijk kader. De echte herder gaat over iedereen die geroepen wordt, die uit zijn schulp kruipt omdat er werk aan de winkel is, Gods winkel. Het gaat daarbij niet over handel, maar over leven en overleven, in het spoor van de echte herder. De deur. Als de schapen immers in de kooi komen, gaat de herder in het poortgat staan. De schapen lopen onder hem door, hij raakt ze aan, stuk voor stuk. Hij telt ze en ze tellen voor hem Opdat zij leven mogen bezitten, opdat wij leven mogen bezitten.
Daarom gaat hij ons voor, deelt hij zich aan ons uit, deelt hij zijn leven met ons. Die betrouwbaarheid van God is ook vandaag ons voedsel. Delen we dat met elkaar en moge God met ons zijn.

Sint Jan de Doper, Amsterdam


zondag 08 mei 2011
3e zondag van Pasen

Handelingen 2, 14.22-32
Lucas 24, 13-35

De eerste lezing van vandaag laat ons de preek horen die Petrus met Pinksteren geeft. Alle angst is van hem afgevallen. Vrijmoedig spreekt hij over Jezus wiens zending van godswege bekrachtigd is door vele tekenen, en die door de hand van de afbrekers aan het kruis genageld is en die gestorven is. Maar, en dat is e Pinksterpreek van Petrus, het was onmogelijk dat de strikken van de dood Hem zouden kunnen vasthouden. God heeft hem doen verrijzen en daarvan zijn wij allen getuigen. Zo wordt de kerk geboren.
Wij zijn er mee vertrouwd: gestorven en begraven, verrezen op de derde dag volgens de Schriften. Maar zo voor de hand liggend is dat alles niet. Want wat betekent dat, verrezen, en hoe kunnen we dat beleven.
Lucas neemt ons mee naar de weg van Jerusalem naar het dorpje Emmaüs. Twee leerlingen zijn op weg naar huis. Zestig stadiën weg zijn blijkbaar voldoende om met elkaar te spreken over ALLES wat er gebeurd is met Jezus in Jerusalem. Jezus komt naar hen toe en loopt met hen mee. Wij weten dat Het Jezus is. De lezer weet vaak meer dan degene over wie hij leest. Zij weten het niet. Hoe zullen zij daar achter komen? Hoe zullen ze hem herkennen?
Hij, die nog niet gekende, vraagt naar de bekende weg. Waar praten jullie over? Ze geven een indirect antwoord. Ze zeggen: ben jij de enige vreemdeling in Jerusalem die niet weet wat daar gebeurd is? Weten zij dan wel wat daar gebeurd is? Zijn zij geen vreemdelingen in Jerusalem wanneer zij geen touw kunnen vastknopen aan wat daar gebeurd is? Hoe dan ook: het hele verhaal waar zij mee zitten en dat hun terneer drukt valt er in een klap uit. Over Jezus, een profeet in woord en daad, machtig, maar als een misdadiger aan het kruis geslagen. En wij dachten dat hij Israël zou verlossen. Wij leefden in de stellige hoop. Maar het is al de derde dag sinds die dingen gebeurd zijn. En dat is nog niet alles. Ook zijn er nog een stelletje vrouwen gekomen die ons gek maakten met hun verhaal dat ze zijn lichaam niet gevonden hadden in het graf.
U merkt: deze leerlingen kennen het hele verhaal, maar ze schieten er niets mee op. Hoe kan dat? Hoe is het mogelijk? Die vraag beantwoorden ze ook. Maar Hem hebben we niet gezien! Wij weten dat zij Hem zien maar zij zien Hem niet, zeggen ze. Hoe zullen ze hem gaan zien? Wat moet er gebeuren willen zij geen vreemdeling meer zijn in Jerusalem?
Wat zijn jullie traag van vertrouwen, zegt Jezus die nog niet gekend is. En hij begint bij Mozes en de profeten uit te leggen wat uit de Schriften over Hem gezegd wordt.
Ik vind dat steeds weer ontroerend: Jezus die verrezen is legt de boeken op tafel. Nu het er over gaat hem te ontmoeten in heel zijn intimiteit, blijkt, dat de boeken open moeten. Hij is het verhaal waar de boeken vol van zijn, over God en mens en de mens en zijn God en hoe zij elkaar vinden in uiterste genegenheid, een hand die God uitsteekt. Zij praten over ALLES en hij legt ALLES uit wat over Hem geschreven is. Zo valt de avond, dooft het licht. Maar zij dringen aan: Blijf bij ons Heer wat het wordt avond.
En hij blijft bij hen. Weer een vraag? Hoe blijft Hij bij hen? Hoe herkennen ze hem - want alles wat Jezus die verrezen vertelt met de boeken open, Hem herkennen ze nog niet. Ze weten nog steeds niets van his masters voice, herkennen hem niet in de les die hij hen geeft.
Aan tafel neemt Hij het brood. Wij kennen de gebaren. En hun gaan de ogen open terwijl hij uit hun midden verdwijnt. Hij is geen bezit. Je kunt hem alleen maar delen met elkaar, zoals wij hier doen. Mogen wij hem herkennen in het brood dat Hij ons geeft. In dat gebaar herkennen we hem, delen we zijn aanwezigheid met elkaar.
Moge dat zo zijn.


2e zondag van Pasen - 01 mei 2011
Handelingen 2, 42-47
Johannes 20, 19-31

De eerste lezing blijft ontroeren. Voor Lukas is die eerste gemeenschap van Christenen een complete verrassing voor ieder die het meemaakt. Ze leggen zich toe op wat de Apostelen leren, ze voelen en weten zich verbonden met de gemeenschap en het gemeenschappelijk leven, en in het breken van het brood. Zo kijk je terug naar het begin: samen leren, bezig zijn en gedenken/bidden. Bij ons zit er niet meer dat vertederende randje van vroeger om. In onze tijd lijkt de kerk meer uitgebloeid. Maar toch: leren, je inzetten voor en niet vergeten, gedenken, met Gods woorden onze wereld, ons leven verkennen, bidden, - we doen dat nog altijd, hier in Amsterdam, maar ook overal in Europa en over heel de wereld. Niet ons ongeloof, niet gedachten als "het haalt toch niets uit", niet de fouten die wij gemaakt hebben en maken, maar het vertrouwen dat er een richting in ons leven zit, dat ons leven en wij zelf, zin hebben, geënt als wij zijn op Jezus Christus, dat bepaalt de manier waarop wij kijken naar ons leven en het voortdurend ook tegen het licht houden.

Vandaag is het Beloken Pasen. Die dag is voor mij altijd verbonden met mijzelf als een klein jongetje. De meester op school zei: "Beloken Pasen, het luik wordt als het ware op Pasen gelegd." Luik - beloken Pasen. Het was de eerste keer in mijn leven dat ik merkte, dat je met woorden iets kon begrijpen, dat woorden betekenis hadden, iets konden zeggen. Ik vond dat fascinerend: beloken Pasen, een luik op Pasen. Maar een luik betekent ook een afgesloten ruimte, er zit iets achter, er is een tegoed. En al blijven we de rest van het jaar iedere zondag opnieuw weer Pasen gedenken, vandaag nemen we toch bij wijze van spreken afscheid. Hoe doen we dat? Hoe reikt de liturgie van vandaag ons een "vaarwel" aan? Daarvoor hebben we vandaag het verhaal over die avond, die avond van de eerste dag van de week. Bij Johannes is het nog steeds Paasdag. Vanmorgen was Maria van Magdala bij het graf. Zij vond haar gestorven vriend en Heer niet meer en kon door haar tranen heen Hem niet herkennen in de gestalte die voor haar stond, maar toen Hij haar naam noemde voelde ze zich gekend en wist ze dat Hij het was. Nu is het avond.
Angst brengt de leerlingen achter gesloten deuren bijeen. Angst is een slechte raadgever. Mogelijkheden, verborgen zaken die toch betekenis kunnen hebben, sluit je dan misschien wel af. Maar voor de verteller van het goede verhaal van vandaag is die afgeschermde, gesloten wereld achter de ramen potdicht, precies de goede plek. Alsof het gewoon is: Jezus komt binnen. Niets geen magie, geen natuurverschijnselen, maar gewoon, iemand die binnen komt. Hij gaat in het midden staan. Voor Johannes is dat midden een soort samenvatting van heel het verhaal van Jezus. Het begint met bij de Jordaan, de doop. Midden onder u staat Hij die Gij niet kent. Daarna, één links en één rechts en Hij in het midden, bij de kruisiging. Nu weer: hij gaat in het midden staan. Wat doet hij daar? We horen hem spreken. Hij heeft, nu alles afgelopen en klaar is, nog iets te zeggen.
Jezus die verrezen is gaat in dit afsluitende verhaal in het midden staan. Sjalom aleichem. Vrede op jullie. Twee dingen: als dragers van zijn verhaal is dat het eerste wat we te doen hebben: de vrede dragen, de vrede bewaren, de vrede doorgeven en aanreiken. Waar onvrede is, angst, onrust, waar het leven mensen weg lijkt te drukken willen wij proberen, vrede aan te reiken - te zorgen dat het een beetje beter wordt, of goed is. Een hand reiken, een steuntje in de rug, een klop op of een arm rond een schouder.
Sjalom aleichem, vrede op jullie, draagt de vrede, - dan - en dit is het tweede - zul je ook zelf in de vrede zijn. Als je vrede uitdraagt zul je ook door de vrede gedragen worden. Dan kun je ook, wat de tekst noemt, zonden vergeven. Zoals de vader mij gezonden heeft, zo zend ik jullie. Beloken Pasen maakt uit tot mensen met een missie. Daartoe strekken we onze handen uit - voedsel voor onder weg, ons gegeven. - Moge dat zo zijn.

 

 


De Drie Hoven, Paasnacht 2011

Het scheppingsverhaal begint met een wonderlijke nacht. Het is een nacht die nog niet weet dat zij nacht is. Want er is nog geen dag, geen licht. Niets. Dan gebeurt wat nog nooit gebeurt is. De stilte breekt. Een stem klinkt. Iemand spreekt. God spreekt. Hij heeft het eerste woord. Hij zegt: het moet er zijn: licht. De duisternis explodeert in iets waar wij geen woorden voor hebben. Maar we horen: dit heet licht! Onvoorstelbaar.
De nacht van zaterdag op zondag. Het waren de paasdagen in Jerusalem. Maar de dagen die puur vreugde hadden moeten worden, "vrijheid! Bevrijding!" waren omgeslagen in paniek, angst en bittere teleurstelling. Jezus, hun hoop, hun eigenlijk alles, een en al goedheid! - als een misdadiger was hij gearresteerd, vals beschuldigd, veroordeeld. Als een crimineel opgehangen aan het hout van het kruis. Alle vreugde was veranderd is doffe berusting. Alle hoop vervlogen. Alles tevergeefs.
Het enige wat je nog kunt doen is naar de begraafplaats gaan, de ruimte uitgekapt in de rots waar de doden werden neergelegd. De steen is weggerold. Wie zou er zijn? Een grote steen, een leven afgesloten.
En binnen, enkel licht. Een stem. Hij is hier niet. Hij is verrezen zoals hij heeft gezegd. Kom en zie de plaats waar hij lag. In een onvoorstelbaar vertrouwen is Jezus opgetrokken naar Jerusalem, naar het Huis van zijn Vader. Hij wist zeker dat God hem niet zou verlaten. En God heeft Hem uit de doden opgewekt. Jezus de eerste uit de doden. Gods liefde vergaat niet. Voor God blijft een mens leven, ook wanneer hij gestorven is.

Wij horen woorden die wij niet kunnen bedenken. We horen zij alleen maar en ze zullen ons verwonderen. Maar ook: we hadden kunnen weten dat God van mensen houdt. Jezus noemt God niet tevergeefs zijn vader, onze vader. Dat hij Hem en ook ons niet zal vergeten, niet wil en niet kan vergeten. Hij wist het. Hij leefde daarvan.

Het leven is een groot geheim en vaak doet het pijn. Maar het licht van Pasen is: God houdt van zijn kind en zijn kinderen. Wij zijn Hem Alles. Dit onvoorstelbare, dat Jezus die gestorven is ons in levende lijve tegemoet komt, is een onverwachte zet. Niet de dood, de droefheid en de angst, maar Zijn Aanwezigheid, zijn betrokkenheid heeft het laatste woord. God is er ook nog. Dat wil Pasen ons zeggen.
Wij gedenken de naam die ons vannacht opnieuw wordt toevertrouwd. Jezus. De naam die betekent: De Heer bevrijdt.
Moge dat zo zijn, ook voor ons, hier bijeen, hier in vertrouwen en geloof, samen.
Moge God met ons zijn.


Witte Donderdag 2011, 21 april

Je merkt hoe de verhalen, de woorden en beelden zich vandaag opstapelen. We horen uit het Boek Exodus over het verhaal van voor alle eeuwen, het verhaal over slavernij en God die bevrijdt. We horen over die nacht van alle verhalen die vrijheid en vreugde, - eindelijk, - melden. Exodus heet in het hebreeuws Sjemooth, Namen. Die namen, dat zijn mensen. Dat zijn ook wij zoals we elkaar kunnen aankijken en zien. Het boek van God over mensen die aan vrijheid en bevrijding toe zijn.

Het is de avond van de traditie, van de overlevering, vertelt Paulus. Hij heeft die overlevering van de Heer ontvangen en geeft het door aan ons, over het verhaal dat brood en wijn ons aanreiken, over Jezus die zich in levende lijve aan zijn leerlingen geeft.

En in het evangelie horen we hoe hij dat doet: In het bewustzijn dat de vader hem alles in handen heeft gegeven. Als je dat hoort, wat verwacht je dan? Wanneer iemand alles in handen krijgt - wat doet hij dan? Wat is de daad waarin deze leraar zich laat kennen? waarin hij het verhaal van. zijn leven aanbiedt?

Hij legt zijn bovenkleren af, omgordt zich met een linnen doek en wast de voeten van zijn leerlingen. Wij begrijpen de verbijstering van Petrus. Wij verwonderen ons niet wanneer hem zijn oren en ogen, zijn handen en zijn hoofd gewassen worden, zijn hele lichaam, zijn hele bestaan.

Deze avond staat ons hele bestaan op het spel. Alles wordt ons in handen gegeven om te doen wat hij doet. En Hij geeft zichzelf. Het is de avond voor zijn lijden en dood. De avond van zijn geheim. Het geheim dat tussen vannacht en morgenmiddag voluit wordt neergeschreven op het "hout van de schande" van Golgotha: Jezus van Nazareth, de messias voor zijn mensen.

Wanneer wij straks bezorgd om de dag van morgen, deze kerk verlaten, gedenken wij alles wat in deze nacht te gedenken valt. We gedenken Hem in zijn lijden en sterven en we gedenken al zijn mensen die hij in zijn leven en sterven meeneemt en bewaart. Al zijn mensen en ook al onze mensen. In stilte verenigd. Alsof de tijd stil staat. Alsof de dood niet bestaat. Alsof al onze namen permanent heden zijn,wij vandaag, wij hier en nu - wij samen, deze nacht. De avond van de laatste les: hij voor ons, met ons, in ons. Een en al genegenheid.


Deze avond is de avond van de grote intimiteit tussen God en de mensen. Die intimiteit heeft een naam, een oude naam die hét eeuwenoude programma vertolkt. Jezus, de Heer bevrijdt. Het is aan ons die vrijheid en bevrijding aan te nemen en door te geven, zoals het brood en de wijn die wij met elkaar delen.
Moge God met ons zijn.


