Preken gehouden in de kerk van Sint Jan de Doper te Amsterdam

2009-2010 C-jaar
2010-2011 A-jaar

Reakties op deze teksten zijn altijd welkom op

janengelen#outlook.com (Vervang # door @).


 


zondag 21 november 2010
Christus Koning

2 Samuel 5,1-3
Lucas 23,35-43


Het kan U niet ontgaan zijn dat de politieke partijen, met name de partijen die nog nooit aan de macht waren, en de partijen die het nu weer even niet zijn, alweer een belangrijk politiek probleem in Nederland uit de kast hebben gehaald. Moeten wij niet toe naar een meer ceremonieel koningschap, een koning die linten knipt en de eerste vliegen opvangt? Want een koning is niet democratisch. Die is alleen maar koning omdat zijn pa en/of moe dat ook waren. Een koning is dus niet gekozen, dus niet democratisch.

U begrijpt dat ik het niet over de Nederlandse politiek wil hebben. Daar is dit niet de plaats voor. Maar het is natuurlijk wel interessant dat een koning nog steeds zo tot de verbeelding spreekt. Zelfs zozeer dat "Christus koning" uiteindelijk de afsluiting is geworden van het kerkelijk jaar.
We sluiten een jaar vaak af met gemengde gevoelens, herinneringen die we liever niet zouden hebben, met verliezen die nooit meer goed komen. Het oude jaar is dan oud en afgeleefd, en wij zijn dringend aan de vernieuwing van het nieuwe jaar toe. Maar de kerk wilde dat blijkbaar niet.
Oorspronkelijk waren de lezingen voor deze tijd van het jaar altijd teksten over het einde der tijden: alles loopt af, alles komt aan zijn einde, de wereld vergaat. Maar op een of andere manier heeft de kerk niet gekozen voor de inkeer aan het einde van een kerkelijk jaar, maar voor meer kerkelijk vuurwerk. We eindigen met een paukenslag en trompetgeschal. Ook dit afgelopen kerkelijk jaar kan geboekt worden onder de titel: ook dit jaar was Christus weer koning.

Maar het is merkwaardig gesteld met dat "Christus koning feest". In 1925 is het officieel tot feest verheven voor de laatste zondag van het kerkelijk jaar. Dat was het einde van een vroomheidsbeweging die in 1870 in Frankrijk ontstaan is. We hoeven niet diep na te denken over de betekenis die men aan dit feest, aan dit idee ook, toekende in de dagen van 1870. Nog steeds Europa in rep en roer, in staat van ontbinding. Frans Duitse oorlog. Onzekerheid, armoede die steeds meer gevoeld werd. En hoe zou het in 1925 met Europa gesteld zijn? Tegen de achtergrond van al die onzekerheid het stralende feest van Christus koning, een veilig baken in de tijd, een plek om bij uit te rusten.
Een koning spreekt tot de verbeelding. Een koning is heel wat mans en alles in zijn handen lukt. Hij haalt voor ons de kastanjes uit het vuur en verbindt onze wonden, troost ons in onze rampspoed.

Op die manier is de bijbel ook begonnen met de koning in Israël. We lazen zojuist in het tweede boek Samuel. Het eerste boek begint met Samuel, de laatste richter die het volk opricht uit zijn benardheid en hopeloosheid. Dan komen zij bij Samuel en zeggen: geef ons een koning zoals al de volkeren rondom ons een koning hebben. Als wij oorlog hebben zal hij voor ons uitgaan en de vijand verslaan. Alsof de vijand alleen maar voor of achter ons is.
Samuel is loeiwoedend - dat is niet overdreven. Hij is heel kwaad. Alsof Israël niet al een koning heeft, alsof God hen niet koninklijk uit de slavernij heeft opgehaald om hen te brengen aan het licht van vrijheid en bevrijding. God zij dank is met de bevrijding een heel nieuwe tijd aangebroken.
Bovendien, zegt Samuel, een koning gaat je veel kosten. Hij moet de beste akkers, de beste kudden, hij moet een deel van je oogst, van je brood en je wijn, van je kleding. Je zonen moeten in het leger van de koning en je dochters kunnen naar de koninklijke naaiateliers voor jurken, pakken, lintjes, franjes en andere koninklijke frutseltjes. Samuel leefde 3000 jaar geleden - er is niet veel veranderd in 3000 jaar.
Het helpt niet. Samuel moet het volk geven wat het volk vraagt. Maar zegt Samuel later: als je je niet houdt aan het verbond, als je er met de pet naar gooit dan maak je voortaan niet alleen jezelf tot slachtoffer, maar ook de koning die voor je uit gaat. De koning zal opdraaien voor jullie gedrag als het fout gaat. Persoonlijk vind ik dit een manier om iets meer te begrijpen van wat er op Golgota gebeurd is.

In de eerste lezing van vandaag komen we van de andere kant. De mensen komen bij David om te vragen of hij hun koning wil worden. Het motief is niet meer: we hebben een haantje de voorste nodig. Ze maken een heel andere aanloop. Ze zeggen: hier zijn wij, we zijn jouw vlees en bloed. Alsof ze uit zijn hout gesneden zijn. Ze herkennen hem als hun broer en zus, als hun vader en moeder. David moet hun koning zijn. Zij herkenden zich in hem, of herkenden hem in zichzelf en in elkaar.
Ik sprak deze week met een man, een jaar of 10 jonger dan ik. Hij vertelde over zijn jongere broer die enkele jaren geleden gestorven is. Hij vertelde dat zijn broer en hij een keer een schildersessie hadden gedaan. Om de beurt tekende de een en was de ander model, steeds een kwartier lang. En het was een wonderlijke ervaring: dan weer zagen ze in elkaars tekeningen hun vader, dan weer hun moeder - en dat bleef de hele tijd zo. Heel ontroerend. En het ontroerde hem nog nu hij het vertelde. Niet alleen de gezichten die op elkaar lijken, maar vooral ook de bewegingen. En als hij nu bij zijn schoonzusje kwam frappeerde het hem, hoe die kinderen tot in de kleinste bewegingen hun vader lieten zien.
Dat staat in de eerste lezing. Daarover gaat het koningschap van David. Daarover gaat ook het koningschap van Jezus. Het gewone, maar ook het beste van jezelf herkennen in de ander en daar ontroert door raken, zielsgelukkig mee zijn.

"Heden zul je met mij zijn in het paradijs." Paradijs, pardes, geheim. Het koningschap van Jezus is een geheim. Wij zien hoe hij het voor ons opneemt en hoe hij ons voorgaat, een weg wijst, genegenheid laat zien, met ons mee leeft, steeds opnieuw weer, steeds weer nieuw.
Uitgestrekte armen, uitgestoken hand. Delen wij met elkaar wat voor ons is klaargemaakt en moge God in zijn geliefd kind Jezus Christus, met ons zijn.



 

zondag 14 november 2010
33e zondag door het jaar

Maleachi 3,19-20ª
Psalm 98
Hebreeën 10,11-14.18
Lucas 21,5-19

De eerste lezing van vandaag brengt ons, christelijke lezers van de joodse bijbel, naar een wonderlijke plek. Om de tekst van vandaag te zoeken blijf je bladeren in je bijbel, tot je uitkomt bij de laatste pagina. Na de regels van vandaag komen er nog drie waar ik dadelijk iets over zal zeggen. Regels die te interessant zijn om ze over te slaan en die ook passen bij het evangelie van vandaag.

De dag gaat komen, de dag die als een oven brandt. U hoort: dit wordt beslissend. Daar is geen ontkomen aan. De arroganten en de bozen worden als stoppels op het veld in brand gezet. Geen halm, geen wortel blijft er van over. Het kwaad dat wij de wereld niet uit kunnen krijgen, althans daar lijkt het op, deze dag die als een oven brandt heeft daar geen moeite mee. Geen halm of wortel blijft er van over. Het zal er straks op lijken dat het nooit geweest is. Dat is het eerste bedrijf. Dan komt het tweede bedrijf.
Voor jullie die eerbied hebben voor mij gaat de zon van de gerechtigheid op. Met haar vleugels brengt zij genezing. U kent die afbeelding waarschijnlijk wel. Bovenaan de zon met links en rechts vleugels, adelaarsvleugels. Een beeld dat vaker gebruikt wordt. Op adelaarsvleugels droeg ik jullie door de woestijn. Voor de mensen die eerbied hebben voor God, voor wie oog heeft voor "God en wat Hij hoopt van deze wereld, voor deze wereld" gaat de zon van de gerechtigheid op.
Gerechtigheid is: het geschieden van het woord. Dan zeg je: dit is goed. Denk aan Maria: Mij geschiede naar uw woord. Wat is die gerechtigheid dan, waar moet of kun je aan denken? In feite is de bijbel één groot en lang verhaal over onderweg zijn, weg uit het niet kunnen, uit de slavernij, uit de wereld waarin mensen elkaar kleineren, uit de wereld waarin mensen leven ten koste van elkaar, naar een wereld waarin je welkom bent, waarin je begroet wordt, waar je een plaats krijg, en waar je zelf ook de anderen groet, welkom heet, en ruimte geeft om te groeien, waar toekomst als muziek in je oren klinkt. Gerechtigheid is: er zin voor krijgen dat het beter anders kan of dat anders beter zou kunnen wezen. Uiteindelijk is Gods kijken naar de wereld altijd optimistisch, altijd op hoop van zegen. Dat is toch de bedoeling van onze wereld, dat het iets wordt. Dat mensen mensen kunnen zijn. Simpel.

De laatste regels van Maleachi die we vandaag niet gelezen hebben, geven daarbij een goede uitleg, een mooi commentaar, zoiets als een methode - een metha-hodos, een weg die je samen gaat, die we delen met elkaar. Gedenk wat Mozes ons leert. Zie, ik stuur jullie de profeet Elia, om de harten van de vaderen te bekeren tot de zonen en de harten van de zonen te bekeren tot de vaderen opdat ik niet kom en het land niet tref met de ban. De volgorde vind ik hier nog altijd interessant en mededeelzaam. Wij zijn gewend aan de uitdrukking "die jeugd van tegenwoordig!" Maleachi doet dat anders. Maleachi begint met: "die oude lui van tegenwoordig". En dat is eigenlijk logisch. Als de ouderen niet het voorbeeld geven met "we moeten het beter gaan doen", van wie moeten de jongeren het dan leren?
Elia tenslotte: De evangelist Lukas voert Johannes de Doper, u kent hem wel, uitdrukkelijk op als Elia. Johannes de Doper zal ons als Elia voorbereiden op de komst van de Heer, op de dag waarop we zullen gaan zien dat de Heer en hoe de Heer onze Heer is.

Zie dat en hoe de Heer onze Heer is. Die woorden nemen ons mee naar de evangelielezing, uit Lucas 21. Als je dan weet dat in Lukas 22 het laatste avondmaal begint, dan wie u hoe ver we in hoofdstuk 21 gekomen zijn, het voorlaatste verhaal.
We zijn op het grote tempelplein - een van de wereldwonderen, de Tempel in Jerusalem. We beginnen in vers 5. Hier gaat aan vooraf het verhaal over de weduwe die haar twee laatste penningen in de offerkist gooit. Jezus zegt: zij geeft heel haar leven - zoals in het komende verhaal hij zijn leven zal geven. Heel haar leven heeft zij gegeven. Dan zijn er sommigen die zeggen: moet je kijken: die tempel, die stenen, die geschenken. Prachtig! Maar Jezus is er kort over: er zullen dagen komen dat van dit alles geen steen op de andere blijft. God die bij machte is uit de stenen voor Abraham kinderen te verwekken zal in Jerusalem geen steen op de andere meer vinden. Alles zal verwoest worden. Geen kinderen meer voor Abraham. In die verlaten stad zal Jezus toch in volstrekte solidariteit binnen trekken, als koning worden binnengehaald, al gaat het anders dan wij hadden gedacht.

Het tafereel dat dan volgt hoef ik U niet te herhalen. Oorlog en onlusten, hongersnood, pest, schikwekende dingen. En mensen worden overgeleverd. Het grote verliezen.
Als je angstvallig je leven vasthoudt, dan zul je het zeker verliezen - het zijn woorden die wij kennen. Wat zou daar nu op tegen zijn, je leven vast te houden?
Dat is een vraag om over te denken. Waarom zou je je leven niet mogen vasthouden? Je kunt je leven toch niet wegwerpen, roekeloos in gevaar brengen? Gods water over Gods akker laten lopen? Wie weet wat je krijgt?
De tekst vraagt ook niet dat we ons leven in de goot moeten werpen, denk ik. Maar als je je leven zo vasthoudt, dan kan het zijn dat je het nieuwe geen kans geeft. Ik hoorde Amerikaanse jonge vrouwen op de tv vertellen dat hun trouwdag de grootste dag van hun leven was, en ik dacht: wat treurig, als je al zo jong "je grootste dag" gehad hebt. Je verléden hoeft niet het beste deel van je leven te zijn. Dat kan ook je leven van vandaag zijn en de dagen die hopelijk nog komen.
Zolang je leeft met het woord van God komt het leven je tegemoet, komt het naar je toe. Gelovigen leven niet met de rug naar de toekomst en "vroeger was alles beter". Zie dat ook in de verkramping van onze kerk die steeds maar doet alsof "vroeger" onze toekomst is en geschiedenis achteruitgang, alsof "uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel"niet ook over de toekomst spreekt als muziek die ons tegemoet klinkt.

Als wij God plaats geven in ons leven en zo "ons leven geven" de toekomst tegemoet, dan zal, zo zegt de eerste lezing "het licht van de gerechtigheid over ons opgaan". Dan zullen wij zingen, lachen, gelukkig zijn. Dan zegt de wereld: hun God doet wonderen.
Ook als wij niet kunnen zeggen en nauwelijks of zeker niet kunnen peilen wat dat allemaal betekent, voor ons is het woord van de Heer een uitnodiging en een belofte. Daarom komen we hier, om te bidden en te zingen, de luisteren en onze hand uit te steken, omdat we mee willen gaan met de beloften die Jezus ons geeft in Jerusalem. Moge God met ons zijn.


 

zondag 7 november 2010
Heilige Willibrord

Jesaja 52, 7 - 10
Mt. 28, 16 - 20

658-739 Willibrordus. In 690 komt hij op de Nederlandse kust bij Katwijk. Hij is dan 32. De geschiedenis die daarmee begint maakt hem tot patroon van Nederland. Vandaag gedenken we dat Nederland door de inzet van Willibrord zeer gevormd en bepaald is. Hij maakt het gezicht van de Lage Landen christelijk. We zijn dan in Nederland minder kerkelijk geworden, een christelijk land zijn we nog steeds. Dat heeft met meer dingen te maken dan met kerkgang en geloofsbelijdenis. Maar dat is een onderwerp waar ik niet op inga. Onze dienst van Woord en Communie is daarvoor niet de plaats. Liever ga ik in op wat hij ons bracht, ons geloven, ons vertrouwen, ons instemmen met de woorden die we hier van week tot week meekrijgen.
_____________________________________________________________

- De verteller van het verhaal waar Jesaja vandaag vol van is, zegt met opgeheven hoofd: Zie, op de bergen, de voeten van de bode die met het goede verhaal komt. Dat hoofd moet wel opgeheven zijn want hij kijkt op naar de bergen (Denk aan Sinaï en Tempelberg). Daar komt het goede verhaal vandaan. Dat goede verhaal is: het heil, de heelheid. Het goede komt er aan. De vraag ligt dan voor de hand: Hoe zal dat heil zich dan laten zien?
Dat heil tekent zich af in het koning zijn van God. Denk aan: Uw Rijk kome. Hoe is God dan koning? Dat is een bijbels gesproken makkelijke vraag: God is niet een koning als de farao van Egypte. Die kan enkel koning zijn over de ruggen van de slaven heen. De welvaartmachine van de farao kan immers alleen maar draaien op de kosten en ten koste van mensen. Maar God is koning als (Je-hosjoea) Hij die bevrijdt.
Gods koningschap is de bezegeling van en garantie voor die uit de slavernij opgedolven bevrijding. Door slaven van de farao de vrijheid te geven en de kans te geven, op weg naar hun vrijheid te gaan, laat God zien wie Hij is, heiligt Hij zijn naam.
Ik heb er geen idee van hoe Willibrord gepreekt heeft of hoe hij sprak. Maar hij heeft ons in ieder geval de woorden doorgegeven die wij hier iedere week zeggen wanneer wij het Onze Vader bidden. Daar wil ik daar vandaag een paar woorden over zeggen.

Wij hebben allemaal geleerd wat bidden is. Bidden is spreken met God. Als je dan niet reageert merk je de verlegenheid. Want spreken met God, - wat zegt Hij dan? Een vreemd gesprek. Ik heb die formulering - spreken met God - altijd erg ongelukkig gevonden. Je vindt het ook niet in de bijbel. Maar als ik met de vraag "wat is bidden" het evangelie lees, dan kom ik bij een tekst waarin de leerlingen zeggen: "Heer, Leer ons bidden, zoals ook Johannes zijn leerlingen heeft leren bidden." Jezus zegt dan: "Als je bidt zeg dan - Vader", of "Onze vader die in de hemel zijt, enz." Wat is dan bidden? Hij zegt het vóór en wij zeggen het na. Hem laten souffleren. Bidden is: zijn woorden tot jouw woorden maken. Jouw stem geven aan zijn woorden. Instemmen met zijn woorden, met wat hij ons voor-schrijft: pro-gramma.
En U begrijpt: zijn woorden tot jouw woorden maken - dat gaat niet alleen over zijn woorden herhalen als een geluidsbandje dat je afspeelt, niet het reproduceren van fonetisch materiaal. Nee: leren zo te praten zoals hij praat, om te leren, zo te kijken zoals hij kijkt, te gaan zoals hij gaat, te doen zoals hij doet. Door in Zijn spoor te gaan, door Zijn woorden tot de onze te maken, identificeren wij ons met Hem en met waar Hij voor staat. Nu begrijpt U ook waarom wij in de eucharistieviering en in de dienst van woord en communie ons altijd eerst identificeren met zijn woorden, het Onze Vader bidden om ons dadelijk te identificeren met zijn daden, zijn lichaam dat hij ons geeft wanneer wij te communie gaan.
Het Onze Vader is in het kort zijn stem, his masters voice. Wat zeggen we dan als we deze woorden met hem met Hem zeggen, steeds weer leren van Hem?
Onze: jij en ik, en jij ook, en jij ook, en hij ook, en zij ook. Ieder die wil mag meedoen in dit "onze". En Vader: dan zouden wij broers en zussen zijn. Interessant en heel modern: Als je met je kinderen het Onze Vader bidt ben je feitelijk broers en zussen van elkaar.
Die in de hemel zijt. Als ik zeg "hemel en …", wat zegt U dan? In mijn jeugd zeiden we in ieder geval: "hemel en hel". Dat ging over een gelukt of een mislukt leven en wat er met je gebeurde na je dood. Bijbels gesproken is dat in ieder geval helemaal fout. "Hemel en …": u weet dat wel. "Om te beginnen God schept hemel en … aarde." Wie A zegt moet B zeggen. Wie hemel zegt moet aarde zeggen. Wie aarde zegt heeft net hemel gezegd. De hemel is waar God God is. De aarde is waar de mens mens is, hopelijk mens is - want zoals we weten, daar is nog wat aan te doen, daar zijn we zelf bij. Hemel en aarde. Hemel is de blauwdruk voor de aarde. Gods hand boven deze wereld, zijn hand op je hoofd. Hij zal je nooit opgeven. Ik hoorde een bevriende pastor een keer bidden: "Heer van het heelal." Na afloop van de dienst ben ik naar hem toegegaan en heb ik gezegd: Jij zegt zeker ook: Eer aan God in het heelal. Hij zei: hoezo. Simpel: Als je over heelal praat, - de bijbel kent dat woord niet, - kun je niet zeggen: Eer en God in de hoge en vrede op aarde, en kun je niet zeggen: uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel maar moet je zeggen: uw wil geschiede in het heelal. Daarna bad die pastor weer tot God, koning van hemel en aarde. Als je wilt schaken of dammen heb je witte en zwarte velden nodig, hemel en aarde. In de nederlandse vertaling zijn dit 7 woorden: Onze vader die in de hemel zijt. In het hebreeuws twee: awinoe sebasjamaiem. En we weten nu: die in de hemel zijt - dan gaan we kijken naar de aarde. Daar worden dan enkele essentiële dingen gezegd over die aarde. Moge uw Naam geheiligd worden. Moge uw Rijk komen. Moge uw wil geschieden. Gelijk in de hemel, zo ook op aarde.
Om het niet te lang te maken alleen nog over Uw naam worde geheiligd. De rest komt later.
Wat betekent: Uw naam worde geheiligd? In de bijbelse traditie spreekt men niet de naam van God uit. God of Zijn Naam mag je je niet toe-eigenen. Wanneer in een tekst de naam van God staat, dan zeggen joodse mensen als ze bidden: "Adonaj". Mijn Heer. Wij hebben dat ook als we zeggen: "Heer onze God". Of vroeger: Dominus vobiscum - moge de Heer met jullie zijn. Als je aan het studeren bent zeg je: Hasjem, de naam. (Voorbeeld Sjema) Uw naam worde geheiligd betekent dus om te beginnen: Moge God geheiligd worden. Wat is dan heiligen.
Bij heiligen denken wij aan de gipsen figuren in oude kerken met een gouden afdakje boven hun hoofd. Maar is de bijbel is heiligen geen zelfstandig naamwoord in het meervoud maar een werkwoord. Heiligen betekent: apart zetten, onderscheiden, onderkennen, om tot zijn recht te laten komen. Dus een beetje snel gezegd: Moge er oog zijn voor God, moge God tot zijn recht komen. Hoe kunnen wij God tot zijn recht laten komen? Door te kiezen voor wat zijn keuze zou zijn, door mee te gaan in zijn werk en wereld, door gediend te willen zijn van zijn vrede. Een volgende keer vertel ik meer over het onze vader. Voor vandaag laat ik het hierbij.
Denk aan: daar ben ik niet van gediend. In het onze vader zeggen we Jezus na, spreken we met zijn stem over waar Hij van gediend is. Als wij hier samen komen om te luisteren naar de Schrift en het Brood te delen dat Hij ons geeft, zijn woorden en daden, zijn lichaam, geven wij te kennen dat wij van Hem en zijn Woord gediend zijn. Moge dat zo zijn.

 


zondag 31 oktober 2010,
31e zondag door het jaar

Wijsheid 11,23-12,2
Lucas 19,1-10

Inleiding.
Kent ontroering of toewijding een grens? Waarschijnlijk niet. In de ontroering neemt iets of iemand anders het roer over en word je meegenomen. Wellicht spreekt de bijbelse traditie daarom steeds over Mozes en Aäron. Eerst de leraar, dan de priester. Toewijding moet weten waaraan zij zich toewijdt, anders gebeuren er nare dingen. Denk aan 1933. Weten, leren, kennis, wijsheid en inzicht zijn grote waarden voor mensen. Misschien nog meer: zien waar je staat, zien wat je kunt. Zacheüs zal ons daarin voorgaan vandaag.


Homilie
Een van de problemen van onze tijd is, dat we vroeger zo'n duidelijk beeld van God hadden. Denk maar aan die driehoek met dat oog daarin: God die alles ziet. Je moest op je tellen passen. God zag alles. Als een soort boekhouder volgde hij je gangen. Je goede en je kwade dingen werden opgeschreven en ooit zou er afgerekend worden. God was een soort uitvergrote koning of graaf, of een norse werkgever bij wie je je goed moest realiseren dat je genadebrood at. God was in die tijd iemand die als een opzichter of toeziener boven ons stond. Hij was de Baas. Wij moesten alles doen en laten om bij Hem in de gunst te komen en te blijven. Als mijn opa de kerk uit kwam zette hij zijn hoed op. Hij keek me aan en zei: "Zo, dat hebben we weer verdiend." Het was een arme en eenvoudige man, maar hij wist dat je door goede dingen te doen dichter bij de hemel kwam. Dat gevoel van leven is "investeren in de hemel, in later," bestaat volgens mij niet meer. God is niet de Big Boss die alle touwtjes in handen heeft en streng toeziet. Als hij een vader is, dan is hij Iemand Anders.

Van God mag je geen beeld maken. Oude beelden vallen langzaam weg. Je merkt dat niet. Je merkt vooral dat je niet zo gauw iets nieuws hebt. Mensen denken dan soms dat ze niet meer geloven. Je voelt je zo leeg van binnen dat je denkt dat je dankt er niets meer is. Een lege kerk waar geen bankenen geen beelden meer zijn. God bestaat niet meer als superboeman of suikeroom. In feite ben je dan een stap verder. Jezus in het Evangelie preekt ook geen superboeman of suikeroom. Jezus is als een echte farizeeër scherpt tegen die farizeeën die anderen verplichten tot wat ze zelf niet doen. Hij keert zich tegen de hypocrieten die heiligheid verkwanselen tot schijn. Zijn God is meer de stilte in de verwondering, hoop of zekerheid die doet leven. Wie niet verder kan richt hij op. Hij leert zijn leerlingen de eerste stapjes te zetten, te durven voordat je durft. Vergeten dat je het niet kunt en dan tot je verwondering merken dat het vanzelf gaat. Geloven van "je moet er aan geloven" maakt bij Hem plaats voor vertrouwen want mensen zijn voor Hem absoluut heilig.

De eerste lezing spreekt over een heel andere God dan die van het schuldgevoel. De wijsheid is de kleur van het onderricht, van de Tora, de mildheid die vertrouwen inspreekt. De eerste lezing laat zien dat het centrum van de wijsheid het grenzeloos vertrouwen is, vertrouwen in degene die de tekst aanspreekt. De woorden zeggen: Jij ontfermt je over allen, Jij houdt van alles wat bestaat. Alsof Gods genegenheid op zijn beurt ook gebaseerd is op zijn vertrouwen in mensen. Zoveel kleinigheden doen er dan toe. Kijk maar naar mensen die om elkaar geven dat duidelijk maken in zoveel kleine details: een oogopslag, een gebaar, een kleine beweging op de wangen, de ingetogenheid van het luisteren, de schittering van de ogen. Denk ook aan de herinneringen die je deelt, een lepel op het aanrecht, een boek dat open ligt. En zoveel verhalen en verhaaltjes, kleine vreugden, diepe wanhoop, troosteloos verdriet en toch ook warmte, eindeloos veel warmte waarin je weet dat het goed is. We zijn er deze dagen mee bezig, Allerheiligen, Allerzielen - Gods lieve mensen al die eeuwen door, en ook de mensen die wij missen en die nog steeds bij ons zijn ook al kunnen we hen nooit meer aanraken. Leven en vertrouwen bestaat uit zoveel details, zoveel blokjes verleden die als bouwsteen deel uitmaken van ons heden. Leven voor Gods aangezicht ook, zoveel details, zoveel kleinigheden die er toe doen. Zoveel aanhankelijkheid. Lees die eerste lezing nog eens. Er straalt veel warmte in, en tijd, geduld, wijsheid.

Met grote stappen is de liturgie door het evangelie van Lucas heengestapt. Hoofdstukken lang is Jezus onderweg naar Jerusalem. Vandaag komen we uit in Jericho. Het is, als heel dat verhaal van Lukas, aardrijkskunde, maar het is wel bijbelse aardrijkskunde. Bij de naam Jericho moet je niet de atlas grijpen maar beginnen te bladeren. Jericho, Jericho. Joshua fought the battle of Jericho, zingt een negrospiritual. Jericho, Jericho.
De reis van 40 jaar woestijn eindigt voor de Jordaan. Die wil uiteindelijk wel open gaan. Daar hoort eenhele choreografie bij. Op gepast afstand moet het volk achter de Ark aan door de Jordaan lopen. Ze moeten immers de weg kunnen zien die de ark gaat, want deze weg, de weg naar de vrijheid en bevrijding stap voor stap, is volstrekt nieuw. Maar dan, aan de overkant, daar is Jericho. Jericho blijkt het slot op het veelbelovende land te zijn. Ze komen er niet in. Die armoe-zaaiers, klein gemaakte mensen uit de woestijn, zijn volstrekt niet welkom.
Onder leiding van Jozua trekt het volk daarop zeven keer om Jericho heen. De muren laten hun schouders zakken, de poorten springen open. Weer, wat onmogelijk leek, binnenkomen in het land dat de beloften draagt, het gaat gebeuren. Alsof het geen moeite kost.

Dát Jericho wordt nu in het evangelie van Lukas decor voor het verhaal over Zacheüs de oppertollenaar. Jezus staat op het punt naar Jerusalem te gaan. Daarom moet hij door Jericho gaan. Daar is Zacheüs de tollenaar. Tollenaars hadden van de Romeinen het recht gekocht, belasting te innen. Ze deden er een schepje bovenop, want de directeur moet ook betaald worden zoals wij weten. Zo ging het de kleine Zacheüs zeer voor de wind. Zijn handel had hem gouden eieren gelegd. Het kleine mannetje is heel hoog gegroeid maar blijft een klein manneke. Het goud moge blinken in zijn huis, niemand ziet hem staan en hij blijft klein. Hij zal Jezus ook zeker niet voorbij zien komen als deze door Jericho heen gaat op weg naar Jerusalem. En Jezus zal ook hem zeker niet zien. Daar is hij te klein voor.
Let intussen op een spelletje in het verhaal. Zacheüs heet een rijk man. Dat kan meer aangeven dan dat hij er warmpjes bij zit. Hij is ook een rijk man omdat hij zoekt. Zacheüs zoekt Jezus te zien. In de breedte overstekend is daar geen mogelijkheid toe. In de hoogte? Daar is een wilde vijgenboom goed voor.
Als Jezus Jericho op weg naar Jerusalem doortrekt kijkt hij uiteraard omhoog. Jerusalem ligt aan het einde van de horizon, op de bergen van Judea die hier beginnen. In Jericho begint de weg omhoog. Zodoende komt nu ook, als vanzelf, Zacheüs in beeld. Jezus ziet hem. Hij plukt hem als een vrucht uit de vijgenboom. Kom snel naar beneden want vandaag wil ik jouw huis te gast zijn.
Nu even scherp opletten: Zacheüs komt snel naar beneden en ontvangt hem vol blijdschap. Typisch. Alsof het huis van Zacheüs onder de vijgenboom is, in de open lucht een open welkom. Alsof die boom een dak boven je open huis is. En je ziet het gebeuren want het kan niet verborgen blijven. Iedereen ziet het en is natuurlijk verheugd. Nee, iedereen ziet het en het gemompel is niet uit de lucht te slaan. Het lijkt er op dat niet alleen Zacheüs Jezus zocht, maar ook dat Jezus, met het oog op zijn optrekken naar Jerusalem, Zacheüs zoekt. Hij is bij een zondaar zijn intrek gaan nemen. Waar laat hij zich mee in? Waar identificeert Hij zich mee? Nu met Zacheüs. Straks zal hij zich ook identificeren met Jerusalem dat toch ook geen leuke dingen met hem van plan is. Waarom vinden we hem bij degenen die Hem nodig hebben?

Het morren van de menigte brengt Zacheüs die gastheer mag zijn, tot woorden en daden. Zijn bezit telt voor hem niet meer. En Jezus geeft daar een eigen commentaar op. Ook deze man is een zoon van Abraham. Het gemompel van de menigte dwingt Hem tot de woorden die er voor Hem blijkbaar toe doen: Er is redding voor dit huis. Ook deze is een zoon van Abraham. Ook deze is iemand die gezocht en gered wordt door de Mensenzoon, die als Abraham aangesproken wordt door God: Ga weg, uit het land, uit je familie, uit het huis van je vader, naar het land dat ik je zal laten zien. Vandaag begint de reis naar Jerusalem, vandaag begint de toekomst.

Een boek kun je op meerdere plaatsen tegelijk lezen. Ook al gaat Jezus naar Jerusalem, voor ons is hij ook al in Jerusalem. Zoekend en bevrijdend zal Hij in Jerusalem Pasen vieren met zijn leerlingen aan tafel. Elke week gedenken wij hier die laatste maaltijd voor zijn lijden en sterven. Hij zal zijn hand uitstrekken naar ons om ons zijn brood, zijn leven te geven zoals ook wij onze hand uitstrekken naar hem.
Moge God geven dat het zo is.

1 NOVEMBER Allerheiligen
Apok. 7, 2 - 4 + 9 - 14
Mt. 5, 1 - 12a

Het Troostboek dat Johannes open maakt vertelt in de grote beproeving die het leven van iedere dag kan zijn dat wij Gods zegel dragen. Die "wij" blijken in eerste instantie de kinderen van Israël te zijn. Daarna komt een grote schare die niemand tellen kan uit alle volken, stammen, naties en talen. Zijn verzamelen zich bij de kwetsbaarheid van het Lam dat vrijheid en bevrijding garandeert. Zie Exodus 12,3.6 en Johannes 1,29.
Met Allerheiligen gedenken wij al die mensen uit alle eeuwen die bij God en zijn hemel horen, die mensen van alle tijden geworden zijn. Zoveel verhalen, zoveel fragmenten, zoveel geuren en kleuren die iets zeggen over de heiligheid van God en toewijding van mensen. Verhalen en gevoelens die je mee kunnen nemen, die inspireren en vorm geven. Mogelijkheden.


De verzen uit Matteüs zijn de precieze inzet van het verhaal over de woorden en de daden waar hoofdstuk 5-7 en 8-9 over willen spreken. Voor het eerst bij Matteüs gaat Jezus spreken, en hoe! Wanneer het evangelie op weg naar het einde is, dan moet het ook vanuit dit einde gelezen worden. Jezus die hier zich hier verwoordt is degene die volgens de woorden van de engel niet meer hier is, niet meer in het graf van voorbij. Hier en nu, bij deze woorden van Matteüs, kunnen wij hem op zijn woord geloven.
Zie hoe precies Matteüs de choreografie (berg op, gaan zitten, naderbij komen) beschrijft voordat de woorden klinken zullen.
Wat ben je er gelukkig aan toe … Jezus beschrijft de gelukkigen, beschrijft de leerlingen, geeft een portret van zichzelf. De armen, degenen die zich nergens anders op beroepen dan op de geest die vanaf Genesis 1 Hemel en aarde met elkaar verbindt, de zachtmoedigen, de leraar en de leerlingen die heel de wereld nog voor zich hebben, die de aarde zullen beërven. En tussen die armen en zachtmoedigen in de treurenden die wachten op de komst van de trooster, de geest, die zichtbaar zal maken dat hemel en aarde toch bijeen horen - want dat is waar God vanaf de eerste woorden in Exodus 3 op uit is, waar de hemel zich druk over maakt: dat de aarde een aarde voor mensen kan zijn, en dat mensen mensen mogen zich, zich op mogen richten, op mogen staan en mogen gaan in het spoor van de beloften die de woorden aanreiken.
De eerste woorden die het koningschap van de hemel (5,3.10) aandragen als een kader voor de gerechtigheid (5,6.10), het geschieden van het woord, van wat Hem behaagt, blij maakt (6,10).