Sint Jan de Doper Eerste passiezondag - 10 april 2011
Johannes 11, 1-45

De naam Lazarus is ons niet vreemd. Een klein gedeelte uit het evangelie van vandaag werd vroeger altijd gelezen bij de begrafenis. "Heer, als gij hier waard geweest zou mijn broeder niet …" Pijnwoorden. Schrijnend. Maria heeft toch gelijk! Als klein jongetje dacht ik al: waarom gaat Jezus niet meteen naar Lazarus als hij hoort dat die ziek is? Waarom laat je je vriend eerst dood gaan als je hem toch terughaalt uit het graf. Ik had als kind natuurlijk gelijk. Ik kon ook niet verder denken dan een kind. En zoveel jaren later begrijp ik het nog steeds niet. Is het niet ook een verhaal dat zich onttrekt aan alles wat wij aanduiden met een woord als "begrijpen". Ons leven is nog iets anders dan "dat wat je kunt begrijpen".
We lezen vandaag hoofdstuk 11 van het Johannesevangelie. Hoofdstuk 12 vertelt hierna het aandoenlijke verhaal over Maria die de voeten van Jezus zalft. De leerlingen vallen daar uitgebreid over. Dan wordt het palmzondag, gevolgd door de dreigende teksten. Hoofdstuk 13 begint het laatste avondmaal met de voetwassing. Johannes 11, het verhaal van vandaag, staat dus op een cruciaal moment. We staan op de drempel van alles waar het evangelie naar toe wil. Jezus zal weldra gevangen genomen worden, veroordeeld, gekruisigd. Alle beloften blijken dan alleen maar te leiden naar de eenzame verslagenheid van het verdriet.
Op de drempel wil het verhaal van vandaag ons wijzen op waar geen mens op kan komen. Het lijkt er zelfs op dat Jezus daar niet op kan komen. In ieder gaval zijn leerlingen niet. Het verhaal over de opstanding uit de doden valt buiten alles wat een mens berekenen kan.

Ik heb al vaker verteld over het boek Jozua, het boek dat in het grieks Jezus heet. Dat boek eindigt met de dood van Jozua. Hij word begraven. Daarna sterft ook Eleazar, Lazarus in het grieks. Hij wordt begraven. Het verhaal van Lazarus is uit. Johannes neemt die draad op, lijkt het. Het verhaal van Lazarus is uit? Niets uit! Netzomin als het verhaal van Jezus uit. Met dood en begrafenis zal blijken dat het leven doorgaat. Hoe dat gaat onttrekt zich aan mij en aan ieder van ons. Onze wereld en onze ideeën, inzichten, hebben grenzen, maar er is meer aan de hand en te vertellen dan wij kunnen. Daarvoor hebben we zaken als kunst, liefde, vertrouwen, ja-zeggen. Dan zeg en zing je meer dan je zeggen en zingen kunt. Of anders gezegd: Rembrandt schildert nog altijd. We zijn nog maar nauwelijks begonnen met kijken naar zijn werk.

Het is geen simpel verhaaltje. Pijn blijft pijn. Verdriet maakt je radeloos. Verdriet verdooft. Laat maar. Te laat, tevergeefs. Ik hor dat in het evangelie van vandaag wanneer Jezus voor het graf van Lazarus staat. Jezus voor de dood. Het raakt hem door en door. Het is voor hem letterlijk ont-zettend. Dan is je plaats je plaats niet meer, ben je nergens meer. Ze heffen de steen weg en hij heft zijn ogen omhoog en zegt: Vader! En kort daarna roept hij met luide stem.
Als Jezus met luide stem roept, weten wij dat hij gaat sterven. Hij roept: "Vader". Hij slaat zijn ogen op naar de hemel. "Ik sla mijn ogen op naar de bergen. Zou iemand mij komen helpen. Bevrijden. Jezus zijn.
Brood uit de hemel hebt U hen gegeven. Wij zijn hier om samen te zingen, te bidden en te delen wat ons gegeven is. Moge God met ons zijn.


Zondag 3 april 2011
4e zondag van de Veertig Dagen


1 Samuel 16, 1b.6-7.10-13a;
Johannes 9, 1-41 of 1.6.9. 13-17. 34-38


Het eerste verhaal van vandaag vertelt over David, over hoe David koning wordt. De profeet gaat op zien naar de geroepene en komt bij boer Jesse in Bethlehem. Een van zijn zonen zal het worden. Daar komt nummer 1, indrukwekkend en al. Maar hij wordt het niet. Zo ook nummer 2. Maar God kijkt naar het hart. En de 7 prachtzonen van boer Jesse zijn het niet. "Heb je nog een zoon." Nee, o ja, David, de jongste. Dit is bij de schapen in het veld. Het is nog een kind. En om een lang verhaal kort te maken: het kind mag koning zijn. God ziet naar het hart. David wordt te midden van zijn broers gezalfd. De olie komt uit een hoorn. Saul werd eerder gezalfd met olie uit een kruikje. De leraren zeggen: een ruik kan breken, een hoornen oliebeker krijg je niet gauw stuk. Het koningschap van David is blijvend van aard.
God kijkt naar het hart.
Johannes heeft er als al de auteurs van het zogenoemde Nieuwe Testament grote moeite mee, dat de synagoge niet meegaat in het verhaal over de Messias Jezus. Hoe is dat mogelijk? Dit is een van de verhalen waarin Johannes dat probeert uit te leggen. Wie is Jezus volgens hem? In het begin van het verhaal is Jezus degene die de mens ziet die blind is uit geboorte, ex genetè, uit genesis. Alsof je geboren wordt met blinde ogen, van nature blind. De leerlingen beginnen dan meteen over zonde te praten. De farizeeën nemen dat later over en blijven daarbij. Zonde, zondaar, zondig mens en zondigen. Typisch is dat dit beroemde christelijke woord verder eigenlijk hoegenaamd niet voorkomt in het evangelie. Alsof Jezus andere zaken aan zijn hoofd heeft. Heeft hij dat dan? Ja, dat heeft Hij. Die mens is blind geboren opdat aan hem zichtbaar zal worden wat God doet. Wat doet God dan? Wij moeten doen wat God doet zolang het dag is, zo lang onze dagen duren, want er komt e
en nacht en dan kan niemand meer iets doen.
Wij hebben dus in het verhaal iets te doen, en wel het werk van God. In het verhaal wordt dat heel precies verbeeld. We horen God zelf die de mens vormt, klei uit de aarde, stof, met als bindmiddel God zelf. Daarmee zalft hij de ogen van de van nature blinde. Die wordt daardoor een gezalfde, een gezondene - dat betekent in het verhaal iemand die wel zal moeten gaan spreken.
We krijgen een serie dialogen. Wie ben je? Wat is er gebeurd? Wat is er gedaan? En dan kan dat niet, mag het niet. Een blindgeborene kan niet gaan zien. En Jezus kan hem niet genezen hebben, want wij weten, wij weten, wij weten. Door alles wat zij weten kunnen zij niet zien en zullen zij niet zien. Zij hoeven immers niet te kijken. Je hoeft hen niets te vertellen.
God kijkt naar het hart - zegt de eerste lezing. Zo ziet Jezus de blinde. Die is zo blind dat je geen woord van hem hoort. Hij vraagt geen wonder. Wonderen bestaan niet. Maar ongevraagd worden zijn ogen geopend, - onder de druk van de omstanders, zijn ouders en de farizeeën steeds verder - totdat de mens gewonden wordt door Jezus. Dan wordt de mens gevraagd: geloof jij in de zoon van de mens, geloof jij in de toekomst, geloof je dat het verder gaat dat leven van ons. Ja, dat zal hij wel moeten nu hij een heel ander mens geworden is, nu het werk van God in hem tot voltooiing komt.
"Ja! Ja!"Ja zeggen tegen het leven dat op je af komt, meegaan met de stem in het gebeuren. God kijkt naar het hart. Wie zo probeert te kijken wordt door Hem gevonden en als leerling in dienst genomen om zijn schepping te voltooien. Delen wij met elkaar wat God ons Geeft.


Zondag 27 maart 2011 3e zondag van de Veertig Dagen

Exodus 17, 3-7;
Johannes 4, 5-42

De lezingen brengen ons vandaag in de hete zon. De eerste zon confronteert ons met de brandende vraag in de woestijn: "Is de Heer in ons midden of is Hij dat niet!" En het valt nog te bezien of dit een vraag is. Het zou ook een uitroep kunnen zijn, een kreet van wanhoop. "Is de Heer in ons midden of is Hij dat niet!" Dat leven van ons, gaat dat nog ergens over, of is het alleen maar wanhoop en ontgoocheling, dieptreurige eenzaamheid. Want 40 jaar woestijn is geen pretje. Mozes moet water uit de rotsen slaan. Je moet het maar geloven dat er water uit de rotsen komt wanneer je op de harde steen slaat. "Is de Heer in ons midden of is Hij dat niet!" - In het boek Jozua geeft Jozua (in het grieks vertalen we Jozua met Jèsoes, Jezus) vlak voordat hij sterft zijn bijna laatste woorden: Zie, alles is gekomen! Alles is goed, zo!.
Van Jerusalem naar Galilea reist Jezus door het land van de Samaritanen. We horen het land van Jacob, de bron van Jacob waar hij uit gedronken heeft, hij en zijn kinderen en zijn kudden. Vader Jacob, vader Jacob. Vader van zoveel kinderen. Het is de hitte van de dag, het zesde uur. Twaalf uur 's middags, de zon op haar hoogst. Soli cani et germani zegt men in Rome is dan op straat, alleen honden en toeristen. Jezus is geen toerist. Die vrouw ook niet. Het zijn werelden die niet samen gaan en die elkaar tegenkomen. Geef mij te drinken? Daarmee begint en heel verhaal. Je komt midden op de dag door de brandende zon om water te putten. Je komt wanneer er geen hond op straat is. Je hoeft niemand te zien, wilt ook niemand zien. Je hoort bij niets en niemand - en dan vraagt iemand je: geef me wat te drinken. Een hand steekt zich uit naar jou.
Het water is ook een beeld van de Tora, van de woorden die ons gegeven zijn. Spraakwater. Geef mij dan van dat water, zegt ze, dan hoef ik niet meer elke dag te sjouwen en kan ik helemaal thuis blijven. Haal je man. Ik heb geen man. Dat is waar. Ik zie dat jij een profeet bent. Ik weet dat de messias komt. Als hij komt zal hij ons ALLES vertellen.
Vijf mannen heeft ze gehad. Die van nu is het niet. Verbondenheid blijkt moeilijk voor haar, bijna onmogelijk. Wanneer je niet kunt luisteren, hoe kun je dan ALLES horen. Hij zal ons ALLES vertellen - voor mij geeft ze daarmee iets van haar geheim prijs, iets van haar heimwee, van woorden waar je bij terecht kunt, waar je mee thuis kunt komen.
Zij zegt: Ik weet Heer dat de Messias komt. Het antwoord dat Jezus geeft wordt vaak vertaald met: Ik ben het, die met je spreekt. Maar daar is een probleem. Als Jezus zou zeggen: ik ben de Messias, dan zou hij zich verheffen. Dan zouden we ook zeker weten dat hij de Messias niet is. Hij kan dus nu ook niet zeggen: Ik praat met je, ik ben de Messias, Ik ben het. Er is in dit korte zinnetje dan ook iets anders aan de orde. Ik ben. "Ik ben" is in de bijbelse literatuur bijna altijd herkend als de stem van God in het brandende braambos. Als de vrouw het heeft over de Messias, verwijst Jezus haar naar de stem die het leed vertolkt dat wereld heet, de stem van de struik in de woestijn die brandt maar niet verbrandt, God die naar deze wereld kijkt, die met je spreekt.
In zijn spreken, in de woorden van de mens die dorst heeft en te drinken vraagt, gaat haar wereld open. Tot drie keer toe herhaalt zij in het verhaal: Hij heeft mij alles vertelt. En let op: hij heeft haar alles vertelt, hij vertelt haar dat wat voor haar alles is, een uitermate zeer persoonlijk alles, over iemand die je te drinken vraagt.
Als Jezus bij Johannes weet dat ALLES volbracht is zal hij zeggen: Ik heb dorst. Vanuit die honger en dorst naar mensen, die honger en dorst naar gerechtigheid, Uw wil geschiede, neemt Hij die laatste avond voor zijn leerlingen het brood. Delen wij dat met elkaar.


Jan Engelen - Sint Jan de Doper, Amsterdam.


zondag 13 maart 2011
1e zondag van de Veertig Dagen
Genesis 2,7 - 3, 7
Matteüs 4, 1 - 11

Het is natuurlijk ondenkbaar de tekst uit Genesis zo verminkt te lezen als het leesroosteraangeeft. Gen 2,7 tot 3,7 nog maar eens opnieuw weergegeven.

Genesis 2,7-3,7

God vormt de adáam/mens - stof uit de akker -
En hij blaast hem in zijn neus de adem van het leven
En de mens wordt een levende ziel.
En de Heer God plant een tuin in Eden in het Oosten
En daar geeft hij de mens die hij gevormd heeft een plek.
En de Heer God laat groeien uit de adamáh/akker allerlei bomen
Verrukkelijk om te zien en goed om van te eten,
En de boom van leven midden in de tuin en de boom van de kennis van goed en kwaad.


En de Heer God neemt adáam/de mens en zet hem neer in de tuin van Eden
Om die te bewerken en die te bewaren.
En de Heer God gebiedt adáam/de mens.
Hij zegt: van iedere boom in de tuin mag je naar hartenlust eten
Maar van de boom van de kennis van goed en kwaad mag je niet eten.
Op de dag dat je daarvan eet zul je zeker sterven.


En de Heer God zegt:
Het is niet goed dat de adáam/mens alleen is.
Ik zal hem een hulp maken hem tegenover.
En God maakt uit de adamáh/akker alle dieren van het veld,
Alle vogels van de hemel
En die brengt hij naar adáam/de mens om te zien hoe hij ze zou noemen
En de naam die de mens de levende wezens riep, zo zou hun roepnaam zijn.
En de adáam/mens roept namen naar alle dieren,
Maar voor zichzelf vindt hij geen hulp, hem tegenover.
Dan laat de Heer God een diepe slaap vallen op de adáam/mens
En hij neemt en van zijn ribben
En die plaats sluit hij met vlees.
En de Heer God bouwt de rib die hij van de adaam/mens genomen heeft tot een isjah/vrouw.
En de adaam/mens zegt: deze keer - been van mijn been, vlees van mijn vlees
En dit zal geroepen worden isjah/vrouw, want zij is uit isj/man.
Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten
Om zich te binden aan zijn vrouw.
Eén vlees zullen zij zijn.
En ze zijn beiden aroemiem/naakt,
De mens en zijn vrouw
En zij schamen zich niet voor elkaar.


En de slang is aroem/slim boven elk dier van het veld dat de Heer God gemaakt had.
Hij zegt tegen de vrouw:
God heeft toch gezegd dat je van geen enkele boom van de tuin mag eten!

De vrouw zegt de slang:
Van de vrucht van de bomen in de tuin mogen wij eten,
Maar de vrucht van de boom uit het midden van de tuin mag je niet eten
En die mag je niet aanraken want anders zul je sterven.

En de slang zegt:
Sterven zul je zeker niet.
Maar God weet:
op de dag dat je daarvan eet zullen je ogen open gaan.
Je wordt als God wordt en weet van goed en kwaad.

En de vrouw ziet (zie haar zien, in stijgende lijn)
dat de boom goed is om van te eten,
dat hij een vreugde is voor de ogen,
dat hij begerendswaardig is om wijs van te worden.
En zij neemt van zijn vrucht
En zij eet
En zij geeft het ook aan haar man die bij haar is
en hij eet.
En hun ogen gaan open (van aroem/slim naar aroemm/naakt)
En ze weten dat ze aroemmiem/naakt zijn
En vijgenbladeren hechten ze aaneen om schorten voor zichzelf te maken.

 


De eerste lezing bestaat vandaag uit twee stukjes. Ik durf bijna niet te zeggen wat de samenstellers weggelaten hebben. Dat is het eerste verhaal over isjah, de vrouw. Dat heb ik dus maar hersteld. Graag een compleet verhaal. Graag wat meer oog voor het origineel.

Waar gaat het over? Je bent geneigd om te zeggen dat het gaat over Adam en Eva, dat wereldberoemde beroemde verhaal. Een verhaal dat iedereen kent en dat dus helaas nauwelijks nog geproefd wordt. Want wat weet iedereen? Het gaat er toch over dat de eerste mensen de zaak verprutst hebben. Wij zitten met de gebakken peren of op de bramen en voelen de dorens.
Iedereen weet dat dit het scheppingsverhaal is. Veel mensen willen dat verhaal niet meer. Ze vinden het een beetje het domme begin van de wereld en van de mensheid als stukje van die wereld. Die mensheid valt ook tegelijk uit die wereld, en schiet omhoog. Maar dat is toch in feite iets wat het verhaal niet wil vertellen. Het verhaal vertelt met liefde, tederheid en verbijstering het verhaal dat het te vertellen heeft. Het opzien barende is: het is niet goed dat de mens alleen is. De vrouw die dan in het verhaal komt maakt, dat alles anders wordt. Naast alleen bestaat voortaan ook samen - daarmee blijf alleen wel alleen, maar er komt daarnaast ook iets nieuws, iets van samen. En het verhaal vertelt dat prachtig.

God boetseert de adáam/mens uit de adamáh/de akker, de aard-ige op de aarde, de akker-ling op de akker. Want is een mens niet verknocht aan zijn aarde, ben je niet op een of andere manier één met je plek. Ik liep onlangs in het AMC langs de kamer waar ik indertijd doodziek lag. Ik voelde me aangetrokken en afgestoten. Dáár was ik toen, bijna vier jaar geleden.
En wat als je geen grond meer onder je voeten hebt! Grond om te bewerken en te bewaren. Moet je zien hoe we dat gedaan hebben en doen, hoe we die aarde bewerkt hebben, de grond gebeukt, gevormd, bebouwd, versteend, verstaald, verhout. Zo mooi als dat alles is of kan zijn - voor die mens in die wereld is er één eigenaardigheid. Je komt wel uit die wereld, maar je houdt op een stukje van de wereld te zijn. Je groeit er los van en je komt jezelf tegen, moederziel alleen, overgeleverd aan de aarde, aan de sterren aan de dromen, aan de hoop en de wanhoop. Dat allemaal speelt al uitgebreid wanneer Adáam/mens in het verhaal opeens God hoort denken: het is niet goed dat de mens alleen is. Voor adáam/mens betekent dat het spitsen van zijn oren. Die absolute eenzaamheid hoeft blijkbaar niet. Zou het dan anders kunnen? Dat kan hij zich niet voorstellen.

God gaat daarop in het verhaal druk aan het werk: olifanten, zeeleeuwen, muggen, mieren, de hele beestenboel een biologieboek, een encyclopedie vol. Het houdt niet op. Bijna trots paradeert de hele schepping als dierentuin langs Adáam en die begint van de weeromstuit al die beesten en beesjes namen te geven. En God entoesiast: zo heten ze! Een olifant is een olifant omdat een mens hem of haar zo noemt. Maar!

Maar voor zichzelf vindt hij geen hulp hem tegenover! Heel die dierentuin, heel die wereld maakt tegelijk duidelijk dat deze Adáam/mens moederziel alleen is. (En we weten intussen wel dat veel agressie voortkomt uit alleen-zijn, achtergelaten zijn, in de steek gelaten. Het verhaal wordt in Genesis verteld om ons nu al, en straks weer, duidelijk te maken dat Abraham de eerste is die doet alsof hij niet alleen is - daarover volgende week!)

Voor Adaam de mens is één zaak volstrekt helder: hij mist wat er voor hem toe zou kunnen doen, hij mist ogen die hem werkelijk zien en hij weet dat nog niet, hij mist een stem die hem hoort en hij heeft daar nog geen weet van. Alleen de pijn van het missen terwijl je niet wat je mist of dat je mist. Pas tegen de achtergrond van dat gemis komt de andere mens in het verhaal, een echt andere mens. Zeer vertrouwd en volstrekt anders. En omdat zíj vrouw heet (Iesjah) gaat hij man (Iesj) heten. Pas veel later krijgt zij de naam Chawwah, Eva, moeder van de levenden.
Adam werd gevormd, gekleid, geboetseerd. De vrouw wordt gebouwd. Bij vormen zoeken de handen nog naar wat het worden gaat, bij bouwen hoort een plan. Het zijn verschillende werkwoorden. Bouwen, in het hebreeuws banah. Daarvan is afgeleid Beth (Bethlehem) huis, en Bath, dochter, Ben, zoon. Zij die zelf gebouwd is staat voor een wereld van huis en haard met plaats voor de generaties die komen gaan. Van begin af aan gericht op het heden en de toekomst.
Zij is been van mijn been, vlees van mijn vlees - even sterk en even hard, onbuigzaam en betrouwbaar, en even kwetsbaar, zwak en nauwelijks aanwezig, door en door gevoelig.

Ik kan niet op alles ingaan maar kom tot de kern. Man en vrouw, niet meer alleen, een eenheid. Wat het betekent weten ze nog niet. Daar is nog geen ervaring over. Maar wat het ook betekenen moge, U hoort over een eenheid van verschillen, en hetzelfde zijn - een eenheid. Hoe gaan zij zich als eenheid in dit verhaal gedragen? Om een gevoelig verhaal kort te maken: zij doen samen alsof zij alleen zijn, alsof zij kunnen doen en laten wat ze willen, alsof hen niets gezegd is, alsof God voor hen niets is, geen woord, geen warmte, geen vertrouwen. Strakjes zal Cain doen alsof zijn broer naast hem lucht is, ijdel, abel. En de aarde wordt rood. Het is tussen haakjes overigens niet de schuld van de vrouw. Hij heeft die opdracht gekregen en hij heeft niet geluisterd, heeft gedaan alsof hij alleen was.

Matteüs vertelt in zijn evangelie hoe Jezus beproefd wordt, getoetst wordt. Toetsen, tot klinken brengen. Het wordt een gevecht met de tegenspeler in drie rondes. Tot klinken gebracht laat Jezus drie keer horen dat voor hem de boeken open gaan: de mens leeft niet van en voor brood alleen, je zult God niet op de proef stellen. Je zult de Heer je God aanbidden en hem alleen dienen. Geen slavendienst maar eredienst.

Jezus citeert het boek Deuteronomium drie keer - dat boek waar we het de vorige week over hadden, nog eens de Tora, nog eens het hele verhaal over God en zijn mensen, over slavernij en bevrijding, een levenslang zoeken, onderweg door 40 jaar woestijn.
Matteüs vertelt hoe Jezus, hier nog steeds aan hert begin van het evangelie, zijn kaarten op tafel legt, zich in de kaarten laat kijken. Hij zal gaan voor de woorden en de verhalen die ons toevertrouwd zijn, over God die als een vader voor de mensen wil zijn, als iemand die ons opricht en toerust om te werken een aan wereld waarin een mens een plek kan vinden, waar je kunt zien dat het leven goed is, om de tuin te bewerken en te bewaren.

Afgelopen woensdag waren we hier om samen een begin te maken aan de veertig dagen om ons voor te bereiden op Pasen, om weer te leren hoe dat gaat, gaan in zijn spoor, hem achterna, om leerling te worden van zijn verhaal. Want het is niet goed om te doen alsof je alleen bent.
Strekken wij onze handen uit, wensen wij elkaar zijn vrede toe en delen wij met hem zijn leven dat hij ons schenkt
En moge God met ons zijn.

Jan Engelen
Sint Jan de Doper, Amsterdam

 


zondag 06 maart 2011
Parochie Sint Jan de Doper, Amsterdam
9e zondag door het jaar

Deuteronomium 11,18.26-28
Matteüs 7,21-27

De musical Cats die zo'n twintig jaar geleden in Carré werd opgevoerd, wordt bevolkt door katten die zich als mensen gedragen met al hun hebbelijkheden en handigheidjes, hun wel en hun wee. Er was een deftige oude kater bij. Die heette oom Deuteronomium. U hoort wel, een naam die gezag uitstraalt. Weinig mensen herkenden in die naam het boek Deuteronomium, het vijfde bijbelboek. De eerste vijf boeken van de Bijbelse traditie de Tora. Die joodse naam is vertaald met het griekse woord nomos dat wet betekent - maar dan moet U denken aan wet van WETen, wat een mens weten mag. Die eerste vijf boeken zijn in feite de kern van het bijbelse verhaal. Het boek Genesis is de inleiding. Over Abraham, Isaak en Jacob. En dan barst de Tora echt los want dan gaat het over de slavernij die toch eigenlijk godsonmogelijk is en over een farao die niets anders wil en kan dan de mensen uitbuiten en geen leven te gunnen. We horen over God die de slaven bevrijdt. Mozes zet zich daarvoor in. We horen over slavernij en bevrijding, maar heel die lange bevrijdingsweg is een lange leerweg. Tegen mijn studenten, net 18 of 19 jaar jong zei ik: menigeen wil graag op kamers wonen, maar dan moet je wel voor jezelf gaan zorgen. Vrij van en vrij voor. Vrij zijn is een opdracht, want vrij zijn - waartoe. Hoeveel mensen zijn er niet die eigenlijk alleen maar zichzelf en anderen in de weg zitten en die aan vrijheid en bevrijding nauwelijks toekomen. Dus de reis naar het veelbelovende land wordt een levenslang leerweg. Dat is de Tora. Om van te leren.

Deuteronomium betekent in feite de tweede Wet, voor de tweede tweede keer "wat een mens weten mag". Hoezo tweede keer? In het vierde boek komt het volk aan bij de Jordaan. Bij een rivier kun je niet gewoon verder lopen. "Schipper mag ik over varen?" is een bekend nederlands lied. Daar zit die mooie regel in "moet ik dan geen cent betalen?" het antwoord is; "Ja". "Wat dan?" Wat moet je doen om aan de overkant te komen, om goed aan de overkant te komen? Met de Tora in de hand kom je aan de overkant. Voordat het volk het land zal binnentrekken moet je eerst weten waar het over gaat, waar het om begonnen is.

Deuteronomium is een herhalingscursus voor mensen die naar de overkant willen. Vandaag zijn we bij een van de belangrijke teksten in Deuteronomium. Mozes zegt tegen zijn mensen: prent de woorden die je gegeven zijn in je hart en in je ziel. Want zonder die woorden heb je eigenlijk niets en ben je eigenlijk niets en nergens. Bindt die woorden aan je voorhoofd en op je hand - zodat je door die woorden heen kunt zien, denken en voelen en zodat je hand, je doen onder de leiding van die woorden staat. Reken maar dat Jezus deze woorden kent en dat hij er zijn leven op inzet. Die woorden. Het Woord van de Vader!

Interessant is ook: bindt ze op jouw hoofd en op jouw hand. Het gaat niet over iets waar ja anderen toe moet of mag verplichten. Het gebod, de opdracht geldt jou. Die woorden van al zo hoge zijn voor jou zegen of vloek. Je kunt kiezen, en je moet natuurlijk kiezen voor het leven.
Interessant is misschien ook wat volgens de tekst de vloek is, op andere plaatsen de dood. Dat is achter andere goden aanlopen. Je heil ergens anders zoeken. Ik vond dat als jongetje altijd vreemd. Wie loopt er nu achter andere goden aan? wie zet zijn zinnen op afgoden? Afgoden bestaan niet! Maar hier heb ik intussen bijgeleerd. Als er iets bestaat, als iets bij ons met twee benen op de grond staat, dan zijn dat de afgoden, de zekerheden die mensen zichzelf aanpraten, waar ze alles voor doen: macht, gezag, aanzien, eer, de lachers op je hand. Zoveel dat moet en zal. Zoveel dat vast en zeker is. Allemaal goden die nergens voor staan, die nergens over gaan en die jij niet kent, die jou niet kennen. Kies voor het leven, kies voor de zegen, voor verder gaan, op weg.
Slotopmerking over deze tekst: Voor Deuteronomium geldt wat voor ieder goed boek geldt: wanneer je het leest is het heden. Ik bedoel: als wij vandaag horen dat je moet kiezen dan horen we niet dat de mensen, lang geleden, in de woestijn, moesten kiezen, maar dat wij vandaag moeten kiezen. Dat het heden een mogelijkheid om te kiezen is. Jij beslist, altijd nieuw. In het boek Deuteronomium staat dat met evenveel woorden: niet met onze vaderen heeft de Heer onze God een verbond gesloten maar met ons zoals wij hier heden allen in leven zijn.

Het komt dus niet aan op wat je gedaan hebt. Dat is verleden, dat is voorbij. Het komt er op aan wat je doet en wat je gaat doen. Matteüs sluit daar op aan. Jezus sluit daar op aan.
Het gaat er niet over, vroom te blaten: "Heer, Heer". Want wat zijn woorden zonder daden? Dat is kakofonie, wanklank.
Je woorden zijn allen maar vroom wanneer ze getuigen van toewijding voor de zaak, in dit geval: toewijding aan de zaak van de Heer. Profeteren, duivels uitdrijven en wonderen verrichten - het lijkt er op dat Matteüs zegt, dat Jezus zegt: "Dat is geen kunst". Dat is geen vroomheid. Het gaat er om te doen wat God wil - denk aan de bevrijding van slaven, mensen helpen op te staan en zelf te gaan staan - wat Hem een plezier doet en waar Hij zich voor inzet: de bevrijding van mensen.
Als je deze woorden van mij hoort, zegt Jezus, dan ben je iemand die zijn huis op een steenrots neerzet. De regen kan jammeren en de storm kan fluiten en beuken om je huis, maar je huis blijft rotsvast staan. Met andere woorden: wanneer je met God in zee gaat dan neem je geen verzekering mee voor een rustig en kalm bestaan. Het kan en zal te keer gaan. Maar ga gewoon rustig verder. Als God achter je staat kun je verder gaan, kun je je weg, je levensweg verkennen, wikken en wegen en zoeken, proberen ook - te bouwen aan dat wonderlijke koningrijk Gods, dat koningschap dat van vrede gebouwd is.

Wij vieren vandaag de eucharistie. Wij herhalen de woorden die ons gegeven zijn. Deze vertrouwde woorden maken ons tot tijdgenoot van Jezus en zijn leerlingen. Wij horen de woorden en strekken onze hand uit, om te ontvangen en om vrede door te geven.
Moge God met ons zijn.


Zondag 27 februari 2011
8e zondag door het jaar
Jesaja 49,14-15
Matteüs 6,26-34

Zal ik vandaag zeggen wat ik er van vind, van die eerste lezing van Jesaja?
Op zich is dat een eigenaardige vraag. Al een jaar of vier mag ik van deze plaats meedenken met onze geloofsgemeenschap en iets zeggen over wat we inde lezingen gehoord hebben, maar nog nooit heb ik jullie gevraagd: "Mag ik vandaag,zal ik vandaag zeggen wat ik er van vind?" Blijkbaar is er iets ongewoons in deze lezing dat ik nu met deze vraag kom. Wat heb ik dan met deze tekst, dat ik daar toestanden over maak? Waarom zo, bijna opstandig? Zo erg is het toch niet? De korte eerste lezing is toch eigenlijk een mooie tekst, een lieve tekst ook. Waarom maak ik me druk over "Kan een vrouw haar zuigeling vergeten?" Wat heb ik tegen dat beeld, tegen de intimiteit van een moeder die volstrekt een is met het kind dat al die maanden al ín haar schoot nu op haar schoot ligt en zich voedt aan de warmte die over hem of haar heen komt? Wat kan ik tegen dit beeld hebben?
Niets natuurlijk. Helemaal niets. Ik vind het feit dat dit oerbeeld, een moeder en haar zogend kind, hier gebruikt wordt heel mooi. Het overtuigt me ook, maar - tegelijk doet het mij pijn. Waarom doet het mij pijn?
Ik heb niets tegen dit beeld, integendeel. Ik had een lieve moeder. Bang, ongerustig, de oorlogstijd volop, 1942. Tien minuten na mijn geboorte viel er een brandbom in het bovenvertrek waarin ik geboren werd, twee meter van mijn wiegje af. Er zaten twee muren tussen. Ik ben er goed vanaf gekomen.
En dan die moeder die kijkt naar haar kind - zo'n vreemd wezentje dat je niet kent, helemaal van jouw en helemaal vreemd, en je voelt je zo onhandig… Ik heb niets tegen dit beeld. Maar ik vind het ook eigenlijk gemeen dat Jesaja dit gebruikt. Waarom gemeen? Kijk naar de eerste regel van de lezing.
Sion zegt - dus Jerusalem zegt, zelfs, de mens zegt. Iemand zegt. "De Heer heeft mij verlaten, mijn God heeft mij vergeten! Ik hoop dat U dat goed gehoord hebt. Hier is iemand aan het woord die weet van God, van zekerheid, van geborgen zijn. Die weet van hoe het vroeger ooit geweest is, maar die nu in een volstrekt andere situatie leeft. De Heer heeft mij verlaten, mijn God heeft mij vergeten. Zo rond die jaren zeventig heb ik dat eens gezegd tegen iemand die mij lief was: ik voel mij van God en mens verlaten. Die ander zei:"Wat erg. Wat moet je dan eenzaam zijn! Als zelfs God je verlaten heeft, als je nergens meer terecht kunt!" En ik schrok er van, dat die ander het zo goed begrepen had. Want het was in die tijd al heel lang, moeilijk voor me.