2 November: Gedachtenis van alle overleden gelovigen
Jes. 25, 6-9
Mk. 15,33-16,6


Wanneer je vroeger zo'n jaar of 10 was, soms ook eerder, begon je ook kennis te maken met de dood. Een opa, een oma, van jezelf of van een klasgenootje. Mensen die je kende waren er opeens niet meer, nooit meer. Rond die tijd maakten we ook kennis met Allerzielen. We konden iets doen voor de mensen die gestorven waren. En nu we ouder geworden zijn leven we met onze doden, met je vader en moeder, met broers en zussen, met je man of je vrouw en zelfs met kinderen die gestorven zijn. Wij die zelf nog leven beginnen steeds meer te begrijpen dat leven een groot geheim is, altijd ook meer overleven, zo lang onze dagen duren.
Maar onze lieve doden willen we niet vergeten. Ze zijn ons op zoveel manier bij gebleven en leven in zoveel herinneringen. Ze verrijken ons leven ook.
Met Allerzielen gedenken we dat veel mensen met wie wij leefden deel geworden zijn van de oogst, "ons ontvallen" zijn zij in Gods hand. Wij weten zeker dat God van "zijn en onze" mensen houdt, dat ook de mensen die gestorven zijn voor hem tellen. Ook voor hen heeft Jezus ruimte gemaakt in het huis van zijn vader, in het huis dat zijn vader is op wie wij vertrouwen.
Moge God er zijn voor de lieve doden die wij gedenken in genegenheid en stilte, mensen die onze bij blijven.

 


zondag 24 oktober 2010 Sirach 35,12-14.16-18
30e zondag door het jaar Lucas 18,9-14

Inleiding: Er gaat tegenwoordig geen dag voorbij of we zien, horen of lezen over rechters en rechtbanken. Echte processen of films over rechtbanken vullen de zendtijd. Rechters die fouten maken. Vaak voelen wij ons betrokken, kiezen we voor wie we al dan niet terecht onschuldig vinden. Advocaten, echt advocaten of gespeelde, maar waar ligt het verschil, - advocaten zijn voor de beeldbuis niet aan te slepen. Die hadden vroeger als bedoeling hun cliënten te verdedigen. Tegenwoordig presenteren advocaten zich als de eigenlijke rechters. Zij zijn de rechters van de rechters, met de volledige steun van de persvrijheid en de media.
Intussen voel je ook afstand groeien. Veel rechtspraak ook lijkt op gelegaliseerd misbruik van taal, oneigenlijk spreken. Formeel of juridisch misschien terecht, maar het recht is ver te zoeken.
Rechters moeten een oordeel vellen, een uitspraak doen. Het lijkt een vak waar je voor geroepen moet zijn. De mondig geworden sprekende minderheid weet hoe het moet en veegt waar dat kan de vloer aan, of liever: laat anderen de vloer aanvegen. Voor veel mensen is de rechtspraak iets waar je je over verwonderen kunt, of wat je verbijstert.

Homelie: Wij leerden vroeger dat de 10 geboden eigenlijk natuurwetten waren. Niet stelen, niet moorden, enzovoorts. De 10 geboden komen uit het boekenbestand van de joodse traditie, zeg maar: uit de joodse bijbel. Ze zijn niet door ons bedacht maar zijn bij wijze van erfenis bij ons terecht gekomen. In de bijbelse traditie zijn de 10 geboden geen natuurwet. Ze zijn door God aan Mozes gegeven op de berg Sinaï. Het is dus eigenlijk een privé-collectie van Joodse mensen. Zij noemen dat ook niet de 10 geboden, maar de tien woorden. Tien mogelijkheden die toekomst bieden, tien klinkende klokken toekomstmuziek, een partituur van hoe het worden zal. En het zijn woorden gegeven aan Joodse mensen.
Dus: voor niet joodse mensen, voor mensen zoals wij die uit "de volkeren" afkomstig zijn, zijn er geen "10 geboden"? Zijn wij dan mensen zonder God of gebod. Om te beginnen wel. In zekere zin zijn wij onschuldig. De bijbelse traditie neemt het niemand kwalijk wanneer je niet in die traditie geboren bent. Bovendien, de bijbelse traditie vindt dat je jezelf de wet moet voorschrijven, niet anderen. Ieder heeft zijn eigen verantwoordelijkheid.
"Dus wij hebben niks? Zijn er voor ons geen regels?" Nou, als je wilt is er wel wat. In de bijbelse traditie heet dat de noachitische geboden. Volgens de Bijbelverhalen horen wij bij de overlevenden na de zondvloed. Voor al die mensen die met Noach - hij heet in de bijbel als eerste een rechtvaardige!!! - die met Noach door de vloed gekomen zijn gelden de noachitische geboden. Wat is dat dan? Het zijn dezelfde als die je kent: niet stelen, geen echtbreuk plegen, niet moorden, enz. Het zijn vijf regels om je niet asociaal te gedragen en daar komt een zesde regel bij. Iedere gemeenschap moet zorgen voor rechtvaardige rechters.
De zorg voor rechtvaardige rechters is bijbels gesproken een heilige plicht. Want hoe breekbaar en broos is de gemeenschap? hoe makkelijk valt wat bijeen hoort uit elkaar? Rechtvaardige rechters zijn essentieel voor een levende gemeenschap - om evenwicht te bewaren en wijsheid. Je moet dat niet juridisch zien of legalistisch, maar meer praktisch en nuchter, voor mensen met een beetje gezond verstand.
Rechtvaardige rechters. Want een oordeel uitspreken, rechter zijn, is niet alleen een officiële functie. Het is wat ook voortdurend gebeurt waar mensen samen leven. We hebben immers meningen, opvattingen, inzichten, oordelen. Op vele momenten van de dag doen we wat rechters doen, al dan niet terecht.
God is het model van de rechter, de norm voor wie rechter is. Geen aanzien des persoons, geen steekpenningen. U vindt de woorden in de eerste lezing van vandaag. Opkomen voor de zwakken, zoals er op andere plaatsen ook staat: niet alleen partij trekken voor de zwakkeren. En de lezing van vandaag zegt: De arme, de verontrechte dringt in zijn bidden door de wolken heen. De hemel is immers als mogelijkheid niet alleen maar ver weg. God is ook hier. Hij is de getuige van onze tijd.

Peinzend brengt de liturgie ons vandaag dan naar de Tempel in Jerusalem. De Tempel in Jerusalem is een droom, het einde van een vervuld verlangen. Als je opkijkt in je dagelijkse werk en dromend voor je uit kijkt, de toekomst in, op zoek naar "waar het leven goed is", waar mensen zijn gekend en begrepen - bijbels duikt dan altijd het Huis van de Heer op, de Tempel in Jerusalem, waar de tijd stil staat, waar er alle tijd is voor jou en waar je jezelf als kind van God kunt tegen komen of er echt genadebrood te eten.
Jezus was naar apostolisch getuigenis dagelijks in de tempel. Dat verhaal begint al wanneer hij 12 jaar is, luisterend en vragen stellend. Voor hem is het my fathers house, het huis van de vader. Diep heimwee kun je voelen in woorden die zo gezegd worden.
Vandaag vertelt Jezus een verhaal uit de Tempel. Het is een verhaal voor mensen die overtuigd zijn van eigen gerechtigheid en die anderen minachten. Weer heeft Lukas een verhaal voor mensen voor wie het vast stond dat Jezus een flierefluiter was die met tollenaars en zondaars omging - alsof hij niet wist dat de volkmond zegt: "Wie met pek omgaat wordt er mee besmet." Hij zou beter moeten weten, dat eigenwijze rabbijntje uit Galilea, uit Nazareth nog wel.
Jezus vertelt over die twee mannen in de tempel. De één fier, met opgegeven hoofd, die God echt dankbaar is. Hij is geen rover, geen echtbreker, niet onrechtvaardig en niet zo vingervlug als "die tollenaar dáár". Je voelt hoe hij zich losmaakt van die ander dáár. Hij offert en hij bidt. Hij is druk bezig van zichzelf een gouden kalf te maken en God moet maar uit de hemel komen om hem te bewieroken. En laat hem een paar engelen meenemen voor een mooi stukje muziek tot meerdere eer en glorie van mijzelf!
En dan die andere, die nauwelijks woorden voor zichzelf heeft: "O God, laat mij zondaar niet alleen, wees betrokken." Ik parafraseer die paar woorden, want ze hebben in alle eenvoud best wat verduidelijking nodig. Dank zij onze opvoeding weten wij precies wat een zondaar is.
Maar geloof me: als verzoening en vrede geheimen zij, dan is zondaar zijn eigenlijk ook een geheim. Wij weten nauwelijks wat het is. We weten alleen dat God daar zijn zoon voor gegeven heeft. Zondaar, zondig en zondigen - het zijn woorden die veel minder voorkomen in het evangelie dan wij denken. Het verleden hamerde op ons zondaars. Want dan hadden we vergiffenis nodig en verlossing. Simpel gezegd: als wij niet stout zouden zijn hoefde hij het niet goed te maken. Maar het evangelie is geen verhaal voor kinderen. Zonde heeft alles te maken met die onmogelijkheid om aan je isolement te ontkomen. Daarom zegt hij ook: wees mij zondaar genegen, laat me niet alleen, bekommer je om mij. En er is nog meer.
Wat deze man zegt, is wat je hoort, maar ook wat je niet hoort. Ook het niet uitgesprokene maar vooronderstelde hoort daar bij. Je kunt geen genegenheid vragen als je die zelf niet wil geven. God heb een plekje voor mij, want ik wil ook een plekje voor jou hebben. Laat mij een beetje op jou rekenen want jij kunt ook een beetje op mij rekenen. De tollenaar zoekt wat hem ontbreekt, het verbond, bijeen horen, samen optrekken op hoop van zegen.

Daarom komen wij hier, iedere zondag weer, om de woorden te horen en ons het woord te geven, om ín te stemmen en mee te gaan met de verhalen die ons erbij halen. Opdat God zijn hand uit moge strekken naar ons zoals wij dat doen naar hem.
Moge dat zo zijn.

 


zondag 17 oktober 2010
29e zondag door het jaar

Exodus 17,8-13
Lucas 18,1-8

Het zou mij niet verbazen wanneer U naam Amalek niet kent. Eens in de drie jaar hoort U deze naam noemen en daar houd je geen herinnering of kennis aan over. Maar voor bijbelse mensen is Amalek een naam die staat voor twee verhalen waaruit blijkt dat Amalek een verzamelnaam is voor alles wat laf is en gemeen. Stel je voor. De bevrijding uit de slavernij is nauwelijks begonnen, de overtocht langs het water dat als een muur is blijven staan, is net voltooid, de eerste honger is bedwongen dank zij het manna dat uit de hemel valt en de eerste dorst is met water uit de rots gestild. Dan, terwijl het bijbelse volk net aan de dood ontkomen is, komt daar het volk van Amalek! Die weten wel weg met die armoedzaaiers in de woestijn. Terug, terug de woestijn in! de zee in! de slavernij in! Terug! Dat slaven vrij worden, dat gekromde mensen geholpen worden om overeind te komen, dat kleine mensen voor vol moeten worden aangezien: NOOIT. Amalek is tegen iedere verbetering. Daarover gaat het eerste verhaal dat we vandaag lezen. Het tweede verhaal vinden we aan het einde van veertig jaar bijna. Daar duikt Amalek weer op in de woestijn. Dan vallen ze het volk van achter aan, in de rug. En U begrijpt: achteraan de karavaan lopen de oude en de zieke mensen, en de moeder met hun kinderen. Amalek, dat zijn lafaards. Als gieren vallen ze aan op wie bijna niet vooruit kan. Vandaag beweren ze: bevrijding bestaat niet! Wat dan gebeurt is een pracht stuk toneel.

Terwijl het volk onder leiding van Jozua de strijd aangaat krijgt Mozes van God de opdracht om de berg op. Iedereen beneden kan hem zien en hij overziet wat zich beneden afspeelt. Met de staf van God in de hand strekt hij zijn handen uit over het volk. Die staf staat voor alles wat Mozes tot Mozes maakt. Hij is de leraar, hij geeft leiding aan de bevrijding waarvoor het volk zelf op weg moet. Zolang Mozes zijn armen oomhoog houdt heeft het volk de overhand. Maar hoe lang houd je dat vol, je armen omhoog te houden? Het is een gevecht op leven en dood. Het duurt en duurt, en Mozes met zijn handen omhoog kan niet meer. Wat nu? De twee mannen die met hem omhoog geklommen zijn dragen een rotsblok aan voor Mozes. Dan kan hij gaan zitten. (De bijbelse leraar gaat altijd zitten. Ook Jezus. Als de leraar zit komen degenen die leren willen om hem heen staan en zitten. De leraar is het midden van de kring.) Mozes gaat zitten en de twee mannen pakken elk een arm van Mozes. Zo houden zij de armen van Mozes omhoog. Ze ondersteunen de vermoeide handen van Mozes. Tot de zon onder gaat. Zo verslaat Jozua Amalek. Jozua heet in de griekse vertaling van de hebreeuwse bijbel Jèsoes, Jezus. Jozua, Jezus verslaat in de schaduw van Mozes met opgeheven armen Amalek. De toekomst gaat open. De lange reis gaat verder, kan beginnen.

Leraar Jezus leert zijn vrienden in gelijkenissen. Hij vertelt hen een verhaaltje en daar kunnen ze zelf op reageren, over denken. Hij vertelt niet zo maar. Hij verhaal van vandaag vertelt met het oog op altijd bidden en niet verzanden. Eerst dat altijd. Dat betekent hier niet voortdurend of continu, zonder ophouden. Altijd is hier meer "op de tijden die er voor staan", de gestelde tijden. Welke tijden staan daar dan voor? Vermoedelijk betekent dit in de bijbelse traditie naar de tijden die teruggaan naar de liturgie in de Tempel, bij het openen en het sluiten van de dag. Want elke dag begon en eindigde in de Tempel. En als het licht op de zevenarmige kandelaar ontstoken werd dan was dit een herinnering aan het licht van de afgelopen dag om de nacht door te komen, met het oog op de komende dag. Dat licht was een brandende pit op olijfolie. De leraren zeiden: "De zoete olie uit de bittere vrucht". De gezette tijden waren de hoogtijden in de Tempel. Jezus in het verhaal van Lucas vindt dat je je aan vastigheid moet houden, aan de gezette tijden. Waarom moet dat? Je moet niet opgeven, niet versagen. De tekst komt heeft hier een bijbels ongebruikelijk woord: enkakein. En is in, naar binnen toe. Dan komt een werkwoord waarin kakos te herkennen is, slecht, niet goed. Je moet niet enkakein, niet versomberen, niet: het wordt nooit meer, maar altijd minder. Je moet niet indutten, afwezig zijn, "ik ben er niet". Je kunt je beter laten opladen en toerusten door op de gezette tijden te doen wat goed is om te doen. Goed.

Dan volgt de vraag: Waarom moet je niet versagen? Daarvoor heeft Lucas het verhaal over de rechter die geen rechter is. Een merkwaardige rechter. Hij heeft lak aan God en aan de mensen. Het doet hem niks. Maar deze flierefluiter heeft pech. Hij komt de weduwe tegen. Weduwen en wezen zijn in de bijbel mensen die er alleen voor staan, die niemand hebben die het voor hen opneemt, zeg maar de kwetsbaren bij uitstek. Maar deze kwetsbare weduwe heeft een geheim wapen. Zij weet niet van ophouden. Ze blijft als een lastige bij gonzen rond zijn hoofd. Dat mens houdt niet op! Haar niet aflaten krijgt hem op z'n knieën. Het is een zwaktebod, dat wel. De rechter doet geen recht omwille van het recht, maar dat doet er voor haar niet toe. Het resultaat is precies wat de weduwe beoogt, dat haar recht geschiedt. Zij laat zich regelmatig horen en daarom geeft de onrechtvaardige rechter haar gehoor. Gehoord worden: tot je recht komen.

Jezus zegt: als die onrechtvaardige vader dank zij die steeds terugkerende stem gehoor geeft, hoeveel te meer dan God. Hij kan niet onbewogen blijven wanneer zijn uitverkorenen dag en nacht tot hem roepen, misschien mag je beter vertalen: hem roepen, hem noemen, hem een naam en een plaats geven in hun leven. Hij zal hun spoedig recht verschaffen. Dan komt plotseling een vreemde zin.
Hij zal hun spoedig recht verschaffen. Maar zal de mensenzoon bij zijn komst geloof op aarde vinden? Dat combineer ik niet! Wat heeft dit te maken met het voorafgaande? En waarom staat hier "de mensenzoon"? Mens, in het hebreeuws adaam, kind van Adam, kind van de mens, kind van de rekening. Alsof het risico bestaat dat naar dit kind niet omgekeken wordt.

Het doet me vandaag ook denken aan onze geloofsgemeenschap. Wij, deze kleine groep, een beetje aan het lot of aan onszelf overgelaten. Wie zal ons recht verschaffen? Welke rechter luistert naar ons? Wij proberen ons zover wij dat kunnen aan de tijden te houden. Want wat hebben wij anders te doen dan er voor te zorgen, dat de mensenzoon en beetje geloof mag vinden op aarde.
Onze kwetsbaarheid is die van de mensenzoon, is die van de weduwe. Wij kunnen alleen de tijden in acht nemen. Dat zal God grootmoedig maken. Dan zal de mensenzoon vertrouwen vinden op aarde. Door hier samen te bidden, werken wij op onze wijze aan de weg van de Heer: "Uw rijk,moge dat komen." En mogen we dat ook een beetje zien zoals we hier samengekomen zijn om te bidden en te zingen, om Hem te gedenken die zich geeft aan ons wanneer wij het heilige brood samen delen zoals Hij ons dat gevraagd en opgedragen heeft.
Moge dat zo zijn.

" Ik geloof in God de almachtige Vader"

Iedere keer weer wil ik hier iets over zeggen. Vandaag moet het er maar eens van komen.

 

Ik geloof in God de almachtige vader. Het zijn woorden die vertrouwd klinken. Van jongs af aan zijn velen ook vertrouwd met het idee dat God almachtig is. Al zijn er ook mensen die zeggen: "Als God almachtig is, hoe kan dan dit", of "hoe kan dan dat?"


De Bijbel maakt er geen geheim van dat God almachtig is. In menige psalm wordt Gods almacht bijna verliefd bezongen. Maar God almachtig is niet een soort joker, een kaart die in het spel alles kan betekenen en alle rollen kan spelen. Het inzicht dat God almachtig is hangt samen met de zeer bijzondere situatie die typerend is voor het bijbelse volk.
Dat God almachtig is hoort bij de ontdekking tijdens de slavernij in Egypte. Iedereen weet: als je "slaaf van de farao bent" dan was je gisteren slaaf, ben je vandaag slaaf en zul je morgen ook slaaf zijn. Je komt er niet en nooit uit. Er verandert nooit wat. Zoiets als: als je voor een dubbeltje geboren bent.


De bijbelse slaven in Egypte krijgen te horen dat er één God is die voor vrijheid en eigen verantwoordelijkheid is, voor wie mensen mondig zijn: Hij luistert naar hen. De God van de Bijbelverhalen kan er niet tegen dat mensen klein gemaakt en klein gehouden worden. De God van de bijbelverhalen lijkt op de andere goden maar er is één groot verschil: Hij neemt het voor de mensen op. Dat vertelt het verhaal over de bevrijding uit de slavernij. Dat vertelt ook het verhaal van Jezus en de verhalen over hem.
Misschien zou je daarom eigenlijk moeten zeggen: ik geloof in God de barmhartige vader. Zijn almacht is zijn barmhartigheid, betrokkenheid. Het laat Hem niet koud of mensen mensen zijn. Daar gaat Hij voor - door de woestijn dat het leven van elke dag soms is. Hij is in Jezus onze voorganger. Misschien mag je het zo zeggen.
Het kerkelijk jaar eindigt met Christus Koning. Niet omdat hij heerst over alles en allen, maar omdat Hij het opneemt voor alles en allen. Een koning die zich voor mensen buigt en voor wie wij ons als de koningen zullen buigen als het weer Kerstmis wordt.

 


zondag 26 september 2010
26e zondag door het jaar

Amos 6,1a.4-7
Lucas 16,19-33

Tekoa ligt vlak onder Jerusalem, niet zo ver ook van Bethlehem. Ik vertelde U daar de vorige week al over. Amos is boer in Tekoa, een schappenfokker en kweker van moerbijvijgen (7,14) . Maar hij kan zich niet meer inhouden. Hij keert zich tegen de arrogantie van Sion en de zelfverzekerde vadsigheid van Samaria. Ze liggen op hun ivoren bedden zich vol te vreten. Ze vreten de toekomst (lammeren en kalveren) weg en denken dat hun getokkel het spel van David overtreft. Samaria bekommert zich niet over Jozef, over Jerusalem. Samaria zal als eerste de ballingschap ingaan. Wanneer je enkel onverantwoord leeft maak je samenleven en leven onmogelijk. Het werd vroeger door de Amsterdamse rabbijnen gezegd: zonder chesed geen Mokum, zonder genegenheid is er geen plaats. Het zijn deze woorden van Amos die ruimte moeten maken voor de lezing uit het evangelie van Lucas.

Vroeger zag je in ieder dorp wel een uithangbord met daarop een rund geschilderd. Dan wist ja dat daar een schilder woonde, zei meester Jacobs van de zesde klas toen we met plakkaatverf gingen "werken". Lucas is de patroon van de schilders. Hij wordt in oude kerken en boeken afgebeeld met een rund, omdat hij zijn evangelie begint met een offer in de tempel in Jerusalem - weliswaar een rookoffer als beeld van het opstijgende gebed, maar een wierookoffer sloot de plechtigheden van de dagopening met het eerste offer af.
Lucas was patroon van de schilders omdat hij zo trefzeker zijn verhalen in beeld brengt. U hoorde net het verhaal van de arme lazarus en de rijke vrek. Het verhaal is bekend en je voelt het aankomen: het loopt slecht af met de rijke vrek en Lazarus komt goed in de eeuwigheid terecht. Ik deed het verhaal een keer met studenten op de pabo. De rijke ging naar de hel en de arme naar de hemel, zei één van hen.
"Waar staat dat?", vroeg ik.
Die student ging zoeken, begon opnieuw en zocht verder en weer opnieuw. Verbaasd keek hij mij aan: "Het staat er niet".
"Wat staat er dan wel?"
Hij keek weer in de tekst. Stilte. En toen:"De schoot van Abraham!"
"Heel goed. De schoot van Abraham. Als je nu daar op die stoel Abraham laat zitten en daar is iemand op zijn schoot - wie is dat dan?" Hij begreep de vraag niet en ik herhaalde hem nog eens. Wie zit er op de schoot van Abraham?
Voorzichtig kwam het er uit, vragend: "Isaak?" Wordt die arme Lazarus dan neergezet als Isaak?, dé zoon van de vader. Dé Zoon van dé Vader is ook Jezus. Wat heeft die arme Lazarus met Jezus te maken?

En misschien nog iets. We hadden een kinderliedje: "Abraham had zeven zonen, zeven zonen had Abraham". Een raar liedje? Want Abraham heeft toch eigenlijk maar Één ZOON die hem ALLES is, terwijl hij zal worden als de sterren aan de hemel en de zandkorrels op het strand. Die 7 zonen is een beeld voor allen en allen. De rijke vrek zegt tegen Vader Abraham: stuur Lazarus naar het huis van mijn vader want ik heb 5 broers. Dat is interessant. Vijf broers. Hij erbij is 6. Als hij nu Lazarus indertijd had opgenomen waren het er zeven geweest.
U merkt: Als je de tekst de tijd geeft vertelt Lukas meer dan "boontje komt om zijn loontje".
Om te beginnen: wie is die rijke. Lukas heeft er geuren en kleuren voor? Purper, fijn linnen, elke dag feest. Een studente schrok in de lach en zei verontschuldigend: "Sorry", het lijkt het Vaticaan wel. Het is in ieder geval het Vaticaan uit de tijd van Jezus, de Tempel in Jerusalem: elke dag feest. Iedereen ziet iedereen, iedereen is welkom. En dan dit. Die Lazarus, een bedelaar, niet om aan te zien, bij het voorportaal. Hij doet niet mee. Ook wat er van de tafel van de rijke valt is voor hem onbereikbaar. Alleen honden herkennen hem als een mens die geen kwaad doet. Ze likken zijn zweren. Levinas zat onder de oorlog als krijgsgevangen franse soldaat in een concentratiekamp. Ieder ochtend en avond werd er door het dorp naar het bos gemarcheerd om te werken. Elke dag heen en elke dag terug. De gordijnen waren altijd dicht. Geen mens keek. Er was alleen een hond die elke dag, elke ochtend en avond achter hen aanblafte. Die hond was de enige zegt Levinas, die wist dat wij mensen waren. Hier bij Lucas likt hij de zweren. Door en door onrein, buitenstaander, iemand die niet meedoet en nooit mee zal doen. En ik heb al gezegd: iemand als Isaak, een kind op de schoot van Vader Abraham. Abraham ontfermt zich over hem. In het verhaal staat: de arme sterft en engelen dragen hem in de schoot van Abraham. En let op hoe kort de tekst dan verder gaat: ook de rijke sterft en hij wordt begraven. Dat is dus afgelopen en klaar. Nee! - over hem gaat het hele verhaal.
Abraham kan niets voor hem doen. De rijke die nooit iets te kort gekomen is heeft zich buiten alles gesteld en is onbereikbaar geworden, ook voor Abraham die toch de gastvrije is, de vriend van vreemdelingen en ontheemden. Gastvrijheid is hét kenmerk van Abraham maar hier kan hij niets doen.
Ook dat waarschuwen van die broers in het huis van "mijn vader" heeft geen zin. Ze zullen dat nooit verstaan, zegt Lukas/Abraham. Want als je niet luistert naar Mozes en de profeten, hoe zul je dan luisteren naar iemand die uit de doden opstaat. Hoe zul je dan Pasen begrijpen?
Weer zijn we bij hetzelfde probleem dat Lukas, nu Jezus onderweg is naar Jerusalem, voortdurend bezig houdt. Waarom gaat Jerusalem niet mee in het verhaal van de Messias? Als je zou horen naar Mozes en de profeten dan zou je weten dat gastvrijheid, open zijn voor de/het Andere, vrijheid mogelijk maakt.

Interessant vind ik ook dat je de arme Lazarus in het verhaal niet hoort spreken. Zijn situatie spreekt voor hem. Het sociale is zijn nood en zijn deugd. Ik weet het niet maar het zou best wel eens zo kunnen zijn dat wij hier in Amsterdam, en in Nederland en in Europa, en overal ter wereld - dat wij eigenlijk op zoek zijn naar dat "wij". Wij, wie zijn dat en wat is dat, hoe gaat dat. Wij, denk ook aan het inclusieve van "Onze Vader".
Wij zijn hier bijeen gekomen in de schaduw van de tafel van het laatste avondmaal om te delen wat ons gegeven is. Moge God met ons zijn.

 


zondag 19 september 2010
25e zondag door het jaar

Amos 8,4-7
Lucas 16,1-13
De lezingen van vandaag vragen alle aandacht. Als U scherp luistert naar Amos in de eerste lezing dan zult u merken: de man is woedend. Zelfs de mest felle betoger van onze dagen zal het niet kunnen opnemen tegen de vijgenboer Amos die uitvaart tegen de rijken die enkel minachting tonen tegenover alle anderen, mensen voor wie het leven handel is waar je je aan kunt verrijken.
De tweede lezing zal vermoedelijk Uw verontwaardiging oproepen. Een rentmeester die, in het nauw gedreven, tot merkwaardige praktijken overgaat en ook nog bij zijn heer door zijn wandaden in een goed blaadje kom. Hoe is dat mogelijk?
Kortom: lezingen die te denken geven. Openen we onze dienst.

Homelie
Vlak onder Betlehem ligt het kleine plaatsje Tekoa, ook nu nog een dorpje van niks. Amos is daar rond 750 jaar voor de geboorte van Jezus schapenteler en vijgenkweker. Een boer dus, iemand met ogen in zijn hoofd en handen aan zijn lijf. Het is de tijd dat het Noordrijk zich heeft losgemaakt van Jerusalem en Judea. Het gaat het noorden voor de wind, maar volgens Amos is het niets anders dan het verdrukken van de armen, het verdelgen van de misdeelden, maten verkleinen, prijzen verhogen en wegen met schalen die vervalst zijn. Bitter klinken de woorden, in synagoge en kerk al bijna 3 millennia vertolkt. Als het leven een geschenk is, als vrijheid een gave is, als God naar ons omziet, hoe kunnen mensen dan kleineren, uitbuiten, minachten? Woede die van verbijstering naar woorden snakt en zal blijven snakken: wanneer wordt het ooit een beetje zoals het bedoeld is! Hoe vinden wij een weg die naar een beetje eerlijk leven leidt? Die ook ons naar een beetje eerlijk leven leidt. Want we begrijpen best dat Amos niet alleen maar de anderen aankijkt. Zijn treurigheid kijkt ook ons aan. Zo wil de liturgie ons door Amos naar Jezus brengen vandaag.

Jezus is in gesprek met zijn leerlingen. Het gesprek dat hij vandaag met ons houdt is een verhaal. Verhalen vertellen vaak waar we anders geen woorden voor hebben. Het is een makkelijk verhaal, met daarom ook het risico dat we het te gemakkelijk verkeerd verstaan. Een rentmeester heeft de bezittingen van zijn heer verkwist - vertelt onze vertaling en wij weten dan precies waar het over gaat. In het grieks staat er meer iets van kwistig rondstrooien met. Zoals die jongste zoon die van zijn vader het erfdeel vraag en daar met zijn vrienden wel weg mee weet. Verkwisten, zei die oudste broer die op het land was. Verkwisting.
Er gaan kwade geruchten over deze rentmeester. Hij zal rekenschap moeten afleggen over wat hij gedaan heeft. Wij gaan horen hoe Jezus rekenschap aflegt, hoe er gerekend wordt, waar je rekening mee moet houden en waar je op rekenen kunt. Het zal ook ons waarschijnlijk verwonderen hoe slecht of eigenaardig in de hemel gerekend wordt. Na het verhaal komen dan ook de farizeeën. Die zijn het met dit verhaal volstrekt niet eens. Wat gebeurt er?

Jezus neemt ons mee naar hoe deze rentmeester denkt: spitten kan hij niet, en bedelen, dat is ook wat. Beetje typisch. Als hij niet kan werken, wat heeft hij dan gedaan tot nu toe als rentmeester? En wat heeft hij als rentmeester anders gedaan dan zijn hand ophouden! Maar goed: wat nu? Vergeef ons onze schuld. Wat kun je doen wanneer je beschuldigd wordt? Je hoort hem denken. "Als ik straks geen dak meer boven mijn hoofd heb zullen de mensen mij onderdak bieden. Hoe pak ik dat aan?" De oplossing is verbluffend simpel. Stuk voor stuk laat hij de mensen komen die bij zijn heer schulden hebben. Schulden, cijfer worden mensen. De rentmeester zet door alle bedragen een streep en maakt van 100 50 of 80 alsof het niets is. In feite blijft hij rond strooien met het bezit van zijn Heer

Hij maakt zich vrienden met de onrechtvaardige mammon. Geld krijgt een gezicht. Mammon, van amen. Betrouwbaar zou het zijn. Volgens Jezus is het dat niet. Geld maakt je niet vaardig en bekwaam in wat recht is. Maar op een mens kun je bouwen. De vrijgevige rentmeester weet dat hij naar mensen moet. Als het geld uitvalt moet je bij elkaar zijn. Bij "Onze Vader" ligt het voor de hand dat wij broers en zussen zijn, op elkaar aangewezen.

Dan komt een nieuw woord: van rentmeester, econoom, naar de oikotes, de huisknecht. Als huisknecht kun je maar een heer dienen. Je dient God of je dient de Mammon. Jammer genoeg is dat een spreekwoord geworden. Je dient God of je speelt voor Dagobert Duck en waant je een heer terwijl je alsmaar torentjes bouwt om daar eindelijk op te kunnen tronen als een volgehangen gouden kalf. Nee, terug naar God of de Mammon. Mammon, van amen, wat betrouwbaarheid suggereert. Je dient wat betrouwbaarheid suggereert of de betrouwbare, die Heer van Wie je op aan kunt, van Wie je weet dat Hij de mens bevrijdt.

Zo brengt het evangelie ons met onze zorg en onzekerheid, naar de betrouwbare. Niet glitter, glamour en schone schijn, maar de betrouwbare, God die omziet naar de mens, God voor wie jouw dagen tellen - de betrouwbare.

Vorige week zondag was ik in York. Constantijn, de eerste romeinse keizer die christen werd is in York tot keizer uitgeroepen. Opvallend is dat ik in York zo goed als geen kleurlingen zag. Waarom viel me dat op. Omdat het op zaterdagvond opeens bleek. Er was een plechtigheid in de Minster van York. Hoofdcelebrant was de aartsbisschop van York, een man uit Oegande. Hij was als 24-jarige rechter van de Hoge Raad geworden in Kampala, Oeganda, maar moest destijds na vervolging en mishandeling vluchten voor Idi Amin las ik later op internet. Hij was theologie gaan studeren in Engeland, priester geworden en uiteindelijk door het kapittel van York gekozen tot aartsbisschop. Hij begon zijn preek verassend. Jezus zegt: ik ben het brood des levens. In Oeganda zeiden we: ik ben de banaan des levens. Ik ben, wat leven echt tot leven maakt.
Niemand weet wat echt leven is, dat moet je zoeken.
"Ik ben", de stem uit het brandende braambos, God is die weg naar het geheim dat ons leven is. Niet was, niet zal zijn, maar is, hier en nu, altijd hier en nu, waar je bent - bijvoorbeeld nu hier, om het brood dat hij ons geeft, dat hij voor ons is, met elkaar te delen.

Hemels rekenen, wonderlijk rekenen. Maar je kunt er wel op rekenen. De Rijke Heer van het verhaal lijkt niets uit te zijn op het vergroten van de eigen winst. Hij rekent anders. - Moge dat ook voor ons een mogelijkheid zijn.
Jan Engelen

 


zondag 5 september 2010
23e zondag door het jaar

Wijsheid 9,13-18b
Lucas 14,25-33

Ga snel uit naar de straten en de stegen van de stad en breng hier binnen de armen en de mismaakten en blinden en lammen. En de dienaar zegt: "Heer, wat U opdroeg is geschiedt, en er is nog plaats. En de heer zegt tegen de dienaar: Ga uit naar de wegen en de tuinen en dwing de mensen binnen te komen opdat mijn huis wordt gevuld. Want ik zeg jullie: niemand van die mannen die waren geroepen mijn avondmaal zal proeven". Dit zijn de woorden die aan de evangelie-lezing van vandaag voorafgaan. Dan hoor je: Samen met Hem trekken veel scharen op. Hij wendt zich tot hen: als iemand tot mij komt en niet haat zijn eigen vader en moeder …U begrijpt: wanneer je uitgaat van het voorafgaande is dit geen haatcampagne tegen je ouders, tegen je broers of zussen, tegen je kinderen of tegen jezelf. Maar er wordt op ons gehoor getimmerd, gebeukt, dat het e op aan komt, dat het alles beslissend belangrijk het is - en wat het betekent om leerling te zijn - wat het betekent om genodigd te worden.

In het aan de lezing voorgaande verhaal gaat het over een koning die een groot feestmaal aanricht voor zijn mensen, maar ieder heeft een excuus. Ze komen niet. Als je niet mee wilt doen, als het leven geen toekomst meer mag hebben, alles hetzelfde moet blijven en je geen getuige meer wilt zijn van wat hier en nu gebeurt, - als je niet meer wilt leren, alles al weet, op alles uitgekeken bent - dan kan zelfs God niets meer, dan bereidt die heer tevergeefs zijn feestmaal met uitgelezen spijzen. Als de toekomst alleen een herhaling van het verleden mag zijn, als je niet meer mee wilt doen met wat op ons af komt, zet je God schaakmat.

Maar dat is niet waar.
De dienaar van die Heer moet de straten en pleinen leegplukken.
Hoe dan ook: die Heer wil zijn tafels vol hebben, ook al zal niemand van de genodigden die maaltijd proeven. Dat woord proeven kan doen denken aan een psalmregel (34,9) die zegt : "Proef en zie dat de Heer Goed is".

Het oog of oor van de lezer en luisteraar naar dit verhaal wordt van het "gevulde huis" verplaatst naar "samen met hem trekken veel scharen op".
Tussen WEL meegaan en NIET meegaan met Jezus en zijn leerlingen - waar ligt het verschil, vraag je je af. Daarover gaat het woord van Jezus dat zo scherp geformuleerd wordt dat het ons eigenlijk afstoot. Alle mensen die je vertrouwd zijn haten, tot en met jezelf. Als je zo met je kinderen of je kleinkinderen om gaat wordt het nooit wat. Mensen met zelfhaat zijn die zelfmoordterroristen die zichzelf als martelaren afficheren. Dan KAN hier niet bedoeld zijn. Is er een mogelijkheid om deze scherpe tekst ANDERS te lezen?

Ik heb jarenlang cello gespeeld totdat ik echt geen tijd meer had. Daarna heb ik jarenlang geen instrument meer aangeraakt. Nu wil ik gitaar proberen. Maar dat is moeilijk. Je bent niet meer de jongste. Mijn vingers willen niet zo makkelijk. Die snaren zijn zo klein en zo dicht bij elkaar. Kortom: telkens weer weet ik nieuwe dingen te bedenken om het gewoon niet te doen. En als ik het niet doe leer ik het nooit, dat is duidelijk. Ik moet dus afstand nemen van alle motieven die ik heb om het niet te doen.
We weten allemaal dat je afstand moet doen van je kinderen. Je moet hen vrij laten. Ik vind dat voor een vader een heel moeilijke opgave. Je laat je kinderen toch niet los. "Een kind blijft altijd je kind", zei mijn moeder vaak. Blijkbaar zijn onze echte bindingen heel intens. Geen wonder: ze hebben ons gevoed en gekleed, ze hebben ons leven wezenlijk gedragen. Maar je leeft niet als het verlengde van alles en allen die voor je zorgden. Met jou is een nieuwe wereld begonnen. "Wie een mens redt, redt een wereld", die uitspraak kent U wel. De wereld is niet de aardbol maar een mens met alles om hem door hem heen. Een ander mens een andere wereld. Wanneer een mens sterft, sterft een wereld. Alles wat was kan voor ons een levende herinnering worden, een nieuwe wereld. Jezus is en blijft een heel andere wereld. Wanneer je je tot Hem aangetrokken voelt, wanneer je je tot zijn woorden aangetrokken voelt en nieuwsgierig bent naar Hem, weet dan wel dat je jezelf de kans moet geven om je los te maken van alles wat je tot "jou" maakt om nieuw te zijn en anders, veranderd te beginnen. Het volstrekt nieuwe is immers totaal nieuw. Het lijkt op die beslissende momenten uit je leven die je nooit meer vergeet, vroeger gebeurd maar nog zo actueel dat ze bij je zijn als de dag van gisteren. Geef ons heden ons dagelijks brood. Het brood van gisteren doet er niet meer toe. Vandaag leven we met wat ons vandaag in leven houdt, wat ons vandaag voedt en wel doet.

Simon van Cyrene moest van de Romeinen het kruis van Jezus dragen. Jezus volgens Lucas noemt ons leven ook ons kruis. Je moet je eigen kruis, je eigen leven op je nemen. Alleen door zelf te zijn, jezelf te zijn, je eigen last te dragen kun je leerling van Hem zijn.

Dat is allemaal pittige kost voor een mooi zondagmorgen. Toch nodig ik U uit om nog en stapje verder mee te gaan. We krijgen in het evangelie nu twee voorbeelden van "weet wat je doet", "bereid je zaken goed voor" en "denk goed na".

Na het volstrekte zich los maken van de voorafgaande regels krijgen we nu het volstrekte zich inzetten door een gedegen voorbereiding. Je kunt dat zien als een aansporing, een goede raad. Bezint eer gij begint. Ik denk dat er meer aan de hand is. Ik denk dat het verhaal ons daarmee ook een portret van Jezus geeft. Hij gaat niet in een opwelling naar Jerusalem. Hij gaat niet voor de vuist weg zijn leven en toekomst tegemoet. Hij heeft zich niet zo maar losgemaakt van Nazareth, van het Meer van Galilea. Hij heeft de heuvels daar niet per ongeluk vaarwel gezegd. Het is volstrekt een eigen keuze. Hij zet al zijn zinnen op Onze vader opdat diens koninkrijk mag komen, opdat de tafels van Zijn God gevuld zou worden door de mensen van de straten, de pleinen en de tuinen - mensen die op lichtvoetige wijze de ernst van het leven kennen en er mee instemmen, er rekening mee willen houden.

En als dit alles is gezegd kijken we elkaar aan en zien we onszelf zitten. Van de straat geplukt, bijeengebracht door de dienaren van deze wonderlijke Heer die ons blijkbaar graag wil zien.
Delen we met elkaar wat ons gegeven wordt, wat God aan ons, leerlingen van de Messias, geeft, zijn woord, zijn brood, zijn leven, zichzelf. Delen we dat met elkaar en moge God met ons zijn.


 

zondag 29 augustus 2010
22e zondag door het jaar

Sirach 3,17-18.20.28.29
Lucas14,1.7-14


Typisch dat het evangelie zich bezig houdt met tafelmanieren voor gasten die voor een feestmaal uitgenodigd zijn met ter afronding, enkele adviezen over wie je moet uitnodigen als je een keertje lekker gaat koken en mensen wilt uitnodigen. Er wordt ons toch vandaag verteld dat je niet meteen vooraan moet gaan zitten. Daarom is het achter in de zaal ook zo dringen wanneer er een gezamenlijke maaltijd is. Heeft het evangelie niets beters te doen?

De eerste lezing, uit Jezus Sirach onderstreept die gewenste bescheidenheid heftig en met instemming. Blijf bescheiden. Hoe meer je hebt, des te meer moet je je vernederen, dan vind je genade bij God. Voor de kwaal van een hoogmoedige is geen genezing. Een verstandig mens overweegt graag spreuken. En de wijze droomt van een aandachtig gehoor. Als ik zie hoe scherp jullie luisteren mag ik niet mopperen. Een aandachtig gehoor. - Of zou het anders zijn. Zou een wijze een aandachtig gehoor moeten oefenen, ik bedoel, moeten leren zo goed en scherp mogelijk te horen. Alsof het gewicht voor de wijze ligt bij wat nog te horen is, bij wat een mens nog kan leren. Met bewondering gedenk ik de moeder van mijn vader. Zij was de eerste dode in de familie die ik als jongetje van 12 mee maakte. Ik vond haar zo verstandig, wijs en lief. Maar zij zei vaak tegen mij: "Een mens is nooit te oud om te leren." Wat moest zij nou nog leren! En het klopt, nu ik zelf in de richting van de 70 schuifel moet ik bekennen dat ik vaak het gevoel heb dat ik eindelijk iets een beetje begin te begrijpen. Het leren moet nog steeds beginnen. Met aandacht horen, je gehoor scherpen, langzaam maar zeker wakker worden en bij de tijd zijn - deze tekst van 2300 jaar oud vindt iets belangrijk wat uitermate modern is: zelf je ogen open maken, zelf je oor te luisteren leggen. We hoeven niet zoveel meningen te geven en standpunten te bepalen. We moeten proberen te leren aandachtig te verwijlen bij, stil staan bij. Uiteindelijk kun je dan zelfs meemaken wat kleine kinderen ontdekken en waarover zij verrukt zijn, waar zij zien dat voor hen de wereld, ons leven, een beetje open gaat.

Ik vat voor het gemak de eerste lezing samen als volgt. Ook als het je goed gaat, gedraag je niet als een glas dat zo vol gegooid wordt dat alles er overheen loopt. Neem de tijd, dat is leven, leer er bij te zijn en mee te gaan in het leven dat we toch op een of andere wonderlijke manier met elkaar delen, aan elkaar geven, het licht dat we elkaar gunnen, de tijd, een plaats in ons midden.

Zo gaan we dan nu vastberaden naar het evangelie van vandaag. Ik moet U zeggen, toen ik de tekst de eerste keer las gebeurde er iets vreemds. Ik las de eerste woorden en wist: het verhaal over de waterzuchtige. Ik vond dat altijd een geheim verhaal, over de waterzuchtige. Geen idee had ik dat dit ging over die kinderen van wie we de plaatjes kennen, met opgezette buikjes. Hongerleiders. Dat dit verhaal ging over ieder die te kort komt, die heftig en mateloos te kort komt in "onze wereld die het niet laten kan groots te doen over en gouden kalf te spelen met wat men van de armen geroofd heeft". Een groot deel van de wereldgeschiedenis komt daar toch op neer.

Maar het verhaal gaat over meer. Er komt meer in naar voren dan de verontwaardiging over sociale en mondiale toestanden. Het is ook een evangelieverhaal, een verhaal over Jezus. En het is een verhaal over de sabbath - dat grootse geschenk van God aan Israël en aan heel de wereld. Want dank zijn de sabbath blijken niet alle dagen hetzelfde. Één dag is een uitzondering - om op te ademen en je te realiseren dat je vrij bent. Een dag, de dag des Heren. En op die "dag des Heren" is Jezus te gast in het huis van een van de oversten van de Farizeeën. In de tekst staat niet: om er de maaltijd te gebruiken, maar: om brood te eten. Geef ons heden ons dagelijks brood. En zij observeren hem. Ze observeren Jezus en ze observeren zijn sabbath. Vorige week vertelde ik U dat Jezus bij Lucas begonnen is aan zijn reis naar Jerusalem, naar de stad van de Grote Koning. Vandaag is het sabbath, de dag van de Grote Koning. Jezus eet brood en ze observeren hem. Dan komt dat verhaal dat ze weggelaten hebben. Zo'n waterzuchtige, zo'n mens met hongeroedeem - een dikke buik omdat je sterft van de honger. Moet dat probleem nu net vandaag komen. Moet de vreugde om Gods koningschap verstoord worden door dit noodgeval? Kan hij niet morgen komen, moet dat vandaag.
Jezus vraagt de tafelgenoten: mag je op sabbath iemand genezen. Stilte alom. Hier branden ze hun lippen niet aan. Dan zegt de tekst letterlijk: en hem erbij nemend geneest hij hem. Hij neemt het op voor de levende dode door hem erbij te nemen. Deze alleen maar miskende, gekwetste, verwaarloosde mens hoort er ook bij.
Jezus breekt dan de stilte uitermate nuchter. "Als je os of je kind in de put valt, haal je die er dan niet uit?"
Dan komt het verhaal van vandaag.
De sabbath is de bruid voor Israël, de gezegende die welkom is. En als het dan sabbath is en je bent uitgenodigd in het koningschap der hemelen, welke plaats neem je dan? Ik bedoel of ik wil zeggen: het gaat hier niet over onze tafel manieren, of het gaat wel over onze manieren aan tafel, maar dan om te vertellen hoe er in het koning zijn van God gegeten wordt. Hoe de laatste daar de eerste wordt. Hoe de vernederde daar koning wordt: Kom gezegende van mijn vader.
Hoe je met elkaar omgaat aan de tafel van Gods feestmaal, van het leven van iedere dag, dat is van belang voor de dag van de opstanding.
Jezus, op weg naar Jerusalem, naar zijn vernedering aan het kruis, naar zijn opstanding uit de doden: vriend, ga hoger op.
Wij breken en delen de gaven die God ons geeft, die wij met elkaar delen, om de dag van Gods koningschap, van zijn koninklijk bevrijden te vieren, te observeren. Delen wij met wie wij leven en geven wij gehoor aan het leven dat iedere dag vastberaden ons tegemoet treedt. En moge God en zijn lieve zoon met ons zijn.
Moge dat zo zijn.


 


zondag 22 augustus 2010
21e zondag door het jaar

Jesaja 66,18-21
Lucas 13,22-30

Na het evangelie van vandaag denk je in eerste instantie: "Nou nou, zo kan die wel weer!"Eigenlijk slaat de schrik je om het hart. De woorden komen zo hard over dat je bijna niet meer gewoon kunt luisteren naar het verhaal.
Gaat weg van mij, - dat blijft hangen. Gaat weg van mij, gij allen die ongerechtigheid bedrijft. Sorry, ik ben me van geen kwaad bewust. Het kost echt moeite om aan de laatste regels van vandaag toe te komen en je daar aan toe te vertrouwen: Abraham, Isaak, Jacob en al de profeten. Ze zullen komen uit het oosten en het westen, het noorden en het zuiden, en ze zullen aanzitten in het koninkrijk Gods. Dat de tekst naast Abraham, Isaak en Jacob ook de profeten noemt is opvallend. Wat moeten de profeten in deze tekst? Daar komen we nog op.

Die eerste regels zijn zo hard bijna.
Ik pak dus mijn bijbeltje en zoek de tekst op. Ja, maar nu zie ik: je kunt deze regels ook bijna niet begrijpen zonder het voorafgaande en volgende. Ik ga zoeken naar het schema van de lezingen in de liturgie van zondag tot zondag. Vorige week hadden Maria ten hemelopneming en hebben we dus de normale lezing van de vorige zondag niet gehoord. Maar dat is vreemd! De tekst die voor het evangelie van vandaag staat wordt helemaal niet gelezen op de voorafgaande zondag. Hij wordt in deze volgorde altijd overgeslagen. Dat is de tekst die gaat over Gods rijk als een mosterdzaadje. U weet wel, dat wordt die gigantische boom waar de vogels des hemels - en Gods rijk kent vele vreemde vogels - waar de vogels des hemels alle ruimte hebben om neer te dalen en te nestelen, uit te rusten tegen de hitte van de dag in een beetje schaduw.

Ook de tekst van ná het evangelie van vandaag wordt volgende week overgeslagen. Dat is die beroemde tekst waarin Lucas Jezus, intens bedroefd, wanhopig bijna, drie keer de naam Jerusalem laat noemen. Ik lees het u voor: "Het gaat niet dat een profeet om komt buiten Jerusalem. Jerusalem, Jerusalem dat de profeten doodt." Voelt U de treurigheid? Hier vindt U ook weer de profeten. Jerusalem en de Profeten.
Het evangelie van Lukas - Lukas waarschijnlijk de enige niet-Jood in het Nieuwe Testament - Lukas begrijpt als niet-Jood niet, hoe het toch mogelijk is dat Jerusalem niet mee gaat in het evangelie van Jezus over God die koning is, terwijl er zo velen uit de volkeren rondom zijn die daar wel oor voor hebben. Het gaat in de delen van deze teksten over Jezus en "Israël en de volkeren", of over Israël en over heel de wereld. Kath'holon ton kosmon: daar is het woordje katholiek van afgeleid.

Het is dus vandaag een beetje katholieken - zondag in de ware zin van het woord. Katholiek, afgeleid van kath' holon ton kosmon, heel de wereld, over heel de wereld. Hoe moet je dat dan begrijpen? Naast Gods privé, Israël, heb je het openbare van heel de wereld, Jan en Alleman, Iedereen. Naast het bijzondere van Israël, met Abraham, Isaak en Jacob en de Profeten - daar zijn ze weer - heb je Al Die Gasten die van Overal Vandaan komen, uit het Oosten en het Westen, het Noorden en het zuiden. Katholiek, heel de wereld, al die Vreemde Vogels die ook Gods gasten zijn. Daar gaat het vandaag over. De eerste lezing zet daar op in, maakt daar vandaag ruim baan voor. De tekst van de Profeet Jesaja eindigt met wat wij noemen Jesaja hoofdstuk 66 regel 24. Wij hebben vandaag tot regel 66,21 gelezen en gehoord.
Ik ga alle volkeren en talen bijeenroepen en ze zullen komen en mijn glorie aanschouwen. Glorie, - niet het schitterende, het glorieuze, het triomfantelijke wat je ziet op de gezichten van sportmensen die gewonnen hebben. Glorie is in de bijbel kabood, dat wat weegt, wat de doorslag geeft, wat zoden aan de dijk zet. De volkeren, wij dus, wij zullen komen, en zie wie God is, hoe hij Zijn Naam heiligt wanneer Hij zich ontfermt over Zijn Zoon, Zijn Mensenkind " hier op aarde zijt gij gezien nooit meer: Kyrie eleis." "Heer ontferm U" - ook een tekst die je goed bijbels moet verstaan. Heer, wees betrokken op ons zoals wij dat ook op U willen zijn", wederkerigheid, gelijkheid, als van beminden die aanvoelen wat de ander aanvoelt. Alle volkeren zullen volgens Jesaja die aan zijn laatste hoofdstuk toegekomen is, Gods kabood, Gods doorslaggevende betekenis zien. Alle volkeren zullen mee gaan in God evangelie, in Gods goede verhaal.

Emmanuel Levinas, een bekende en door mij veelgelezen joodse filosoof of filosofische Jood, heeft een laatste bundel artikelen gepubliceerd onder de titel A l'heure des nations. Buitenstaanders kunnen die titel niet begrijpen: op het uur der volkeren. Wat is dat, "op het uur der volkeren"? Nou, dat betekent nogal veel. Kort gezegd: "Nu de wereld aan zet is". Na het verhaal over Israël en zijn God, nú het verhaal over de volkeren op zoek naar wat redelijk is, op weg naar wat verantwoord, wat eerlijk, goed en oprecht, vrede voor een hele wereld. U hoort, dat zijn allemaal woorden die iets zeggen over het koningrijk Gods, over de Glorie van de eeuwige.

Lukas spreekt eerst nog over het mosterdzaadje dat in de goede aarde valt, dat in Jerusalem zijn rustplek, zijn groeiplek krijgt. Dan is er het verhaal over die vrouw die een beetje zuurdeeg in het deeg doet waardoor heel het brood zal gaan rijzen. Israël is dat deeg dat heel de wereld mee zal nemen in de verhalen over Abraham, Isaak, Jacob en de profeten. En dat alles wordt opgerakeld om ons klaar te maken voor de reis die in het evangelie nu beginnen gaat, naar Jerusalem en naar de uiteinden der aarde. Gelukkig weet de bijbel niet dat de aarde rond is. Er is een einde, een uiteinde aan de aarde, er is een "waar je niet meer verder kunt en waar het ophoudt". Zo ver zal het verhaal van God en de mensen gaan. Katholiek, over heel de wereld, voor alle mensen tot het einde der wereld. Voor alle mensen een plek, een beetje brood, een beker. Voor alle mensen: wees welkom, fijn dat je er bent. Wil je meedoen.

In het evangelie van vandaag staat de heer van het huis op. Opstaan, een beetje plechtiger gezegd, opstanding hoort bij Pasen. Opstaan uit de duisternis van de slavernij, opstaan uit de engte van de dood. Daar komt ook de enge poort. De paasdeur wordt gesloten. Met Pesach kijkt iedereen nog even buiten de deur of misschien toch niet iemand aangeklopt heeft. Daarna gaat de deur dicht. De maaltijd blijkt begonnen. Maaltijd, beeld van al het SAMEN dat zo kenmerkend is voor het evangelie. Niet het ongenuanceerde samen van wij-met-zijn-allen, maar het samen van mensen die bij naam geroepen zijn, die zich uitgenodigd weten, aangesproken door de verhalen vanouds zo goed als nieuw, steeds weer nieuw zodra er Iemand is die ze vertellen wil. Ik denk dat de maaltijd het laatste is dat we vandaag moeten horen. De zinsnede over de eersten en de laatsten hoort bij het volgende verhaal. Want dan komen op dat uur de Farizeeën en de schriftgeleerden die toch graag en zeker weten dat zij de eerste zijn. En Jerusalem, Jerusalem, Jerusalem. U kunt het opzoeken in en bijbel.

Ons evangelie eindigt bij de maaltijd die God bereid heeft. God als Baal ha Bajit - Amsterdamse maakten van de "aa" een "oo". Waar wij amen zeggen, zeggen zij "omein". Heer des Huizes, baal ha bajit, en de th aan het einde gaat op in een s. Heer des Huizes Baal ha bajit, bollebojis wordt dan bolleboois, boleboos. God als Heer des huizes. Wat doet Hij dan? Hij heeft een maaltijd bereid waar allen uitgenodigd zijn. Daarom zijn wij hier, ook vandaag, uitgenodigd - om te bidden, te zingen, te breken en te delen wat God ons geeft.
Moge dat zo zijn.


 

zondag 1 augustus 2010
18e zondag door het jaar

Prediker 1,2;2,21-23
Lucas 12,13-21


De eerste lezing uit het boek Prediker hebben we gelezen omdat het romeinse leesrooster dat zo bij elkaar gezocht en gezet heeft. Die eerste lezing moet altijd aansluiten bij de evangelielezing en dat doet hij wel, als je een beetje vaag leest. Je zou immers kunnen zeggen: het evangelie vertelt dat al dat aardse gedoe niet alles is. Graaien en schrapen hoeft niet want er komt een tijd dat je leven op is en dan heb je niks meer aan alles wat je hebt. Je zou kunnen zeggen dat het evangelie daar over gaat. De eerste lezing zegt dan mooi: wat een gedoe! Al dat gedoe! Mens, wat maak je je druk en wat heeft het voor een zin! Laat toch zitten. En dan weet je, het hoeft nog maar een stapje verder en je hoort: zoek de diep dingen des levens. Nou, dan zitten we hier toch aardig goed bij elkaar.

Maar zoals altijd: het zou ook wel eens anders kunnen zijn. De eerste lezing komt uit het boek Prediker, en het boek Prediker hoort niet bij eind juli of begin augustus. Prediker moet je lezen tussen eind september en eind oktober - u hoort: dat klinkt naar het najaar, en dat is precies correct. Het boek Prediker hoort bij het najaar. Het is een mooi boek, probeer het maar te lezen. Het is helemaal niet zo moeilijk, maar het hoort gelezen te worden in het najaar. Prediker uit het Aloude Testament is een joods boek. De synagoge, de joodse gemeenschap leest het boek tijdens het Loofhuttenfeest, exact een half jaar na Pasen. Pasen tussen eind maart en eind april. Een half jaar later, tussen eind september en eind oktober het Loofhuttenfeest met als extra boek: Prediker.
Het Loofhuttenfeest is het bijbelse feest dat gevierd wordt als de laatste oogst van het land is gehaald. De oogst is binnen. Er is niets meer te doen op het land dus de vrije tijd begint. Het Loofhuttenfeest, het enige bijbelse feest dat ook uitdrukkelijk voor niet-joodse mensen is, namens de volkeren, in grote verbondenheid dus, werden offers gebracht in de Tempel in Jerusalem. Loofhuttenfeest, de laatste oogst van het jaar is binnen. Het is het feest: "mensen wat zijn we rijk".

In en rond Amsterdam wonen joodse mensen. Met het Loofhuttenfeest wonen ze in de tuin of op het balkon. Als het enigszins kan moet je eten onder de open hemel en heb je gasten. De loofhut is een opbouwbare en afbreekbare woning, een mobiel huis, het is een voorlopig huis. Als het kan moet je eten onder de hemel om te zien en na te denken over wat het betekent: mens zijn op aarde onder de hemel. Je viert het feest en leeft buiten. Nu de oogst binnen is, nu we allemaal binnen zijn, gaan we in de liturgie oefenen om buiten te leven, want binnen zijn is niet vanzelfsprekend.

Ook is Prediker een eigenzinnig boek. De leraren hebben heftig gediscussieerd of het boek Prediker wel in de bijbel mocht. Het is namelijk geen vroom boek. God komt er niet in voor en er wordt niet in gebeden. Maar de eindconclusie was: Prediker hoort wel in de bijbel want er zijn mensen die zo denken als Prediker en die hebben ook recht op een plek in het Goede Boek. Prediker is een boek dat mensen bij elkaar brengt. Dat moge wel duidelijk zijn. Je hoort dat ook aan het begin.
Prediker begint met: "IJdelheid der ijdelheden". Een beetje typisch: ijdelheid, het is ijdel, het heeft geen zin. Alles is ijdel.
Ja, dat moge wel zo zijn, maar dat staat er natuurlijk niet want het boek is in het hebreeuws geschreven. Er staat: Aveel Aveliem, of Abel abeliem.
Hoort u het bekende woord Abel? Abel kennen we van Cain en Abel. Net buiten de tuin van het paradijs komen we Cain en Abel tegen. U weet dat de aarde dan rood wordt. Abel, het eerste slachtoffer. Als je niet oppast!
Nu begrijpt u ook beter waarom bij het Loofhuttenfeest mensen elkaar opzoeken, hun onderlinge verbondenheid vieren. Ook als je buiten bent kun je binnen zijn, als je een beetje geeft om elkaar, en dat is heel belangrijk. Denk aan Abel. Hij heet Abel want dat betekent damp, lucht, bijna niets, een keer blazen. Maar als je elkaar aanziet ben je wie weet samen sterk. Je leeft toch bij gratie Gods, bij geven en nemen.
Prediker een peinsboek.

"Rabbi, zeg tegen mijn broer". Dat rijmt minstens een beetje op "Cain en Abel". "Zeg mijn broer". Er komt iemand bij Jezus die zijn broer aansprakelijk houdt. Zeg mijn broer … de erfenis delen. Dat gaat natuurlijk niet alleen over wat vader en of moeder hebben nagelaten. Dat gaat over alles wat we erven, onze wereld, onze cultuur, onze samenleving. Mijn broer moet de erfenis met me delen.
Uit het antwoord van Jezus blijkt dat hij heel anders kijkt. Hij wil geen rechter of verdeler zijn. Hij wil iets anders. Hij wil leven, hij wil "je leven veilig stellen". Geen enkel bezit kan je leven veilig stellen. Zodat we natuurlijk wel de vraag moeten stellen: wat is dat leven dan dat je blijkbaar kunt of moet veilig stellen?
Je leven veilig stellen doe je niet met het werkwoord hebben. Je leven veilig stellen heeft met zijn te maken, met zijn, er zijn, simpel ter plaatse zijn. Je hebt je leven niet. Je leven, dat ben je. Je zien en je horen, dat ben je. Mijn leven, dat ben ik.
Het gaat over mij, over jou. Het gaat over die ene die we bij alles wat de denken en doen, voelen, menen, zouden willen en hopen, over die ene die we voortdurend tegen komen, de mens zoals hij of zij voor zichzelf is. De mens die altijd in jouw scheepje zit, "me", zoals ik me regelmatig voor de voeten loop, of "nu eenmaal ben",
Bijbels gesproken ook: mens in Gods hand, schepsel Gods, mens op aarde onder de hemel. Mens die leeft van dag tot dag, iedere dag weer. In Gods hand. Mens je bent gezien. Voor God tellen je dagen, voor God ben jij er.

Als de man in het verhaal naar zijn schuren kijkt en tegen zichzelf zegt: "Je bent nu rijk genoeg voor jaren", dan is dat een bijbels grapje. Want bijbelse mensen leven geen jaren. Ze leven dagen. Daarom kun je ook oud van dagen zijn en nog steeds ook jong, want iedere dag is jong.
Leven, je leven oppakken en zoals we dat tegen elkaar zeggen "er iets van proberen te maken", dat is rijkdom voor je leven, dat noemt het verhaal "rijk zijn voor God".

Rond de tafel van het laatste avondmaal horen we Jezus over zijn leven, zijn lichaam, zijn bloed, zijn aanwezigheid en betrokkenheid met ons, de broeder- en zusterschap die we delen wanneer we "Onze vader" zeggen.
Delen we dat met elkaar en moge dat zo zijn.

 


25 juli 2010
17e zondag door het jaar

Genesis 18,20-32
Lucas11,1-13

Het zou me niet verwonderen wanneer U niet meer weet waar de eerste lezing vorige week over ging. De tweede weet u nog wel. Het ging over Marta en Maria. Doen is niet alles. Het gaat niet alleen maar over doen, doen, doen, doen. Neem ook eens de tijd voor wat je fascineert en neem ook eens tijd voor jezelf. Laat de wereld waarin je leeft open gaan en sta mensen toe die de tijd met je delen. Maar de eerste lezing, vorige week, waar ging dat over?

Drie jaar geleden heb ik een icoon meegebracht naar de dienst van vorige week. Daarop zag je drie figuren bij een tafel zitten. Op de achtergrond zag je een gebouw, een wijnstok en een rots. Het gebouw. Want God heft ruimte voor velen. De wijnstok van het avondmaal, de wijn, en de rots van het rotsvaste vertrouwen. Een figuur ontbreekt, een man zie je niet, want dat ben je als kijker ook een beetje zelf. De drie figuren zitten aan een tafel met bood en wijn. De icoon heet: de ksènofiloesa, de liefde voor vreemdelingen, ofwel de gastvrijheid van Abraham. Abraham op zijn best. Abraham als gastheer voor zijn gasten. We lezen maar zelden uit de verhalen over Abraham, jammer genoeg.
Abraham, de vader van de gelovigen, zeg, de vader van de mensen die leven met vertrouwen, die durven en kunnen vertrouwen, die de/het andere durven toe te laten in hun leven, niet enkel leven met alle deuren op slot.
Abraham, in het oude latijnse canongebed werd elke dag gezegd: "onze vader Abraham". Wanneer we bij een begrafenis ook latijnse liederen zingen dan kunt u nog horen over "zoals U aan Abraham beloofd hebt". Abraham leeft met de belofte. Uit de beloften komt het kind van Abraham, zijn zoon, zijn Isaac.
Vader en zoon, Abraham en Isaak - u merkt wel, hier is voor wie dat wil nog veel te peinzen. En dan heb ik het nog niet eens gehad over Sara, de nuchtere, de praktische. Dat moet wel als je meegaat met een man die van dromen leeft, ook nog dromen die wonder boven wonder uitkomen.
Enfin. Op naar de lezing van vandaag.
Vast staat dat Abraham zich niet groter maakt dan anderen. Geen stad, geen samenleving zo corrupt als Sodom en Gomorra.
Wie ook maar een beetje minder eigenheimer was, een beetje vreemd was of vreemd deed - daar moesten ze niets van hebben. De leraren leggen uit: een ander mens helpen, daar stond eigenlijk de doodstraf op. Een samenleving die naar de keel grijpt en door bijt.
Maar ook voor die ellende zet Abraham zich in. Als God die corrupte wereld op wil ruimen zegt Abraham: dat kun je als God bent, niet maken. Stel je voor dat er 50 rechtvaardigen zijn! Ik ga het verhaal hier nu niet herhalen over de onderhandelingen die Abraham met God voert. Maar mens zijn voor God betekent voor Abraham ook: je bekommeren om de mensen, er zijn voor de ander. Zo ook laat je zien wie God is, iemand die naar je omkijkt, die vraagt om recht en rechtvaardigheid, een plaats waar mensen kunnen zijn. Abraham, een mens die met al zijn onzekerheid durft te leven, want God is er ook nog en je weet het nooit.

Abraham, de vader van de gelovigen - dat blijft trouwens ook een wonderlijke zaak. Ik bedoel: je moet vandaag de dag over nogal wat lef beschikken om te geloven, - lef of domheid zegen sommigen. En het klopt: als ik zo hoor en zie wat sommige gelovigen doen en zeggen. … Tot in de hoogste regionen van de kerk lijkt domheid troef en is wijsheid een uitzondering.
Als godsdienstleraar heb ik natuurlijk vaak moeten uitlegen wat geloven is. En ik moet U eerlijk bekennen: ik vind dat nog altijd een interessant onderwerp. Waarom interessant. Om tge beginnen: uit "geloven" blijkt, dat we meer zijn dan plantjes die hun natje en droogje moeten hebben om dan gelukkig te zijn, en te groeien en te bloeien tot je er bij neervalt.
Geloven heeft met weten te maken, maar, interessant, het is een weten van wat je niet weet maar toch. Het is hangen aan wat zich aan je onttrekt. Het is net zoals bij houden van: je doet het, je voelt het, minstens soms, maar je weet niet wat het is. Geloven: ge-love-n. Het engelse believe verraadt ook dat geloven met houden van te maken heeft. U kent het woord credo. Cor dare, je hart geven. Dan gaat het niet over een transplantatie, dat begrijpt u wel. Maar leven met je hart, je hart geven, heeft alles te maken met voorruit kunnen, vooruit durven en willen.
Geloven. Het kan je op de been houden in dagen die niet zo eenvoudig zijn, maar je hebt er geen idee van waar je op steunt, wat je draagt. "Leven is genade", zeggen we dan, een geschenk.

De laatste jaren heb ik bij geloven twee hele nuchtere opmerkingen. Het eerste is: het leuke van geloven is dat je er een compleet geheugen bij krijgt, een extra harde schijf vol verhalen en beelden, melodieën, herinneringen. Als gelovige dobber je niet alleen maar in je eigen bootje, maar dobber je ook op het water van alle verhalen die hier en nu, in en rond de kerken ter sprake komen. Je hoeft niet alleen naar je eigen verhalen te luisteren. De verhalen van al die mensen voor ons krijg je er bij, een compleet pakket met extra verleden.

En het tweede wat ik graag zeg bij geloven is bijna nog leuker. Het grote voordeel van geloven is dat je zoiets hebt als een adres. Er is iets, ergens, anders, een plek, een naam, een adres waar je terecht kunt. Ik hoop eerlijk gezegd, dat U dit een beetje raar vindt, want dan kan ik het ook een beetje uitleggen.
Door ons geloven krijgen we een extra verleden en een adres. Dat verleden is niet zo moeilijk. Denk aan kerstmis en de doos met verhalen gaat open. Denk aan Goede vrijdag en we weten: ieder huisje heeft zijn kruisje. Verhalen maken duidelijk: hoe dan ook, je bent niet alleen. Durf maar te luisteren, sla je ogen op en kijk rond. Extra verleden betekent dus ook: extra toekomst, extra verwachting, moed, durf om te zijn.
En een adres.
Jezus is aan het bidden en de leerlingen komen naar hem toe wanneer hij even ophoudt. Heer leer ons bidden. Dat heeft Johannes ook gedaan. Die heeft zijn leerlingen ook leren bidden. U kent dat gebed. Het staat hier rechts van de deur in onze kerk ingemetseld: Moge ik kleiner en jij groter worden. Nu vragen de leerlingen: leer ons ook zoiets, bidden.