In de tekst zegt Jesaja: De heer heeft mij verlaten … mijn God heeft mij vergeten. Die tekst is volstrekt te begrijpen. Die woorden zijn bijna hedendaags, - 2 ½ duizend jaar oud en volstrekt hedendaags. God heeft mij verlaten. Mijn God mijn God, waarom heb je mij verlaten. Dat begrijp ik wel, dat herken ik ook. Maar hoe gemeen is het om daar tegenover te stellen: Kan een vrouw haar zuigeling vergeten? Zou een moeder zich niet ontfermen over het kind van haar schoot. En ook al zou een moeder haar kind vergeten, nee, ik vergeet je nooit.
Moderne hulpverleners zouden deze tekst afwijzen. Tegenover die verlatenheid kun je niet de puurste intimiteit stellen. Er is een pijnlijk probleem en dan moet je niet zeggen: Jij hebt het helemaal niet begrepen. Met zo'n antwoord help je niemand die deze pijn heeft, die weet dat God hem verlaten heeft. Mijn God heeft mij vergeten.

Met lege handen komen we dus aan bij het evangelie. Jesaja heeft ons goed begrepen maar zijn begrip laat ons in de kou staan, nog erger: zet ons in de kou. Wij zouden er niets van begrepen hebben, van die moeder en haar kind, van God en zijn mensen. Ons verdriet, onze rouw, is nergens op gebaseerd.

Als wij er zo weinig van begrijpen, wat wil dan het evangelie met ons?

Niemand kan twee heren dienen: hij zal de een haten en de ander liefhebben, ofwel de een aanhangen en de ander verachten.
Ben ik in mijn wanhoop dan een heer aan het dienen? Als ik er niets meer van geloof, ben ik dan toch een gelovige? Ja, daar lijkt het op. Het is jammer, dat wij van de mammon het geld hebben gemaakt. De mammon dienen betekent bij ons: gaan voor het geld. Maar mammon , u merkt dat daar dezelfde letters in staan als in een ander hebreeeuws woord dat we goed kennen: mammon/ amen. De mammon is waar je ja en amen tegen zegt.
Wij worden regelmatig een en weer geslingerd tussen ja en amen zeggen en ja en amen zeggen. Bij ons zijn de zaken vaak zo definitief. Er zijn zoveel mensen die "het" niets meer zegt. Wat zou je dan nog kunnen verwachten terwijl je "ja en amen" zou willen zeggen om het leven te be-amen. Maar U begrijpt wel: "Het zegt mij niets meer" is een drastische en duidelijke verklaring. Met al die nare, schandelijke en eigenlijk ook domme problemen die de kerk in de actualiteit heeft - je kunt je daarvan af maken door duidelijk te zeggen: "Het zegt eigenlijk niets meer." Maar niets en alles zijn grote woorden. Niets en alles zijn eigenlijk woorden waarna je niets meer hoeft, dan is het wel duidelijk en hoef je niets meer. Maar is het wel zo duidelijk? Is het niet allemaal veel gecompliceerder dan je vermoedt? Is er niet veel meer aan de hand dan wij begrijpen kunnen? Dan wij ooit begrijpen kunnen?

Dan wordt het evangelie ontroerend simpel. Matteüs voert nieuwe leraren op: de vogels, de bloemen in het veld. Niet alleen: van de natuur kun je leren. Maar volgens Matteüs is Jezus daar ook van aan het leren. Alsof een soort heilige onverschilligheid tegelijk een heilige deugd is. Probeer eens bij de dag te leven. Ergens anders leef je niet. En als je pijn voelt, voel die pijn, iets anders leef je niet. Maar als je een glimlach ziet, voel die glimlach, want iets anders leef je niet.

Tegenover de moeder van Jesaja - God als moeder - krijgen we ook God als vader. Ook daar is vertrouwdheid. Jezus leert zichzelf dat God als een vader is die weet wat je nodig hebt. De hemel bovenons hoofd is ook een koepel van genegenheid en ruimte.
Zoek de manier waarop God koning is: vrijheid en bevrijding, en leer te vertrouwen in je leven, ook als je er niets van begrijpt.
Dat is het brood dat ons vandaag geboden wordt, het geheim dat we delen bij de tafel van het laatste avondmaal. Hij geeft zich aan ons opdat wij in Hem Gods vrede moge vinden.
Moge dat zo zijn.


6 februari 2011 St. Jan de Doperkerk Amsterdam


50 jaar Kees en Sippie Melchers-van der Hoff


Er zijn heel wat manieren waarop mensen samen gaan. Dat begint al jong. Kinderen spelen dan schooltje of winkeltje en ze doen dat net echt. Want als je iets speelt gelden er regels en daar moet je je aan houden.
Ook volwassenen trekken op vele manieren met elkaar op. En sommige van die manieren hebben een vaste plek gekregen in ons taalgebruik. Als je bij voorbeeld zegt: "Die zijn 50 jaar getrouwd", dan vraagt niemand: "Wat bedoel je." Iedereen weet bij zo'n uitspraak wat je bedoelt en wat het betekent. Maar de grap is, of het eigenaardige, dat eigenlijk niemand weet wat dat is, "Vijftig jaar getrouwd".
We weten al niet wat een jaar is. Dat is tegenwoordig ook al om voordat het begonnen is lijkt het. We zitten in de tweede maand van het jaar 2011. Het gaat zo vlug. Maar we weten ook dat een jaar heel veel dagen is, veel dagen met wind, met regen, met zon ook, met licht en "weer een nieuwe dag". En vijftig jaar geleden hebben twee jonge mensen een boompje geplant dat nu al 50 jaarringen heeft. Vijftig keer al die dagen. Kijk op de foto's op de omslag van het boekje. Kees en Sippie zien er nog steeds jong uit, maar vroeger waren ze toch op een of andere wijze nog jonger. Vijftig jaar getrouwd en we weten niet wat het betekent. Vijftig keer al die dagen, elke dag weer.
En dan getrouwd zijn. Er zijn zoveel mensen getrouwd. Er zijn zoveel mensen die het leven met elkaar, en "dat samen" met anderen delen. Want als getrouwden leef je ook met elkaars familie, met je vrienden, met al je mensen om je heen tot zelfs een kerk vol - zoals vandaag. En voor al die mensen betekent dat contact, getrouwd zijn, weer iets anders.

Gisteren stond ik voor mijn boekenrek. Ik pakte een boek er uit en hoorde zachtjes iets ploffen. Er bleek een boek met een harde kaft gevallen. Het heet: "Overgeleverd aan de toekomst". Leuke titel. Overgeleverd aan de toekomst. Jullie hebben elkaar 50 jaar geleden aangekeken. Je wist niet wat er van kwam maar jullie hadden er alle vertrouwen in - wat dat vertrouwen ook moge betekenen - jullie hadden er alle vertrouwen in en wilden dat de toekomst jullie samen zou overvallen. Al vijftig jaar heb je dat gedaan, samen. Is dat een prestatie? Heb je dat toch maar mooi effe gedaan? Heeft jullie Friese nuchterheid (waar je best een beetje trots op bent) dat gedaan. Hoe kan het? Vijftig jaar en nog steeds niet op elkaar uitgekeken? Hoe kan het? Het is allemaal niet vanzelf gedaan. Vijftig jaar ben je vaak druk samen bezig geweest dat leven vorm te geven. Je hebt je gegeven aan de tijd en aan elkaar, aan de mensen om je heen, aan je kinderen die geboren werden en zijn gaan groeien als kolen en aan de kleinkinderen die er tot ieders vreugde zijn en ook echte mensen worden. Maar 50 jaar! Hoe kan dat? Wat is dat?
Om het even vlug te zeggen: dat weten jullie niet en dat weten wij niet. Dat onttrekt zich aan ons bevattingsvermogen. Het gaat ook over woorden en ervaringen die steeds op ons voor liggen. Elke dag leren wat het zou kunnen betekenen en elke dag blijkt het zo goed als nieuw te zijn. Daarom heet in onze traditie het huwelijk ook een sacrament. Het is een geheim, een teken van Godsontmoeting dat de betrokkenen aan elkaar geven. En wij weten: wanneer het in de bijbel gaat over bruidegom en bruid dan spreekt het Goede Boek vaak over God en het volk, God en zijn mensen. Een verhaal over man en vrouw vertelt een groter verhaal, vertelt over een grotere intimiteit dan alleen die van twee mensen. Wij zijn zelfs allemaal het gevolg van dat verhaal, van mensen die om elkaar geven en daarom vruchtbaar kunnen zijn, elke dag en ook in hun kinderen.

Vijftig jaar getrouwd is een groot geheim. In 1961 zijn jullie echt begonnen. 1961. Ik heb tegenwoordig de neiging om te denken: "Waren er toen al auto's?" Achttienjarigen op de PABO gingen mij steeds meer aankijken alsof ik over de oertijd sprak wanneer ik het over de zestiger jaren had. Tien jaar daarvoor schreven we nog autonummers in schriften, een geniaal idee waar nu geen kind meer opkomt. Die wisselen nu internetadressen uit, of you tube. Van 1961 tot nu toe, dat is menig doos met foto's geworden. Het is maar gelukkig dat verhalen een beroep doen op ons geheugen. De hebben heel wat minder plaats nodig. Uiteindelijk ook laten verhalen foto's spreken. En die verhalen toveren dan een glimlach op je gezicht of laten je ernstig kijken, nadenkend, want je herinnert je weer je vader en je moeder en zoveel mensen die er niet meer zijn. Vijftig jaar.
Het vijftigste jaar is een soort Pinksterjaar. Vijftig is bijbels gesproken het getal van de oogst. In het hebreeuws is dat de letter N. In het hebreeuws de letter Noen. Het boek Exodus spreekt over Josjoea de zoon van Noen, de opvolger van Mozes, Jezus het kind van de Oogst. En in het nederlands is de N de eerste letter van de tweede helft van het alfabeth. Ook na 50 jaar ben je op een of andere manier steeds bij het begin, een beginneling, een amateur. De Belgen zeggen: een liefhebber.

Vijftig jaar getrouwd. Een groot geheim, en gekoesterd geheim. De koster koestert een geheim. Het begint met een S. De koster koestert een geheim. Als je het zegt hoor je al die letter S. Voor niemand is dat een geheim. Betrokken, genegen, flexibel, altijd een goed woord. Daarmee typer je niet alleen haar, maar ook hun - zo kostbaar omdat, wanneer het ons gegeven wordt, dat ook een typering van ons is. Want we weten dat we uiteindelijk daarvan leven, van goedheid, betrokkenheid, een woord op z'n tijd, een goed woord. En we zeggen en lezen bij Sint Jan: Jezus, het woord van de Vader.

Als de moeders met hun kinderen, hun zorg en hun presentie, met hun hebben en houden, hun kinderen, bij Jezus komen, dan hebben zij meer begrepen van Jezus dan zijn leerlingen. Wat willen ze? Op voorhand blijken ze al iets te weten. Hij wil hun kinderen wel aanraken. Hij zal zich met hen identificeren, zich in hen herkennen en hen in zichzelf, als kind van God, als Godsgeschenk. Maar leerlingen hebben zoals wij weten, steeds veel te leren. Zij staan op het punt dat hun meester met rust gelaten moet worden. Want zij begrijpen niet en moeten nog leren, dat kinderen zijn rust zijn, zijn thuis, zijn vrede.
Jezus breekt de beschutting die zijn leerlingen hem menen te moeten geven. Hij neemt het hen zelfs zeer kwalijk dat zij meer met hun eigen ideeën bezig zijn dan met hem en met wat hem ter harte gaat: mensen die als kinderen willen zijn, mensen voor wie de toekomst een dag wil worden, en anderen om mee te delen.

De verwachting van die vrouwen met hun kinderen vindt onderdak in zijn lichaam, zijn handen die hij op hun legt. Ik zie dat beeld voor me. Hij kijkt naar hen en zij kijken naar Hem. Het is dankbaarheid en vertrouwen, elkaar kennen en van elkaar zeker zijn. Een kinderlijk gebaar. Maar het is niet anders. Zo eenvoudig wil God met mensen omgaan.

Daarom was deze dienst voor jullie zo belangrijk. Al maanden geleden werd er over gedacht en gesproken. Voor jullie is het belangrijk dat we deze dag samen gedenken om te denken en te danken.
In de schaduw van het Laatste Avondmaal vieren wij dat God zichzelf aan mensen geeft en dat wij onszelf op een of andere manier aan Hem toevertrouwen - als kinderen die Hij aanraakt. Het is deze tederheid, dit prille - dit eeuwenoude altijd jonge waarin de Messias, Jezus Christus, zich aan ons geeft.
Proficiat, jullie beiden. Proficiat kinderen en grote kleinkinderen. Proficiat, familie en vrienden, proficiat onze kerkgemeenschap van Sint Jan hier. Proficiat, moge het je goed doen, moge het een zegen voor je zijn.
En moge God met ons zijn.

Jan Engelen


Vierde zondag door het jaar Sint Jan de Doper Amsterdam
zondag 30 januari 2011

Sefanja 2, 3; 3, 12 - 13
Matteüs 5, 1 - 12a

Hij moet een verpletterende indruk hebben gemaakt op zijn vrienden, op de mannen en vrouwen die hem vergezellen. Ze weten niet wat ze horen, ze begrijpen er niets van, maar zijn woorden klinken zo onwaarschijnlijk en tegelijk zo vertrouwd, dichtbij. En dan die ramp, die onvoorstelbare treurnis wanneer ze hem in Jerusalem eerst op zijn woorden proberen te pakken - om als dat niet lukt hem na een kort schijnproces eenvoudigweg aan de kant te schuiven. En toch, ook als hij door de dood uit hun leven verdwijnt, hij blijft bij hen, en zijn woorden blijven wegen om te gaan. Het aantal leerlingen groeit en blijft maar groeien. En mensen blijven luisteren en vragen wie hij was, wat hij zei, hoe hij deed wat hij deed. Velen, ontelbaar velen blijven zich herkennen in die verhalen. Zo zijn ze opgetekend. Eerst Marcus, kort, een evangelie als een reisbericht. Verhalen die laten zien hoe het spoor van Jezus wonderlijk parallel loopt met de geschiedenis van Israël, dat lange verhaal over bevrijding en al die lotgevallen, leermomenten onderweg. Daarna komt Matteüs, de tollenaar die leerling geworden was. Hij maakt dat groter geheel meer zichtbaar, beschrijft Jezus als De Zoon van David, in Bethlehem geboren en naar Jerusalem getogen, voor ons, voor ons uit.