Het is een overbekend onderwerp uit onze jeugd; Bidden is spreken met God. Raar gesprek, Hij zegt niets terug,enzovoorts. Daarom vind ik dat zo'n onhandige uitleg. Want dan kom je nog niet dichterbij, snap je het nog niet. Heer leer ons bidden. Dan zegt Jezus: als je bidt zeg dan: Vader, of bij Matteüs Onze Vader.
Jezus geeft antwoord en doet wat vroeger op school niet mocht. Je mag je voorzeggen. Prachtig woord, voor-zeggen.
Jezus presenteert zich als iemand die voor-zegt. Je moet zeggen wat Hij zegt. Zeg Vader, onze vader. Door zijn woorden richt hij ons op iemand, op God, op de Oneindige - die hij Vader noemt. Dat woordje vader is de samenvatting van alles wat je verder nog zeggen kunt. Vader, broers en zussen, hemel en aarde. Dat wat Hij wil moge gebeuren, zijn wil, zijn vrede op aarde, brood voor vandaag en voor de dag die aanbreekt. En vergeving, opnieuw durven beginnen.
Ik ga terug in mijn verhaal. Adres. Jezus geeft ons een adres. Dat adres is: Vader, Onze Vader. Adres, richting, nu weet je dat je ergens naar toe kunt, terecht kunt, waar je moet zijn als je wil.
Vat ik mijn verhaal voor vandaag samen.
Drie kernen vandaag.
Abraham de vader van de gelovigen, onze vader - geloven als een extra geheugen en geloven betekent een adres hebben. En dat alles wordt ons aangereikt waar Hij zich aan ons geeft en waar we brood en wijn delen met elkaar om Hem en Onze Vader te gedenken.
Jan Engelen

 


 

zondag 4 juli 2010
14e zondag door het jaar

dienst van Woord en Communie

Jesaja 66,10-14c
Lucas 10,1-12.17-20

Terwijl ik de preek voor vandaag voorbereid denk ik:"Wat een gedoe. 70 Leerlingen, soms zijn het 72 leerlingen. Die trekken rond en preken. Volledig ongewapend, geen beurs, geen reiszak, geen schoeisel. Wat er gebeurt krijgen we vervolgens niet te horen. Wel dat het een groot feest is. En Jezus doet er nog een schepje bovenop: "Ik zag de satan als een bliksemflits uit de hemel vallen. Je kunt gerust op schorpioen en slangen trappen. Er kan je niets gebeuren. En maak je niet al te druk over die dingen. Verheug je liever dat je namen staan opgetekend in de hemel."
Wat een gedoe.
Wat moeten we hier nu mee?
Nog maar eens kijken. Ik pak er mijn griekse bijbel bij. Na dit alles staat er. Na wat alles?. Blijkbaar hoort het voorafgaande er bij. Dat wordt als afgesloten beschouwd want de tekst zegt uitdrukkelijk: na dit alles. Na wat allemaal?

Het afgelopen half jaar zijn we druk bezig geweest met Kerstmis en Pasen en alle voorbereiding en verwerking die daar bij hoort. Als het ware in een notendop hebben we het hele leven van Jezus gedoseerd over de winter en het voorjaar meegemaakt. Nu keren de lezingen terug naar de orde van het jaar. Dit jaar is dat het evangelie van Lukas. En we vallen er midden in. Hoofdstuk 10. Wat is er in het voorafgaande verhaal gebeurd?
Lukas heeft de eerste verhalen over Jezus vertelt. Langzaam aan begint duidelijk te worden wie hij is. Dan komt het verhaal op grote hoogte, het verhaal op de berg. U kent het wel. Voor het aangezicht van drie leerlingen blijkt Jezus in gesprek met Mozes en Elia. Ze spreken over de Uittocht die Hij in Jerusalem zal volbrengen. En de leerlingen? Ze vatten het wel, maar ze vatten het ook niet. Toch gaan ze met Jezus mee. In Samaria moeten de mensen hem niet. De Samaritanen moeten niet te veel hebben van die teruggekeerde ballingen. Maar Jezus weigert tegen deze mensen die hem en zijn leerlingen afwijzen op te treden. Dan komt er iemand met: "Meester, ik wil je volgen, waar je ook heen gaat". Heel goed. Dat herkennen we. Leerlingen willen we zijn. Maar we krijgen het duistere antwoord te horen: "De vossen hebben holen, de vogels des hemels hebben nesten maar de mensenzoon heeft niet waar hij zijn hoofd kan neerleggen." Een en al raadsel.
Alsof we niet mogen en niet kunnen weten waar het naar toe gaat - terwijl we toch weten waar Hij zijn zinnen opgezet heeft - op Jerusalem, op de stad van de grote koning.

Voordat die reis begint of terwijl die reis begint krijgen we dan het verhaal van vandaag. Het blijkt niet meer te gaan over de twaalf, maar over de zeventig of de 72. Dat getal komen we in de Tora ook tegen, wanneer Mozes oudsten aan gaan stellen die hem helpen bij het doen van zijn werk. Twaalf stammen van Israël. Uit elke stam 6, zodat 2 stammen het getal van de twaalf al laten zien. Tegelijk is 70 het getal van de volkeren. Volgens de bijbel bestaan er op aarde 70 volkeren. Die 70 leerlingen kunnen ook heel de wereld vertegenwoordigen. Kath'holon ton kosmon - heel de wereld, katholiek.
De 12 blijken op weg te moeten gaan omdat er een oogst is binnen te halen. Als lammeren gaan zij op weg om de oogst van de Heer te verzamelen.

Ik denk: daarmee wordt niet beschreven wat wij moeten GAAN doen, maar wat wij doen. In die 70 zijn wij meegestuurd om de oogst te verzamelen. Dat klinkt ons ongelooflijk in de oren. Wie zijn wij dat wij de oogst van en voor de Heer mogen gaan verzamelen? Maar we krijgen de kans niet om dat te vragen. Er is werk aan de winkel. Wij zijn druk met het verzamelen van de oogst, zegt de tekst vandaag.
Is dat dan zo?
Die kwetsbaarheid van het lam herkennen we wel. De weg naar Jerusalem wordt gebaand door onderweg sjalom aan te bieden. Want weet: het koninkrijk van God is nabijgekomen. Het is alsof de leerlingen gaandeweg moeten leren zien wat dit betekent: het koning zijn van God komt nabij.

Misschien is dit het moment om naar de eerste lezing terug te kijken. Een indrukwekkende tekst uit vrijwel het einde van Jesaja. Na deze regels komen er nog 9 verzen. We krijgen dus zo'n beetje de laatste beelden te horen, te zien. Die laatste woorden willen maar een ding: we moeten, wij mogen ons verheugen. Ieder die om Jerusalem gerouwd heeft of die over Jerusalem treurt, ieder die begaan is met Gods aanwezigheid te midden van de mensen: laat je tot verzadiging toe zogen aan haar borsten vol troost.
Met Jesaja kijken we naar Jerusalem, de stad die door de verduistering van de ballingschap heen gegaan is, die door God bij de hand genomen is en teruggebracht naar de heuvels van Judea. In het evangelie kijken naar Jerusalem maakt ons allemaal tot kinderen. Je voelt de woorden al opwellen: Onze Vader. Uw rijk, moge het er eindelijk van komen. Kijkend naar Jerusalem verbleekt alle leed en zien we een vrouw die zich behoedzaam buigt over haar kind, het voedt en troost, het vertroetelt op haar schoot. Zoals een moeder haar kind troost zo zal ik jullie troosten. Jerusalem zelf zal jullie troost zijn. Thuis komen, thuis komen, eindelijk thuis.

Ik hoop dat U het begrijpt. Het gaat hier niet over grijpen, pakken, je toe-eigenen. Het gaat over beloften, over wat ZAL gaan gebeuren. Bijbels geluk is niet het incasseren van een polis die tot uitkering komt. "Je hebt er toch recht op!" Hebben is hebben en houden is houden. Bijbels leven is iets totaal anders. Bijbels leven is leven met de beloften, is levenslang de beloften verkennen, de handen uitsteken. Daarom ook: het koningschap van God is nabij gekomen. Niet graaien en grijpen, maar nabijheid zien, aanwezigheid tasten en vermoeden. Nu al wordt de herinnering gemobiliseerd, het krediet dat wij altijd mogen meedragen, dat ons ook wordt aangereikt, hier, elke week weer, brood uit de hemel, het lichaam van Christus, een Mens om mee te leven. Iemand die ons vooruitstuurt om aan de weg te timmeren en baan te laten breken naar Jerusalem, naar "waar het goed is" en naar wie wij steeds ook terugkeren om persoonlijk de woorden te horen die ons vertellen wat Hij voor ons heeft, met ons voorheeft, gaandeweg. Steeds een beetje uit de overvloed van God te midden van ons.
Moge dat zo zijn en delen we dat met elkaar.
Amen

 


zondag 6 juni 2010
Sacramentsdag

Genesis 14, 18-20
Lucas 9,11b-17

De kerk van mijn jeugd is al 30 of 40 jaar in het wit of met lichte pasteltinten overgeverfd, - ondergeverfd eigenlijk. Want ik weet dat er onder de verflagen muurschilderingen zitten. Ik weet niets van de kunstzinnige kwaliteit van die schilderingen. Ik was toen te jong. Maar van een afbeelding, ik meen links van het altaar weet ik nog precies wat het voorstelde. Er stond een tafel met brood en een beker op, en daarachter stond een eerbiedwaardige oude heer met een eigenaardige muts. Toen ik leerde lezen bleek daar de naam Melkitsedek onder te staan. In nog al wat oudere kerken kom ik die afbeelding tegen, geschilderd, in mozaïek: Melkitsedek. Zijn naam wordt in het OT maar één keer genoemd. Het zijn alleen maar die paar regels die u vanmorgen hoorde. Paulus noemt hem ook, ik meen één keer. En bij neomistenfeesten werd vroeger gezongen: tu es sacerdos in aeternum secundum ordinem Melchitsedek, gij zijt priester voor eeuwig in de orde van melkitsedek. Melkitsedek moest dus echt wel iemand zijn, al ben ik daar in mijn jeugd nooit achter gekomen.
Mekitsedek is dus een vreemde vogel, alom bedekt met heiligheid. Melkitsedek, priester van de Allerhoogste, koning van Salem, koning van Vrede.
Salem, iedere rabbijn weet: dat is Jerusalem! Melkitsedek is een van de zeldzame bijbelse gestalten van wie we niets weten over een vader of moeder. Hij komt bij wijze van spreken zo maar uit de hemel - hier al in dit aardrijk zijt gij gezien nooit weer. Vredeskoning. En er is nog iets. Melki is mijn koning. Tsedek is gerechtigheid. Een vredevorst die als koning de gerechtigheid in zijn vaandel voert, die de gerechtigheid hoog houdt.
In Melkitsedek komt Abraham - vader van velen, dus minstens ook een beetje van ons, onze vader - In Melkitsedek komt Abraham als het ware zijn evenbeeld, aan hem gewaagd tegen. Wat is er gebeurd?
U kunt dat nalezen in Genesis 14. Het is voorjaar. De koningen moeten dan doen wat ze werkelijk niet laten kunnen. Ze willen hun goudhaantjes weer victorie laten kraaien. Ze trekken ten strijden om te bewijzen dat zij de sterkste zijn.
We weten, als de grote jongens vechten krijgen de kleintjes de klappen. In dit verhaal is dat met name Lot. Lot had mogen kiezen. Hij had zijn ogen de kost gegeven. Hij zag de vruchtbare vlakte van de Jordaan tegenover het bijna kale heuvelland en wist: "Daar moet ik wezen". Hij was gaan wonen op de beste, de vruchtbare plek. Maar precies om de beste plek vechten de hoge heren ook. Lot wordt gevangen genomen. Iemand komt het Abraham vertellen.
Het is niet tegen dovemansoren gezegd. Abraham hoort het en hij doet wat hij kan om zijn broer Lot te bevrijding. Zo zegt de tekst dat. Die wij met de genealogische tabel in de hand neef Lot zouden noemen, noemt Abraham broer. Broer Lot. Abraham wil broer voor zijn broer zijn, gaat er voor dat alles recht komt, vecht voor wie er onderdoor gaat, vecht voor de gerechtigheid.
Als het hele verhaal zijn beslag gekregen heeft komt Melkitsedek Abraham tegemoet. En Abraham buigt voor Melkitsedek, priester van de Allerhoogste, koning van Salem, mijn koning is de gerechtigheid. Brood en wijn bezegelen de samenhang, de verbondenheid, de vreugde. Brood en wijn, tekenen van gastvrijheid en broederschap. Tekenen van: "Weet dat je welkom bent. Jij telt voor mij. Jij mag er zijn." Melkitsedek maakt duidelijk dat met Abraham een nieuw verhaal begonnen is.

In het negende hoofdstuk van het Lukas evangelie is het reizen en trekken een feit aan het worden. De leerlingen gaan twee aan twee op weg en koning Herodes is geïnteresseerd is deze nieuwe man. Wij van de Sint Jan kennen die Herodes. Het is de man die Johannes de Doper heeft laten onthoofden als cadeautje voor zijn dochter die zo mooi kon dansen toen hij jarig was. Na de moord op Johannes spookt zijn gestalte rond in het hoofd van Herodes. Hij denkt dat Jezus Johannes is, uit de doden opgestaan.
De leerlingen vertellen Jezus wat er gebeurd is. Ze trekken zich terug naar Bethsaida - het huis van de visserman - , de menigte achter hem aan. Waarom gaan ze met zijn allen achter Jezus aan? Zou het verhaal daar iets over zeggen. Ja, dat doet het. Het eerste wat Lukas zegt is: Hij ontvangt hen. Ze en dus ook we, kunnen bij hem terecht. Hij gaat niet eerst selecteren. Hij heeft geen criteria of maatstaven. We horen niets van "jij wel en jij niet". Hij ontvangt hen, is ontvankelijk voor ons, heeft ruimte voor ons, hij geeft thuis. Zo maar een dak. Maar laten we wel wezen. Dat moet Jezus wel. Je moet vóór de mensen zijn wanneer je het voortdurend hebt over "God is koning", en over hoe Hij koning is - als bevrijder, als redder, als iemand die het voor de mens opneemt, als iemand die jou kent en begrijpt. En het klinkt zo wonderlijk gewoon: wie genezing nodig heeft geneest hij. Hoe dat genezingsproces gaat vertelt de tekst niet. Of toch?
Het zou wel eens kunnen dat het volgende verhaal, het verhaal over de vijf broden en de twee vissen een uitleg voor ons is, over hoe de grote Visserman ons zijn heilzame aanwezigheid geeft. Jezus zelf als levensbron, als voedsel voor onderweg. Twaalf manden blijven er over. Daar eten we nog steeds van. Een keer begonnen houdt het delen immers niet op.

Sacramentszondag vandaag. Het lichaam van Christus. Etymologisch is lichaam, lijck-haam. Het woord een samenstelling van lijk, het dode lichaam, en haam omhulling, gewaad, verschijning. Het lichaam is niet een ding. Wij zijn het zelf. Ons lichaam is ons leven, is wij zoals wij hier en nu bij elkaar zijn, aanwezig zijn. In brood en wijn, de gaven die wij met de verhalen delen biedt Hij zich aan. Hij geeft zich aan wie zijn leerling wil zijn, hij als reisgenoot voor onderweg.
We kennen de verhalen, we weten van de bemoediging. We weten hoe hij voor ons gaat, ons voor, dromend over Zijn Vader, (Onze Vader). Vruchtbaar als zaad dat in de akker valt, dorstlessend als de goede wijn, de vrucht van de akker. Gegist druivensap. Vergane glorie die wijn geworden is. En denk aan Noach. Na de Zondvloed wordt hij boer. Hij plant een wijnstok en overleeft daarin de dood met al zijn dreiging. Want niet de dood, maar brood heeft het laatste woord, en de wijn van de broederschap: vriendschap en zegen voor altijd, voor elke dag, zelfs voor ieder moment - zoals wij hier en nu met elkaar vieren.
De kerk heeft zijn problemen. De kerk, wie de kerk? welke kerk? In ieder geval niet de kerk die essentieel kerk is, als lerende en biddende gemeenschap rond de Messias. Aan de tafel van het laatste avondmaal wordt het duidelijk dat het leerproces, het samen zijn met de leraar, nog lang niet voorbij is. Nu, tegen het einde, wordt duidelijk dat het pas gaat beginnen. Van alles wat nog komen moet wordt dit gebaar de samenvatting en uitleg: breken en delen en samen de vrede bewaren, verkennen, waarderen. Samen Gods mensenkinderen zijn in Zijn Naam - in de naam van Jezus, onze broeder, onze Heer.
Moge dat zo zijn.


zondag 30 mei 2010
Heilige Drie-eenheid

Spreuken 8,22-31
Psalm 8
Romeinen 5,1-5
Johannes 16,12-15

Inleiding: bij Psalm 8, de antwoordpsalm: "Voor de koorleider. Op de Gittit. Een psalm van David. Heer, onze Heer…"- Op de Gittith zegt Psalm 8,1. Dat heeft te maken met de wijnpers, waar druiven geperst maar ook tot hun recht komen. Overweldigend is de naam van God - nooit de aanwezige, altijd de aanwezig komende, de nabijkomende. (Het hebreeuws kent niet de tegenwoordige tijd van het werkwoord zijn. Het worden, het naderen en geschieden, duidelijk worden, aanbreken moet in het woordje zijn in bijbelse teksten steeds mee horen. Zoals je vroeger bij de projectie van een beeld zag. Langzaam maar zeker zag je het scherp worden, het er zijn komen.)
Hoe alles betekenend Gods Naam is! Zijn majesteit aan de hemel is een lied dat opwelt uit de monden van mensen die nauwelijks (meer) spreken, voor zuigelingen en grijsaards, voor mensen die zich niet zullen of kunnen beroepen op eigen kracht. Met grenzenloze bewondering zien zij hoe God de mens zijn plaats in de schepping geeft in wederkerigheid: de wereld is er voor de mens om hem te eren, de mens is er voor de wereld om die te laten zijn.


Al weken lang lezen we in de afscheidsrede van Jezus. Johannes vertelt over Jezus, die avond, die laatste avond, aan tafel met zijn leerlingen. Eigenlijk een hopeloze avond, want zou niet iedereen aan die tafel geweten hebben dat er iets vreselijks zou gaan gebeuren?

Maar Johannes vertelt niets over een bange Jezus. Johannes vertelt ook niet als een bange leerling. Het verhaal dat we van hoofdstuk 13 tot en met hoofdstuk 17, vijf hoofdstukken lang horen, confronteert ons met een Jezus die een soort vader en moeder tegelijk is, betrokken en bezorgd, maar die je ook moed in spreekt. Iemand die je vast houdt maar die ook weet dat hij je los moet laten, dat je zelf zult moeten gaan, heel die weg door je leven heen. Het is ook het verhaal van een Johannes die intussen wel weet dat de tijd al lang voort duurt en dat het nog wel tijden duren zal. En hoe moet dat dan gaan in die alsmaar heftige geschiedenis met zijn meest onmogelijke verhalen als waarheid van elke dag?
Hoe moet dat met al die mensen die het vaak zo moeilijk hebben met zichzelf of met elkaar? Hoe moet dat met al die mensen die maar weinig nodig hebben om tegenover elkaar te staan of uit elkaar te gaan.

Die laatste avond wil Jezus in het verhaal van Johannes zijn leerlingen op het hart binden dat hij weliswaar weg gaat en dat ze het zonder hem zullen moeten doen. Maar hij verzekert ons ook dat wij zullen leven in zijn spoor. Hij laat ons zijn geest, zijn woorden na. Alles wat hem bezielt en waar hij van leeft, zijn stem bij wijze van spreken, zichzelf laat hij ons na. Zijn geest rust op ons, zijn stem die spreekt van Vader, Zoon en Geest, van de geheime samenhang die onze wereld draagt.

Vorige week heb ik u proberen te vertellen over het wonder van de taal, over de woorden die ons in leven houden en wegwijs maken. "Lichaam en geest" zeiden we vroeger, "lichaam en taal" probeer ik tegenwoordig wel eens. De franse filosoof Levinas zegt: ieder mens leeft in zijn wereld, overziet die, hanteert die, richt die in. Dat is een zeker evenwicht. Maar ieder mens heeft ook de idee van het oneindige. "De idee van het Oneindige"? Ja, van het overschrijden van grenzen, van iets dat zich voor ons uitstrekt, dat zich aan ons onttrekt. Maar Levinas houdt dat onthutsend praktisch: Ieder mens heeft de idee van het oneindige. Dat betekent twee dingen. 1. Je leeft in een samenleving en 2. Je ziet alles om je heen door jouw ogen, vindt jouw woorden, jouw wereld - absoluut uniek, enkelvoudig en bijzonder-tot-en-met.
Met deze woorden kunnen we proberen te vangen wat ons toevertrouwd wordt in de eerste lezing. Dat is een beroemde tekst. Over de wijsheid die als Gods troetelkind van voor alle eeuwen bestaat.
God schept - voor ons heeft dat altijd iets van "maken", maar het Goede Boek ziet dat meer als een soort spreken, heel specifiek en bijzonder illustratief spreken. Voordat het licht licht is, heeft God het zo genoemd. Hij noemt de zon, de maan, de sterren. Hij noemt de vogels die vliegen in waar een mens niet leven kan, de hemel, de vissen die soepel te keer gaan waar geen mens het overleeft, in het water. Dat komt wat wij meer herkennen, de dieren groot en klein op het land, en de mensen voor wie het er allemaal lijkt te zijn, tot en met de rust om te genieten en op te ademen. En straks zal God de dieren langs Adam voeren, want wat God kan, kan de mens ook. Scheppen kun je afkijken. Voor mij staat God nieuwsgierig toe te zien en luistert hij opgetogen, hoe de mens de dieren noemt, hoe hij de aarde bewerkt op hoop van zegen. Zoals je luistert naar een peuter van 2 of 3 jaar die heel zelfstandig en bewust de dingen noemt en ook jou een naam geeft.

De gretigheid waarmee kinderen pakketjes openen, dat is taal. Waar taalt gij naar? Zoals een schoenlepel je voet de schoen in helpt, zo helpt de taal je onze wereld in. Ons spreken maakt ons tot getuigen van waar de wereld open gaat. Want meer dan wat er is, is de wereld dat wat wordt, wat zich aandient, wat gebeurt. Taal doet niet de wereld dunnetjes over maar geeft de werkelijkheid handvatten.
Zend uw geest uit en alles zal herschapen worden, zeiden we vroeger vaak. Ware woorden, goede taal. Taal creëert en recreëert, herschept, haalt te voorschijn, breng voor de dag.

Ik weet wel, als al het goede kun je ook de taal misbruiken. Je kunt er een dictatuur van maken, een "je hoeft mij niets te vertellen", of "Heb je al gehoord dat". Taal maakt mensen ook tot valse getuigen, tot beroepsminachters van alles wat probeert menselijk te zijn. Maar in oorsprong is de taal het geschenk dat ons tot leven roept. "Toen Hij de fundamenten voor de wereld legde was ik aan de zijde van de Kunstenaar en was ik zijn troetelkind, dag aan dag. Ik speelde voor zijn aangezicht.

Het zou kunnen zijn dat Paulus niet alleen spreekt over geloven in Jezus, maar meer nog over het vertrouwen van Jezus. Zijn vertrouwen, zijn weg maakt ons gaan op die weg mogelijk. Die vrede van dat vertrouwen berust op jeugdige flexibiliteit en nieuwsgierigheid: hoe doet Hij het ons voor en kunnen wij het Hem na doen. Dat een en ander niet enkel eenvoudig is, op vele wijzen pijnlijk kan zijn, het zij zo. Het is weeldebelasting. Wanneer je de rijkdom van dit bestaan, het leven dat ons gegeven is, begint te vermoeden, dan mag het in goed nederlands, ook wat kosten.

Veel is er de afgelopen maanden gezegd worden, maar toch blijft er nog veel dat gezegd zou moeten worden. Dus er blijft hoe dan ook een tekort. Zijn lichaam en zijn taal zullen bij ons zijn, delen wij met elkaar. Moge dat zo zijn.


 

zondag 23 mei 2010
Pinksteren

Handelingen 2,1-11
Psalm 104
Korintiërs 12, 3b-7.12-13
Johannes 20, 19-23

(Naar aanleiding van: De woorden die ik jullie geef zijn geest en leven, Joh 6, 63)

Als we het over de wereld hebben, dan denken we in de regel over dingen: over de bol die onze aarde is, over de straten en pleinen waar we wonen, maar ook de tafels en stoelen in ons huis, tot en met het servies in de keuken en het zout. Maar het typische is: die wereld bestaat niet alleen uit de dingen, maar ook: voor al die dingen hebben we namen, woorden. Ook vage dingen,eigenlijk geen dingen, zoals de politiek, of "wat mensen graag zouden willen", zelfs heimwee naar wat voorbij is, "stel je voor", of "weet je nog dat". Voor al die dingen, zichtbaar en min of meer onzichtbaar, hebben we woorden.

Met en over alles waarin en waarmee we leven hebben we woorden. Daardoor heeft alles een plek en weten we wat we er mee kunnen, bestaat een zekere orde.
De wereld, de kosmos … grappig is: eigenlijk betekent dat ordening. Wij leven in de wereld, in de ordening. Het is niet allemaal chaos die je overvalt en radeloos maakt, "waar moet je beginnen?", maar er is ook een zekere ordening, een kosmos, een voetpad door de werkelijkheid waar we ons doorheen bewegen. Dank zij de woorden, onze taal, ons spreken, weten we de weg, komen we verder. Ben je sprakeloos, dan sta je min of meer stil. Dan heb je er geen woorden (meer) voor. Dan sta je overal buiten. Maar iemand die een beetje zijn mondje kan roeren, die komt er wel, die komt verder, die kan vragen en te weten komen. Taal is een wonder, ontsleutelt de wereld waarin we leven.

Deze lange aanloop heb ik nodig om te vertellen wat Pinksteren eigenlijk is.

Pinksteren is het feest waar we ons het minste bij kunnen voorstellen. We hebben daar eigenlijk nauwelijks woorden voor. "Het feest van de Heilige Geest", dat klinkt zo vaag. Tegelijk is dat eigenaardig. Want Pinksteren is eigenlijk het laatste woord. Met Pinksteren worden we losgelaten, kunnen we beginnen, zijn begonnen.

Ik wil U nu in drie rondes iets over Pinksteren vertellen. Pinksteren in het oude verbond, Israël. Pinksteren in het oude verbond zo goed als nieuw, Jezus en zijn leerlingen, - en Pinksteren vandaag, in onze dagen.

In de Joodse gemeenschap heet Pinksteren het wekenfeest. Want Pesach/Pasen is met Pinksteren, het Wekenfeest, zeven weken geleden. Zeven weken na die onwaarschijnlijke bevrijding uit de slavernij, maar ook zeven weken van dwalen en zoeken hoe dat moet, vrij en wel. Het wekenfeest viert mattan tora, het geven van de tora. Voor ons klinkt dat als iets, "nou ja"! Wij christenen hebben het idee: bij de Sinaï krijgt het joodse volk de tien geboden. Maar "de tien geboden krijgen" is heel iets anders dan het krijgen van de Tora. Pinksteren is niet tien keer een opgeheven vingertje, maar de volle maat van het van het verbond. Bij de Sinaï wordt het geheim van de bevrijding zichtbaar: God is er voor ons, hij geeft om ons, hij laat ons niet gaan en ziet ons staan, gaat op zijn bescheiden wijze met ons mee. Het Geven van de Tora betekent: aan de mensen woorden geven. Nu kunnen we het zeggen, we hebben woorden - zoiets als bijvoorbeeld "onze vader". Onze genegenheid en dankbaarheid hoeft nu niet meer onhandig naar woorden te zoeken. We hebben woorden, we kunnen spreken, we kunnen de afstand tussen onszelf en wat er gebeurt overbruggen met taal. Dus Pinksteren is voor de Joodse mensen of voor de mensen van het Boek: het feest van "wij". Verwonderd kijken we rond en zien we dat wij er zijn, dat we mee mogen doen en voor vol worden aangezien. God geeft als het ware een knipoog naar ons om ons te bemoedigen. Doe mee, ga in zee met het leven dat op je af komt. Pinksteren betekent: wij, wij met zijn allen en God die met ons gaat.
In het Nieuwe Testament komt een einde aan die wonderlijke toestand die Pasen mert Jezus in Jerusalem geworden is. Alles wat er gebeurd is met Jezus, de verbijstering voor de leerlingen, het ongeloof, de treurigheid en de onpeilbare vreugde. God die zich over zijn zoon ontfermt. Nog sterker, Jezus die veroordeeld is en gedood, wordt door de vader opgenomen als Zijn Kind, Zijn veelbeminde. En wij, de leerlingen, komen van alle windstreken bijeen in Jerusalem om te horen van het geheim. Wij horen de woorden die hemel en aarde bijeenbrengen, de vrede die de hemel aan de aarde geeft, de vrede die wij met elkaar mogen delen. Of: wij kijken elkaar aan en zeggen, voelen: wij, het gaat over ons. Al die verhalen maken ons leven tot een geschenk, tot beloften die wij met elkaar delen.

En dan ten slotte wij, hier en nu. Als er een woord is dat ons vandaag de dag typeert dan is dat de onzekerheid. Wat er gaande is met onze wereld, hoe wij om moeten gaan met onze problemen, de schande over het recente verleden, de hulp die wij nodig hebben en die de kerk ons blijkbaar niet wil geven - niet wil, niet kan - helemaal alleen moeten we het hoofd bieden aan een kerkgemeenschap die ons zoveel vragen geeft, zoveel zorgen en zoveel verdriet. Tegelijk - al die onrust brengt ons niet van ons stuk. Wat er ook gebeurt en gaande is, wij weten zeker dat wij het woord van de vader hebben. Hij zal ons niet alleen laten. En Jezus zegt tegen zijn leerlingen dat hij hun de helper zendt, dat hij hen woorden geeft en dat wij in vertrouwen verder kunnen.

Eigenlijk is het heel simpel. Wij zitten hier vandaag in ons kleine stukje Amsterdam in alle eenvoud, in de schaduw van de tafel van het laatste avondmaal. Jezus geeft ons het brood, reikt ons de beker, brood van eeuwig leven, van leven volop, leven naar de maat van God. En de Beker van het Verbond, van Zijn Geheim dat Hij met ons deelt.
Met Pinksteren krijgen we als het goed is een knipoog van God. Wat er ook gebeurt, zelfs, hoe bang je ook bent: denk aan de woorden die ik je geef, heb vertrouwen in de Vader die ook onze vader is, en delen wij het leven in vrede met elkaar.
Laten we dat doen en moge God met ons zijn.


 

Oecumenische viering
donderdag 13 mei 2010
Hemelvaart van de Heer

Handelingen 1,1-11
Lucas 24,46-53


Een ding wisten ze zeker. Het gebeurt! Nu gaat het gebeuren! Dit kan nooit meer stuk.

Als een stelletje kwajongens, opgetogen omdat ze eindelijk de weg weten, zijn ze met hem mee gegaan, omhoog en omlaag door het zacht glooiende heuvellandschap. Het was bijna Pesach, groot feest, en ze zouden naar Jerusalem gaan. Dromend van Gods koningschap achter hem aan, naar Jerusalem. Dit kan nooit meer stuk. En: "Eindelijk!"

In Jerusalem explodeerde hun verwachting in een nachtmerrie. Hun meester, hun lieve leraar - in de klauwen van de macht. Een politiek spelletje moest hem van deze wereld verwijderen. Weg met Hem, aan het kruis met Hem! En als zij hun verbijsterde ogen opslaan zien ze het kruis. Voorbij die mooie dromen van vrede.

Dan komen drie dagen later die vrouwen met hun verhaal: Hij leeft! Alsof het al niet bitter genoeg is! Maar hij komt echt in hun midden staan, spreekt van vrede en breekt het brood, eet mee. De ogen worden geopend. De verwachting, als gloeiende kolen al in de as van de herinnering verborgen , gloeit op, wordt licht, al licht.

Lucas vertelt dat hij gedurende 40 dagen vaak te midden van de leerlingen verblijft. Ze praten met elkaar . Waar praten ze over? Lucas vat dit kort samen. Het zijn maar een paar woorden: basileia tou theoe. Basileia, u kent het woord basiliek, basilica. Basileia, koninkrijk vertalen wij. Het koninkrijk der Nederlanden. Nee, dat betekent het niet. Het gaat niet over het gebied, het territorium. Het gaat meer over de manier waarop. God is koning betekent op de eerste plaats, dat de farao dat niet is, de egyptische farao niet en al die andere farao's die aan de farao doen denken aak niet. En God is koning, niet op de manier van de farao, de tiran, de demon, de potentaat. Tegenover al die bazen en baasjes is het visitekaartje van deze slaven-God volstrekt helder, eenvoudig en duidelijk: God is koning als Hij die bevrijdt.

Nu, in die laatste dagen, worden er nog een paar aanwijzingen gegeven. Terwijl Hij naar de vader gaat moeten zij in Jerusalem blijven. Vandáár zal het evangelie van Gods koningschap opnieuw te beginnen. Te beginnen vanuit Jerusalem zullen de leerlingen getuigen zijn. Daarom moeten zij in Jerusalem blijven wachten op de belofte die Hij hen zal geven. Hij zegent hen, en terwijl Hij hen zegent verwijdert hij zich en wordt hij opgenomen.
Dat ontroert mij. Hij verdwijnt uit hun midden terwijl hij hen zegent. Het laatste dat zij van hem zien is dat Hij hen zegent. Deze kleine, opgetogen groep leerlingen verbindt Hij uitdrukkelijk met de naam van God. Hij en zij, er is iets tussen hen - een nieuwe band, een leven schenkende herinnering verbindt hen. En hun leren en bidden markeert de tijd voor de uitzending die over 10 dagen gaat begonnen. Op een af andere manier is alles anders geworden. Dat gedenken wij, vieren wij vandaag. Moge God ons bewaren. Moge Hij God met ons zijn.
Jan Engelen


zondag 9 mei 2010
6e zondag van Pasen

Handelingen 15, 1-2.22-29
Psalm 67
Apokalyps 21, 10-14.22-23
Johannes 14,23-29


Gewoon en gemakkelijk noemen wij de naam Jezus Christus. En we weten allemaal dat Jezus niet Christus heet, omdat dit de familienaam van zijn vader was. Jozef heette niet Jozef Christus.
De laatste 25 jaar hoor je steeds meer, ook in de liturgie, Jezus Messias. Messias klinkt niet zo christelijk, is niet zo zwaar beladen. En Messias klinkt joods. Het is wel vergriekst joods. De grieken konden geen "ch" uitspreken aan het einde van een woord. Daarom zeggen de grieken Messias, terwijl de joden het hebben over de M'sjiach.

Er zijn zelfs nog mensen die weten dat Christus of Messias een soort eretitel is. Het betekent Gezalfde. Wij kennen dat uit de hete zomer, wanneer we ons velletje een beetje beschermen door er een beetje crème of olie over te smeren. Zalven. Insmeren. In de film The madness of king George hoor je de bijna gek geworden en tegenspartelende koning schreeuwen tegen de mensen die hem proberen vast te houden: Don't touch me, I am the Annointed One. Raak me niet aan, ik ben de Gezalfde.

Samengevat: Jezus Christus, Jezus Messias betekent: Jezus de Gezalfde. Dat betekent Jezus de koning. Denk maar aan:"Uw koninkrijk kome" - moge het zichtbaar worden wat het betekent dat U koning bent. Alles zal dan vrede zijn en gerechtigheid, omdat alles goed is.