Dit jaar lezen we Matteüs. Dit jaar is ook een beetje uitzonderlijk jaar. Ik vertelde daar al over. Pasen valt dit jaar zo laat als maar mogelijk is. Daarom lezen we in de zondagen tussen Kerstmis en de Veertig Dagen Tijd veel teksten die we anders na Pasen zouden lezen. Vandaag heet het "de vierde zondag door het jaar". Het klinkt misschien wat vreemd, maar vandaag, in Hoofdstuk 5, begint Matteüs echt. Hij heeft verteld over heel die geschiedenis, al die namen, al die joodse verhalen waar de bijbel vol van is rond de bevrijding uit de ballingschap en de bevrijding uit het slavenhuis Egypte. Dan komen bij Matteüs de volkeren in de gestalten van de wijzen uit het Oosten. Hun geschenken maken het decor zichtbaar en lichten al een tip van de sluier op van het verhaal over Jezus dat nu beginnen gaat. Goud voor de koning, Wierook voor de Tempel, voor de Heilige zijn Naam zij geprezen, en mirre met het oog op Zijn begrafenis om hem te gedenken. We houden ons hart al vast. Begrafenis, zo vlug al! Alles moet nog beginnen! En alles begint, bij de Jordaan waar onze Sint Jan staat te dopen, waar de hemel open gaat als Jezus opstijgt uit het water. We horen: Mijn Zoon, Mijn Liefste Kind. De duivel in de woestijn kan hem niet op zijn knieën krijgen en de eerste woorden van Jezus zijn een herhaling van de spreuk van Johannes: Bekeer je want het koninkrijk Gods is nabij gekomen. Anders gezegd: keer om, het heeft zin, het kan, het is de moeite waard. Probeer om te draaien, oriënteer je opnieuw op Jerusalem, de stad van de Grote Koning, oriënteer je opnieuw naar waar het om begonnen is. Zoek de manier waarop god koning is en voel je kind aan huis bij Hem die Onze Vader is.

In een van de eerste Bijbelverhalen komen we Kaïn en Abel tegen. Het evangelie wordt ook zo'n ongelukkig verhaal over broers die elkaar naar het leven staan, als straks Jerusalem over Hem heen valt. Maar hier, nu het evangelie zoekt naar een begin, horen we over broers die elkaar niet naar het leven staan, die, als Abraham, huis en haard verlaten om op zoek te gaan wat steeds vooraf gaat aan iedere stap die we zetten, namelijk een antwoord op de vraag "hoe doe je dat, leven als mens?" ofwel, hoe kun je in alle eenvoud en oprecht, mens zijn voor Gods aangezicht en naaste zijn voor de mens die naast je leeft. Die twee broers verlaten hun vader en het schip. Pas daarna is Matteüs zover dat hij eindelijk kan gaan beginnen. De geuren van alles wat geschreven staat kringen door het huis waar hij zijn verhaal vertelt, zijn Evangelie. Jezus trekt rond, zo besluit hij, door Galilea. Hij vertelt en geneest door zijn goede verhaal over God die Onze Vader is. Zo komen we bij de berg van alle verhalen. Met zijn leerlingen en al die mensen achter hem aan beklimt hij die berg langs het meer - "stem als een zee van mensen, om ons door ons heen", heeft Oosterhuis diep bewogen gevonden als geheim dat de taal bewaart, dat mensen bewaart en helpt om mee te gaan.
Het evangelie begint. Jezus ziet de mensen aan. Eigenlijk is daar alles mee verteld. Hij is iemand die je aanziet, God die naar je kijkt, voor Wie je er bent. Hij ziet de mensen en dan gaat hij de berg op, begint zijn klim omhoog. Hij moet wel nu hij hen ziet. Een heilig moeten. Dan gaat hij zitten. Zijn leerlingen - vandaag zijn wij dat ook - komen om hem heen staan. Matteüs zegt heel precies: hij opent zijn mond. Wij krijgen nu zijn woorden te horen. Wij worden meegenomen in de woorden waar hij van overloopt. Wij krijgen de woorden te horen waar hij zijn leven voor geeft, waar hij zijn leven aan geeft nu hij de menigte die niemand tellen kan gezien heeft. We horen woorden van al zo hoge van al zo ver. Het is een tekst die wereldliteratuur geworden is, een state of the Union - een verklaring over de eenheid, over wat Hem en ons samen bindt, één maakt. We horen zalig, zalig, zalig… Zalig de armen van geest want van hen is het koningrijk der hemelen. Het betekent zoiets als wat ben je er gelukkig aan toe. Wat goed voor jou wanneer je je nergens op hoeft te beroepen, wanneer je je niet meer verdedigt, wanneer je het leven kunt nemen zoals het op je af komt, want zo begrijp je dat God koning is. Niet de farao, niet de lasten die mensen binden en klein houden, niet het grootste gelijk of de grootste mond, maar God is koning en hij garandeert je vrijheid. Dat is het eerste woord waarin Jezus zich laat kennen. Dat is ook het eerste woord dat klinkt wanneer je kijkt naar de gekruisigde. Hem kunnen ze niet klein krijgen, wat ze ook doen. God zal aan hem laten zien dat Hij koning is, dat ook voor Hem het Rijk der Hemelen is.
Zalig de zachtmoedigen, zij zullen de aarde beërven. Mozes is de eerste die uitdrukkelijk zachtmoedig genoemd wordt. Mozes is de leraar. Als je als een leraar bent zul je de aarde beërven. Als Jezus als dé leraar is, hoe beërft hij dan de aarde? Met al het vele aan wel en wee, de messiaanse beweging die met Jezus begonnen is, heeft voor een groot deel gezicht gegeven aan onze wereld. Onderwijs en zorg voor de zieken was eeuwenlang het terrein waar mensen in en rond de kerken hun beste kracht aan gaven omdat de mens ook in zijn kwetsbaarheid een godsgeschenk is en zichtbaar maakt wat God kan wanneer onze handen meegaan.
Zoeken naar de gerechtigheid, dat Gods woord waar mag zijn.
Zoeken naar de vrede, werken aan de vrede, een werk waar we altijd mee geconfronteerd worden.
En je niet laten ontmoedigen door tegenslag en vervolging. In wat jou overkomt misschien ook herkennen wat Hem overkomt. Leven is geen prentenboek maar een leerweg die je moet gaan om jezelf en je vrede te vinden.

Zalig die treuren heb ik overgeslagen. Let op de plaats waar die treurenden staan. Zalig de armen van geest want hen behoort het rijk der hemelen, zalig de treurenden want zij zullen getroost worden, zalig de zachtmoedigen wan zij zullen de aarde beërven. In deze drie regel staan de treurenden in het midden. Ze staan in de tekst letterlijk tussen hemel en aarde. Nu begrijpen we ook waarom ze treuren. Want het lijkt er zo weinig op dat hemel en aarde bij elkaar horen, aan elkaar gewaagd zijn, één zijn. Zalig die treuren want zij zullen getroost worden. Wellicht hebt u in uw geheugen fragmentjes over : de heilige geest, de helper, de trooster. Over die geest horen we wanneer Jezus gedoopt wordt. De hemel gaat open wanneer hij door de Jordaan aankomt in het land. Die geest kennen we ook uit het scheppingsverhaal: en de geest van God zweeft boven de wateren. Over alle tranen heen horen we de beloften van De Geest die Hij geven zal, de woorden die hij spreekt en die hij geeft, nu wij hier bijeen zijn om te horen wat gaschreven staat en ons te troosten met het heilig brood dat hij ons geeft, Zijn lichaam, Zijn nabijheid en betrokkenheid bij ons.
Moge dat zo zijn en moge de heilige naam van God met ons zijn in Jezus Christus, zijn lieve zoon die hij aan ons toevertrouwt.
Jan Engelen



Sefanja, door God verborgen (omdat Hij je beschut tegen het kwaad). Het is de tijd van de profeet Jeremia. Zoekt de Heer, zoekt de gerechtigheid, zoekt de ootmoed. Waar de politiek zoekt naar wat indruk maakt, naar macht, naar het heil zoeken bij wapenen bijvoorbeeld - voor de profeet zal het gaan om daden die spreken van recht, van dulden. Wat over zal blijven na de komende dagen van rampspoed (in de tekst de Assyriërs) is een klein gemaakt, arm volk, dat recht doet. De profeet weet hen te noemen. God heeft oog voor hen, dat kleine volk dat bij Hem zijn toevlucht zoekt.


Tweede zondag door het jaar Parochie Sint Jan de Doper Amsterdam
zondag 16 januari 2011

Jesaja 49, 3. 5 - 6
Johannes 1, 29 - 34

In de vierde klas van de middelbare school vertelde de leraar geschiedenisleraar ons, dat de Nazi's in 1944 of daaromtrent overwogen hebben, massa's mensen uit Nederland of uit Amsterdam en Zandvoort naar Polen te deporteren. De mensen van hier naar Polen, en Nazi-getrouwen hier, om de invasie van Engeland te kunnen opzetten. Dan zouden die Nederlanders ballingen in Polen geweest zijn. Ik weet nog dat ik me realiseerde, dat we dan alles zouden gemist hebben, dat we heel andere mensen geweest zouden zijn en dat we vol heimwee over ons land gedroomd zouden hebben. Gelukkig is dat allemaal niet doorgegaan.
Vanaf hoofdstuk 40 is het boek Jesaja geschreven vanuit de ballingschap van de mensen van Jerusalem en omgeving. Jerusalem verwoest, de tempel verwoest. Alles weg. Alleen je herinnering verbind je met vroeger toen alles nog goed was. Het bijbelse volk is heimwee volk. De herinnering houd hen op de been. Jesaja is een van de mensen die ziet dat de ballingschap niet het einde is. God zal in die verschoppelingen in Babylon laten zien wie Hij, de God van onze vaderen is en wat Hij doet.
Regel 4 is weggelaten. Daar zegt de profeet dat hij zijn oren niet geloven kan. Ik heb voor niks me afgemat, al weet ik dat God mij tegemoet komt. Maar God herhaalt dan: Jij bent niet alleen mijn dienaar om Israël op te richten, maar jij zult een licht voor de volkeren zijn. Zoals "Eer aan God in de Hoge en vrede op aarde" boven de kribe van Bethlehem hangt, zo hangt "een licht voor de volkeren"boven het evangelie van vandaag.

We gaan vrijwel naar het begin van het evangelie volgens Johannes. De lezing in ons boekje laat Johannes 1,29 beginnen met "In die tijd". Als je Johannes 1,29 opzoekt dan staat daar evenwel de volgende dag. "De volgende dag" is dus een dag die heel nadrukkelijk aansluit bij het voorafgaande. Met de tien regeltjes die aan de tekst van vandaag voorafgaan zet Johannes ín met zijn verhaal. Het gaat over het getuigenis van Johannes.
Dit is het getuigenis van Johannes toen de Joden uit Jerusalem priesters en levieten naar hem toestuurden om hem te vragen: jij, wie ben jij? Johannes zegt dan: Ik ben de Messias niet. Ik heb dat wel eens tegen een vriend gezegd die alsmaar bezig was met zijn school, met de begeleiding, met de parochie, met samenwerkingsverbanden. Ik heb hem gezegd: Gerard, denk er aan, jij bent de Messias niet. Je kunt de wereld niet verlossen en je hoeft de wereld ook niet te verlossen. Het eerste woord van Johannes kan ook ik zeggen: ik ben de Messias niet. Zij blijven dan vragen. Ze zeggen: "Wie ben je dan. Ben je Elias? Ben je de profeet?" - daarmee is Jesaja bedoeld. Ben jij, op een of andere manier heel het oude testament? Daarop zegt Sint Jan, het is onze Sint Jan de Doper, maar ook Sint Jan de evangelist want hij vertelt het verhaal, die bekende woorden: ik ben de stem van een die roept - in de woestijn moet je de weg van de Heer maken, de weg van de Heer, die Heerlijke weg, de weg naar vrijheid en bevrijding, die weg naar toekomst die daagt. Wij hebben daar zelfs een spreekwoord van gemaakt. We zeggen: Iemand is een roepende in de woestijn. Dat is dan iemand die doet wat hij kan maar het helpt niet. Niemand heeft oren voor hem in de woestijn. Maar dat allemaal bedoelt Johannes niet.
Roepen, luid en hardop zeggen, is in de bijbel een technische term voor: de Tora voorlezen, de bijbel lezen - dat moet immers steeds hardop. Je moet de woorden horen waar je mee instemt, waar je je stem aan geeft terwijl je leest.

Johannes is dus in de woestijn bezig met het Woord van God. In de woestijn, tussen het land van de slavernij en het land dat de beloften draagt, in de woestijn, bij de Jordaan, waar het land open gaat, staat Sint Jan te dopen. En hij zegt tegen die Priesters en Levieten die nu ook Farizeeën zijn, die in Jerusalem, die in het Goede Boek thuis zijn: Midden onder U staat Hij die gij niet kent. Al die mensen voor wie vroomheid en toewijding belangrijk is krijgen te horen: één van jullie, iemand die je niet kent, dat is degene die komen gaat. En dan is het de volgende dag, en begint de lezing van vandaag.
Onze oren zijn dus op steeltjes gezet. We staan op de rand van de woestijn, we staan bij de Jordaan, oog in oog met Johannes. De volgende dag.

De volgende dag ziet hij Jezus komen naar hem toe - naar hem, dus ook naar ons, want wij staan volgens het verhaal bij Johannes. We horen wie hij ziet en kijken mee. Dan zegt Johannes: Zie het lam van God dat wegneemt de zonden van de wereld. Iedere week zeggen we die woorden hier, zingen we die woorden hier. In zekere zin is dat jammer, want nu hoef je niet meer te luisteren. Dit weten we immers. Jezus is het lam van God, Agnus Dei qui tollit peccata mundi. Wij begrijpen in de regel: Hij is het lam van God dat onze zonden, die alles wat wij kwaad doen op zich neemt. Maar Johannes heeft het over zonde in het enkelvoud.

Jaren geleden, ik was nog maar nauwelijks begonnen met het bestuderen van deze verhalen, zat ik achter mijn bureau, de leeslamp aan. "Lam Gods, Lam Gods - waar komt die uitdrukking vandaan?" Je hebt boeken waar elke bijbelse uitdrukking en elk woord in staat. Ik zocht dus op lam en lam Gods. Dat had ik kunnen weten natuurlijk: Exodus 12, 3. Dat is het begin van het bijbelse hoofdverhaal, over het paaslam. Eenkele dagen voor Pasen moeten Joodse mensen een lam uitkiezen en apart zetten om het in die nacht voor de Uittocht te slachten en dat met hun kinderen en familie en vrienden te eten. Het bloed van dat lam wordt in de nacht van de eerste uittocht op de deurpost gestreken. En de zonde van de wereld die dit lam weg neemt is de zonde van de slavernij, de zonde van het ontkennen van mensen, van een mensen ontkennende samenleving..

Sint Jan staat bij de Jordaan, ziet Jezus komen en ziet daarmee dat de bevrijding op handen is, dat Jezus het lam van God is. Dus vol verwachting klopt ons hart. De hemel gaat open, de geest als een duif, daalt op Jezus neer. De Geest verbindt de hemel en de aarde. Die aarde is hier Jezus, Johannes en al die mensen, ook wij. Hij, Jezus zal ons dopen met de Heilige geest, met die goddelijke samenhang tussen hemel en aarde. De Geest: hemel en aarde zijn toch één.

Het evangelie begint nog maar net. Hoofdstuk 1 vers 29-34, de lezing van vandaag. De lens wordt scherp gezet. We zoomen in op dit tafereel: het lam van God, de Zoon van God. Gods lieve zoon aan ons gegeven opdat ons leven weer volop leven wordt, leven naar de maat van God, zoals Hij het ons toezegt. Niet meer de slavernij kleurt ons leven maar het Lam dat God ons geeft, dat in wil staan voor onze vrijheid en bevrijding, onze Je-hosoea: de Heer bevrijdt.

Delen wij de woorden die ons gegeven zijn, delen we de beloften die hij ons geeft, delen wij het brood dat hij voor ons breekt en moge God met ons zijn.

Jan Engelen


Sint Jan de Doper - Amsterdam

Doop van de Heer
zondag 9 januari 2011

Jesaja 42, 1 - 4. 6 - 7
Matteüs 3, 13 - 17


Het evangelie van Markus en het evangelie van Johannes beginnen beiden met de doop van Jezus in de Jordaan. Alleen Matteüs en Lukas laten daar zoiets als een inleiding aan voorafgaan. Het verhaal van Lukas begint hoog, bij Zacharias in de tempel in Jerusalem. Zacharias heeft zo zijn bedenkingen. Maar Johannes wordt geboren. Hij krijgt die bijzondere, opgegeven naam: Jo-channan, God is genegenheid. Intussen is Lucas al naar de aarde van de eenvoud gegaan, naar Nazareth. Daar is dat jonge meisje: Mirjam, Maria. Zij heeft oren voor woorden van al zo hoge. Dan delft de volkstelling Bethlehem, de stad van David op. Ook de herdertjes met hun schapen liggen niet alleen in het veld. Ze luisteren vol ontzag naar de woorden van al zo hoge, over eer aan God, dat wil zeggen: vrede voor en tussen mensen. Wonderlijke eenvoud, vrede die steeds huiswerk blijkt. Het kind heet Jezus. Dat is Lukas voorwoord: hoog en laag wordt bijeengebracht rond het kind dat vreedzaam slaapt of ons met verwonderende ogen aanziet, alsof we nieuwe mensen zijn.
Matteüs doet het anders.
Matteüs geeft een serie namen. U weet: een naam is de kortste samenvatting van minstens een verhaal. Al die namen zijn al die verhalen, een heel zogenoemd Oud Testament vol. In die verhalen gaat het over vastzitten en loskomen, over onderdrukking en bevrijding, over honger en dorst, over alles wat in het leven van mensen langs komt en waar we mee moeten zien te leven of waar we mee mogen leven. Het grondpatroon van die verhalen komt "na 40 jaar woestijn" uit bij de Jordaan. Vol verwachting klopt ons hart. "Schipper mag ik overvaren, ja of nee?" Slavernij en woestijn, het bijna uitzichtloze leven zal decor blijven voor alles wat er gebeuren gaat nu de wereld van het goede leven, het leven naar Gods maat, leven voor God en broer en zus voor je broer en zus zijn, naaste voor de mens die naast je leeft.
Bij al die namen, Joodse namen, joodse verhalen uit Matteüs 1 sluiten zich dan de wijzen uit het Oosten aan, vreemdelingen, uit de volkeren rondom. Ze hebben de ster gezien en komen met hun geschenken. Die ster kijkt achterom en vooruit. Dat zie je aan die geschenken. Goud voor de koning, wierook voor de tempel, voor God. Dat sluit aan bij het verleden, dat is vertrouwd. Maar mirre? Mirre werd gebruikt om doden de laatste zorg te geven. Dat moet nog verteld worden, is een waarschuwing vooraf. Matteüs vertelt nu nog over de vlucht naar Egypte en Jozef komt aan in het land Israël. Dan is alles klaar en kunnen we beginnen.
Er zijn nog mensen hier in onze kerk die alles weten over hoe het een jaar of 16 geleden gegaan is, van de oude Sint Jan naar de nieuwe, van die grote niet meer te onderhouden kerk naar deze kleine kerk die onder een kantoorflat schuil gaat. Als iets gaat beginnen is er heel wat aan vooraf gegaan.
Of: wanneer een muziekstuk of een toneelstuk gaat beginnen - het licht in de zaal gaat uit - dan is er heel wat aan vooraf gegaan. Met andere woorden: als er iets gaat beginnen is er al heel wat gebeurd. Heel het voorafgaande komt samen in dit wat nu gaat beginnen. Het licht uit. Het stokje omhoog, het gordijn open. Wat gaat er nu gebeuren? Goede vraag. Dat krijg je nu te zien en te horen. Let op: het begint. En u weet: de eerste klap is een daalder waard, ook de eerste klank, de eerste toon. De eerste zin zet alles wat komen gaat om te beginnen op de grond. Wij zijn daar getuigen van. Wij worden oog en oorgetuigen van wat nu begint.

In de voorafgaande regels - we hebben die in de Advent gelezen - is Johannes de Doper neergezet. U ziet hen hier vooraan staan, altijd geëerd met een bloem, altijd in het zonnetje gezet. Dat is zijn natuurlijk licht. Hij eet puur natuur, sprinkhanen en wilde honing. Hij staat als het ware helemaal buiten de cultuur, buiten onze wereld, op de rand van de woestijn - want bij de Jordaan houdt de woestijn op en begint het veelbelovende, alles belovende land. Johannes staat als een soort engel het paradijs te bewaken. Als je binnen wil moet je langs hem. Zijn woeste uiterlijk heeft hij mede van Elia, de grootste van de profeten, de vader van de profeten. Elia roept de koning ter verantwoording, tot verandering, tot beter leven, leven voor God en naaste voor je naaste zijn. Elia, rusteloze profeet die alle verhalen mee moet maken. Zo staat Johannes bij de Jordaan het lang verwachte land van alle verhalen te bewaken. We horen de woorden uit de eerste lezing: Zie, mijn dienaar. Hem ondersteun ik. Hij is mijn uitverkorene. Hij doet mij deugd. Mijn geest stort ik over hem uit. Hij laat gerechtigheid stralen onder de volkeren. We zien Johannes en we horen die woorden. En terwijl dat alles klinkt, over dienaar, uitverkorene, geest, gerechtigheid onder de volkeren, komt Jezus uit Galilea om door Johannes gedoopt te worden." Schipper mag ik overvaren", zei ik. "Ja", zegt Johannes, "maar dan moet je wel kopje onder en weer boven komen". Door de doop zie je af van wat natuurlijk is. Alleen vissen kunnen daar leven. (Vijf broden en twee vissen.) Voor een mens is onder water "over de dood heen" leven, verder dan allen maar natuurlijk, vegeteren, een hapje en een drankje en de schaapjes op het droge. Alleen door een zekere dood kom je tot het leven. En het is alsof Johannes zelf daar van schrikt. Zo wil Johannes niet spreken nu hij geconfronteerd wordt met het onderwerp van het evangelie. Niet ik moet jou dopen, maar jij mij. Hij begrijpt het niet en kan het ook niet begrijpen, dat evangelie dat nu open gaat. Maar Jezus zal hem bij de les brengen. Laat los. Zo past het ons alle gerechtigheid te vervullen, alle woorden te laten gebeuren.

Wij vonden het vroeger eigenlijk een beetje raar. Wij leerden: door de doop worden je zonden vergeven en wordt je kind van God. Nou, Jezus was de zoon van God en hij had geen zonden. Dus de doop van Jezus door Johannes was eigenlijk overbodig. Ja, maar als Jezus niet gedoopt wordt, dan zal boven hem de hemel niet open gaan, dan zullen we nooit de stem horen: deze is mijn zoon, de beminde, in en om Hem verheug ik mij. Zonder de doop in de Jordaan zou Jezus geen deel hebben in het verhaal van slavernij en bevrijding, zou hij nooit aankomen in het land van de beloften, zouden wij de stem van de verkondiging niet horen en zouden we niet weten waar het over gaat.

Want de doop van Jezus in de Jordaan is een soort samenvatting van heel het evangelie. Het gaat over het vervullen van de gerechtigheid. Jezus die veroordeeld wordt door de overpriesters, de schriftgeleerden, de farizeeën en heel het volk , die gedood wordt door de Romeinen, wordt uit de doden opgewekt. God ontfermt zich over Zijn Kind, Zijn Zoon. Dat is straks het grote geheim van Pasen, Pesach, als de Heer voorbij gaat. Het vervullen van de gerechtigheid.
De tekst reikt dit alles aan, heel eenvoudig, door wat het vertelt en suggereert. Ik merkte dat een keer in een les over dit verhaal. Ik maakt een gebaar bij de hemel open. Dan kun je alleen maar je handen uitstrekken. Maar als je je handen uitstrekt moet je ze ook weer bijeen brengen. En zo viel me op: op Hem gaat de hemel open, en breekt de hel los. Al die woorden gaan geschieden in het evangelie dat Matteüs voor ons opent bij de Jordaan, nu Jezus naar Johannes komt.
Al die woorden zullen aan het einde van het evangelie worden samen gevat in de eenvoud van het brood dat gebroken wordt, om alles wat gebroken is te helen in de goedheid van het verbond dat tussen de hemel en de aarde bestaat.
Laat ons verder gaan. Veel verhalen staan ons te wachten. Verhalen uit Het Goede Boek, verhalen uit ons leven van elke dag. Vatten we alles samen in het steeds weer ontroerende van zo iets eenvoudigs als brood dat je breekt en deelt als samenvatting van alles wat wij delen, ons leven, de verwachting, deze dag, dit moment vandaag. En moge God met ons zijn.
Jan Engelen


Parochie Sint Jan de Doper, Amsterdam
Heilige Familie - Zondag 26 december 2011


Jezus Sirach 3, 2 - 7, 12 - 1
Matteüs 2, 13-15. 19-23

Het belangrijkste bijbelboek in het zogenaamde Oude Testament is het boek Exodus. Binnen enkele regels is de slavernij een feit. Het eerste hoofdstuk eindigt met de opdracht om alle jongetjes die geboren worden te doden. Dan begint hoofdstuk 2: een man, een vrouw, een kind. Dat kind is goed, zoals het licht van de eerste dag goed is: licht in de duisternis. Daarmee is het verhaal van Mozes begonnen. Na drie maanden kan zij het kind niet langer verborgen houden en ze zet het kindje in een bienzen mandje op de lip van de Nijl. Zijn zusje Mirjam blijft op een afstand staan. Wie weet wat er gebeurt. Ook al was het gezin waarin Mozes geboren was geen gewoon gezin, het was toch een gewoon gezin. Want elk gezin is en heel eigen wereld. Ook al lijkenalle gezinnen op elkaar, het is evenzeer een feit dat al die gezinnen heel verschillend zijn. Maar met al die verschillen herkennen we toch iets van die verschillende tijden die in een gezin bijeen komen.
De eerste zondag na Kerstmis is in onze kerk gewijd aan het gezin. Het heet Feest van de Heilige Familie - maar dat is een germanisme. Het gaat niet over de familie, maar over het gezin, die eerste samenleving waarin wij geboren worden.

Wij kennen over het vierde gebod. Eer uw vader en uw moeder.In de bijbelse traditie is dat het vijfde woord. Het is het laatste woord van de eerste vijf die begonnen met: Ik ben de Heer die jou uit Egypte, uit het slavenhuis gehaald heb. Het tweede vijftal van de Tien Woorden is sociaal, de eerste vijf zijn religieus. Je vader en moeder zul je eren heet een religieus woord. Gij zult, eens zal de tijd aanbreken dat je … Wonderlijk en tegelijk voor de hand liggend: Zoals je van God je tijd en plaats gekregen hebt, zo heb je dat ook van je vader en moeder gekregen. Alle complicaties die er kunnen en zullen zijn doen daar niets aan af. Het is een zegen wanneer je als kind je woordjes en woorden mee mag spreken, wanneer er tijd voor je is, warmte. Jezus Sirach peinst in de eerste lezing op zijn wijze over woorden die nauwelijks te peilen zijn: vader en moeder.

De tweede lezing neemt de draad van Kerstmis weer op. Niemand waarschuwt ons en we zijn er ook niet op verdacht maar de liturgie heeft het evangelie van Lukas even dichtgemaakt. Wanneer de herders zijn weggegaan vertelt Lukas wat op de 8ste dag gebeurt, wanneer het kind zijn naam krijgt. Maar zover is het pas op Nieuwsjaarsdag. Daarom wordt het boek van Matteüs open gemaakt. Jozef wordt weer op het toneel geroepen. Een engel brengt hem, zoals al eerder, bij de les. Hij moet het kind en zijn moeder nemen en vluchten naar Egypte. Dat is in feite het einde van alle verhalen. De stad van de vrede, Jerusalem, blijkt een en al dreiging te zijn, is het gezicht van Herodes. Koning Herodes wil de pasgeboren Koning der Joden doden. Hij is doodsbang voor een kind, ziet liever doden dan levenden. De engel zegt Jozef dat hij weg moet, naar Egypte. Het slavenhuis Egypte wordt de plaats waar de vrijheid en bevrijding gekoesterd wordt. En ook kan van nu af aan verteld worden wat Hosea zegt: Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen. Over Hem gaat het, Mijn Zoon - uit het slavenhuis.

Over die reis naar Egypte en het verblijf in Egypte wordt niets verteld. Maar wij weten dat zij in feite moesten vluchten, Jozef en Jezus en Maria. Voor hen in hun jonge gezin kan de toekomst niet beginnen. Er is enkel dreiging en onrust. Het geheim dat in Bethlehem begint te ontluiken moet als de kleine Mozes verborgen worden. En angst maakt slachtoffers in Bethlehem. Egypte moet een schuilplaats zijn. Vlucht naar Egypte en blijf dat tot ik het je zeggen zal.
We zijn van Jozef gewend dat hij doet zoals hem gezegd wordt. Wat dat betreft lijken Jozef en Maria op elkaar. Wat tegen hun gezegd wordt is niet tegen dovenmansoren gezegd. Maar Matteüs, de verteller van dit verhaal geeft toch ongemerkt een klein accent. Hij vertelt niet: En Jozef vluchte, maar Ontwaakt neem hij het kind en zijn moeder in de nacht en hij wijkt uit naar Egypte. Tot halverwege het Evangelie zal dit woord uitwijken een rol spelen. Want zoals Jozef uitwijkt, zo zal Jezus straks uitwijken voor de dreiging, totdat hij aan de uiterste grens in het Noorden is en vandaar aan zijn definitieve en laatste reis zal beginnen, zijn reis naar Jerusalem.
Jozef wijkt uit omdat hem dat opgedragen is. Het evangelie nog maar net begonnen loopt gevaar. Ze blijven in Egypte tot het einde van Herodes. Maar zover is het nog niet. Ten koste van de pasgeboren kinderen van Bethlehem maakt Herodes zich sterk. In het verhaal dat wij vandaag lezen is die passage weggelaten - jammer. Wij nemen de draad weer op in regel 19.

In een droom verschijnt de engel van de Heer aan Jozef in Egypte. En weer: Neem het kind en zijn moeder en trek op naar het land Israël. Als er een trompet in de kerk zou zijn zou die nu moeten klinken: trek op - naar het land - Israël. Jozef, Jezes en Maria scharen zich bij al die mensen die Hij de God van al deze verhalen uit de slavernij van Egypte bevrijd. Naar het land Israël. Maar let op: zo dierbaar als mij het land Israël is, het gaat hier over het land Israël als het land dat God geeft. Het gaat hier ondanks de schijn van het tegendeel niet over aardrijkskunde, maar meer over de tijd die de belofte geeft. Ja. Ik wil. "Ja ik wil"-zeggen geeft je geen huis, geen gezin. Het is een uitspraak die laat horen dat je wilt gaan leven met de belofte, dat de toekomst je weg is, dat je kiest voor het perspectief van de zekere vrede.
Maar Jozef trekt niet op. Hij gaat naar, zegt Matteüs. Ik hoor daar iets aarzelends in. Hij doet het wel maar hij doet het anders. Voelt hij wat er komen gaat in het evangelie. Is hij nog steeds bang voor Jerusalem omdat het zo weinig op de belofte van Bethlehem lijkt? Hij hoort dat Archelaos koning is op de plaats waar zijn vader Herodes zat. Weer in de droom gewaarschuwd wijkt hij uit naar de grensgebieden van Galilea - ver weg van Jerusalem. Galilea, het vluchtelingenland. Velen daar komen uit Jerusalem en omgeving, vol heimwee naar het goede dat ze heb benmoeten opgeven een ruil voor een beetje leven. Zo komen ze in Nazareth terecht, Matteüs speelt daarmee: want hij zal een Nazireeër genoemd worden, een godgewijde.