Wat betekent dat alles nu? Wat zou het? De Messias, de koning.
Eigenlijk is dat niet zo moeilijk. We kennen immers koningen en koninginnen. Zelfs kinderen dromen daarvan. En wie is er niet graag koning of koningin in zijn of haar eigen huis, de koning te rijk!
Dat moge allemaal zo zijn, maar wat het betekent, de Messias, dat kun je niet bedenken. Je kunt niet gaan zitten peinzen over wat een koning kan zijn en zou moeten zijn. Je kunt het niet bedenken. Je kunt er niet op komen of zeggen: nu weet ik het.
Wil je weten wat en, meer nog, hoe de Messias is, dan moeten de boeken op tafel, - zoals indertijd in Jerusalem, als de wijzen aan koning Herodes vragen: Waar is de koning der Joden die geboren is.
Waar, op welke plaats, in welk gedoe en welke bedoening moeten we hem zoeken? Dan komen de boeken op tafel en moet gekeken worden, hoe het geschreven staat.

In de bijbel wordt verteld over het zalven van de hogepriester, en het zalven van de koning. Maar de eerste die in de bijbel de Messias heet is, nota bene, de Perzische koning Cyrus. Wat is er aan de hand? De Perzen, het tegenwoordige Iran, hebben Babylon, het tegenwoordige Irak, overwonnen. Babylon zit vol met door de Babyloniërs getransporteerde goedkope arbeidskrachten, ballingen, overwonnen vijanden. Onder hen zit ook een groep overlevenden van Jerusalem en omgeving. Zij hebben de verwoesting van de stad door Nebuchadnezar overleeft en zijn op transport gezet, te voet naar Babylon, zeg het Berlijn uit de Nazitijd.

Vijftig jaar na die ont-zetting wordt Babylon op zijn beurt veroverd. En de ballingen mogen terug naar het land van hun vaderen, het land dat hun beloofd was, waar ze altijd geleefd hadden, dat een en al herinnering was, het goede. Dat God hen thuis bracht was een droom. Daarom spreekt de profeet Jesaja over koning Cyrus, de gezalfde, de bevrijder van de ballingen.
Vroeger baden we in de kerk: En toon ons na deze ballingschap Jezus, de gezegende vrucht van uw schoot. Het is een regel uit een bekend lied. In het latijn heet die tekst: Salve Regina, Wees gegroet, koningin.
Vrij maken, bevrijden. We zeiden vroeger verlossen. Kerstmis, de geboorte van de verlosser.

De Messias is dus een joodse droom, een woord uit hun leven, hun wereld. Dan begrijpt je ook dat het een brandende kwestie was. Moeten de heidenen die christen worden niet eigenlijk eerst Jood worden? In de eerste christelijke kerk ontstaat daarover onenigheid, de tekst zegt zelfs een felle woordenwisseling. Hard tegen hard, reken maar, onder de bijna altijd heet bakerende zon in het Midden-Oosten.

Die discussie wordt het eerste Apostelconcilie in Jerusalem. Het is het jaar dat wij noemen het jaar 49/50 na Christus geboorte. Samen beraadslagen ze. Samen komen ze er uit. Mensen uit de niet-joodse wereld hoeven niet eerst jood te worden om christen te kunnen zijn.
Wat bij ons nog steeds niet mogelijk blijkt lukt 1950 jaar geleden in Jerusalem. Die moeilijke kwestie wordt opgelost, wordt zelfs een leuke tekst: De heilige geest en wij hebben besloten u geen zwaardere lasten op te leggen dan het strikt noodzakelijke.
Het zijn woorden die er toe doen. Woorden ook die waar maken: Waar twee of meer in mijn naam bijeen zijn. Daar ben ik in hun midden".
Ik ga geen commentaar geven op de tweede lezing. Maar U hoort daar taal van verliefden. Het hemelse Jerusalem, een schitterende bruid. Salve Regina, gegroet, jij, koningin. Jij die onze vrijheid en bevrijding garandeert, waar wij ons thuis voelen, -gekend, geliefd, bemind. Waar God het licht is voor allen. Haar lamp is het lam. En u hoort hoe deze beelden fluisteren: pesach, pesach, Pasen, free at last, free at last, eindelijk vrij. Nog steeds toekomstmuziek.

Wij hoeven niet bang te zijn dat Hij ons verlaat. Aan de Paastafel vertelt Jezus over de Geest die hij ons sturen zal, zijn intimiteit die hij ons geeft, zijn woord. We zullen het daar in de komende weken zeker nog over hebben.

Met alles wat er in en rond de kerk gebeurt de laatste tijd wordt mij weer duidelijk dat de kerk "wij samen" is. Niet "vul zelf maar in" is de kerk, niet …, niet …. Heel veel wat buiten ons staat is niet de kerk, niet de kyriakè oikio, het huis van de kyrios, van de Heer. Ten tijde van bisschop Zwartkruis was dit een document, een toekomstvisioen in ons bisdom: De kerk wij samen.
Wij en de heilige geest hebben beslist. Het bijbelse wij is altijd inclusief. Iedereen die wil hoort daar bij. De grondslag van dat wij is Onze vader. Onze. Wij mogen dat zeggen omdat Hij daarbij is, Hij ons woorden geeft.
Moge dat zo zijn

 


zondag 2 mei 2010
5e zondag van Pasen

Handelingen 14,21-27
Apokalyps 21,1-5a
Johannes 13,31-33a.34-35

Dat je van elkaar zou moeten houden is voor niemand van ons nieuw. Zo zijn we zelfs opgevoed en dat hebben we aan onze kinderen proberen door te geven. Andere mensen zijn ook mensen. Andere mensen mogen je niet koud laten. Probeer van elkaar te houden. Oud nieuws. Maar probeer er eens even bij stil te staan. Als je er dan even over nadenkt zul je moeten toegeven dat het wel een onmogelijke eis is: je moet van elkaar houden. Moeten. Kun je de liefde dwingen? Afdwingen? Eisen? Gebieden? We komen daar strakjes op terug.

Het moet U opgevallen zijn dat we de laatste weken steeds drie lezingen doen. De eerste lezing is dan steeds afkomstig uit het Boek Handelingen van de Apostelen. Hoe is het gegaan na de eerste Paasfeest van de leerlingen van Jezus? Hoe zijn de leerlingen bij elkaar gebleven en daarna over de wereld uitgewaaierd? Ook in de Oosterse Kerken wordt in de weken na Pasen uit de eerste geschiedenis van de jonge kerk gelezen. En tussen de bedrijven door krijg je dan inkijkjes in de jonge kerk.
Paulus en Barnabas gaan terug naar Lystra, Ikonium en Antiochië. Ze komen terug in de gemeenschappen die ze eerder gesticht hebben. Wat doen ze? Ze bemoedigen de mensen. Blijf in het vertrouwen dat je gevonden hebt, ook als het moeilijk is. En ze stellen oudsten aan. Presbyteroi, - presbyteroi, u hoort dat daar het woord priester van is afgeleid. Het zijn de ouderen - om uit de delen wat de gemeenschap in vertrouwen gegeven is, om mensen bij elkaar te brengen en te respecteren.
Daarna reizen Paulus en Barnabas langs alle bekende plaatsen om terug te komen in Jerusalem. In Jerusalem vertellen ze het grote nieuws: ook voor de volkeren staan de poorten van het vertrouwen dat geloven heet open. Het zaad van Pasen brengt de kerk als begin van de oogst voort. Met Pinksteren zullen we daar uitdrukkelijk over spreken.

Spreekt de eerste lezing over het begin, de tweede, uit het open boek van Johannes, het troostboek, spreekt over het andere uiterste: Ik zie een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, de eerste hemel en aarde bestaan niet meer, en de zee bestaat niet meer. Het is alsof het hele decor leeg wordt gemaakt. Niets van het oude bestaat meer. Het is verdwenen in waar het eerder was, in het niets. De zee, die onmogelijke plaats voor een mens, het dreigende beeld van de alles verslindende dood bestaat zelfs niet meer. Die zee die de uittocht dreigt te verdrinken: weg is ze. En we krijgen te horen over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Wat is dan die nieuwe hemel en nieuwe aarde? Daar horen we de beroemde woorden de heilige Stad, het hemelse Jerusalem, dat van God uit de hemel neerdaalt, prachtig als een bruid die zich versiert heeft voor haar man. Zo wordt Gods woning te midden van de mensen beschreven.
We horen geen enkel woord over kissebissen, over klein houden, we horen niets over moeten en zullen, en "als je maar niet denkt dat je". Alle discussies van de laatste jaren, zelfs laatste maanden, geen woord. Heel anders klinkt het.
De tekst zegt: Zij zullen zijn volk zijn en Hij God met hen, zal hun God zijn. Mooi, maar wat betekent dat? Wat zou het, dat Hij hun God is? Wat merken we daar dan van? Het Open Boek van Johannes wil daar volstrekt geen twijfel over laten bestaan: Hij zal alle tranen van hun ogen wissen en de dood zal niet meer zijn, geen rouw, geen wenen, geen verdriet - want al het oude is voorbij. Tranen wissen, helpen overeind te komen, zoals een moeder of vader dat doet met een kind. En dan simpele woorden zeggen: Alles is nieuw. Alsof die oude geschiedenis om te huilen is, alsof het allemaal anders en beter kan, alsof alles inderdaad nieuw is.

Bij een Jean-Luc Nancy, een zeer hedendaags filosoof las ik: het probleem van de mens van vandaag is de ontdekking dat we niets met elkaar delen, dat je alleen staat, zonder gemeenschappelijke basis, zonder iets dat ons bindt. En u begrijpt wel. Alls dat zo is, als niets ons bindt, dan wordt het lucht happen en op je tenen lopen. Omdat in feite ook niets ons bindt is de laatste jaren opeens "onze traditie", "onze identiteit" belangrijk. U hebt dat soort taal 15 jaar geleden niet gehoord, nu is het aan de orde van de dag. Onze geschiedenis, onze cultuur en onze taal verbindt ons hoe dan ook in ieder geval. Dat kan, maar als dat zo is dan zul je minstens moeten vertellen wat die cultuur is, welke geschiedenis wij delen. Daarom zoeken we naar wat iedereen zou moeten weten van. Maar het gaat niet over denk- en weetdingetjes in ons hoofd. Het gaat over ons spreken. De taal verbindt ons wanneer we elkaar iets te vertellen hebben. En taal is niets tenzij de woorden die we tot elkaar spreken of zouden kunnen, zouden willen zeggen. Taal is niets wanneer we niet weten dat de ander ons adres is, dat de ander ons spreken mogelijk maakt.

Het is niet zonder reden dat we in het Goede Boek vaak van en over een maaltijd horen. De maaltijd is de oefenplaats van het gezin en van de samenleving. Ieder moet aan tafel voor zichzelf én voor de anderen zorgen. Aan tafel gaat het over wij en ik, over jij en wij. De helft van zijn evangelie bijna laat Johannes afspelen aan de tafel van het laatste avondmaal. De voetwassing, hoofdstuk 13 is zo ongeveer het laatste verhaal over wat Jezus doet. In dat gebaar van uiterste dienstbaarheid en zich buigen voor de ander verstilt het toneelbeeld. De rest is voorlopig tekst, de afscheidswoorden. Aan tafel voert Jezus het woord. Die Jezus waar Johannes het steeds over heeft, wie is dat? hoe is hij? wat wil hij? waar is hij op uit? Als wij in brood en wijn zijn lichaam en bloed met elkaar delen, wat delen we dan?

Vandaag horen we een klein fragmentje uit die groet tafelrede. Verheerlijken is het eerst werkwoord. We horen hoe dit woord heen en weer gaat, de relatie van de zoon en de vader beschrijft, en omgekeerd, van de vader tot de zoon. Het geheim van Jezus blijkt het geheim van God te zijn. En verheerlijken betekent niet dat zijn gestalte transparant wordt, licht, opstijgend. Nee, verheerlijken is een vertaling van en uiteindelijk hebreeuws woord dat betekent zwaar maken, zijn gewicht geven, dat wat de doorslag geeft, wat van doorslaggevend gewicht is. Voor de Zoon is de vader alles, voor de Vader is de zoon alles. Zij tellen voor elkaar. Wat zij met elkaar delen is dat zij bij elkaar horen, zoals de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, altijd nieuw, altijd als voor het eerst, nog steeds in de eerste liefde.
Die eenheid van de vader en de zoon maakt ons tot de tweede partij. Johannes zegt dat Jezus ons aanspreekt zoals een vader of moeder haar of zijn kinderen, zoals wij onze kinderen aanspreken. Daar is het sleutelwoord lief hebben, houden van - het meest geheime woord in onze taal. In liefde kunnen we met elkaar omgaan.
Ja … vraag je dan, voorzichtig opkijkend …ja, … hoe …? Zoals ik jullie lief heb zegt Johannes.

Nooit zal er iets zijn dat ons bindt. De grond mag stevig lijken maar zal lang niet altijd begaanbaar blijken. Iets dergelijks kun je van al het andere zeggen. Maar het enige dat er werkelijk is zijn jij en ik, is hij en wij, zijn wij die wegen moeten vinden om hoe dan ook dat wat wij leven noemen met elkaar te delen. Daar is hij voor gegaan: ik ben - weg - waarheid, dat wil zeggen daad van Gods genegenheid - leven.

Waar wij de eucharistie vieren delen we dat met elkaar. Moge dat zo zijn.

 


zondag 18 april 2010
3e zondag van Pasen

Handelingen 5,27b-32.40b-41
Psalm 30
Apokalyps 5,11-14
Johannes 21,1-19


De zondagen na Pasen hebben voor mijn gevoel echt iets van zon-dagen. Gelukkig is dat dit jaar ook zo. Het is nog wel frisjes in de ochtenden, maar er is niet veel tijd nodig om alles al-licht te laten zijn. Pasen is iets van eindelijk, al licht! Voorbij is de winter van het bestaan, voorbij is het lijden van de slaven in Egypte, voorbij zijn de donkere dagen waarmee uiteindelijk iedereen in Jerusalem , Israël én de volkeren, Jezus ontvangen heeft. God ontfermt zich over zijn kind - dat is Pasen.

Na iedere dag komt tot nu toe altijd weer een volgende. Na alles wat er met en rond Jezus is gebeurd in Jerusalem, we horen in de eerste lezing: het aantal leerlingen van de Messias groeit. De messiaanse beweging, in her grieks het christendom, groeit. Voor de autoriteiten is dat een doorn in het oog. Petrus moet zich verantwoorden voor de Hogepriester. "Door jullie toedoen is heel Jerusalem vol van die leer, en je wilt ons het bloed van die man aanrekenen." Petrus geeft nu geen ontwijkend antwoord meer. Hij zegt: "Je moet God meer gehoorzamen dan de mensen. De God van onze vaderen heeft Jezus ten leven gewekt. Hij is onze leider en bevrijder. Hij geeft kwijtschelding en vergeving. Dat is ons verhaal, daarvan getuigen wij."

Kwijtschelding en vergeving - ik denk: Als het verleden niet meer kwelt, als het heden weer volop heden kan zijn, dan kun je genieten van de ochtendzon, dan leeft de mens voor Gods aangezicht, leven we in de schaduw van de allerhoogste en beleven wij wat het verbond betekent: niet meer alleen zijn. Dan beleef je wat het betekent, kind van God. Dan weet je: hij geeft om me, houdt van me. Bij hem voel ik me thuis - wat dat ook moge betekenen.

Leven in verbondenheid, leven in het verbond - de Apocalyps ziet dat als het lam in het midden en daaromheen de engelen. Daar hoor je de stem van de levende, de stemmen van de oudsten, en de stem van allen die instemmen. Heel dat koor van de levenden en overlevenden hebben niets anders te doen dan vol lof te zijn en goddank te zeggen. Alles is goed gekomen dank zij hem die gezeten is op de troon en aan het lam. Zo vreemd als deze beelden misschien voor ons vandaag zijn, we voelen in elk geval de intensiteit, de betrokkenheid en de ontroering.

Dan het Evangelie van vandaag. Ik weet nog dat ik dit verhaal voor het eerst van mijn leven bewust hoorde. Ik weet nog dat ik thuis in de woonkamer stond en de radio hoorde. Ik moet een jaar of 12 geweest zijn. Ik wilde naar het seminarie en dat zou waarschijnlijk ook mogen. Een zaterdagavond, laat. De kro gaf een programma ter voorbereiding op de zondag. Na het Ave Verum werd het evangelie van vandaag gelezen en de man die de overweging hield begon met "hoe gewoon eigenlijk alles weer begonnen was". Petrus zegt: "Ik ga vissen". En de anderen zeggen: "Dan gaan wij met je mee". Het kan niet gewoner. Ik was er verbaasd over dat het zo simpel kon zijn. Na alles wat je hebt meegemaakt ga je weer over tot het ritueel van de dag. En wat er dan gebeurt!, in het gewone ritueel van iedere dag.

Vandaag zou ik zeggen: let ook op de titel. De tekst zegt: "Jezus verschijnt", en "de verschijning geschiedt aldus". Maar dat klinkt meteen zo verheven, zo bij voorbaat al bovennatuurlijk. Het gaat in feite over een ochtendje aan het strand. En zoiets als de beste stuurman staat aan wal, natuurlijk, maar dat zal nog moeten blijken.
In feite staat er: Jezus laat zich nog een zien aan de leerlingen bij het Meer. Hoe hij zich laat zien? Het gaat als volgt. Dan klinken de namen. Het zijn de namen van degenen die kroongetuigen worden van wat zich dadelijk onder hun ogen af zal gaan spelen.
Vorige week hadden we het verhaal van Thomas. Dat verhaal eindigde met: er zijn nog veel meer verhalen, maar deze verhalen heeft Johannes verteld opdat wij zouden komen tot vertrouwen en zouden blijven vertrouwen, zouden groeien in de stilte en warmte van ons geloven. Het evangelie leek uit te zijn, het boek gesloten. Het verhaal van vandaag is een Zugabe, een toetje. Er wil nog iets verteld worden, nog een hart onder de riem van die kleine gemeenschap die probeert te wortelen en plaats te vinden. "Ik ga vissen", "Dan gaan we met je mee".
Solidariteit? Gewoonte? Je wilt toch wat te doen hebben? En datteme toffe jongens zijn? Johannes vertelt: ze klimmen de boot in maar ze vangen die nacht niks. Als het ochtend begint te worden staat Jezus aan het strand, maar de leerlingen weten niet dat hij het is. Dat wordt dus een detective: hoe zullen zij zo ver komen als wij nu al zijn? Wij weten meer. Wij kennen de afloop, maar zij moeten het nog ontdekken.

Als de zon in het oosten opkomt staat Jezus in het volle licht van de ochtendzon, pril en met jonge kleuren. Zo vlak na Pasen. Alles is nog voorjaar. De oever van Galilea is aan de westkant. Het duurt even voordat het licht, een en al goud, het water raken kan. Daar staat hij die zij nog niet, nog steeds niet kennen."Hebben jullie wat vis?"

Die vraag kunnen we wel beantwoorden. Nee, dus. Ze hebben niks gevangen. En met lege handen kun je niets geven. Gooi het over een andere boeg. Ze doen het nog ook. In een mum van tijd blijkt het net barstensvol. De vissen worden geteld: 153 vissen. 153 ? Ja, 153 vissen. En het is zeker dat het niet eentje meer of eentje minder is geweest.
Want 153 … is in het hebreeuws een apart getal. In het hebreeuws heb je geen cijfertekens. Zoiets als het cijfer 1 of 2 kent het hebreeuws niet. A, b en gimel, de letters van het hebreeuwse alfabet zijn ook cijfers. A is 1, b is 2, enz. Dus je kunt de letters lezen, maar je kunt ze ook tellen. En 153 is een bekend getal. Als je de letters van benej ha-elohiem optelt, dan krijg je 153. Benej ha-elohiem betekent: de kinderen Gods. Johannes spreekt daarover in zijn eerste hoofdstuk. Die Hem aanvaarden, de kinderen Gods.
Met Jezus aan de oever van het meer vangen de leerlingen, de kroongetuigen van het evangelie de kinderen Gods, een hele kerk en zelfs meer dan dat vol.
Zo zitten we hier, in het net van de grote visser, deze ochtend bijeen.
Volg mij, leer van mij - in de tweede lezing: het lam, in de eerste lezing de bevrijder die ons binnen brengt in de kring van het verbond. De kring van de tafel. Delen wij hier bijeen de vrede die God ons geeft wanneer wij samen komen rond het open boek, lam, brood en wijn. Moge God met ons zijn.

 


zondag 11 april 2010
2e zondag van Pasen

Handelingen 5,12-16
Apokalyps 1,9-11a.12-13.17-19
Johannes 20,19-31

Als groene blaadjes in het voorjaar, klein en onzeker te voorschijn komend. Bijna alleen maar zichtbaar voor mensen die kijken.
De jonge kerk was een schuchtere groep mensen, verrast door het onverwachte dat plotseling sturing begon te geven aan hun leven. Het verhaal van Jezus, dat God Onze Vader is, en het verhaal over Jezus, dat God Hem niet over liet aan de dood van voorgoed verloren maar zich over hem ontfermde als over een kind - om Hem aan ons allen te geven als iemand bij wie je terecht kunt, van wie je leren kunt, met wie je leven kunt. Volstrekt nieuw, zo menselijk is alles geworden. Niet meer moeten en zullen, maar kunnen en mogen, probeer maar. Het leven is opnieuw begonnen. Als in het voorjaar. Iedere dag kun je je verwonderen.
De jonge kerk was een schuchtere groep mensen, zoals wij tegenwoordig eigenlijk ook zijn. In de grote stad Amsterdam hebben we een klein dorp dat Sint Jan de Doper heet. Hier komen we elkaar tegen op vele manieren, en op vrijdag en zondag komen we samen om te doen wat we niet laten kunnen, om te bidden en te zingen, om zorgen te delen en om elkaar zoiets als een hart onder de riem te steken of te voelen dat het er zit. Je bemoedigt elkaar niet. Je kunt niet zeggen: kom maar, ik zal je wat moet geven . Zo werkt dat niet. Maar hier, samen, rond het open boek, rond brood en de wijn en de verhalen, vind je wat een mens niet vinden kan. Dat is ons leven, ons heden, ons dagelijks brood.

Het jonge geloof maakt het leven niet minder moeilijk. De risico's zijn niet uit te bannen. Ook in de jonge kerk is de angst die een mens soms bekruipen kan niet verdwenen. Helemaal niet, maar de verlorenheid heeft niet meer, definitief niet en nooit meer het laatste woord. Zo komen we Johannes tegen.
Johannes, verbannen, droomt op Patmos.
Patmos, hoe mooi ook, het is niet Jerusalem met zijn heuvels en zijn grote huis op de berg van alle verhalen.
Ik, Johannes, uw broer en deelgenoot in de verdrukking. Op de dag van de Heer, op de dag dat de Heer de Heer is - als God uitrust van het werk dat hij gemaakt heeft - ziet Johannes een visioen, een droom. Door dat visioen is zijn verlorenheid niet verdwenen maar ze is niet meer de kern van zijn leven. Er komt een andere oriëntatie. Zeven lichten, de zeven lichten - Jerusalem, de kandelaar met de zeven dagen van de week een en al licht, de lamp op de kandelaar die je niet verbergen kunt, de zeven lichten nader bekeken vormen een mens, een stem, iemand die je aanspreekt, iemand die je aanraakt. God wordt zichtbaar als iemand die je tegenkomt, die vóór je is. En Johannes wordt aan het schrijven gezet. Zijn woorden worden tijdloos gemaakt om ze mee te kunnen nemen door alle tijden heen. Zo wordt de Apocalyps geboren, als heel de Schrift, een open boek om bij te rade te gaan, om wie weet moed op te doen. Daarmee komen we aan de deur van het verhaal dat het evangelie ons vandaag geeft.

Johannes, het 20ste hoofdstuk. We zitten nog steeds in het Paasverhaal van Sint Jan. Alleen, het is nu de avond van de eerste dag van de week. We zien de leerlingen bijeen zijn, de deuren gesloten want ze zijn bang. Maria van Magdala heeft haar verhaal verteld, maar zij zijn bang.
In het verhaal van Maria hebben we gehoord over de man van de tuin. Ook hoorden we Maria zeggen: raak mij niet aan want ik ben nog niet opgevaren naar de vader. Raak me niet aan. In de Jacobuskapel heb ik vorige week uitgelegd: dat is geen afwijzing. Raak mij niet aan is een aanwijzing. Ook de boom in het midden van de tuin mochten zij niet aanraken. De boom des levens is onttrokken aan onze handtastelijkheid, aan onze greep. In plaats van aanraken horen we over het geheim van Jezus: Mijn Vader en jullie Vader. De boom des levens, de Tora, het boek van alle verhalen die ons vertellen willen over Jezus en Zijn Vader, Onze Vader. Die boom - u merkt, ik maak een beetje een aanloop, die boom staat in het midden. Ik heb u al vaker verteld: in het evangelie van Johannes is het midden altijd de plaats waar Jezus staat, de boom in het midden, het open boek.

Jezus gaat in het midden staan. Waarom? Wat moet en wil er na alles wat verteld is nog verteld worden? Hij gaat in het midden staan en zegt: sjalom aleichem. Vrede op jullie. Wij zeggen dan: de vredewens. Vrede voor jullie. Maar dan missen we de helft. Vrede op jullie betekent op de eerste plaats: OP jullie rust de vrede. Het is in jullie vermogen om de vrede te dragen, om te zorgen dat, waar wij kunnen, vrede is. Als wij de vrede brengen en dragen, dan zullen ook wij in vrede zijn. Zijn wonden, zijn lichaam documenteert dat. Dit begrijpen betekent een brug tussen hemel en aarde slaan, het ontvangen van de Heilige geest, de Geest van de Heilige God die ons door ons leven draagt. Vrede dragen betekent zonden vergeven, het verbond weer verbond laten zijn, band die mensen bindt en bijeenbrengt als kinderen Gods.

De gelovige Tomas is daar niet bij. Hij heeft zijn ogen niet voor niets gekregen. Hij wil met zijn handen kunnen voelen. Als ik niet kan voelen en niet kan zien … Met één knip van je vingers zijn we dan acht dagen verder. Weer dezelfde kring. Weer Jezus in het midden. Weer vrede op jullie. En wij die daar toen ook niet bij waren worden tot getuigen gemaakt van wat zich nu voltrekt. Kom hier met je hand en leg die op de wonde die mijn zijde is. Uit de zijde van Adam kwam de vrouw, uit de zijde van de nieuwe Adam komt de kerk, komt Tomas die het niet weet, die het zou willen weten, zou willen voelen van dichtbij, die zelf de afstand wil overbruggen tot dit alles dat zo vol raadselen is.
Uitgenodigd gaat Tomas ons voor in vertrouwen: mijn Heer en mijn God. Het vertrouwen dat geloven is, hangt niet af van wat onze ogen kunnen zien. Het hangt af van het uitstrekken van je hand en voelen dat je gevonden wordt.

Johannes maakt zijn boek daarmee de eerste keer dicht. Zijn verhalen zegt hij heeft hij voor ons bewaard opdat we tot vertrouwen zouden komen, opdat wij in zijn naam zouden kunnen leven, zouden willen leven.
Hier bijeen vandaag, vieren wij de geheimen van het geloof, dat God onze vader is. Aan de tafel van het laatste avondmaal waar deze verhalen klinken wordt ons het brood gegeven, Zijn lichaam - opdat wij onze handen uit zouden strekken en tot vertrouwen te komen.
Moge dat zo zijn.

 


Paasdag 2010
Oecumenische viering in de Jacobuskapel

Exodus 15,1-18
Johannes 20,11-18

Naïef volk, dat Bijbelvolk. Ze denken dat ze er zijn wanneer ze een keer door het water zijn gegaan, ze denken dat ze er zijn wanneer ze hun voeten droog kunnen houden terwijl ze de baren trotseren. En toch! Zo naïef willen we ook zijn.
U hebt Mozes en zijn volk horen zingen: paarden en ruiters wierp hij in zee. De dood hoeft niet te denken dat ze het laatste woord heeft, de macht van stand en staat zal haar bluffen moeten laten. Eeuwige winnaars verliezen het in de zee ten gunste van een stelletje armoezaaiers dat tegen heug en meug de zee in moet om te kiezen voor de vrijheid en dat zich zal moeten heugen wat hun verhaal is aan het worden. Deze nacht van bevrijding - een lied.
Om het niet te vergeten, om het weer als nieuw te beleven scharen wij ons vanmorgen in de oude bijbelse traditie, - dat niet verloren gaat wat goed gedaan is, dat blijven zal wat onoverwinnelijk is: geloven dat alles anders en beter kan, omdat …
Omdat God ons niet kan vergeten. Hij is God omdat wij Hem ter harte gaan. Hij is God omdat hij er niet tegen kan wanneer zijn Israël, zijn lief kind, zijn gemeente, zijn kerk vermorzeld wordt door de maalstenen van de murmelende tijd die alsmaar bromt dat "die dingen nu eenmaal zo gaan".
God is onze God omdat hij er op uit is dat wij in alle wel en wee, ons op kunnen richten, op willen staan om opnieuw te beginnen aan het grote, ja, nog steeds grote avontuur dat het leven is.
Laat je niet wijsmaken dat leven een centenkwestie is. Laat je niet wijsmaken dat we nog alleen onze broekriemen kunnen aantrekken. Laat je niet wijsmaken dat aangedaan onrecht het enige en laatste is dat bestaat.
Sinds vannacht weten we opnieuw hoe de mens geschapen is, om te heersen, dat wil zeggen: om te laten zijn. Zoals de zon heerst en het licht van iedere dag "dag" laat zijn - ook als wij de zon niet zien, en zoals de maan, dat kleine licht, heerst over de nacht, ook als wij haar niet kunnen zien. Heersen, mogelijk maken, laten zijn. Laten zijn en laten zien dat wij in alle broosheid zijn gemeenschap zijn, elkaar toevertrouwd. Wat dat ook moge betekenen, elkaar toevertrouwd. Veilig bij elkaar, op aarde, onder de hemel van zijn welbehagen. Veilig bij elkaar want uit op vrede. Woorden die steeds blijven, om te pijlen, telkens weer.

Eigenlijk is een evangelie een verhaal in sneltreinvaart. De verhalen zijn al voorbij nog voordat ze begonnen zijn en dan beginnen ze weer opnieuw. Zo gaat dat met verhalen die eindeloos fascinerend zijn, die aan je vlees komen, die tranen in je ogen worden zodat je niets meer kunt dan alleen nog stil zijn en opademen. Alles wat ze aan hun leraar - wat een leraar! - meegemaakt hebben, alle hoop, alle verwachting, maar ook alle ontluistering van de veroordeling en de eenzame gang naar het kruis, alle bitterheid van dit vreselijke einde - alles komt bij Johannes uiteindelijk terecht bij Maria Magdala, Maria Magdalena die ook namens ons buiten staat, dicht bij het graf. Je voelt de koude steen en zij staat daar bij, snikkend en stil schokkend, enkel verdriet, huilend bij het graf van alles wat zo veelbelovend was.
Ze ziet het hoofd en voeteneinde - begin en einde van alles van wat je uit kunt strekken, zoals engelen, boden van de overlevering, hun handen uit kunnen strekken wanneer ze de boekrol opengedraaid vasthouden om ons te laten zien wat geschreven staat, de ruimte die ons gegeven is.
Die twee engelen brengen ons tot de kern van de zaak: waarom huil je? "Mijn lieve dode is hier niet meer. Waar hebben ze de Jezus neergelegd?" Daarom huilt ze. Dat zegt z die twee. Dan staat daar die man achter haar. We noemen hem de tuinman, maar dan krijg je misschien kortsluiting. Vertaal maar letterlijk en woordelijk wat er staat: de man van de tuin. We krijgen een verhaal in de tuin, in de hof. We hebben een tuin, we hebben een man en we hebben een vrouw met tranen in haar ogen.
De stilte verbreekt hij.
"Waarom huil je. Wie zoek je?" Haar huilen krijgt een adres, een post die blijft. Wie? Wie zoek je? Het Johannes-evangelie begint met Johannes en zijn leerlingen. Zij gaan achter hem aan. Hij draait zich om en vraagt: wat zoeken jullie. Het evangelie gaat van wat zoek je naar wie zoek je, hier, in het verhaal dat ons zojuist geopend is. Het gaat over mensen, het gaat over een mens. Wie?
Zij herhaalt haar verdriet.
Dan noemt Jezus haar bij haar naam: "Maria". En zij weet dan - wat we haar horen zeggen: rabboeni, meester van me. Het open graf begint een open boek te worden, een leraar reikt de woorden aan op deze ochtend van Pasen. Zijn eerste les. Zijn eerste woord. Hij kent zijn schapen. Hij noemt hen bij hun naam. Maria. Nooit klinkt je naam zo schitterend als wanneer iemand van je houdt en je hoort die stem. "Maria".
"Raak mijn niet aan."
Dat kan geen afwijzing zijn. Het moet een aanwijzing wezen. Raak mij niet aan. De boom in het midden van de tuin mag je niet aanraken, onttrekt zich aan onze handtastelijkheid, dat weten we sinds het grote verhaal in de tuin.
En we horen het geheim van Pasen. De vader. Mijn vader en jouw vader.
Jezus en zijn Vader, dat is het grote geheim. Wij vinden de lieve dode niet in het graf van voorbij maar enkel in dromen van vrede, in God Die zich ontfermt over zijn kind, Die niet vergeten kan het werk van zijn handen. En alles wat daar aan uitgelegd moet worden, mag worden en kan worden, alles waar dit grote geheim van Gods liefde vol van is horen we in dat simpele woord dat we ook kennen uit het begin van het Goede Boek: broer, broers, zo je wilt broers en zussen.
Naast het probleem van de mens en zijn wereld en tijd, is er het enige dat vanaf het begin bedreigd is: de vrede, de broederschap. Na het verhaal van zijn ontkenning en verlorenheid zegt Jezus, de man van de tuin, tegen Maria: ga, en vertel aan mijn broers. En zij gaat, om het te vertellen.
Daarom zitten wij hier vanmorgen bij elkaar, om het verhaal te horen, over Jezus en Zijn Vader, over Jezus en zijn broers en zussen - dat zijn wij.
Daarom komen wij hier, deze paasochtend bij elkaar.
Wij willen niet vergeten hoe hij voor ons een sprekend gebaar is geworden en hoe wij hem herkennen in de gemeenschap van brood en wijn en de woorden die ons gegeven zijn.
Moge dat zo zijn.
Jan Engelen
3 april 2010

 


Paaswake 2 april 2010
oecumenische paasnacht in de Sint Jan de Doper

Genesis 1 : 1 - 2 : 2
Exodus 14 : 15 - 15 : 1
Lucas 24 ; 1 - 12


De hele dienst is vandaag puur verkondiging. Een predikant kan daar niet meer aan toevoegen. Een paar woorden zeggen, dat kan wel. Zo "van mens tot mens". Elkaar even aanzien, even zien. Volgens mij hebben de leerlingen van Jezus dat indertijd ook gedaan. Stil keken ze elkaar aan. En toen, zoals altijd na de stilte van de sprakeloosheid, kwamen de verhalen.

Het hele palet van het leven wordt aangedragen in het eerste verhaal in de kleuren van de zeven dagen,
- van de dag die een en al licht is tot en met
- de ruimte nemen om uit te rusten in het land van de levenden.
Genesis 1 goed gelezen is het verhaal over alles is nieuw, alles is een gave. Ons leven met al zijn wel en wee is elke dag weer nieuw, een gave, een geschenk dat God ons geeft, elke dag.