Jezus van Bethlehem is Jezus van Nazareth geworden. Het is die naam die mee zal gaan tot aan het kruis toe. Vandaag gedenken wij hoe dat begon, een klein gezin, vluchtend naar Egypte, en uitwijkend naar Nazareth.
Delen wij zijn leven ons met Kerstmis gegeven en moge God met ons zijn.
Jan Engelen


Parochie Sint Jan de Doper, Amsterdam
Kerstmis - Geboorte van de Heer - 25 december 2010

zaterdag 25 december 2010
Jesaja 52, 7 - 10
Johannes 1, 1 - 18


Afgelopen maandag en dinsdag heb ik nogal wat oude mensen zien huilen. Niet omdat ze bang waren. Er was niets om bang over te zijn. Ook niet uit verdriet- al zag ik veel dat voor mijn ogen verdrietig was - maar ik ben met hun situatie niet vertrouwd. Ik was alleen maar gast. Samen met enkele anderen gingen we de afdelingen van een verzorgingshuis langs en overal zongen we een half uur kerstliedjes, vrolijke en ernstige kerstliedjes. Je zag dat het veel mensen goed deed. Maar in iedere groep zag ik ook een paar mensen huilen. De herdertjes lagen bij nachte ontroert mensen. Nu zijt wellekome laat je voelen dat het ook over jou gaat en dat je er bij hoort. Iedere keer weer zag ik licht door wolken breken. Hele oude ogen beginnen weer te stralen en lippen bewegen mee terwijl we zoals vroeger zingen over engeltjes door het luchtruim zweven en die daardoor ons weer gloria laten zingen.

Kerstmis lijkt het eerste feest te zijn dat heel de wereld aangestoken heeft. Heel de wereld weet van de stilte van deze nacht. Heel de wereld is er daardoor ook getuige van dat ons leven een geheim is. Niemand heeft het uitgevonden, niemand heeft het gepland. Het is niet zo gek wat ik afafgelopen weken hier vaker heb gezegd: het leven overvalt ons, de feesten overvallen ons, de waarheid, dat het leven een geheim is, een geschenk, overvalt ons.

Met Kerstmis komt het uitzonderlijke dichterbij. Opeens, denkend aan het kind van Betlehem, realiseren we ons weer hoe kwetsbaar het leven is, zo kwetsbaar als een klein kind. En in de eenvoud van Kerstmis denken we als vanzelf terug aan zoveel Kerstmissen die we beleefd hebben. Je bent weer kind en ziet je vader op stoelen klimmen om aan de hoogste takken ook een kerstbal te hangen. Je denkt terug aan Kerstmis met mensen die je nog steeds mist, bijna elke dag, zo lang al.
Het kind dat ons aanziet in de Kerstnacht leert ons met andere ogen naar ons eigen leven te kijken.

Jerusalem, het oude Jerusalem, bestaat uit twee heuvels naast elkaar met daartussen een dal. Beneden in het dal komen ook de dalen die van de andere kant komen bijeen. Dus drie dalen. Twee heuvels en drie dalen. Waar je ook kijkt: je moet omhoog kijken, heuvelopwaarts. En waar je het meeste uitzicht hebt, aan de noordzijde, zie je de bovenrand van de tempelmuren. Als je de woorden kent, ken je ook de melodie. Dan moet je wel zingen: hineh mah tov oemah naiem. Psalm 133, de psalm over de broederschap, begint met die woorden: hoe goed en hoe ontroerend! Hoe ontroerend op de bergen. Omhoogkijkend ontwaar je in de eerste lezing op de bergen voeten die je aan moeten spreken. De voeten van iemand die iets te melden heeft. De verteller van het goede nieuws, van het evangelie - het goede verhaal - komt er aan. Wat kan jou, hier beneden, je hoofd doen optillen? Waar wil de tekst oren voor hebben?
We horen over vrede en bevrijding, we horen de kostbare woorden die tegen het meisje Sion zeggen: Moet je horen, water ook gebeurt en hoe dan ook! Eén ding staat vast, daar kun je van op aan: er zal geen sprake zijn van een oude of nieuwe farao, maar er gebeurt iets volstrekt nieuws: jouw God is koning. Jouw God garandeert dat er van nu af aan alle plaats is voor jou. En weet dat je welkom bent. Kersttaal bij uitstek. Welkom ben je! Nu zijt wellekome. Jezus lieve Heer - maar Jezus komt beslist niet alleen.

Over de rand van de kribbe van Bethlehem kijkt het Kerstkind ons aan. Zijn kijken is nog vóór ieder woord taal bij wijze van spreken en kijken. Ogen vol vertrouwen kijken je belangeloos aan, zoals alleen een kind dat kan. Om te beginnen is er het woord. Want zonder woord zouden we niets weten, niets herkennen, niets kunnen overwegen of bespreken. Om te beginnen is er het woord, is er de helderheid van een stem die zich horen laat, zelfs wanneer er voor een microfoon niets te registreren is. Maar U kent dit spreken nog voor er woorden zijn. Zo kijken we elkaar zo vaak aan en dan weten we voldoende.
Om te beginnen is er het woord. En dat woord is het licht en dat licht is leven. De kerk laat ons deze woorden lezen op de eerste kerstdag. Dat is een beetje uit armoede. Want de teksten over Kerstmis zijn in de bijbelse literatuur nogal schaars. Dus in onze opeenstapeling van feestdagen met Kerstmis moeten we die spaarzame teksten slim doseren en niet alles in een keer opsnoepen.

Op de ochtend van de eerste Kerstdag gaat aldus het evangelie van Johannes open. Om te beginnen is er het woord, het licht, en leven.
Woord, leven, licht. Dat zijn drie woorden die het alle drie van de tijd moeten hebben. Elk woord kost hier tijd. Uit het evangelie van Johannes horen we vandaag de eerste poging van Johannes om van wat er met Jezus gebeurt een verhaal te maken, een eerste opzet. Voor Johannes is Jezus Gods woord aan ons. Dat verhaal over Gods woord blijkt een gecompliceerd verhaal, over licht dat geen been aan de grond krijgt. Over duister dat duister blijft - ook al is het duister de plaats waar het licht schijnt.
Dan komt er een getuige. Johannes is zijn naam. Hij komt om te getuigen. Hij wil ons betrekken bij waar hij zelf vol van is: dit verhaal, dat war er aan de hand is met en rond Jezus. De sleutelwoorden in deze eerste verkenning zijn niet aannemen (twee keer) en aannemen (twee keer).
Johannes kan er niet over uit dat de zijnen hem niet aan willen nemen. De zijnen, voor Johannes zijn dat de mensen die in Jerusalem thuis zijn, die zouden kunnen en moeten weten waar het over gaat wanneer het Paaslam bij de Jordaan verschijnt. Maar Johannes spreekt ook over de kinderen Gods. Die kinderen Gods zijn de mensen die woorden voor dit verhaal hebben, of die er gehoor voor hebben en die zich zeggen laten.
Wat wij allen nog uit onze jeugd kennen is: En het woord is vlees geworden. Misschien is het beter om te zeggen: En het woord wordt vlees. Want die geschiedenis van Jezus die met dit kind begonnen is, gaat door, broos en breekbaar, kwetsbaar als een kind. Iemand zei eens tegen mij: het is typisch. Als het gaat over het woord wordt vlees dan zeg jij altijd broos, breekbaar, kwetsbaar. Ik had me dat nog niet gerealiseerd. Maar het klopt. En ik vind dat ook zo. Natuurlijk is ons lichaam ook een bron van vreugde en van tederheid, maar elke pijn voelen we ook aan ons arme lijf. En elk kind is een kind van de rekening tenzij wanneer iemand zich over hem of haar ontfermt.

Wij bidden dat steeds weer: Heer ontferm U. Misschien is het vandaag de dag om daar iets over te zeggen. Het hoort zo echt bij Kerstmis, zeker als je op de bijbelse wortels van dit woord let. Ontferming is in het hebreeuws rachamiem. Daarin zit het hebreeuwse woord rechem, moederschoot. Rachamiem is het "moederschoterige". Rachamiem, ontferming , is dat wat bestaat tussen een zwangere vrouw en haar kind dat nog niet geboren is. Maar dat is maar de helft. Want zoals dat kind afhankelijk is van de moeder, zoals de moeder afhankelijk van dat kind. Heer ontferm u betekent dus: Heer, draag mij en wees er voor mij, en ik zal jou dragen en er zijn voor jou.
Wij willen ons ontfermen over het kind dat ons met Kerstmis gegeven is en wij weten zeker dat hij zich over ons ontfermt.
Zo strekt hij immers zijn hand naar ons uit. Zij reikt hij ons het brood als zijn lichaam, als degene die hij is en nemen wij hem aan, Jezus Messias, onze broeder, onze Heer.
Jan Engelen

 


Parochie Sint Jan de Doper, Amsterdam - vrijdag 24 december 2010
Kerstmis - Geboorte van de Heer - nachtmis

Jesaja 9, 1 - 3. 5 - 6
Lucas 2, 1 - 14

Kerstmis is elk jaar hetzelfde, maar toch is Kerstmis ook elk jaar anders, want wij zijn zelf elk jaar weer anders, een Jaar verder en ouder. Een kind wordt in de loop van een jaar groter en wijzer, maar op een bepaald ogenblik blijkt dat afgelopen. Op een gegeven moment hoeft een jaar verder niet meer een jaar wijzer te zijn. De ogen zijn eerder een beetje verder open gegaan. We hoeven elkaar niet uit te leggen dat 2010 een jaar van vele overvallen was, een pijnlijk jaar. Denk aan de politiek. Denk aan de conflicten in binnen en buitenland, aan de dreigingen, de rampen, de crises. En terwijl we ons verwonderen over wat er allemaal in onze wereld los zit en wat eraan vast zit is het toen plotseling gaan sneeuwen. Alles is met een deken bedekt. Plotseling en ongemerkt is Kerstmis onze wereld binnen geslopen. Een vermoeden van verlossing, van vrijheid en bevrijding kondigt zich aan. En nu, vannacht, brengt het verhaal ons op de drempel van de stal of een grot in Bethlehem. De warmte van daar, binnen in het verhaal, komt ons tegemoet. Spaarzame licht wenkt ons uitbundig toe, wil ons meenemen in zijn geheim, zijn sfeer, zijn heiligheid.

Wie zich voor het eerst buigt over de kribbe, of over de wieg van een pasgeboren kind, komt woorden te kort. Dat zachte vlees, zo vol stilte. De ogen vaak dicht. Aan een neusvleugeltje zie je een spoortje ademhaling. En als zo'n pasgeborene de ogen open maakt, ben je helemaal weerloos. Want het wonder van een nieuwe geboorte is, dat wij in zo'n klein kind eigenlijk ook weer opnieuw geboren worden, dat we opnieuw gebeuren als bloemen, als jonge mensen in de knop. Met zo goed als lege handen staan we voor het geheim dat het leven van een mens is, het geheim ook dat je eigen leven eigenlijk is.

Een pasgeborene, ook het kerstkind, laat ons zien dat wij in wezen en ten diepste een geheim zijn. Kleine mensen zonder verweer, zonder een been om op te staan. Wij proberen door ons leven te gaan terwijl het leven ons aan alle kanten overvalt. Soms slaat het je uit de koers, maakt het je bang, verdrietig, bezorgd. Soms ook voel je je wezenloos gelukkig en voel je je meer dan op je plek.

Maar hoe we ons ook voelen en gedragen bij de dagen die alsmaar verder gaan: opeens is het Kerstmis. Opeens wordt al ons doen en laten in de rede gevallen door een oude bekende, door een oud heimwee, door het verlangen naar een beetje licht, een beetje warmte, een beetje perspectief. De kerstnacht confronteert ons met het kind van Bethlehem. Terwijl wij elkaar aanzien biedt een kind in een kribbe ons leven een onverwachte wending. Intussen zingen we de liederen, luisteren we naar de verhalen, groeten we elkaar met goede wensen en zien we elkaar met misschien wel nieuwe ogen aan.

Want ik weet niet of u het gemerkt hebt, maar de eerste lezing van vandaag sluit naadloos aan op onze situatie en al de complicaties die zich daar voordoen. Het volk dat gaat … Het volk gaat altijd, dat is bekend. Maar de rabbijnen-Bijbel wil dat je na dat gaan je adem even inhoudt om nadruk te leggen op het woord dat volgt op gaan. Het volk dat gaat - in de duisternis!
Als je gaat in duisternis staat eigenlijk alles stil. Je ziet geen weg meer, weet geen raad. Elke mogelijkheid tot oriëntatie is immers met het licht verdwenen.
En terwijl je je dat realiseert hoor je meer: het volk dat gaat - in duisternis -het zal zien een groot licht. Plotseling wordt nu alles mogelijk. En vreugde wil ons overvallen als ten tijde van oogst. Zoals wanneer je je ontroering niet meer klein kunt houden en je naar adem zoekt. De last is weggevallen, de druk waar ons leven onder gebukt gaat verdwijnt. En wat is het wonder waar Jesaja van rept? Een kind! Meer is het niet, meer is er eigenlijk niet. Maar alle woorden schieten te kort voor het geloof dat Jesaja heeft in dit kind: wonderbare raadsman, goddelijke held, eeuwige vader, vorst van de vrede.

Tijdens de tussenzang wordt zonder dat wij dat veten of vermoeden, het decor grondig veranderd. Als het doek voor het Evangelie open gaat bevinden we ons buiten het kleine stadje Bethlehem. Klein: drie straten met wat huisjes en vooral veel bijna kaal land eromheen. Alleen schapen kunnen daar aan de kost komen. Je ziet dat de mensen om je heen typische kleren aan hebben, eenvoudige herderskleren. Die blijk je nu voor een ogenblik zelf ook aan te hebben. Het verhaal neemt on op in zijn plot, zijn complot.
Het verhaal wil dat we allemaal herders in het veld worden. We waken bij onze getrouwen, bij onze kudde. De schapen zijn geteld, de nacht is ingevallen. Laatste woorden klinken rond het vuur. Verder weten wij nog niets. Wij weten niets van Jozef die uit het geslacht van David is en van zijn vrouw, het meisje Maria, die hoogzwanger mee moet naar Bethlehem. Wij weten ook niet dat er voor hen geen plaats is in de herberg. Onwelkom thuis in deze koude wereld.
Wij zullen ook nooit weten van het geheim van deze nacht. In de grot of in de stal brengt Maria haar kind ter wereld. Ze wikkelt het in doeken en … waar moet dat kind dan naar toe? Ze legt het in de voerbak voor de beesten. Die zullen het kind ontzien en het als vanzelf door hun nieuwsgierige adem een beetje warmte geven. En wat zal Jozef doen in dit ongerijmde dat hem overvallen heeft? Hij regelt wat op zijn manier en zal dat best goed doen. Hij is een timmerman en een beetje timmerman weet hoe de zaken in elkaar zitten. Dat moet hij wel weten anders valt alles wat uit zijn handen komt in elkaar en dat is niet goed voor een timmerman.
Wij in de herderkleren van het verhaal van Lukas zijn intussen nog buiten beeld. Wij weten van niks. Een avond en een nacht zoals altijd weer. We hebben onze schaapjes geteld. En dan breekt de hemel open. Een volstrekt onpeilbaar figuur kondigt zich aan terwijl wij achteruit deinzen. Een bode, een engel met een verhaal van al zo hoge van al zo ver. Bestemd voor heel het volk, horen we. Alsof deze nacht een nacht voor iedereen is. Heden is jullie in de stad van David een Redder geboren, een bevrijder. En bij die ene stem voegt zich een heel koor dat van niets anders wil weten dan eer aan God in de hoge en vrede op aarde voor de mensen die hem zo lief zijn.
Dan is het weer stil. Er lijkt niets gebeurd. Een herinnering is in onze alledaagsheid binnen gedrongen. Wij kijken elkaar aan en besluiten naar Bethlehem te gaan om het woord te zien dat daar gebeurd is. Zo zijn wij hier vanavond bij elkaar gekomen onder het sterrenblinken. Je ziet buiten wel geen ster maar kijk elkaar in de ogen dan zie je de sterren en de geheimen waar wij zeker vannacht mee mogen leven. Hoe leit dit kindeke in de kou. Hoe zetten we ons allemaal in de kou wanneer we ons niet een beetje om elkaar ontfermen. Als God ons met al zijn vrede serieus neemt, voor lief neemt, is dat geen uitnodiging om weer als kinderen te worden, als kinderen van een vader, Gods kinderen, Godsgeschenken.