De ontroering die dit ons geeft is niet het eerste én het laatste woord. Want hoe bekoorlijk ook, het verhaal over het leven is een geschenk, een feest, is niet naïef. Dat hoort U aan de aarde die al bij het beginnen van het begin alleen genoemd wordt. De aarde alleen, moederziel alleen overgeleverd aan zijn lot: "Woest en leeg … duisternis over de vloed". Opgegeven zaak.
Dezelfde teleurstelling horen we ook wanneer ze, wanneer we staan te morren voor de "vast en zekere dood"-zee. "Had ons toch met rust gelaten. Had ons toch in de waan gelaten en slaven laten zijn in de "vast en zekere" tredmolen van het bestaan van elke dag met zijn kommer en kwel. Waarom moest je ons verleiden met dromen van vrijheid en vrede - - alsof zoiets bestaat! Kom nou toch!
Mozes heft zijn staf omhoog. Daarmee begint wat onzeker, maar ook zeker is: onwaarschijnlijke zaken zijn waar. Als je kijkt, als je ten einde raad je ogen op durft slaan zul je zien: Het water van de vast en zekere dood zal zich teruggtrekken en God zal een weg maken midden over de zee. Niet zoals wij vertalen, door de zee, maar zoals het in het hebreeuws geschreven staat: over de zee. Terwijl Mozes zijn staf uitsteekt tegen de zee. Hij zal de zee, zal ook ons, Mozes leren, en leren van de wonderen die wij in onze ontheemding, dagelijks meemaken, waar we echt van moeten leren. Hoe duister de duisternis ook is: wie niet gelooft in wonderen is geen realist.

Lucas geeft, tussen de bedrijven van zijn verhalen door, zoveel joodse informatie dat dit in ieder geval duidelijk is: zoals geschreven staat, dat is zeker en vast. Daar kun je staat op maken. Voor insiders vertelt Lucas: op de sjabbes rustten ze overeenkomstig de Thora. Voor insiders. Dit is de enige sabbat in het Goede Boek die door twee vrouwen gehouden wordt. Zij eren de dode door te rusten overeenkomstig het gebod. Een volmaakte rust. Pas daarna komt er weer bedrijvigheid in het verhaal. Haasje repje. Naar het graf om hun lieve doden alsnog te verzorgen.
Maar ze kunnen er geen touw aan vast knopen. Bij het graf ontmoeten ze twee mannen die beginnen te praten. En we herinneren ons. We kennen het verhaal op de berg,- als Jezus voor hun aangezicht van gedaante verandert. Bij Lucas zijn er dan twee mannen die met Hem spreken, Mozes en Elia. Herinner je, zeggen ze nu. En zij herinnerden zich. In wat onbegrijpelijk is kun je, wie weet, een lijn ontdekken wanneer je te rade gaat bij de herinnering. Dat is een van de grote voorrechten wanneer je gelovig bent. Dan zijn er zoveel verhalen toegevoegd aan je herinnering, dan heb je zo'n groot goed, zoveel te goed.

Herinner je en zij herinnerden zich. De leerlingen zijn aan het einde van dit eerste verhaal nog niet zover. Ze zeggen - het klinkt zo onaardig als het ook dom is - ze zeggen over het verhaal van de opstanding: "vrouwenpraat". Ze zijn nog niet aan de herinnering toe. Maar wat je aangrijpt wordt, zelfs sluimerend, deel van je permanente heden. Dat hoef je niet te willen. Ze zullen zich gaan herinneren.

De absolute treurigheid van Goede Vrijdag laten wij achter in het graf van voorbij. "Wat zoeken jullie de levende bij de doden. Hij is opgewekt geworden." God heeft Hem opgewekt. Wij hebben daar geen woorden voor, geen andere woorden dan zoiets als "Onze Vader".
Deze nacht blijft daarom opspelen als een zaad dat in ons hart is gelegd, dat ontkiemt. Het is de nacht van een groot geheim. God vergeet zijn kind niet, zijn lief kind blijft hem lief. Tegen ons wordt dat gezegd. Om met elkaar te delen als brood en wijn om bij de tijd te zijn, vandaag, deze nacht.
Moge het zo zijn.

Jan Engelen, 3 april 2010

 

 


Witte Donderdag 2010
oecumenische viering in de Jacobuskapel

Exodus 12 : 1 - 11
Joh. 13,1 - 15


Hoe hebben ze daar gestaan, de lendenen omgord, de staf in de hand. Aan tafel.
Het bloed van het lam op de deurposten. De engel van de dood gaat die nacht voorbij. De huizen van de kinderen van Israël gaat hij voorbij. Voorbijgaan, voorbijtrekken, overslaan: Pesach.
De kleine kring rond het lam. Familie, buren, lotgenoten. De leine kring op weg naar het einde van de slavernij, de kleine kring voor het grote avontuur van vrijheid en bevrijding, rond het onschuldig lam. Het brood in grote haast klaargemaakt. Paasbrood, matsebrood. Brood van vrijheid en bevrijding bij het bittere kruid van de slavernij. Je moet dat eten, deze nacht, het brood en de bittere kruiden, om vrijheid en bevrijding te proeven, het ongewisse dat komen gaat tegemoet.
Hoe hebben ze daar gestaan, de lendenen omgord, de staf in de hand. Overhaast zul je het eten. Deze nacht. Ik zal de eerstgeborene slaan.


De Bovenzaal op de Sionsheuvel, de eerste uitbreiding van de Stad. Het is een ruim bovenvertrek. Als je de weg weet vindt je beneden een andere ingang. Dan kom je in een soort keldergewelf. Je ziet een graftombe. Volgens de traditie is daar het graf van David. Het is geen algemeen aanvaarde plaats maar door haar ouderdom is zij eerbiedwaardig. Een plaats om te gedenken. Er komen veel mensen en steeds branden er kaarsjes, de oude vorm om licht te geven en te laten zien dat je er bent, de oude manier ook om het licht te geven zodat je lezen kunt.
Tegenover die donkere tomberuimte benen vindt je boven het ruime bovenvertrek. Dat is de zaal waar de leerlingen de paasmaaltijd hebben klaargemaakt.

Verbijsterd zullen de leerlingen gezien hebben wat hun Meester doet. Hij legt zijn bovenkleren af en omgordt zich met een linnen schort. Hij doet wat een dienaar doet. De gastvrijheid die de Her biedt wordt zichtbaar in het wassen van de voeten. Een dienaar komt dat doen, vaak een vrouw. Alles wat aan je is blijven kleven door je handel en wandel wordt afgewassen, een soort door het water gaan en aankomen, binnen komen. Voelen, hoe welkom je bent.
Petrus speelt voor ons degene die het niet begrijpt. Petrus wil orde op zaken brengen. Niet jij mij, maar ik jou. "Ik zal jou de voeten wassen." Precies dat is de les die wij vandaag leren moeten. Hoe wij elkaar rond zijn naam welkom heten in het land van de levenden.

Verbijsterd kijken wij. Jezus trekt zijn kleren uit en Jezus trekt zijn kleren aan. Daartussen zien wij in een sprekend gebaar hoe het lichaam van Jezus zich buigt over de voeten van elk van zijn leerling. "Wees welkom, ook jij!" Als Petrus willen wij echte leerlingen zijn: "Dan niet alleen mijn voeten, maar mijn handen en mijn hoofd". Merk je de volgorde, van het doen naar het denken en voelen: handen en hoofd.
Verbijsterd zien wij dat Hij niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen. Zichzelf geeft Hij aan ons: het brood van de slavernij en bevrijding, het brood van de ellende, het brood van het koninkrijk ook dat komt.

Wij maken het dezer dagen mee: verbijstering over wat zich onder onze ogen afspeelt, ontroering ook over zoveel goedheid die zich aan ons geeft en die ons welkom heet aan de tafel ook, waar wij vrijheid en ware vrede proberen te spellen met het brood dat ons heden gegeven wordt.
Moge dat zo zijn.

Jan Engelen, 1 april 2010

 


zondag 21 maart 2010
5e zondag van de Veertig Dagen

Jesaja 43,16-21
Johannes 8,1-11


We hebben er allerlei grapjes over dat Jezus over het water loopt. Wij die volledig op de hoogte zijn van het nautisch gebeuren weten dat zoiets niet kan. Je kunt niet over het water lopen. Mocht je dat anders vinden: een klein proefje is voldoende om duidelijk te maken dat lopen over het water alleen voor een bepaald soort spinnetjes of waterjuffers mogelijk is, geleedpotigen. Een mens is geen geleedpotige. Dat is vandaag dan jammer, want nu kunnen we de eerste lezing niet meemaken. Jesaja spreekt in de eerste lezing over een sprekende God, over God die op de zee een weg geeft. Onze vertalers weten dat weer beter. Dat gaat over die weg dóór de zee, de uitweg als de farao achter heen aan zit. Maar Jesaja weet het beter. Er staat: de weg op de zee. De stratenmakers op zee show. Waar geen mens lopen kan biedt Hij, die sprekende God, een weg. Geen wonder dat in een ander verhaal Jezus die weg gaat, zoals wij soms merken dat we iets kunnen wat ons godsonmogelijk leek. Hoe dat mogelijk is!
Wagens en paarden, leger en strijdmacht. Er zijn problemen waar je nooit doorheen komt, totdat je merkt dat het niets voorstelt.
Zeker in onze dagen, nu alom gesproken wordt over het grote kwaad dat kinderen aangedaan is moeten de volgende woorden U verbazen: Ik onderneem iets nieuws, het begin is er al, zie je het niet. Een weg door de steppe, rivieren door de woestijn.
Ons tekort aan water is niet enkel een zorg voor het waterleidingbedrijf. Hoe krijgen we onze wereld weer een beetje vloeibaar, een beetje menselijk. Wanneer zullen wat Jesaja jakhalzen en struikvogels noemt, niet meer de dienst uitmaken?

Vandaag is de eerste passiezondag. Volgende week is het palmzondag. We komen in de buurt van de kern van ons geloven. Omzichtig naderen we de heilige dagen van de goede week. Laten we zeggen: de lezingen die de kerk ons aanbiedt willen ramen zijn die open gaan, lampen die hun licht geven aan wat wij te zien krijgen wanneer we met Jezus naar Jerusalem gaan. Ook al zullen daar jakhalzen en struisvogels zijn - die bange dromers zijn in de bijbelse tijden blijkbaar gevaarlijke dieren -: beken er rivieren zullen er stromen door de woestijn zodat is voor het volk overvloed is om zich te laven.

De tweede lezing, het verhaal uit Johannes, brengt ons naar een toneel dat in lichterlaaie staat, dat baadt in het licht. Het verhaal treffen we aan in het begin van het achtste hoofdstuk. Het is de vraag of het daar thuis hoort, maar feit is, dat het dooer die plek naadloos aansluit bij het zevende hoofdstuk - een moeilijke tekst. Jammer genoeg lezen we dat nooit in de dienst. Het is een moeilijke tekst omdat we daar het onoplosbare probleem van de leiders van die dagen in die wereld tegenkomen die niets van Jezus moesten hebben. Mensen die in religieuze kringen meenden het buskruid uitgevonden te hebben - nog steeds bovenmatig actueel - moesten niets hebben van die Jezus met zijn volgens hen vage praatjes en beelden. Maar tegelijk is hier de enige plaats in het evangelie waar staat: "Velen uit de menigte kwamen tot vertrouwen in hem. Ze zeggen: Als de Messias komt, zal die meer tekenen doen dan Hij doet!"


De Farizeeën en de overpriesters sturen daarop dienaren om hem te grijpen. Heel Jerusalem staat met elkaar te oreren lijkt het wel. Een openbare rechtszaak. Sommigen zeggen: "Hij is de profeet!" Anderen zeggen:"Maar de Messias komt toch niet uit Galilea."Ze willen hem pakken maar anderen willen dat niet. En die dienaren komen met lege handen terug. Waarom hebben jullie hem niet opgepakt? Dan komen de dienaren met een vreemd argument. Ze zeggen: "Nog nooit heeft zo een mens gesproken, zoals Hij doet." De leiders pikken dat niet. Niemand van ons gelooft in Hem. Alleen dat achterlijke volk dat de Tora niet kent loopt achter hem aan. Dan komt Nicodemus, één van hen. Nicodemus komt met een opmerkelijke uitspraak. Hij zegt: Onze Tora veroordeelt een mens niet tenzij wanneer men hem kent en weet wat hij doet. (Johannes 7,51) Daar begint in de gangbare leeswijze het verhaal van vandaag.

Jezus is die nacht naar de Olijfberg gegaan. De volgende dag gaat hij naar de tempel. Het lijkt in het evangelie een vertrouwde procedure. Al het volk komt om hem heen staat en hij gaat zitten en begint te leren. Dat leren is een gesprek over hoe je met de verhalen, met al dat credit van vroeger in het heden kunt leven. Hoe maak je iets van het leven met al zijn dromen waar? Hoe kun je een beetje bij de tijd zijn? Meegaan in het grote verhaal van God en zijn mensen? Hoe kun je meegaan in waar Hij voor gaat, die God van ons?

Jezus leert. En daar komen ze. Zoals die partij van vrijheid voor eigen gelijk die behalve wat kreten, zonder iets te zeggen, weet dat ze gelijk heeft. Ze slepen die vrouw mee en poneren haar triomfantelijk in het midden. Zo! Die zit! Kip ik heb je!
Maar let op. Het is zo vertelt dat je weet dat er meer aan de hand is.

1. In het Johannesevangelie staat, steeds wanneer het midden genoemd wordt, steeds Jezus. Denk maar aan midden onder U staat hij die gij niet kent. Of denk aan: één links, één rechts en Hij in het midden.
2. Denk net te vlug dat het een sexueel verhaal is. Als die vrouw op heterdaad betrapt is, waar is die man dan? Dat kan toch niet moeilijk zijn.

Vreemde Goden dienen, je heil elders zoeken, heet in bijbelse taal ontrouw.
Zij is ontrouw, zoals ze ook vinden dat Hij ontrouw is. Nu ze haar - hoe vaak is de vrouw niet een beeld van het volk! - te pakken hebben kunnen ze Hem ook pakken. In de Tora heeft Mozes ons bevolen dat zij gestenigd moet worden. Wat vind jij?

Zoals de boom zonder vrucht waar wij enkele weken geleden over spraken zo heeft deze vrouw iemand die zich voor haar bukt. Jezus schrijft met zijn vingers in het zand. Is dat niet een zinloos gebaar? Is dat niet tijd winnen? Uitstel?

Hij schrijft met zijn vingers in het zand. Bij Hosea staat ergens zoiets als: zij die blijven zullen worden opgeschreven. En als hij dan toch moet spreken, zegt Hij: Wie zonder zonde is, die moet de eerste steen werpen. Die eerste steen moest dodelijk zijn. Daarom was iemand die een vals getuigenis aflegde tegelijk ook een moordenaar.
Ze houden het dan voor gezien. Ze druipen af. De oudsten het eerst. Zij die blijven zullen worden opgeschreven. Als dat waar is, dan heeft daar zoiets gestaan als: jij en ik. Waar zijn ze? Heeft niemand je veroordeeld? Niemand Heer. Ik veroordeel jou ook niet.
We gaan de lijdenstijd in met: ik veroordeel je ook niet. Nemen we het brood van deze vreemde vrijspraak en moge de Heer met ons zijn.

 


zondag 14 maart 2010
4e zondag van de Veertig Dagen

Jozua 5,9a.10-12
Lucas 15,1-3.11-32

Dat we met elkaar te maken hebben nemen we in de regel vanzelfsprekend aan. Je komt elkaar tegen, hebt met elkaar "van doen". Als je daar stil bij zou blijven staan kom je tijd te kort en kan er bijna niets meer gedaan worden. En toch: het loont de moeite er eens bij stil te staan. Hoe hebben we met elkaar te maken? Uiteindelijk kom je dan altijd terecht bij het grootste wonder, de taal. Dat wij kunnen spreken. Als we elkaar zien is het gesprek al begonnen, nog voordat er woorden zijn. En ons gesprek speelt zich af binnen een wereld van voorbij gesprekken en mogelijke gesprekken, een hele cultuur van herinneringen, beelden, geuren, kleuren - allemaal taal. Zo zijn we wie we zijn, zo komen we in de buurt van het woordje volk. De bijenkorf van "het leven" wordt door ons bevolkt - een beetje pathetisch beeld, maar het geeft in ieder geval ook aan hoezeer we er bij betrokken zijn.

Als Israël uit de woestijn komt … Het is de leraren al vrij snel duidelijk geworden dat je bepaalde zaken niet zo maar voor lief, of beter, "op de koop toe" moet nemen. Als je leeft in het bijbelse land, weet dan dat het het land van je dromen is, dat je het land gekregen hebt, dat je er niet vanzelfsprekend leeft. Veel van wat vanzelfsprekend is spreekt niet, en zeker niet vanzelf. Dat Israël aankomt in het land - eindelijk, na veertig jaar, een leven lang, woestijn - als Israël aankomt in het land wordt van die aankomst een herinnering gemaakt. Dat wordt vertelt in het verhaal, direct voor onze eerste lezing van vandaag. Die overtocht en doortocht moet ieder jaar opnieuw gevierd worden. Daarom worden er stenen uit het midden van de Jordaan opgeraapt en die worden in een kring neergelegd aan de overkant. En die stenen worden er met een duidelijke bedoeling neergelegd. De kinderen moeten over die stenen "vallen", struikelen. Het moeten letterlijk stenen des aanstoots worden. Als kinderen die stenen zien moeten ze wel VRAGEN. Dus uit die stenen worden vragende kinderen geboren. Wij zeiden vroeger: kinderen die vragen worden overgeslagen. Helemaal verkeerd. Kinderen die vragen maken je tot iemand die antwoordt, die zich verantwoordt, tot iemand die iets te vertellen heeft.
Simpel: "Waarom liggen deze stenen hier?"
Een kind kan de was doen. Waarom doen we wat we doen? waarom hebben we gedaan wat we deden? Onze dagen gonzen van klachten over misdrijven van 40, 50, 60 jaar geleden. Waarom deden we wat we deden, deden ze wat ze deden. Monddood gemaakt(, waarom? waardoor?) klinken de klachten bitter. Dat doet zich in ons verhaal, goede verhaal, niet voor.
Waarom liggen die stenen hier? Dan moet je zeggen: hier heeft God voor ons een weg over ze zee gemaakt, konden "we" droogvoets door de zee. Waar wij zeker wisten dat we niet verder konden komen (dit is het einde!) blek tegen alle verwachting in toch een uitweg mogelijk, konden we verder gaan!
Die stenen, die kinderlijke vragen en die grote antwoorden maken ons tot kinderen van Abraham, tot kinderen van het volk, tot Paaskinderen. Het is alleen maar de vraag of je dat wilt. Wil je zo'n groot kind zijn?

Het verhaal van Lucas heeft het droeve lot overvallen dat bijna iedereen het kende. Ons is zo vaak ingepeperd dat "hoe fout wij ook zijn geweest", "hoe stout" of - noem het groet chantagewoord, "hoe zondig" wij ook waren, bij God kun je terecht. God is een goede vader. Hij begrijpt je, hij blijft op je wachten. Dat vertelt het verhaal van "de verloren zoon." U hebt het zojuist gehoord.
Ja, dat hebt U ook gehoord. Maar het verhaal gaat daar niet over. Wie de schoen past, hij trekken hem aan. Hoe past deze schoen? Wat vertelt dit verhaal eigenlijk? Ga het verhaal eens lezen alsof U het niet kent en zoek een titel. Welke titel geeft U het dan? U begrijpt al: als we zo gaan beginnen kan de preek wel eens lang gaan duren. Is het een verhaal over "een vader". Of: 'als er geen moeder is". Zeg je met Maxima: "een beetje dom", heb je het dan over de vader die het erfdeel te vroeg verdeelt, of over de jongst die al snel een balk vind waar hij zijn hebben en houden overheen gooit. Waar gaat het verhaal over? Wat moeten we vandaag, drie weken voor Pasen, goed horen?
Met een kleine verandering staat de kern van dit verhaal twee keer in de tekst. Beide keren is het het verhaal van de vader, van "wat de veder te vertellen heeft".
De eerste keer zegt hij het tegen de huisgenoten die in rep en roer zijn om het feest dat ze moeten klaarmaken: Want mijn zoon was dood en is weer levend geworden. De tweede keer zegt hij het tegen zijn oudste zoon: Je broer was dood en is weer levend geworden.
In de commentaren op het verhaal ben ik zelden tegengekomen dat het hierover gaat. Over de Zoon van de vader die dood was en die leeft. Over de zoon de het leven laat, die zijn leven geeft, die ons meeneemt in het verhaal van zijn leven, zijn leven in. Hij was dood en hij leeft.
De oudste staat dan mokkend op de drempel. "Al zoveel jaar ben ik in jouw dienst en nooit heb jij mij … Maar nu die zoon van jou gekomen is die je bezit verkwanseld heeft met slechte vrouwen laat jij het gemeste kalf slachten." De slechte vrouwen zijn trouwens grappig. Die hoor je alleen hier. Het hele verhaal hoor je er niets over maar ze zitten in het hoofd van die oudste. "Heel mijn leven heb ik je trouw gediend, noot heb ik je gebod overtreden maar voor mij kon er nooit een geitenbokje af om een feestje te houden met mijn vrienden."
Een bittere tekst. Het lijkt er op dat die oudste er niet tegen kan dat deze vader zo vader is, dat hij niets begrijpt van een vader die zijn geluk kwijt moet en iedereen moet en zal het weten voor het grote feest rond zijn zoon die dood was en weer levend geworden is. Met zo'n vader is geen land te bezeilen!
Wij, hier bij elkaar, samen rond de tafel van het laatste avondmaal. Wij herkennen de woorden, bij begrijpen het gebaar, leven delen, zijn lichaam, de beker van het nieuwe verbond in zijn bloed.
Delen we met elkaar wat ons gegeven wordt, de zoon, de hoeksteen, Gods mensenkind die een en al belofte is.
Moge dat zo zijn.

 


zondag 7 maart 2010
3e zondag van de Veertig Dagen

Exodus 3,1-8a.13-15
Lucas 13,1-9

Het boek Exodus vertolkt het hart van de bijbelse traditie. Het gaat over de Uittocht uit de slavernij, uit het slavenhuis waarin de farao de kinderen van Israël probeert uit te buiten en te vernietigen. Hij, die farao, zal alle rampen waarmee hij zijn volk terroriseert trotseren en het volk zijn wil opleggen als een valse God die de mensen naar zijn pijpen laat dansen. Maar misschien is het interessant om te weten dat exodus een griekse naam is. Zo kan een hebreeuws boek eigenlijk niet heten. Dat heeft geen griekse naam. Hoe heet het boek in het hebreeuws? Het is het boek Namen, en namen zijn mensen. Het boek over de mensen, over hun vele wee maar ook over wat hen goed doet en goed zal doen: vrijheid en bevrijding.
Het is in onze dagen weer uiterst actueel. In de kerk en in de politiek zijn er mensen die anderen hun wil opleggen. Zij weten wat goed en verkeerd is voor de kerk en haar gelovigen, voor het land en zijn inwoners. Dit aanmatigende gedrag dat van een ander mens niet wil weten, dat niet in staat is om een andere mens te laten zijn, te respecteren blijft de kwaal waaraan de wereld lijdt.
In exodus zal de Goede, zal God, volstrekt anders blijken. Hij is een God van vrijheid en bevrijding. Hij is de God die leert dat niet elke dag hetzelfde liedje is, dat elke dag nieuw is en dat liefde waarmee God van mensen houdt innig is, een weldaad.
Exodus, mensen - dit alles is zo belangrijk dat het daar ieder jaar met Pasen, maar ook iedere zondag en iedere dag over gaat. Over opzien en beginnen.

Kijken we naar die eerste lezing, de sleutel tot het hele verhaal.
Alsof er niets aan de hand is, alsof in die eerste twee hoofdstukken niet die vreselijke, alles kapotmakende slavernij begonnen is, alsof Egypte, de wereld, niet een land is waar niet aan te ontkomen valt, zo is Mozes in de woestijn, met de kudde van zijn schoonvader. Eén leven heeft hij achter de rug. Hij was door een gelukkig toeval een prinsje geworden aan het hof, maar hij kon het niet helpen dat hij ogen in zijn hoofd had. Hij neemt het op voor slaven die mishandeld worden en dat wordt hem niet in dank afgenomen. Hij vlucht. In de woestijn blijft hij het opnemen voor de zwakkeren, een groepje meisjes dat door echte mannen geterroriseerd wordt. De meisjes vertellen het hun vader. Mozes wordt een gast in de tent van Jethro. Hij trouwt met Ziporra - nachtegaal. Het kind dat geboren wordt heet Gersjom: een vreemdeling ben ik in een vreemd land, zoals Mozes in de woestijn, zoals het volk in de duisternis van Egypte, een vreemdeling.
Deze Mozes loopt als een herder voor de schapen van zijn schoonvader door de woestijn. Hij weet nog niet dat hij straks zo voor de kudde van zijn God uit zijn gaan, naar het veelbelovende land. Mozes de herder, de pastor, de voorganger.
Op een dag als alle andere ziet hij iets vreemds. Wij mochten vroeger eigenlijk niet nieuwsgierig zijn maar Mozes was het gelukkig wel. Hij ziet de struik die verbrand maar niet verbrandt, als het volk dar kapot gemaakt wordt en niet kapot te krijgen is. N Mozes hoort een stem uit dat vuur, een stem die het leed dat wereld heet vertolkt. Mijn volk in Egypte. Ik heb hun jammerklachten gehoord, ik en hun smarten. God zal zijn volk bevrijden uit de slavernij, hij zal het weer als nieuw geboren doen worden, en Mozes moet het doen.
Dat ziet Mozes niet zo zitten. Wie ben ik?
Er zijn van die momenten in je leven dat je niet weet wat je overkomt. Dat je jezelf niet meer bent of niet meer kent. "Wie ben ik?" vraagt Mozes en hij krijgt een opzienbarend antwoord. "Wie ben ik?", "Ik ben met je" - krijgt hij te horen. Mozes krijgt te horen dat God met hem is, dat hij, Mozes, voortaan niet meer los verkrijgbaar is, nooit meer "van God los" zal zijn. Maar ook: dat God voortaan niet meer zonder Mozes verkrijgbaar is. Wat we inde kerk als wens tegen elkaar zeggen: "De Heer zal met je zijn… en ook met jou", wordt in dit verhaal aan Mozes toegezegd: "Ik ben met je". Wat het betekent zal nog moeten blijken, maar van nu af aan is het zo, dat staat vast.
Mijn volk IN Egypte wordt mijn volk UIT Egypte. Zo is God, vrijheid en bevrijding.
Maar hoe kan ik dat verkopen, denkt Mozes. Als ik zeg: "De God van onze vaderen", wie is dat … wat moet ik hun dan antwoorden?
Begrijp die vraag goed. Als ze vragen: "De God van onze vaderen, wie is dat?", dan vragen ze: "Onze God, wie is dat? Wat merken we daar van." Als je gisteren slaaf was en eergisteren ook, als je vandaag slaaf bent, dan ben je morgen ook slaaf. Dat is altijd zo geweest. "Wat moet ik hun dan zeggen?", vraagt Mozes. En dan klinkt die raadselachtige tekst: "Ik zal zijn die ik zal zijn", dat wil zeggen: "Ik zal zijn met jou, met jullie, want zo ben ik, met jou, met jullie." Zal, toekomstmuziek. Aan wat er met je gebeuren gaat zal je merken wie ik ben, hoe ik ben.
Jarenlang zocht ik op mijn school naar een vertaling van die woorden. Hoe leg je dat uit? Totdat ik merkte dat het heel simpel is. In elke klas zit een kind dat het weer niet begrepen heeft. Terwijl iedereen aan het werk is zit hij te draaien. Hij snapt het niet. Maar dan komt de juf die wat tegen hem praat, het nog eens zegt en daarna zegt:"Probeer het maar. Ik ben er ook nog." Precies dat is het: "Ik ben er ook nog". Wat er ook gebeurt, "Ik ben er ook nog".

In het evangelie heeft Lucas zoiets getekend. De berichten van de dag roepen onrust op. Pilatus heeft mensen geofferd. Er is een toren gevallen en er zijn doden te betreuren. Donker trekken de wolken zich samen. Het gaat helemaal fout. Daar heeft Jezus een gelijkenis voor, een evangelie in één gelijkenis, kort samengevat.
Een vijgenboom in een wijngaard geeft al drie jaar geen vrucht. Onzin om die boom te laten staan. Drie jaar lang geen vrucht waaraan de boom te herkennen zou zijn. Drie jaar zijn in de bijbelse gemeenschap voldoende om alles uit het Goede Boek te horen, te bespreken en er lessen uit te trekken, vrucht te dragen. Maar na drie jaar is er nog niets. Geen vrucht. Waarom moet die boom de boden nog uitputten?
Maar het verhaal geeft de uitzondering. De boom heeft iemand die zich voor hem wil buigen, die de grond los wil maken in een kring rondom en er mest op wil brengen. De eigenaar van de wijngaard laat zich gezeggen. Als Jezus in het evangelie, straks, het kruis op zich neemt, bukt hij zich.
Zo, met ons, voor ons zich bukkend, gaat hij met ons in zee. Ook dat is een verhaal over Pasen, over mensen, over vrijheid en bevrijding. Het is het brood dat Hij ons geeft en waarin wij ons leven met hem delen.
Moge dat zo zijn.


 

 

zondag 28 februari 2010
2e zondag van de Veertig Dagen

Gen 15,5-12.17-18
Lucas 9,28b-36


Wij en dat leven van ons.
Wij vallen niet samen met ons leven, het ligt altijd op ons voor, het neemt ons mee wanneer het allemaal een beetje gaat maar het overvalt ons ook wanneer we ons geen raad weten. Nu wij ons in deze weken voorbereiden op het Paasfeest, bereiden we ons ook voor op de Stille Week waarin we de heilige geheimen zullen gedenken en weer opnieuw getuigen zullen worden van alles wat er met Jezus gebeurt wanneer hij in Jerusalem aankomt, wanneer hij als koning wordt binnen gehaald, koning vanaf het kruis. We bereiden ons op Pasen voor voor door de lezingen die ons in deze weken aangereikt worden, om naar te horen, en die ons meenemen naar aloude tijden, toentertijd in Jerusalem, en naar de vele momenten van ons eigen leven die wij voortdurend meedragen. Een oud student die 35 jaar geleden in het Anthony van Leeuwenhoek lag, vroeg me: "Jan, wat vind jij? Ik heb tegenwoordig wanneer ik het evangelie lees, vaak het gevoel, dat het ook over mij gaat. Wat vind jij?" Ik denk dat dat waar is. Zo waar als het ook is dat we onszelf of iets van onszelf in elkaar herkennen.
We bereiden ons voor op Pasen door het licht van de maan. Komende nacht is het volle maan. Over vier weken is het Pasen. Het licht van de maan, het licht dat in het duister schijnt, het kleine licht.

Vandaag is het één van die weinige keren, veel te weinig!, een van die weinige keren dat we lezen in de verhalen van Abraham. Van Abraham wordt ons verteld en weten we daarom, dat hij durft te leven tegen beter weten in. Hij hoort de stem die hem in zijn duisternis uitnodigt om op pad te gaan. Hij geeft zich gewonnen aan de belofte dat er voor hem een toekomst zal zijn, dat hij en Sara een zoon zullen krijgen, dat er een plaats voor hem zal zijn. Maar er is een levensgroot probleem: niets van die beloften lijkt waar te wezen. Het duurt en duurt. Het leven sleept zich voort onder de brandende zon die het leven van elke dag tussen Mesopotamië en Egypte zo goed als op de voet volgt.
We weten dat Abraham voor God wil leven. We leren Abraham ook kennen als een man die het opneemt voor zijn broeder. Abraham is niet als Kaïn. Hij is een andere mens, een nieuwe schepping. Dan komt hoofdstuk 15. Weer valt de officiële lezing midden in het verhaal. Het is alsof we niet mogen horen dat God wel tegen Abraham zegt, dat hij voor Abraham een schild zal zijn. Kan het ons niet troosten wanneer we horen dat Abraham dat goed en wel vindt, maar dat er wel een gigantisch probleem is. Ondanks de belofte van God in Genesis 12: dat alles goedmakende en alles belovende kind is er niet. Waar blijft de beloofde zoon? Daarop lokt God Abraham bijna letterlijk uit zijn tent. Hij leidt hem naar buiten en laat hem de nachtelijke hemel zien. Daar begint onze lezing van vandaag. De menigte sterren mag het voorbeeld zijn voor wat er met Abraham geschieden zal: een grote menigte. En Abraham - tot nu toe nog steeds zonder kind - heeft weer vertrouwen in de Heer.
Maar dat wil niet zeggen dat de geschiedenis die met Abraham begint er een is van enkel vrede. De beloofde toekomst zal zijn duisternis kennen, bittere duisternis. We krijgen in woorden een angstaanjagend visioen te zien: Abraham loopt tussen de stukken. De roofvogels jaagt hij weg. Hij wil alles bij elkaar houden. En als de zon onder gaat valt hij in een diepe slaap. Hevige angst en duisternis overvallen hem. In alle duisternis ziet hij het licht van een rokende oven en een vurige fakkel. Ondanks de verpletterende druk van de geschiedenis die komen gaat, de beloften zullen werkelijkheid worden: het leven in het land dat de belofte draagt en dat door beloften gedragen wordt zal het land van Abraham zijn en van allen die na hem komen.

U merkt: het leven van Abraham, is een leven tegen het noodlot in. Geloven en vertrouwen is voor een raadsel dat een leven lang mee gaat. Dat leren we van Abraham. In uw boekje vindt U achterin een tekst die het gebed van Abraham zou kunnen zijn. Het is de tekst van het oude introïtus, eeuwenlang het openingslied van deze zondag. Ik vertaal het een beetje vrijer, een beetje meer dichterbij, zoals de tekst eigenlijk zegt: mijn hart heeft je gezegd: jouw gezicht wil ik zien, jouw gezicht wil ik aanschouwen, jouw zien naar ons wil ik zien verberg je aangezicht niet, - niet weg van mij. Het is een tekst die ons ook in de Goede Week brengt: verberg toch niet dat je naar mij ziet, dat wij je ter harte gaan.

Als je van het meer van Galilea naar Nazareth gaat, glooit de weg zacht omhoog. Rechts gaat een hoge heuvel voorbij, de berg Tabor. Hij is het decor voor het evangelie van vandaag. Ik heb een foto uit een helikopter genomen. Je ziet de weg omhoog als een slang tegen een berg. Tegenwoordig is met de taxi omhoog een avontuur, flitsend omhoog. Eenmaal boven kun je het hele landschap rondom zien.