Nu zijt wellekome, prevelen de herders. Zij zijn daar met zijn allen, de herders, Maria, Jozef en dat pasgeboren kind, het eerste kerkje in de stad van David, het eerste kleine Jerusalem, stadje van de vrede.

Wij wensen hen in dat verhaal over die nacht in Bethlehem de vrede toe. We wensen elkaar de vrede toe, al het pretentieloze, het goede, het kleine dat we als een kind mogen ontvangen.
Alle mensen die in onze parochie actief zijn, schoonmakers, versierders, bouwers, technici, de geduldigen, kosters, ziekenbezoekers, ouders, grootouders en kinderen, de mensen die zou trouw voor alsmaar weer koffie zorgen, de zangers en organisten die voortdurend fraaie noten blijven kraken, de makers en bezorgers van De Stem, allen dank ik namens onze gemeenschap. Met zijn allen weten we dat we vannacht het geheim bewaren dat ons leven in Gods naam is. Daarover zingen we, zoeken we woorden in onze gebeden. Daarom delen we ook het brood dat ons gegeven is als voedsel onderweg. Bethlehem, huis van brood - het heilig brood dat we delen als het lichaam dat ons gegeven is.
Een gelukkig en zalig kerstfeest.


Derde zondag van de Advent
zondag 12 december 2007

Jesaja 35, 1 - 6a. 10
Mattheus 11, 2 - 11

Naar aanleiding van het Rorate Coeli.

In de kerk van mijn jeugd kwamen regelmatig paters. Eerst dacht ik dat dit willekeurig gebeurde, zo maar, maar plotseling ontdekte ik: als er iemand begraven wordt, of als er mensen gaan trouwen, dan komt er een pater uit Merkelbeek. Het waren paters Karmelieten. Die paters hadden aparte dingen. Ze hadden een soort muts op hun rug. Na de consecratie strekten die altijd hun armen uit, een gedachtenis aan de kruisdood van Jezus. En na de mis baden ze het Salve Regina. Ik was een heel vlijtig kerkjongetje. Ik moest niet maar ging graag naar de kerk. Iedere morgen. In het missaal had ik dat Salve Regina al snel gevonden. Wees gegroet koningin, moeder van barmhartigheid. Als kind begreep ik dat perfect. Maria was een lieve moeder, een hemelse koningin. Maar er zaten twee rare woorden in dat lied. Ballingen en ballingschap. Dat had voor mij met het vagevuur te maken. Want de meester had vertelt dat als je nog niet helemaal goed was, als je nog fouten had, dan werd je voor een tijdje uit de hemel verbannen. om boete te doen, en daarna mocht je naar de hemel. Tot U roepen wij, ballingen, kinderen van Eva. En het lied ging vrder me: et Jesum, benedictum fructum ventris tuae, nobis post hoc exsilium ostende: en Jezus, de gezegende vrucht van uw schoot, toon ons na deze ballingschap.

Ballingen waren mensen die verbannen waren. Dat begreep ik als klein jongetje. Die mensen waren niet waar ze zouden moeten zijn. Dat mocht niet of dat kon niet. Maar voor mij betekende het niet veel. Het was alleen een begrip. Geen gevoel of herkenning.
Als klein jongetje was ik eigenlijk volmaakt gelukkig. Ik zou ook niets begrepen hebben van die franse dichters en filosofen die zeggen la vraie vie est absente: het echte leven is afwezig, is er niet.
Ik vond godsdienst interessant, had meestal een 10 voor de katechismus. De muziek vond ik mooi, de kleuren in de kerk, de gebaren. Als de zon scheen 's morgens vroeg, dan scheen die altijd door de ramen, links en rechts boven het altaar. Warm geel en blauw.
De bijbel was voor mij een geschiedenisboek. Dat vond ik niet zo interessant. Want geschiedenis waren jaartallen en dat ging over vroeger. Vroeger was voorbij. Dat bijbel het boek is waarin mensen zich al eeuwenlang herkennen, waar ze zich in terugvinden - het boek waarin je op adem kunt komen - dat kende ik helemaal niet. Want ik had begrepen: protestanten dachten dat zij gelijk hadden en die maakten dan altijd hun bijbel open.

Pas veel later, rond 1967, werd het anders.
Ik was al 25. Ik woonde in het klooster van datzelfde Merkelbeek, studeerde er theologie. Theologische opleidingen werden gecentraliseerd. Ik werd verplaatst naar Aalsmeer om in Amsterdam theologie te gaan studeren. Op de KTHA. Zo kwam ik in De Grote Stad. Ik maakte kennis met de wereld en de cultuur die daarvoor voor mij gesloten was.
Ik herinner me nog dat ik in de Stadschouwburg een man met een klein "zoiets als een petje" op zag lopen. Ik heb aan anderen gevraagd wat dat was. Dat was "iets van Joden of zo". Een keppeltje. Kort daarna kregen we echt bijbelonderwijs van goede katholieke exegeten (Han Renckens, Ben Hemelsoet, Wim Beuken), exegeten die dicht bij het boek ophielden. Wat staat er, wat is er te lezen, hoe lees je dat? En er was ook Jehoedah Asjkenazie, een Rabbijn die ons een beetje verterouws maakte met het joodse gedachtengoed.
De bijbelse wereld ging voor mij open. En het werd mij duidelijk dat de ballingschap ongeveer de gloeiende oven was waarin het bijbelse Israël gelouterd wordt, de verlorenheid ook waarin Israël wakker wordt om uiteindelijk bij zichzelf te rade te gaan. Het was hun ervaring. "De ballingschap is onze schuld. Wij leefden in het beloofde veelbelovende land alsof het niet het veelbelovende land was." In de ballingschap wordt de synagoge geboren, worden de verhalen over vroeger geboren, verteld, uitgelegd, geraadpleegd, nagespeeld.
Het verhaal over de bevrijding uit de slavernij wordt in Babylon de grote spiegel. Zoals God ons toen bevrijd heeft, zo zal hij dat ook nu doen. De mensen gaan bij het verleden te rade omdat je daarvan kunt leren. Achterom kijken om vooruit te kunnen zien - zoiets als de spiegeltjes in en aan een auto. Zij zochten naar bevrijding, - verlossing leerden wij als kinderen. De bevrijding is: terug naar het land, terug naar Jerusalem, terug naar de echte goede koning, naar iemand als David, een zoon van David, een echte Messias. Messias in het hebreeuws, Christus in het grieks. Koning zeggen wij.
Een bijbelse koning is niet iemand met een hermelijnen manteltje en een gouden kunstpet op zijn hoofd, maar een bijbelse koning is hij die het opneemt voor de mensen, die hen opricht en troost, die alles doet en laat wat mogelijk is opdat mensen mensen kunnen zijn. Ben jij degene die komen moet of hebben wij een ander te verwachten? zucht Johannes in de gevangenis, iemand die ons opricht, die mij bevrijdt.

Al dat bijbelse heimwee van ballingen die zich verloren weten in de wirwar van de tijd waarin onzekerheid schering en inslag is, heel dat gevoel van eigenlijke radeloosheid is het grondmotief van de Advent. Het gevoel van "het wordt nooit meer wat" proberen we onder invloed van de bijbelse inspiratie om te buigen tot de bijbelse verwachting "hij komt", advent.

Misschien dit nog. In het hebreeuws kun je niet zeggen: God is, want het bijbelse werkwoord hajah/zijn bestaat niet in het hebreeuws niet in de tegenwoordige tijd. Over God kun je bijbels alleen in de verleden tijd en in de toekomstige tijd spreken. Wat wij als kinderen leerden: Gloria Patri, Eer aan de Vader, de Zoon en de Geest, zoals het was in den beginne, en nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen, bijbels gesproken klopt dat niet.
Wat wel is, is dit. Je weet nog, je herinnert je dat het goed was. En je weet: zo goed als het was, zoiets goeds zal er ook weer zijn. God komt naar ons toe, zal er zijn voor wie hem zoeken. Hij is degene die ons troost in onze ballingschap, die ons richt op de horizon van ons vermoeden. Dat allemaal kunt u terughoren in het Rorate Coeli, het lied dat we na de communie zullen zingen. Dit lied is voor ons herkenbaar als een sleutel voor de tijd.

God komt naar ons toe, Hij zal er zijn voor wie hem zoeken. In deze zekerheid ook neemt Jezus het brood, breekt hij het en deelt hij het met zijn leerlingen, zijn vrienden. Hij deelt met ons de verwachting, hij deelt zichzelf. Wij delen deze gebaren en deze verhalen. Moge God met ons zijn.


zondag 5 december 2010
Jesaja 11, 1 - 10
Matteüs 3, 1 - 12

Afgelopen week zijn we overvallen door de eerste zondag van de Advent. Overvallen, want wie had gedacht dat we intussen begonnen waren met knabbelen aan het laatste eindje van dit jaar. Nog drie keer hoesten en het is 2011, een heel jaar voorbij. In de 12e maand realiseren we ons dit meer dan ooit. Voorbij is echt voorbij. Het meeste gaat voorbij - dat besef je als de 12e maand van het jaar aanbreekt.
Afgelopen week zijn we ook overvallen door een vroegrijpe winter. We hielden er nog volstrekt geen rekening mee. Ik moest bijvoorbeeld nog een paar bollen in de grond stoppen. Maar opeens vallen die witte flintertjes uit de lucht en wordt de aarde zo maar wit. Winter is in het land. Opeens kunnen auto's niet meer zo vanzelfsprekend rijden als alle andere dagen van het jaar. Ik was zelf nog een oude boom uit de grond aan het halen in mijn tuintje. Extra graafwerk. En voor ik het me realiseer haal ik bloembollen van vorig jaar uit de grond. Diep in de grond zijn die al begonnen met de voorjaarsklim naar boven, centimeters jong groen uit kleine bolletjes terwijl de winter begint. De winter is begonnen, maar er is meer begonnen dan de winter alleen. Ook is begonnen wat komen zal daarna - absoluut zeker. Een jonge scheut is al uit aan het komen. Daarmee begint de eerste lezing van Jesaja.

Of anders gezegd.
Afgelopen week keek ik naar een opname van de eerste symfonie van Mahler. De dvd speelt. Je ziet een dirigent. Hij kijkt, richt zich op, gaat rechts staan, spreid zijn armen uit, strekt zijn handpalmen uit en buigt ze. Tilt zijn handen op en je ziet drie kleine cirkeltjes en heel zacht begint een ijle noot te klinken, net aangezet. Je hebt al 2 minuten gekeken naar iets bijzonders dat gaat beginnen - dat al begonnen is. Ik hoor niks, ik zie niks, maar het hangt in de lucht het speelt - een zachte toon waar andere noten zich tegenaan vleien.

En daar komt een rijsje, een loot, een scheut, en jong twijgje uit de stam van Jesse. Zie je hem voor je? Die oude knoestige boom, die stam waar je niets nieuws meer van verwacht, oudgeleefd, afgeleefd. Zoals je dan kijkt naar een pasgeboren kind. Iets volstrekt nieuws. De tijd staat volkomen stil. Niets meer is vanzelfsprekend.
En rusten zal op hem de geest van de Heer. De geest van de Heer - wat is dat? Waar gaat dit over? Wat wil daarmee gezegd zijn? Je moet daar bij stil, anders hoor je niet dat de tekst precies gaat uitleggen wat dit betekent.
De geest van wijsheid en van begrip, de geest van raad en van sterkte, de geest van kennis en van ontzag voor de Heer. Zijn geluk zal zijn, ontzag voor de Heer.

Het valt mij de laatste dagen op in kranten die ook belangstelling hebben voor waar de kerken mee bezig zijn. Wij zijn in Nederland rijk aan bed- en beterweters. Er zijn schrijvers die menen te weten dat God moet beantwoorden aan hun berekenende verwachting. God is voor hen een lieveheersbeesje die hoort te doen wat wij willen. Als dan God niet past in hun berekeningen, ja, jammer, maar dan bestaat Hij niet. Zo zeggen slimme mensen die wereldberoemd zijn in Nederland. Als Jezus zegt dat God onze vader is, dan moeten we dat ook meteen voelen als we het nodig hebben om "Pappa", of "vader" te roepen. Krijgen wij ons Godsbeeld niet kloppend met wat wij redelijk vinden, dan is God geen God. Hoe ver zijn we dan weg van: je gelooft het niet, er komt een jonge loot uit de oude stam van Jesse, een twijg zal opgroeien uit zijn wortels. Al onze problemen - laat ze er maar zijn, maar wat weten wij van het leven? Wat begrijpen wij van wat ons overkomt? In feite zegt Jezus: wat er ook gebeurt, God is mijn vader. Hij waakt over mij. Bij Hem voel ik me veilig, ben ik thuis. En terwijl je naar buiten kijkt: Zie, een nieuwe loot, een nieuwe scheut - iets volstrekt nieuws, ongehoord. De tijd gaat door. De tijd begint, nu pas!
Geloof je daarin? Geloof je in iets nieuws? Geloof je in: let op, de wereld gaat open, nu, het begint! De Advent is volop begonnen. Hij komt.

Er is nog zoveel te zeggen bij de tekst van Jesaja - maar we kunnen niet voorbij aan Matteüs. Zeker niet nu Matteüs het gordijn open trekt terwijl … ja, wat staat daar voor man op het toneel. Als er iemand is die voor ons, parochianen van de St. Jan de Doper vertrouwd is, dan is dat "Johannes de Doper", de rusteloze voortrekker die ieder jaar weer rond deze tijd met ons bewustzijn op de loop gaat. Weerbarstig als heel de bijbelse literatuur staat Johannes bij de Jordaan. Hij wenkt ons naar de overzijde: Keer om, het kan, het heeft zin, het is mogelijk. Want de manier waarop God koning is begint zichtbaar te worden.

Johannes nodigt ons uit om op te zien naar het veelbelovende land, om de woestijn van alsmaar ronddolend dwalen te verlaten en ons te richten naar de stad van de grote koning, naar Jerusalem, dat hemelse Jerusalem, waar God royaal ruimte geeft aan allen die met hem mee durven dromen van vrede, van geduld, van wijsheid, van "verlangen naar het goede dat ons moed geeft". Keer om, zegt Johannes oriënteer je opnieuw op de dingen die komen gaan.

De tijd van de oogst is gekomen. De grote man van de oogst, de messias, staat tussen de coulissen al gereed. Weldra zal hij in ons midden verschijnen om ons mee te nemen naar alles wat staat te geuren: recht en rechtvaardigheid, vrede. Niet de farao is koning, maar God. Niet de economie is koning, niet haantje of hennetje de voorste is koning, niet degene die de lachers op zijn of haar hand heeft, niet …, niet …, maar God is koning. Hij Wat dat ook moge betekenen: bekommert zich om ons, geeft ons ruimte en tijd.
Er bestaat een uitweg uit wat heiloos is. Keer om ga naar voor waar Jerusalem voor staat, heil, heling, vrede.

Dat alles gedenken en vieren wij hier, vandaag, met brood en wijn, om met elkaar te delen wat ons gegeven is om de woorden te gedenken die ons gegeven zijn, op hoop van zegen. Moge dat zo zijn.