Deze berg is het decor geworden voor het grote onderhoud en het grote begrijpen. Drie leerlingen gaan mee omhoog, zoals er indertijd ook drie mee omhoog gingen, toen Mozes de Sinaï beklom. Wat gebeurt er? Zij zien Jezus in gesprek met Mozes en Elia. Mattheus heeft het verhaal ook. Hij vertelt niet waarover ze spreken. Voor Joodse mensen is duidelijk, waarover een gesprek met Mozes en Elia gaat. Maar hoe zouden wij dat kunnen weten? Lucas heeft er daarom een microfoontje bijgezet. We horen één woord, een sleutel voor het hele gesprek. Waarover spreken zij?
Als ik U dat ene woord in het grieks zeg begrijpt U onmiddellijk waar het over gaat. Zij spreken over zijn exodon die hij In Jerusalem zal volbrengen. Zijn exodus, zijn uittocht, zijn door en leven in Jeusalem.
Een gesprek tussen Mozes en Elia kan alleen maar over dat ene verhaal gaan. Het is het grote verhaal dat in de details van iedere dag herkenbaar is, het verhaal over vrijheid en bevrijding. De leerlingen op de berg krijgen nog voordat het gebeurt het hele verhaal over Jezus in Jerusalem te horen, over zijn weg naar vrijheid en bevrijding. Zij begrijpen het niet en wij begrijpen het niet. Maar wat begrijpen we van het leven dat ons uitnodigt en ons overvalt.
Petrus begint het te dagen. Hij wil vasthouden wat een mens niet vasthouden kan. Het geheim dat ons gegeven wordt. Mijn zoon, de welbeminde. Luistert naar hem. Het is de uitnodiging die steeds opnieuw weer klinkt wanneer wij als zijn leerlingen samen komen. Neemt en eet. Delen wij met elkaar hoe hij zich geeft aan ons. Onze Heer die onze broer is, die ons leert: "Onze vader."
Moge dat zo zijn.


 

zondag 21 februari 2010
1e zondag van de Veertig Dagen

Deuteronomium 26,4-10
Lucas 4,1-13

(Boete van het werkwoord boeten. De netten boeten. De netten beter maken, herstellen.)

- Vandaag is het helemaal onbegrijpelijk. De lezing is uit Deuteronomium 26, een beroemd hoofdstuk, maar we beginnen in vers 4.Daarmee komt de hele zaak in de lucht te hangen. U kunt niet weten waar dit over gaat. Alles wat de tekst zijn plaats en oriëntatie en bedoeling heeft hebben ze weggelaten. Alsof de tekst geen tijd en plaats heft, terwijl die precies in de lezing van vandaag heel exact wordt aangegeven: Wanneer je aangekomen bent in het land dat de Heer je God je gegeven heeft, het in bezit genomen hebt en er in bent gaan wonen … We zien dat vaker in bijbelteksten. Iets wordt drie keer gezegd. Alle goede dingen in drieën: Wanneer je aangekomen bent in het land dat de Heer je God je gegeven heeft, het in bezit genomen hebt en er in bent gaan wonen … Wanneer deze drie zaken gebeurd zijn, dan moet je nemen van de eerstelingen van je oogst, dat in een mandje doen en daarmee naar de priester gaan. Hoort U dat. Het gaat over de eerstelingen van de oogst. Het land begint zijn vruchten te geven, je heeft de eerste dingen van wat het land je geeft. Het gaat dus over een soort paasfeest. Wanneer je aangekomen bent in het land dat de Heer je God je gegeven heeft, het in bezit genomen hebt en er in bent gaan wonen, dan zul je nemen van de eerstelingen van je oogst, die in een mandje doen en daarmee naar de priester gaan … Dan zul je de priester zeggen: Ik verklaar heden voor de Heer mijn God, dat ik aangekomen ben in het land … Het is de eerste geloofsbelijdenis. Ieder jaar opnieuw gaat de bijbelse mens met de eerste vruchten van het land naar de priester om dat af te staan aan God. Aan de vruchten herken je de boom. Aan de hand van de eerstelingen weet degene die optrekt naar de tempel met een deel van de eerste opbrengt die het land ieder jaar opnieuw weer geeft, dat deze gave oogst en tegelijk belofte is, hem gegeven is. Hij vertolkt zijn leven als verhaal, spreekt zijn dankbaarheid. Wanneer je aangekoken bent in het land dat God je geeft en het land biedt zijn eerste oogst, weet dan dat het ene gave van God is? Met de gaven in zijn hand komt de bijbelse boer het aloude verhaal vertellen dat nu ook zijn verhaal geworden is. Hij voelt het, hij proef het. Alsof dankbaarheid voor je plaats en voor de vruchten van je werk hoort bij de bijbelse grondslagen van het leven. Alsof je moet weten dat het je gegeven is en dat je leven en de dingen in je leven niet vanzelfsprekend zijn.

Dat is de eerste lezing die ons bij het begin van de veertig dagen, zes zondagen inkeer, gegeven wordt. Maandagavond laat thuis komend zag ik een heel dun streepje maan, net de nieuwe maan voorbij. De winter loopt naar zijn einde. Dat dunne streepje maan nu betekent dat we over 2 weken volle maan hebben. Dat is de laatste volle maan van de winter. Vier weken later hebben we de eerste volle maan na het begin van de lente, dan is het Pesach en Pasen. Maar dan hebben we zoveel te gedenken dat we nu, aan het begin van de veertig dagen, uitgenodigd worden alvast na te denken over de gaven van onze eerstelingen. De extra collecte is daarvoor in de plaats gekomen. Iets van ons bezit staan we af, voor anderen de het bitter nodig hebben, iets van onze overvloed. Zoals die boer, met zijn mandje vruchten.

Bij Lucas komen we aan in het vierde hoofdstuk. De aankondiging van Johannes en Jezus, hoofdstuk 1. De geboorte van Johannes en de geboorte van Jezus, hoofdstuk 2. De doop in de Jordaan en al die namen waar Jezus bij hoort, heel het boek van al die geschiedenissen van mensen, eeuwen oud. Eeuwen van verdriet, van hoop, van keer en tegenkeer. Lucas noemt al die namen van al die generaties. Hij telt terug. Zoon van Abraham, zoon van Adam, zoon van God. Voor Lukas is Jezus zoon van God omdat hij zoon van Adam, kind van Adam, zoals ieder van ons. Hij is kind van God zoals wij allemaal Zijn kinderen zijn en in Hem Onze vader zien.
De doop van Jezus, zijn onderdompeling in het water, is beeld van zijn ondergang maar ook beeld van zijn opstanding. Het verhaal gaat nu echt beginnen. En hoe kan het bijbelse verhaal, de bijbelse geschiedenis anders beginnen dan in de woestijn van zoeken en dralen, van ten einde raad en weer opnieuw, veertig jaar woestijn, en leven lang, terug gebracht tot de veertig dagen die ons op het paasfeest voor zullen bereiden. Is leven in de woestijn niet ook een beeld van ons zoeken, ons onderweg zijn op hoop van zegen?
De geest drijft Jezus naar de woestijn. Hij zal daar door de tegenstander getoetst worden. Toetsen. Denk aan een piano met zijn toetsen. Toetsen, tot klinken brengen. Jezus wordt in de woestijn door de tegenstander tot klinken gebracht.

Als je honger hebt. Maak van deze stenen brood. Maar Hij zegt: de mens leeft niet van brood alleen. O nee? Leeft een mens niet van brood alleen? Leeft een mens dan ergens anders van?
Maar het toneel verandert snel. Jezus ziet alle koninkrijken van de wereld. The sky is the limit. Val maar op je knieën dan zie je waar je voor bidt. Maar Hij zegt: De Heer je God moet je aanbidden en hem dienen. Dat wil nog niet zeggen dat wij dan precies weten wat we te doen hebben. Alles wat Jezus in het evangelie zal gaan doen en laten heet: God aanbidden, Hem dienen. Daarmee wordt het beeld het hoogtepunt van de tempel. Hij hoeft zich maar in het diepe te storten want de engelen zullen je op hun handen dragen. Maar Jezus zegt: stel God niet op de proef. Religieus leven betekent niet vermetel leven. Het gaat niet zonder wijsheid, zonder keuzes te maken.
Het is geen vrije val maar kiezen voor de weg die je voor ogen komt en je levensweg te gaan. Dat heet God aanbidden. Niet alles waar mensen van opkijken. Niet schone schijn of valse zekerheid, maar simpel de weg gaan die je aangeboden wordt. Dat heet God aanbidden en Hem dienen.
Emanuel Levinas, een voor mij groot Frans filosoof, heeft eens geschreven: de gewone dingen doen van elke dag, de trouw aan de gewone dingen van elke dag, dat vraagt heldenmoed, dat is ware liturgie. Laos turgein, het volk volk laten zijn, onderhoud plegen aan het volk, aan de samenleving waar je deel van uitmaakt. Onze liturgie hier heeft alleen maar zin wanneer het op een of andere manier het verlengde is van de liturgie van iedere dag.
Jezus geeft zichzelf aan zijn leerlingen, hij deelt zijn leven met ons. Moge dat zo zijn.


 

14 februari 2010
Zesde zondag door het jaar

Jeremia 17,5-8
Lucas 6,17.20-26

Erg aardig kun je dat niet vinden: "." Maar pas op! Misschien zijn we toch een beetje te snel met onze reactie, want de zin gaat verder: "Vervloekt hij die op mensen vertrouwt, die bouwt op een schepsel. En die zich afkeert van de Heer."

Jeremia is een van die zeldzame namen die het tot een werkwoord geschopt heeft. Jeremia: jeremiëren. Iedereen kent dat woord. Jeremiëren, jammeren. Jeremia is de profeet van de grote treurigheid. Een jaar of 25 geleden werd in de Stadschouwburg van Amsterdam Klaagliederen gespeeld. Het waren de Klaagliederen die je in je bijbel kunt vinden van de profeet Jeremia. Ze speelden het in de vertaling die gangbaar was ten tijde van Vondel, de aloude Statenvertaling. En het was levensecht. De plechtige verzen werden bloedserieuze levende teksten. Het toneel was een grote zaal vol zuilen. Plotseling knapte er iets en de zuilen werden lange strepen tranen over het toneel. Jeremia is immers de kroongetuige van wat onmogelijk leek: de verwoesting van Jerusalem. Hoe zat dst dan? Wat was er dan?
Wat Jeremia ook probeert, hij kan de koning niet vermurwen. De koning blijf eigenwijs zijn eigen gang gaan. Hij laat zich leiden door lieden die hem naar de mond praten om zelf in een goed blaadje te staan. De koning trekt zich niets aan van God of gebod. Dan rust er geen zegen op je werk, zegt Jeremia vandaag. Dan is het einde niet meer zoek maar staat het voor de deur.
De koning zoekt zijn heil in het sluiten van een verbond met de Egyptenaren. Hij zoekt zijn heil bij de mensen die in hun tijd goden menen te zijn. Zo valt hij in de handen van de Babyloniërs en gaat Jerusalem ten onder.
Het beeld dat Jeremia dan geeft spreekt boekdelen: een kale struik in de steppe die nooit regen ziet. En met drie dikke strepen wordt de plaats waar hij staat onderstreept: 1. In door woestijngrond, 2. In een onvruchtbaar gebied, 3. Waar niemand woont. Een kale kaketoe waar niemand om geeft. Maar wie op God vertrouwt - - dat is een heel andere verhaal. Daarvoor gebruikt Jeremia de woorden van Psalm 1.
Wie zijn vertrouwen zoekt in de stilte van God, zo iemand is als een boom die bij een levende stroom staat, die met zijn wortels tot het water raakt. De hitte deert hemniet, zijn loof blijft groen. Als er een tijd van droogte komt, het deert niet. Hij geeft zijn vrucht altijd.
Wonderlijke woorden. Het zijn eigenlijk woorden waar jij niet bij kunt. Je kunt zeggen dat je er niets van begrijpt. Ik kan zeggen dat ik die woorden herken. In de dagen van mijn ziekte voelde ik me niet verlaten. Ik wist: wat er ook gebeurt, ik ben in zijn hand. Ook als het ergste gebeurt, hij draagt me er doorheen. Een wonderlijke gevoel, een eenvoud die mij verraste en die ik niet begrijp. Maar God gaf de angst niet het laatste woord. Ik durfde stil te zijn en af te wachten, vol vertrouwen. Ik gaf mij gewonnen aan de woorden die ik als kind geleerd had. Zo'n soort vertrouwdheid, kinderlijke vertrouwdheid, komen we in de verhalen ook bij Jezus tegen.
"Gij komt van al zo hoge van al zo ver." Met de 12 daalt hij af van de berg en komt in de vlakte. Heel wat leerlingen en een grote menigte wacht daar. Heel de wereld wacht daar. Uit Jerusalem en uit de kustlanden, zelfs uit Tyrus en Sidon.
Jezus slaat zijn ogen op, hij kijkt zijn leerlingen aan en zegt hen. U hoort weer die verdeling in drieën: 1. Hij slaat zijn ogen op, 2 hij kijkt naar zijn leerlingen, 3 en zegt hen. Dat is de manier die de tekst heeft om andacht te vragen voor de woorden die komen gaan. "Zalig, … zalig … zalig". In meer hedendaags nederlands: wat ben je er gelukkig aan toe wanneer je… Gevolgd door: Wee jullie … wee jullie … wee jullie. Ik ga die tekst niet volgen. U hebt het net gehoord, U kunt het zelf lezen en er is geen woord frans bij. Binnen zijn of buiten staan, het kon wel eens anders zijn dan de media of de mensen je doen geloven.
Is daar nog iets aan toe te voegen?
Misschien dit: Jezus zegt: als je mij wilt volgen moet je kijken naar de profeten. Heb oog voor mensen als Jeremia. Die houden je bij de les. En kijk eens even naar de cijfertjes boven de tekst. Hoofdstuk 6 van Lukas, de verzen 17 en 20-26. Ze hebben dus een stukje over geslagen. Ik ben dan altijd nieuwsgierig naar: wat hebben ze over geslagen?
Uit heel het joodse land, uit Jerusalem en uit het kustland Tyrus en Sidon zijn de mensen gekomen. De tekst vertelt: … die gekomen zijn om hem te horen en genezen te worden van hun ziekten, en die gekweld worden door onreine geesten, ze worden genezen. En heel de menigte zoekt hem aan te raken omdat er kracht van hem uitgaat en hij ieder geneest. Dat zijn overvloedige woorden van Lucas. Of is het anders? Komen wij als zondagse gemeenschap anders rondom Jezus bijeen? Het lijkt er bijna op dat er voor ons eigenlijk geen plaats is in het kerkelijk evangelie. Of is het zo niet bedoeld? Hoe het ook zij, wij weten nu hoe Jezus omgeven wordt door grote menigten. Bij hen begint het onderricht. Wat zijn jullie er gelukkig aan toe.
Breken wij het brood en delen wij de beker en moge God en zijn Gezalfd, zijn koninklijk kind met ons zijn. Hij daalt in het verhaal van Lukas af, komt naar beneden, om hier, in ons midden, met ons, bij ons te zijn. Moge dat zo zijn.


7 februari 2010
Vijfde zondag door het jaar

Jesaja 6,1-2a.3-8
Lucas 5,1-11

Groot en klein zijn erg relatieve begrippen. Toen ik de eerste keer na veeljaren weer in de kerk van mijn kinderjaren kwam verstilde ik bijna. Zo klein, zo'n intiem kerkje. Terwijl hij in mijn geheugen minstens zo groot was als de hemel. Die enorme koepel, die geweldige ramen waar, wanneer de zon scheen, 's morgens vroeg altijd de zon scheen. Ik wist toen nog niet da oude kerken gebouwd werden met het altaar naar het Oosten, maar ik koesterde me in het licht van de alsmaar opgaande zon, iedere dag weer.
Groot en klein zijn relatieve begrippen, maar Jesaja maakt het vandaag wel erg bont.
In het Jaar dat de koning sterft - o je, de koning sterft, het land in rep en roer, geen koning meer - in het jaar dat koning Uzzijahoe sterf zie ik de Heer gezeten op een hoge en verheven troon. De zoom van zijn gewaad vulde de Tempel. Onvoorstelbaar, indrukwekkend, hemel en aard vervuld van zijn majesteit. We horen:"Heilig, heilig, heilig", dat hemelse gezang dat in de synagoges en in de kerken klinkt.
O God, je hoort het Jesaja zeggen: Ik ben niets en nergens meer. Onrein mijn lippen, ik kan niet en nooit spreken over het heilige dat ons omarmt, ho kan ik ooit iets zeggen? Maar er bljjkt al een engel gered te staan. Die vliegt van het altaar naar Jesaja en raakt met een kool van het altaar ziens lippen. Je hoort niets van verbranden of van angst. Alles is vergeven. En alsof hij nu bij God zelf te gast is zo hoort hij de Heer zeggen: Wie zal ik sturen? Weet God het even niet meer? Dat lijkt niet zo waarschijnlijk. Wie zal ik sturen? En ieder die het verhaal hoort, hoort nu ook dat zijn oren tegen hem zeggen: "Hier ben ik. Stuur mij." Wij komen met dit verhaal als gestuurde mensen in onze wereld. Ieder mens is geroepen, heeft een roeping, een taak, een opdracht. Iedere van ons staat ergens voor. Wij openen voor anderen de wereld waarin wij leven en zo wordt dat leven van ons een eindeloze geschiedenis, wereldwijd en levensgroot, en avontuur. Met God op avontuur.

Dat heeft Jezus wel geweten. Terwijl in onze oren nog steeds de herinnering hangt aan hartje winter met de sneeuw en de kribbe, staat hij in de lezing van vandaag aan de oevers van het Meer van Galilea. Het is geen komen en gaan maar een komen en staan van mensen. Een stelletje vissers zijn hun netten aan de kant aan het gooien. Bijna toevallig loopt Jezus naar voren en stapt in een van de bootjes. Het wiebelt een beetje maar dat schijnt geen probleem. Ik denk in dit verhaal altijd aan een schilderij van Van Gogh, bij de Pont d'Arles, de ophaalbrug van Arles. Bootjes nog net in het water, veel schaduw, veel boot zie je weerspiegeld in het water. Vanuit de boot spreekt Jezus de mensen toe. Het water draagt de stem, woorden bereiken de overkant. Als hij klaar is zegt hij tegen Petrus: vaar een eindje. En gooi je netten uit. Tijd voor de oogst, voor de vangst. Petrus grijnst volgens mij een beetje melancholiek. Wat weet zo'n landjongen nou van vissen. De hele nacht, niks. Het heeft helemaal geen zin, jongen. Maar zonder zijn eigen woorden te horen gooit hij de netten in het water. "Op jouw woord" - je zult zin: niks.
Maar de netten glijden bijna uit Petrus handen. Een gewicht. Trekken! Er moet meer dan één hándje geholpen worden. Het net dreigt te scheuren - niet dat je bang moet zijn, maar je moet goed weten dat het hardvochtig veel is. Het glibbert en spring allemaal in die boot, versgevangen vis. De boot gevuld tot zinken toe. Nog net op het randje.
Maar wat is dat? Tussen al die vis ligt Petrus op zijn knieën, ook gevangen, lijkt het wel. Petrus, de man met genoeg visserslatijn heeft geen woorden meer. Hij is helemaal ontdaan. Ga weg van mij, zegt hij, ik ben een zondig mens.
Ik denk dat we met die tekst moeten oppassen. Je moet niet gaan denken:"Wat heeft hij dan allemaal verkeerd gedaan? " Ik heb dat een keer gelezen in een boek, een jaar of 50 geleden intussen. Ik weet niet meer hoe het heette, maar het maakte enorme indruk op me. Het is oorlog. Een man staat achter in de kerk. Hij is niet zo van de kerk, maar zijn vriendin is dat wel. Hij kijkt naar haar, daar, ver vooraan - hij hier achter. En hij realiseert zich: wat was ik er vroeger miserabel aan toe. Ik ben helemaal niets zonder haar. Mijn leven is opeens leven geworden.
Die man realiseerde zich hoe dood hij eerder was en hoe levend nu. Als Petrus zichzelf een zondig mens noemt bedoelt hij dat niet moreel maar existentieel. Het gaat over hem zelf zoals hij zich , nu dit gebeurt, ten diepste voelt: blijf bij mij, laat me nooit meer gaan. Uit mezelf ben ik een miezerig mannetje, ontferm je over mij. Laat me niet aan mezelf over. En de anderen hebben datzelfde. En Jezus zegt:"Je hoeft niet bang te zijn. Je hoort bij mij. Voortaan zul je ook mensen vangen. "

Ik ben er van overtuigd dat wij dit allemaal niet hoeven te weten om een beetje thuis te zijn in de biografie van Simon Petrus. Een paar dingen die we nog weten moeten. Het verhaal vertelt ons ook hoe wij hier zijn, gevangen door de grote visser, meegegaan in het verhaal. Wij weten dat wij Jezus volgen, proberen zijn woorden na te zeggen, te proeven: vader, in de hemel, jouw wil, moge die geschieden op aarde zoals in de hem, moge daar plaats voor zijn. Wij proberen zo te spreken als hij om te leren, zo te kijken als hij, te gaan als Hij. Volgens.
Waarom volgen we Hem?
Wat is dat, die wonderlijke manier waarop Hij ons roept, zodat we kineren Gods worden, broers en zussen, kinderen van één vader? De hemel heeft een wonderlijke biologie, een wonderlijk verhaal over ons leven. God wil er zijn voor ons.
Moge dat zo zijn.

Jan Engelen (20 januari)

 


17 januari 2010
Tweede zondag door het jaar

Jesaja 62,1-5
Johannes 2,1-12


Jesaja is niet meer te houden. Hij kan niet meer stil zijn, hij is overrompeld en moet wel van de daken schreeuwen over de overwinning van Sion, over de bevrijding, eindelijk licht, één en al licht na al die duisternis. Hij bevrijding brandt als een toorts. Bevrijding, als je dat woord in het hebreeuws leest zie je staan: jesjoea - waar de naam Jezus van afgeleid is. Je zou ook mogen lezen Haar bevrijding, haar Jezus, is als het licht van een brandende fakkel. En al de anderen, heel de wereld - kath holon ton kosmon', dat betekent het woordje katholiek eigenlijk, "heel de wereld", alle anderen naast Israël, zullen met nieuwe ogen opijken naar Sion, naar Jerusalem, de bruid van de Heer van Hemel en Aarde.
Weg verlorenheid, weg verlatenheid. Het land wordt ten huwelijk gegeven aan zijn Heer, zijn bevrijder.

Met andere woorden. De kerk laat ons vandaag deze woorden van Jesaja horen opdat we onze oren zullen spitsen voor wat komen gaat. We krijgen nu een bruiloft die de rest van de geschiedenis van zich zal doen spreken. Vol verwachting moet ons hart kloppen als de de klim omhoog gaan maken. Want het verhaal dat nu komt zet hoog in. Je kunt dat zien aan de laatste regel, als Jezus afdaalt met de zijnen naar Kapernaum - vreemd einde want er wordt alleen maar vertelt dat hij daar niet vele dagen blijft om dan meteen door te schieten naar Jerusalem. U hoort, het gaat rap. Voor we er erg in hebben heeft Johannes ons al naar Jerusalem gebracht, daar moeten de fakkels gaan branden, daar trekt alle licht samen, want hier is zoveel te zien.
Eerlijk gezegd: ik heb me er op verheugd om over dit verhaal te mogen vertellen, maar in feite sta ik met mijn mond vol tanden want er is veel te veel. Kort gezegd: In Kana zien we de bruiloft waar ze met zijn allen zingen: "we hebben dorst en we krijgen niets te drinken", maar het lied dat hangen blijft en waar we mee naar huis gaan zou moeten zijn:"Zo'ne goeie hebben wij nog nooit gehad". Kortom: het is nogal wat.

Vlak voor Kerstmis zij onze pastor die wat met Johannes heeft, een beetje trots en vol verwachting: "Je preekt zondag toch over de grote Johannes. Zondag is het Sint Jan de Evangelist."Ik had dat toen beloofd maar niet gedaan. Het moest gaan over Jezus die in de tempel blijft, een kind van 12 dat zijn ouders het nakijken geeft op de zondag die familiezondag heet. Maar dat niet preken over Johannes kan, mag en moet vandaag wel. Want Johannes is de enige met dit fantastische verhaal over Kana hooggelegen, zo hoog als de hemel rijkt. Sursum Corda. En Kana betekent ijver, vlijt, inzet bij het leven. De Bruiloft van Kana is het magistrale verhaal van Sint Jan de Evangelist, zijn visitekaartje bijna. Alles komt op tafel. Daarvoor zijn om te beginnen twee dingen nodig. Eén ding is er niet. Er is geen wijn. En één ding is er wel: "dit is een wijn, een uitzondering, het absolute einde." Dan sta je paf, je hebt er geen woorden voor, en je hebt er geen idee van wat je geproefd hebt. Zoiets! Twee dingen: geen wijn maar water en ongehoorde wijn. Zo gewoon als water enuitgelezen als de meest fantastische wijn.
Het is bruiloft. Als het bruiloft is in de bijbel, dat begrijpt u wel, dan gaat het niet over notities bij de burgerlijke stand en een huwelijkscontract. Een bruiloft inde bijbel stelt altijd het verbond aan de orde. Meer dan broer en zus zijn man en vrouw het beeld van het verbond. Met al zijn hoogten en diepten leggen man en vrouw en verbond elkaar uit, want het is wat als hemel en aarde samengaan.
Als je zegt: ik ga naar een bruiloft, dan vraagt men je onmiddellijk: wie gaat er trouwen. Hetr gebeurt in Kana in Galilea en de moeder van Jezus is daar. Gaat die dan trouwen. Nee, zo zijn we niet getrouwd, al zal zij daar straks wel iets van zeggen, iets beslissends, iets dat haar in het verhaal tot moeder van Jezus maakt. Want het is U wel opgevallen: de tekst noemt haar niet Maria. Niet het feit dat zij Maria is maakt haar tot moeder van Jezus. Ik zal het u uitleggen.
Jezus komt als geroepen naar de bruiloft. Een zielige bruiloft. Er is geen wijn. Wij hebben vroeger geleerd: "Er is geen wijn meer", maar het grieks zegt hier vierkant en zeker: "Er is geen wijn". Een vreemde bruiloft waar de vreugde, de wijn ontbreekt.
De moeder van Jezus merkt het gemis op. Ze haalt er Jezus bij. Het korte gesprekje dat ze dan voeren is veel besproken. Er zijn zelfs commentaren die ons verzekeren dat Jezus echt wel van Maria hield. Maar het is veel interessanter, letterlijk INTER. Vrouw, wat is er tussen mij en jou. Ik noem dat de vraag naar het ussen, naar dat wat ons scheidt en tegelijk ook bindt. Het gebrek en de rijkdom, het kunnen vragen aan elkaar en het aan elkaar gewaagd zijn. Maria zegt ook niet: "Rotjongen, altijd al eigenwijs geweest, altijd zijn zin doorzetten." Nee, alsof de vraag naar het tussen, at is er tussen mij en jou, als vanzelf de woorden oproept en de anderen. Ze zegt: "Wat hij zegt, dat moet je doen!" Wie is de moeder van Jezus? Dat is degene die zegt: "Wat hij zegt … doen!" Dan zullen de woorden geschieden, zoals in de hemel, hoog als Kana, zo ook op aarde, hier, waar wij thuis zijn. Houd je aan zijn woorden, doe als hij zegt. Ik kan natuurlijk niet alles zeggen maar u begrijpt, als zij zich houden aan zijn woord dan gaan alle lichtjes branden, dan zijn er meer pretoogjes dan je vermoeden kunt.
Het detail is zo leuk. Ze vullen de kruiken tot boven toe. Kruiken met een kraag er op. Scheppen moet nu voorzichtig gaan. Als die hand van boven naar beneden komt dan is het gebeurd? Wat is er dan gebeurd. God mag het weten maar de ceremoniemeester blijkt niet te weten wat hij met Jezus in huis heeft.
Als de ceremoniemeester proeft wat hij in zijn kruik heeft dan valt hij in pure verbazing. Zoiets! Zo iemand!
Het gebeurt op de derde dag. Denk aan de tijd van Goede vrijdag tot Pasen. Het is om redenen die ik nu niet uitleg ook de vijftiende dag, Pasen. Johannes zegt dit in het volgende verhaal: Pasen, op naar Jerusalem!
Als zo iets gewoons als water pure, onversneden wijn is, messiaanse wijn, dan is het de wijn die al ligt te wachten sinds de grondvesting van de wereld. Heel de schepping ziet uit naar dit mensenkind aan ons geboren, zichtbaar als de held van de bruiloft die dit leven ook wil zijn.
Waar gebeurt het, in het verhaal? Waar onderstreept de muziek of de stilte de spanning. Niet als het water rood wordt, maar als de man proeft. Het drinken van de beker vertolkt de onuitsprekelijke vreugde die deze godendrank, het leven, ons geeft.



 

10 januari 2010
Doop des Heren
Jesaja 42,1-4.6-7
Lucas 3,15-16.21-22


Inleiding
Veel schilderijen uit het begin van de Renaissance laten Maria zien met een boek. Er is er zelfs minstens één waarin de moeder haar kind leert spellen en lezen. Zo hebben schilders dat begrepen. Als Maria niet in de Schriften thuis was zou ze niets begrepen hebben van de woorden van de engel. Zo ook moeten voor ons de boeken open gaan willen we iets verstaan van wat zich daar afspeelt en aandient bij de Jordaan.


Overweging
Mijn leven lang ben ik bezig geweest mijn studenten - en natuurlijk ook mezelf - een gevoel te geven voor wat geloven kan zijn en eigenlijk is. Dat is een heel moeilijk onderwerp omdat geloven zo vlug begrepen wordt als ja-zeggen tegen iets waar veel mensen nee tegen zeggen, of waar mensen het moeilijk mee hebben. Geloven heeft dan iets van begrijpen wat anderen niet begrijpen. Zeg je begrip hebben voor, dan klinkt het al anders. Geloven is dan een zwakte waar je begrip voor kunt hebben. Wat zou je tegen wat en hoe dan ook gelovige mensen hebben zolang ze je in leven laten.
Dat geloven iets met begrijpen te maken heeft is wel duidelijk, maar dat geloven wordt bepaald door het woord begrijpen is pas het geval sinds de tijd dat de één wel en de ander niet! Toen mensen meer wakker begonnen te worden als ik. Toen het begon te gaan over "precies", over "waar"of "niet waar" - heel vaak, zoals ten tijde van de beginnende reformatie gekoppeld aan misbruik van macht, zo'n ziekte die kleeft aan vele vormen van gezag: misbruik van macht dat iedere vorm van samenleven ondermijnt. Maar gaat geloven over waar of niet-waar? Als u zegt: "Onze Vader die in de hemel zijt", bent u dan bezig met waar of niet-waar? Ik denk het niet.

De laatste 10 jaar kwam ik op school steeds meer uit bij:"Meer dan iets wat ik doe is geloven een kwaliteit van de taal." Dat we kunnen geloven komt door de taal die we spreken, die we horen. Als je wilt uitleggen wat liefde betekent, of lui zijn, of dapper, dan moet je gaan praten. De woorden maken het duidelijk, banen een weg, geven inzicht. Dat je kunt vertrouwen komt door de taal. Die kan alles kapot maken maar ook alles helen, samenvoegen, bijeenbrengen. Geloven is mogelijk door het geschenk van de taal: daarmee overbrug je afstanden. De kwaliteit van de taal.

Vier jaar geleden merkte ik opeens nog iets merkwaardigs. Ik vond het zelf een vreemde gedacht, een rare manier van denken. Ik merkte en besefte, dat ik me goed voel in mijn woorden, mijn beelden, mijn taal. Veel van wat ik zeg, hoor, voel, doet me goed. Ik voel me thuis in mijn taal. Maar wat is dat een eigenaardig verhaal, hoe kom je op zo'n idee: ik voel me thuis in mijn taal …? Maar het gekke was, dat de mensen aan wie ik het vertelde, aan wie ik ook zei dat ik het zo'n raar idee vond - wie bedenkt nou zoiets? - die zeiden tegen me dat ze zich dat gevoel goed konden voorstellen. Ja, dat begrepen ze wel. De woorden spreken je aan, wijzen een weg. Daarom spreken we met elkaar, om elkaar te vinden, om onszelf te vinden, om een plekje in ons leven te vinden en een beetje rust, een beetje warmte.

In feite zijn we zo ook iedere zondag hier. De boeken gaan open, we horen verhalen uit de voortijd. Dank zij Jezus Christus - de verhalen over hem zijn tot hier toe verteld en hebben hoop gegeven, verwachting, rust, zekerheid. Hij nodigt ons in die verhalen zelfs uit om samen te komen, brood en wijn, ons werk en onze vreugde te delen, zijn leven te delen. Hier worden ons verhalen gegeven en woorden die de mensen van het Boek bij elkaar hebben gehouden, tot Israël gemaakt hebben, tot overlevenden. Woorden om steeds weer op terug te vallen, om in gevonden te worden.

De eerste lezing: Troost, troost je, laat je toch troosten, volk van mij. Woorden die heimwee vertalen en betrokkenheid, innige betrokkenheid. De profeet Jesaja ziet zijn mensen, ziet ook ons aan. Je mag je getroost voelen, laat je troosten. Wat er ook gebeurt, God heeft het laatste woord. Ook al onttrekt dat zich aan ons zicht: God wil er zijn en is er voor ons en voor de mensen om ons heen, een oneindige bron van goedheid waar je niets van begrijpt. Je kunt en je mag je beroepen op die woorden, op Onze Vader in de hemel … op aarde, moge daar plaats en gelegenheid voor zijn, voor jouw woorden, jouw beloften, dat het goed met ons zal gaan, dat vrede bestaat en geluk.

In de reikwijdte van die woorden, voor mensen die zich eigenlijk verloren weten is er een troost die alle begrip te boven gaat, - gedragen door de vleugels van díe woorden gaat Jezus naar de Jordaan. Lukas vertelt hoe druk het daar is. Nu hoef je geen atlas uit je kast te halen om op te zoeken waar het druk is. Het is druk bij de Jordaan. Die Jordaan is geen plek in een atlas, 31,53 graden noorderbreedte en 35.32 graden oosterlengte, met een bedding die 320 meter onder de zeespiegel ligt. Ik heb het voor de lol even opgezocht in google-earth en nu weet ik dat. Maar ik weet natuurlijk niks. Nee, de Jordaan, u weet dat, ligt natuurlijk vlak bij Sint Jan de Doper.
Als je Jordaan zegt, dan zeg je Sint Jan, dan zeg je: Jerusalem; dan zeg je: op het randje van de woestijn. De Jordaan is op het randje. Het veelbelovende land wordt daar woestijn als je niet oppast, maar ook: de woestijn wordt daar land als je durft te gaan naar de overkant.
Toen ik de eerste keer bij de Jordaan was viel het me eigenlijk tegen. Een riviertje van niks. Maar dan kijk je het boek uit. Je moet het boek in kijken. Hier, bij de Jordaan, raken hemel en aarde, raken tranendal en "eindelijk" elkaar. Eindelijk: we zijn er uit. Land in zicht, we komen ergens.
Die barre vraag in de woestijn, veertig jaar lang, een mensenleven lang, de pijn van: "Is god in ons midden? Trekt hij zich iets van ons aan. Gaan we ergens naar toe? Dat leven van ons, heeft dat zin?", we zijn daar vorig jaar in de advent mee bezig geweest om uit te komen bij het Kind dat met Kerstmis zijn handen naar ons uitstrekt en dat met ons verwonderd luistert naar de herders met hun verhaal over eer aan god in de hoge, vrede op aarde!

Vandaag, bij de Jordaan, bij Sint Jan de Doper. U hoorde al van Lukas: Sint Jan is daar niet in zijn eentje. Het volk is daar. En het is een heel gedoe. Ze lopen allemaal te murmelen. En als je dan dichterbij komt hoor je waar ze mee bezig zijn. Ze vragen zich af, of het niet zo is, dat Johannes … zo komt het hoge woord er uit … of Johannes niet de Messias is? Voor Johannes is die vraag niet aan dovemansoren gezegd. Helemaal los van hem, ik ben niet waard zijn sandaal los te maken, komt er iemand die ons zal dopen met de heilige geest - u weet wel die geest die hemel en aarde toch bij elkaar brengt. De geest van alles is goed, heel goed, daarmee zal hij, de Messias, ons dopen - wonderlijke woorden ons toegezegd, door Sint Jan.
En terwijl die woorden nog in de lucht hangen laat al het volk zich dopen en te midden van al die mensen, eigenlijk onopgemerkt - Lukas brengt ons bij Jezus die na zijn doop aan het bidden is. De hemel gaat open, niet als een natuurverschijnsel maar als het ware om zijn mond open te doen. Jij bent mijn zoon. We horen de woorden die Abraham te horen krijgt wanneer hij met zijn kind naar de berg van alle verhalen zal gaan. We horen de woorden die David over Salomo zegt. We horen de woorden die God tegen zijn mensen zegt, tegen de mensenzoon: Jij, ieder van ons, jij bent mijn enige, zoals hij die ons is voorgegaan, van de Jordaan naar Jerusalem, om daar definitief één met ons te worden in het brood en de wijn die wij hier met elkaar delen.
Moge dat zo zijn.

 


 

3 januari 2010
Openbaring des Heren

Jesaja 60,1-6
Matteüs 2,1-12

Inleiding
Het feest van komende woensdag is naar voren gehaald. De reis van hun leven is dank zij het kerkelijk leesrooster dit jaar voor de wijzen drie dagen korter geworden.
Jerusalem wordt geroepen om op te staan. De zon, de glorie van de Heer, begint over haar op te gaan. Te midden van al het duister gaat het licht op over Jerusalem. En daar komen de volkeren. Kamelen van Midjan en Efa komen er aan. De mensen van Sjeba trekken op naar Jerusalem. Goud en wierook.
Sta op … zo begint de eerste lezing van vandaag. Dat betekent dat het dus zijlings ook een beetje over Amsterdam gaat, wanneer Amsterdam tenminste nog steeds Mokum is. "Koemi", sta op. Mokum: van waar je opstaat, je plaats, je plek. Een mooie naam. Laat ons maar doen alsof we vandaag naamfeest hebben. Op het feest van de Drie koningen staan we er allemaal een beetje gekleurd op, en bij. Bij de kribbe. Vreemd volk bij de kribbe.


Meditatie
Jesaja roept Jerusalem toe zoals je een stalende dag wakker roept: Schijn, begin te schijnen, laat je licht zien want God is al zijn bevrijdende en sprankelende heerlijkheid ziet je aan. Zijn licht, zijn Aangezicht is over je opgegaan. Sta op. Voor de dag met je licht! Laat de volkeren komen om bij jou hun licht op te steken. Van overal komen ze naar je toe, volkeren en koningen, je zonen en dochters. Ik voel in die woorden iets van opzien naar al die andere volkeren met hun macht en pracht, en tegelijk gevoelens van nabijheid, van broederschap, van bij elkaar horen in alle verscheidenheid, want niets is zo anders als wat op je lijkt. Als een vracht wol op poten bedekt een deken van kamelen het bergland van Judea - goddank en god dankend.
Het zijn deze woorden die ons naar Jerusalem moeten brengen. En zo staan we dan met onze voeten in de poorten van Jerusalem, diep onder de indruk van al die eeuwen, al die levens, al die verwachting en hoop, en ondanks alles beter weten en durven, moed hebben.

Als het zover is dat het verhaal van en over Jezus beginnen gaat, als hij geboren is … wij verwachten natuurlijk allemaal: "Koning der Joden", geboren in Jerusalem, maar niets daarvan. Het is een ernstig grapje van Matteüs. Als Jezus geboren is in Bethlehem … waar is Jerusalem dan? … in de dagen van Herodes, koning in Jerusalem. Je hoeft het niet te geloven maar een donkere wolk trekt over Jerusalem. Mensen kruipen een beetje bij elkaar, bang bij elkaar. Koning Herodes, die man is zo door en door bang dat hij zelfs zijn eigen kinderen ombrengt. Eerst zijn vrouw en dan zijn zonen. Koning Herodes, het lijkt de farao van Egypte wel, de moordenaar die niet omziet naar een mens, die geen spoor van waardering heeft voor een leven dan anders is dan het zijn. Ik ben ikke en de rest kan stikken. Als Jezus geboren is in Bethlehem in de dagen van Herodes, koning over Jerusalem. Het KAN geen mooi verhaal worden, of toch … maar hoe dat dan moet.
Als Jezus geboren is in Bethlechem in de dagen van Herodes, koning in Jerusalem, zie, wijzen uit het Oosten komen in Jerusalem. Ze hebben een vraag. Ze vragen; "Waar is de geboren koning van de Joden?" Waar kun je met die vraag anders terecht dan in Jerusalem? Waar anders dan aan het hof van de koning?
Waar moeten we zijn voor die geboren koning? Een voor de hand liggende vraag op een voor de hand liggende plek. Maar hoor je wat er gebeurt als Herodes die vraag hoort?
Herodes schrikt en heel Jerusalem met hem. Niet heel JERUSALEM, maar HEEL Jerusalem. Heel die stad waarvan de naam vrede spelt, Jerusjalaiem, - Jerusalem schrikt als het hoort van de geboren koning van de Joden.
Er hangt een donkere wolk boven Jerusalem, - onheilspellend, als de koning schrikt en als heel die stad met hem mee zijn adem inhoudt.
Maar daar komen de volkeren, mensen uit het Oosten, vreemdelingen die van Abraham, Isaak en Jacob niet weten, die van bevrijding uit de slavernij nooit gehoord hebben … vreemdelingen vragen naar de bekende weg, naar de weg die al mensenlevenlang zoek is, de weg naar de vrede. Waar moeten we zijn om dit Godswonder, die geboren koning, die koning als geen ander te zien? Uw koninkrijk kome, zijn koningschap.
Herodes schrikt, HEEL Jerusalem met hem. Die onbestaanbare vraag naar de echte, de geboren koning van de Joden? Zelfs voor Herodes is er maar één manier om daar achter te komen. De boeken moeten open. Zo'n geboren koning is niet natuurlijk. Daar kom je niet op door daar over te gaan peinzen: "Ja, waar zouden we moeten zijn?" Nee, het typische voor het bijbelse Israël en Jerusalem is het, dat dan we dan bij de eeuwen terecht moeten.
ALLE hogepriesters en geleerde schrijvers komen bijeen. Het s bij Matteüs de eerste keer dat deze vergadering bij elkaar komt. We zullen er niet meer van horen tot het lijdensverhaal begint. De boeken gaan open en ze lezen:"In Bethlechen in Jehoedah."Bethlehem die bevoorrechte stad in het heuvelland onder Jeroesjalaiem. David is daar geboren. Daar, in Bethlechem begint het verhaal van Jezus van Bethlechem tot Jeroesjalaiem, of zoals wij zeggen: van Bethlehem tot Jerusalem.
Nu bij de open boeken goede raad niet duur blijkt doen de wijzen zoals hun gezegd is. Ze zouden er niet op gekomen zijn dat je de geboren koning in Bethlehem kunt vinden. Eenmaal buiten de stad zien ze de ster weer. Wat voor donkere wolk hangt er boven Jerusalem dat je uitgerekend daar de ster niet kunt zien? Ze laten zich bij de neus nemen en reizen achter de ster aan om te komen waar ze volgens de boeken wezen moeten, in Bethlehem. En door hun knieën zakkend pakken ze uit: Goud voor de koning. Wierook voor de Heer van Hemel en aarde, en Mirre met oog op zijn begrafenis. Geschenken die al uitleggen wat Matteüs ons nog vertellen wil, het hele verhaal over Jezus van Bethlehem naar Jerusalem die onze broeder, onze leraar, onze Heer wil zijn.
De wijzen gaan langs een andere weg terug naar huis. Als je dit kind gezien hebt ben je een ander mens geworden. Je gaat niet terug zoals je gekomen bent.

Vandaag komen eerste de wijzen uit het oosten. Met hen komen de volkeren in het evangelie om bij het pasgeboren kind op adem te komen en met hen komen wij mee om te zien wat er gebeurd is en getuige te worden van dit pasgeboren kind, de geboren koning in de stad van David, de jongste te midden van de broers en zussen. Een en al onschuld, zo laat de Heer zich zien. Delen we dat met elkaar.



 

Drie teksten voor de Kerstdagen in 2009


Nachtmis

Jesaja 9,1-3.5-6
Titus 2,11-14
Lucas 2,1-14

Je kunt je eigenlijk niet goed voorstellen dat Kerstmis pas een feest is vanaf ongeveer halverwege de vierde eeuw. Afgelopen weken heb ik als lid van en koor gezongen in Bejaardenhuizen en Verpleeghuizen. Ik zag mensen die nauwelijks nog spreken maar hun lippen gaan mee bewegen wanneer we "de Herdertjes" zingen, of "Nu sijt wellecome". Opeens hoor je er weer bij, doe je mee, alsof je ontwaakt. Soms zie je een traan in de ogen.

Het jaar is voor mij deze keer voorbijgevlogen, maar de advent, die laatste drie vier weken duren wel al een eeuw. Komt dat door de sneeuw, zo onverwacht en rijkelijk? Natuurlijk de commercie maakt er misbruik van, maar ik heb het gevoel dat Kerstmis niet alleen een kwestie van sentimentaliteit is. In het feest gaat een diep heimwee schuil. De tijd staat stil en je voelt jezelf bijna alle leeftijden hebben. Je bent weer even het kind dat met grote ogen kijkt naar die grote boom met al dat licht. Je staat weer in de grote kerk van je jeugd je ogen uit te kijken naar de kameel of de olifant van de kerstgroep, en je laat je vasthouden door je vader die groot naast je staat en als een kind meegeniet met jouw plezier en verwondering. (In mijn jeugd had je nog geen t.v. Film moest "duur" betaald worden met een dubbeltje of een kwartje. We waren nog niet vertrouwd met die wonderlijke verschijnngen van olifanten en kamelen.)
En je bent de ongeduldige puber die de wereld niet past, of je herinnert je al die kerstdagen met je vrouw, je man, je kinderen van zoveel leeftijden. Kerstmis is niet alleen het feest van de sentimentaliteit. Er gaat een diep heimwee in schuil. We voelen onze verlorenheid en we voelen de warmte van de os en de ezel, gedurig, steevast, een en al rust.

Veel discussies over Bijbelteksten gaan nog altijd over 'echt of niet-echt', over wel of niet gebeurd. Alsof het er toe doet wat eerder is, - de kip of het ei. De Bijbelse literatuur, die woorden van al zo hoge van al zo ver en door de eeuwen gedragen, hebben een heel ander oogmerk. Het verhaal van vandaag is er vooral op uit om dát de beschrijven waar woorden te kort schieten of het reikt woorden aan om het adembenemende te vermoeden en voorzichtig te noemen, een kind - voor ons geboren - en wij, opnieuw geboren, opnieuw weer, mens worden.

We hoorden Jesaja. Woorden die ouder zijn dan 2,5 duizend jaar. Je zult maar zitten in de schaduw van de dood, je zult maar zeker weten dat het nooit meer goed komt! Maar de profeet wil het meest onwaarschijnlijke waar hebben: blijdschap vindt plaats, vreugde wordt geboren en uitgedeeld. Want een kind is ons geboren! Als het kind geboren is telt alle pijn niet meer. Wonderlijk, goddelijk, een kind dat meteen al een vader wordt genoemd. Een koning die je herkent aan zijn oprechtheid, zijn warmte, zijn goede verhoudingen, en aan daden die enkel getuigen van het goede.

Kerstmis is het feest van het grote heimwee, van onze eigenlijke verlorenheid en ons weer gevonden worden. Eigenlijk verloren, tenzij wanneer er een wonder gebeurt. Nu steeds meer knappe mensen een steeds weer slimmere wereld uitvinden, een wereld waarin afstanden niet meer tellen en alles overbrugd kan worden, nu wij zoveel rijker zijn dan bijvoorbeeld onze ouders of grootouders, nu weten we ook niet meer zo goed waar we aan toe zijn, waar ons huis is. Kerstmis lijkt daarom een steeds belangrijker feest te worden. Er is een kindje geboren op aard. En wij laten ons graag overvallen door de stilte en de verwondering.

Want Kerstmis roept ons bij onze naam, is vanouds en weer opnieuw, steeds weer nieuw. 't Is geboren het goddelijk kind … De laatste dagen valt me op dat dit lied ook over ons gaat. Ook wij zijn immers kinderen van God. Denk maar aan " Onze Vader". Wij zijn ook zo maar, hoezeer verlangd en verwacht wellicht, hopelijk, zo maar, verloren, gekomen, ergens in deze wereld waarmee we elkaar opschepen, waarmee je geconfronteerd wordt, waarin je jezelf tegenkomt.

Keizer Augustus met zijn volkstelling om de belasting te kunnen opleggen. Het gebod van de grote wereld en arme mensen onderweg met hun geheim. Uit het geslacht van David, in de stad van David. Het uur breekt aan. Het kind wordt geboren op een plaats waar geen plaats is. Herders gevraagd, mensen die behoeden en bewaren. Voetgangers, voetvolk dat met de kudde meetrekt. Herders die zich in de rede laten vallen door een lied dat niet te spellen van hemelse vrede zingt. Vreemde vogels, Engelen van de Heer, vertolken een verhaal dat alle mensen tot één volk zal maken en dat ons allen alleen maar goed zal en wil doen. Er is een kind geboren op aard dat ons een aanspraak op vrede garandeert, een kind dat weet te vertellen dat God alleen maar eindeloos van ons, van zijn mensen houdt, dat er vrede mag zijn, zal zijn op deze mensenaarde.

Kerstmis is het laatste feest in de kerk geworden, maar het blijkt ook het eerste feest te zijn dat overal ter wereld gevierd gaat worden, dat overal oplicht en warmte om zich heen verspreid, vrede, welkom in deze wereld.
Moge kerstmis 2009 voor u een feest worden waar u graag aan terug zult denken, dat U de moed geeft om verder te kunnen, met elkaar, met u zelf. Wij mogen weten dat het kind in de kribbe zijn handen uitstrekt. Hem gaat het om ons.
Zalig Kerstfeest. Welkom.


25 december 2009
Dagmis

Jesaja 52,7-10
Psalm 98
Hebreeën 1,1-6
Johannes 1,1-18


De ochtend na de afgelopen nacht. De eerste Kerstdag is altijd de dag na de afgelopen nacht. De kerken liepen vol. Mensen verlieten hun huizen om op zoek te gaan naar dat kind dat op vrede zint, op rust, op een plek voor iedereen. Er was voor hem geen plaats in de herberg - katalyma, - zoals voor hem straks ook geen plaats zal zijn in Jerusalem, Hierosolyma, - weg met hem, aan het kruis met hem - maar dat is allemaal deel geworden van een veel langer verhaal dat sinds die tijd over de wereld gaat: dat God een God voor zijn mensen wil zijn, dat alle mensenkinderen zijn kinderen zijn.
Kerstmis is zoals Jesaja in de eerste lezing zegt: de voeten op de bergen van de vreugdebode. De afgelopen zondag hebben we vaak gezeten aan de voeten van Jesaja. De Advent is vol van zijn teksten. Hij spelt het heimwee van de ballingen in Babylon en zegt dat de tijd van de ballingschap voorbij is. De verlossing staat voor de deur. Je hoeft bij wijze van spreken alleen maar je hoofd op te tillen: Hoe lieflijk op de bergen de voeten van de vreugdebode die vrede meldt, die het goede nieuws verkondigt, die heil komt melden. Die tegen Sion zegt: Je God is koning. De Heer troost zijn volk, hij verlost Jerusalem.

Je moet dicht bij de grond zitten om te kunnen peinzen over de lieflijkheid van voeten op de bergen, over een stem die rept van vreugde, van vrede, van het nieuwe dat enkel goedheid is, enkel vrede. Wat wordt zo uitzonderlijk aangereikt, van beneden naar boven geserveerd als een open uitgestrekte hand? Dat God koning is. Wie of wat zich ook als koning of farao presenteert: God is koning. Iedere generatie zal dit wat steeds weer nieuw is horen. Puin voegt zich aaneen tot woonplaatsen, tot huizen vol troost. Als een harde werker zet God zich in voor deze wereld die hem innig lief is, eeuwigdurend lief. Dat hoef je niet eens te geloven. Je zult het zien en horen.

Zo is het afgelopen nacht weer Kerstmis geworden, Kerstmis 2009, in onze wereld. Mensen hebben hun huizen verlaten en zijn op zoek naar dat kind met wijd uitgestrekte, open armen. Welkom.

Iemand vertelde me afgelopen week dat hij in de supermarkt de ene vrouw tegen de andere vrouw hoorde zeggen: "Go, nou moeten ze met Kerstmis ook alweer die bijbel erbij halen!" Natuurlijk weten we alleen van kerstmis via het bijbelverhaal. Zonder dat verhaal hebben we niets. Maar ze had in zoverre gelijk, dat de bijbelse literatuur buitengewoon karig is met het kerstverhaal. Vannacht hadden we Lucas, Maria en Jozef onderweg, het kind in de kribbe, de herdertjes lagen bij nachte. Met hen krijgen we het kind te zien, in doeken gewikkeld - zoals dat straks voor Pasen ook met zijn lichaam gebeurd: in doeken gewikkeld. De herders zien het kind, de woorden die gebeurd zijn - echt waar. Vrede op aarde. Dan moeten we eigenlijk wachten tot de wijzen uit het Oosten komen. Dan sluiten we ons bij Matteüs aan en komen we met de wijzen uit het Oosten in Jerusalem aan om te horen dat de weg naar Bethlehem leidt, de stad van David, de Zoon van David.

De liturgie voor de eerste Kerstdag trakteert ons elk jaar weer verrassend met het begin van het Johannesevangelie. Dat was vroeger het laatste evangelie. Een samenvatting eigenlijk van wat in iedere viering van de eucharistie verteld wil worden. Een samenvatting dus ook die je als waard vooraf kunt schrijven, zoals Johannes dat in feite gedaan heeft. Over deze tekst is heel veel gepraat, heel veel geleerd gepraat ook, en diepzinnig. Maar is eenvoud niet het kenmerk van het ware?


Om te beginnen: het woord … leven … licht. Dat zijn de woorden die steeds terugkomen. Woord, leven, licht. Het zijn woorden waar je bijna nooit bij stil staat. Maar ze zijn typisch. Woord, leven, licht - het zijn geen dingen. Je kunt nog wel naar woorden zoeken, maar je kunt een woord niet vastpakken, er in knijpen. Dat gaat niet. Leven kun je niet kopen in een winkel. Leven kom je niet tegen. Het overkomt je zo lang als dat duurt. En verwonderd, niet te begrijpen, kijk je naar een pasgeborene - zo levend. En licht is helemaal raadselachtig. Je kunt het niet zien, maar omdat er licht is kunnen we zien. Omdat het leven ons overkwam kunnen we staan en gaan. Omdat de woorden ons wakker porren komen we overeind, hebben we geleerd overeind te komen, kunnen we het niet laten ons op te richten en te richten tot wie we tegen komen, tot de ander, tot elkaar. We hebben woorden, maar meer nog: de woorden hebben ons. Het woord is vlees geworden, kwetsbaar zoals wij zijn. In het kind van de Kerstnacht zien we God mens geworden, begrijpen we soms dat ook wij kinderen van God zijn, Zijn mensenkinderen.

Woord, leven, licht. Het zijn de woorden die ons dragen, die ons ook vanmorgen hierheen geroepen hebben om Hem te gedenken, die kleine in Bethlehem - om weer opnieuw te overwegen hoezeer hij bij ons wil zijn, in ons midden zijn tent opslaat om met ons mee te trekken door wat ons leven is aan het worden.
Genodigd zijn wij aan de tafel van deze kleine kwetsbare uit Bethlehem. Als de os, de ezel, de herders, als Maria en Jozef komen we om Hem heen staan. Hij biedt ons zichzelf aan: brood om te eten, wijn om te drinken, woorden, leven en licht om met elkaar te delen.
Moge Kerstmis voor ons allen een feest zijn dat ons bij de tijd van ons leven brengt. Moge het een Zalig feest



27 december 2009
Zondag onder het octaaf: H. Familie


Sirach 3,3-7.14-17
Lucas 2,41-52


Geen verhoudingen zijn om te beginnen zo belangrijk als de verhoudingen waarin we geboren worden. Je vader en moeder gaan je leven lang mee. Zelfs mensen die dat niet meegemaakt hebben weten dat. Het zijn vragen die je je levenlang meedraagt. Het zijn de verhoudingen waarin de meesten van ons geboren zijn. Is daarom vorige eeuw het feest van de Heilige Familie ingevoerd? Om ons een voorbeeld te bieden? De heilige familie als een voorbeeld voor onze families? Ik vind het moeilijk om me dat voor te stellen. Maria, Jozef en Jezus - wat weten we van die levens? Wat weten we van die drie meer dan … zoiets als bij ons. Brood op de plank. Een woord. Een beetje letten op elkaar. Een eigen vuur dat een beetje warmte geeft.

Heel de kindertijd van Jezus is onttrokken aan onze oogopslag, een geheim. Alleen Lucas, de patroon van de schilders, schildert en paar taferelen. Niet om ons nieuws te vertellen of toch een beetje info te geven. Lucas schildert de kinderverhalen omdat die een tip van de sluier oplichten die het hele evangelie is. Een paar inkijkjes over wat er gaande is.

Alle aandacht vraagt Lucas voor de geboorte van die twee jongetjes die elkaar straks bij de Jordaan tegen zullen komen als volwassen mannen die uit hun wereld gegroeid zijn. Als een wachter staat Sint Jan de doper straks bij de Jordaan met het oog op Jerusalem, en Jezus komt dan als enige uit het Noorden, Uit Galilea, om zich door Johannes te laten dopen. Boven hem gaat de hemel open en zal de hel losbarsten, maar nog niet - het verhaal begint pas.
Alle aandacht vraagt Lucas voor die wereld op zijn kop omdat het volk geteld moet worden. Onderweg overvallen de weeën haar. Er is geen plaats voor dit kind, zoals er zo vaak nauwelijks of geen plaats voor mensen is. Volk van altijd onderweg laat zich iets wijs maken door engelen die over vrede zingen. Zo gemist, zo welkom: Vrede. Allen die de woorden van de herders horen verwonderen zich: Eer aan God in de hoge - vrede op aarde voor de mensen over wie hij droomt. Hoe dicht liggen dreiging en vrede bij elkaar? Wie kan dat spellen?
De herders geloven hun ogen: het kind in doeken gewikkeld, zoals het hun verteld was. Het teken. Het zal geschieden. Voor de mensen bestaat leven, toekomst, durven, vrede.

In één regel wordt het kindje van Bethlehem een joods jongetje. Volgens de tora van Mozes wordt hij tot kind van het verbond gemaakt. Hij krijgt de naam die Israëls droom koestert: Jesjoea - de Heer bevrijdt. God is er enkel op uit de mens zijn vrijheid, zijn waardigheid te geven. Waar de geschiedenis ons vaak zou klein wil houden wil hij van echte mensen gediend zijn. Jezus: de Heer bevrijdt.
En dan, na veertig dagen, is er de tijd van de reiniging. Dat heeft niets met schoonmaak te maken. Reinigen betekent voorbereidingen treffen om weer mee te mogen doen. Want als je een kind krijgt dan val je even buiten de boot. Dan doe je niet meer mee. Dan heb je andere zorgen aan je lijf. Dan ben je echt een privé persoon, alleen sta je er voor. Hoe mensen zich ook om je bekommeren, jij bent in een heel nieuw leven binnen gestapt, een leven uit jou geboren. Niet meer alleen kind. Voortaan ook moeder, je hebt een moeder en je bent het zelf geworden. Privé dus. Na veertig dagen, zeg maar na zes weken, begint het een beetje te wennen. Nu kun je ook weer met de andere meedoen, mee gaan draaien in de samenleving van de mensen. Dat herintredingproces heet reiniging. En haar kind, de eerst geborene, wordt iemand aan wie het verhaal van Israël, Gods eerstgeborene, eerstgeborene uit de Egyptische slavernij, weer opnieuw verteld kan worden. De eerstgeborene te midden van de broeders, voor de broederschap.
De moeder wordt opgenomen in de gemeenschap van de levenden, het kind wordt opgenomen in de wereld van de verhalen. Als ze in de synagoge vertellen over de bevrijding uit Egypte zal Jezus allicht Jozef eens aan zijn kleed getrokken hebben en zeggen: "Pappa, daar zijn wij ook geweest he?" En Jozef zal zeggen, als hij zijn bijbel kent: "Volgens Matteüs wel." Of hij zal zeggen: "Zeker jongen. Iedereen die Pesach viert weet dat hij uit de slavernij geboren is. Weg. De vrijheid en verantwoordelijkheid tegemoet. Op hoop van zegen." Want God wil ons zegenen, wil Zijn naam verbinden aan onze geschiedenis, aan ons geschieden. Uw Naam worden geheiligd.

De oude schilders waren altijd gefascineerd door dit tafereel. Maria en Jozef komen met hun kind in de grote mensenwereld van de Tempel in Jerusalem. Alles wat het leven van dit kind zal bepalen is hier te vinden, zichtbaar gemaakt en neergezet door Lucas in de twee figuren, twee oude mensen met hun dromen en vergezichten, eindeloos, eindelijk.
Maria en Jozef komen met het kind dat hun geboren en gegeven is, met twee duifjes. Dat echoot nog een beetje de Heilige Geest die de geboorte van die kinderen Johannes en Jezus aankondigt: gij komt van al zo hoge van al zo ver. Zij ontmoeten in de Tempel twee oude getuigen van onvergetelijk verleden en permanent heden. Laat nu o Heer uw dienaar gaan. Laat dat kind eindelijk gaan beginnen aan zijn missie, dat het vrede wordt in die vaak zo droevig onrechtvaardige wereld met zijn honger en nood.
De wijsheid en de genegenheid van God rust op hem.
We laten het kind nog even bij Maria en Jozef. We wachten het nieuwe jaar.
Breken en delen wij met elkaar wat ons gegeven wordt en moge God ons en Hem gedenken.
Amen



 

 

De tweede zondag van de Advent

6 december 2009

Baruch 5,1-9
Psalm 126.
Filippenzen 1,3-6.8-11
Lucas 3,1-6


Wanneer ik niet preek en ik zit in de kerk, dan lees ik voor het begin van de dienst meestal de lezingen door, vooral het evangelie. Dan weet ik een beetje waar we heen gaan. Als U dat vandaag ook gedaan hebt dan hebt u gemerkt: we lezen uit Lucas. Boven de lezing staat Lucas 3. Dat is grappig. Waarom meteen zo maar in Lucas 3 beginnen? En wat staat er dan in hoofdstuk 1 en 2?

Lucas 3 begint met onze grote patroon: Sint Jan de Doper, bij de Jordaan.
Wat gaat daar dan in twee hoofdstukken aan vooraf? Lucas 2 lezen we in de nachtmis, ons kerstverhaal, en daarna die eerste verhalen over de opdracht in de tempel en de 12 jarige naar Jerusalem, waar zijn ouders niet meer weten waar ze hem vinden kunnen. Lucas 1 geeft het voorwerk voor dat alles, over de Tempel van de Heer - is dat niet Jerusalem? - en over Nazareth, over Zacharias die al hoogbejaard is en nog geen kind heeft. Hij krijgt te horen dat waar hij zijn hele leven van gedroomd heeft, dat dit nu gebeuren gaat. Hij kan het niet geloven. Dat is een van de kwaliteiten van de actualiteit: je kunt het eigenlijk niet geloven. Zo onverwacht is precies wat gebeurt. Daarnaast Nazareth en dat meisje dat heel ons leven meegaat als de Moeder van de Heer. Zij weet blijkbaar van de eeuwen van verwachting en zegt: mij geschiede naar uw woord. Praten met een engel is een zeldzame aangelegenheid. Een goed verhaal doet wonderen. Haal hele leven zal daarmee gevuld zijn.

We gaan dus zo aanstonds naar Johannes de Doper, onze Sint Jan. Hoe brengt de liturgie ons daar naar toe?
Vorige week hebben we de eerste keer het Rorate gezongen. Een beetje vreemd lied voor nederlanders die regelmatig mopperen over de regen: Dauwt hemelen van omhoog. Het is eigenlijk een lied dat om regen vraagt. Ik heb dat ook wel eens tegen joodse vrienden gezegd, een beetje ondeugend: "Is het niet een beetje raar om in sjoel te zingen om regen terwijl wij hier veel last van natte voeten hebben". Zij begrepen dat eigenlijk niet. Je zingt om beter te begrijpen wat geschreven staat. Je zingt niet om jezelf te beklagen of om er op vooruit te gaan. Je wilt er meer inkomen, jezelf bij de les houden. In het najaar ga je in het bijbelse land vooruit kijken naar het jaar dat komen gaat. En als er geen regen valt gedurende de winter, dan zal er volgend jaar niets groeien. Daarom: Dauwt hemelen. En het mooie, het verrassende is: niet dauwt hemelen water of regen. Nee, het voedzame, het leven schenkende heeft de tekst ingevuld. Dauwt hemelen, de rechtvaardige. Wat ons door de winter van ons leven helpt is de rechtvaardige op wie de eeuwen hebben gewacht en blijven wachten, de uitgelezene, de zoon die als een broer voor ons wil zijn en met ons mee gaat, op weg naar de vader die Onze Vader is.

Daarom begint de eerste lezing met een bemoedigend woord. Jerusalem dat in de Ballingschap is, de Babylonische Ballingschap, Jerusalem hoeft niet langer het kleed van rouw en ellende te dragen. Bekleed je met Gods schoonheid.
Bekleed je met Gods schoonheid. Ik weet niet of u zoiets al eens vaker hebt gehoord. Maar mij valt het vandaag op: de schoonheid van God, de schoonheid de God zelfs is. Waar moet of mag ik dan aan denken? De schone wijn, de mooie wijn, die uitdrukking hoort bij de bruiloft van Cana. Is het zoiets? Is het dat mooie dat ziet wanneer je je ogen opslaat, wanneer je proeft wat op je tong ligt?
Gods schoonheid is de bevrijding die daagt, het kind dat ons ziet, zo nieuw en veelbelovend als een dag kan zijn. Gods schoonheid is, weten dat Hij zijn hand op je gelegd heeft, dat Hij er voor je wil zijn opdat jij kunt leven, volop kunt leven, naar de hoogste maat van Zijn, van Gods beloften, van Zijn Woord.
Daarom zongen we: als God ons thuis brengt.
Na al het zwerven eindelijk een gevoel van thuis, eindelijk. Heel simpel: een gevoel van: "Ja", het wordt wat, "ja", dit is het.
Als een engel van geduld staat Sint Jan de Doper bij de Jordaan. Hij staat daar te wachten op volk, op goed volk dat mee wil gaan, dat het aandurft om door het water over te steken naar het veel belovende, alles belovende land dat voor je ligt, als je een beetje verder durft te kijken.

Voor mijn gevoel zijn de lezingen vandaag zoiets als de muziek die je in de zaal hoort, de muziek van een orkest dat bezig is de instrumenten te stemmen. Je hoort flarden en loopjes van wat komen gaat. Blazen en strijken, het roffelen van allerlei soorten slagwerk. Mensen zijn erg verschillend en elke instrumentalist zingt zoals hij of zij is toegerust. Maar voor al die verschillen zal er een plek zijn wanneer we ons verdringen rondom de rechtvaardige die uit de hemel neerdaalt als weldoende regen, het kind dat wij met kerstmis willen ontvangen, proberen te ontvangen. Wij proberen de dalen te vullen, de heuvels te slechten. Gods weg moet een goede weg zijn, een rechte weg, dat wil zeggen, een betrouwbare weg.
Het laatste avondmaal was een paasmaal. Met de lendenen omgord. Hij reikt ons het brood, wil met ons zijn leven delen. Moge dat zo zijn.


Advent, eerste zondag

 

Jeremia 33,14-16
Lucas 21,25-28. 34-36

Nog goed kan ik mij mijn eerste preek in een preekles herinneren. Dat was in de kerk, op een echte ouderwetse preekstoel. Beneden zaten de andere theologiestudenten. Jij stond daar hoog en droog en ging voor de bijl. Het was vlak voor de eerste zondag van de advent. Ik had er de pest in. Alweer advent. Al dat gezeur over verwachting.
Eigenlijk maakte ik me daar zo druk over dat ik wel een uitweg moest vinden. En opeens wist ik het. Verwachting is heel belangrijk in het leven van een mens. Als je niets meer van het even verwacht, dan ben je een arm mens. Misschien is verwachting wel de grondstof waaruit een mens gebouwd is. Wanneer de jonge vrouw het huilen van haar pasgeborene beantwoord met zorg en melk, legt zij ook de basis van een leven vol verwachting klopt ons hart. Verwachten, kunnen wachten, het uithouden - dat is de enige mogelijkheid die je hebt om plaats te kunnen vinden in het leven dat ons steeds weer overvalt, altijd maar weer, altijd weer nieuw. "Er is niets nieuws onder de zon", hoor je wel eens zuchten. Dat is volgens mij onzin: er is alleen maar nieuws onder de zon. Er is alleen maar dit moment, met zijn sporen in het verleden en zijn voelhorens uitgestoken naar wat komen gaat, maar er is alleen maar dit moment. De liturgie geeft ons woorden van zo lang geleden als de woorden voor vandaag, nu wij bijeen gekomen zijn om het brood dat ons gegeven wordt te delen met elkaar op hoop van zegen. We horen Jeremia en Lukas.

Frans Werfel heeft een indrukwekkend boek geschreven: "Höret die Stimme". Het gaat over de profeet Jeremia, Jerem Jah, Verheven is G-d. U kent die profeet van het jeremiëren. De man is dus in veel leed gedompeld. Hij verwijt de koningen en zijn dienaren dat ze heulen met de vijand, dat ze alles wat mensen heilig is met voeten treden. Hij wordt in de put/gevqngenis gegooid, hij vlucht naar Egypte - de wereld op zijn kop. Jerusalem is een roversnest geworden, en het oude slavenhuis Egypte is een schuilplaats. Jeremia is in Jerusalem als de stad verwoest wordt dor de Babyloniërs. Jeremia gaat met de gevangenen mee in de Babylonische Ballingschap. De groeven in zijn lichaam zijn de gravures die de tijd in het bestaan van een mens kan krassen. Alles maakt hij mee. Toch - hij durft het aan. Hij weet het zeker. Dat droomrijk van Koning David, dat recht van vrede en voorspoed voor allen, ieder zijn vijgenboom en zijn wijnstok, dat rijk komt er aan. Er komt echt iemand als David, een zoon van David, iemand die vaardig het recht hanteert, de eerlijk bestuurt.
Raadselachtig klinken de laatste woorden: Jerusalem zal heten "Heer, onze gerechtigheid".
Wat is dat wanneer we God noemen als degene die "onze gerechtigheid" is?
Gerechtigheid is het geschieden van het woord: en hij heeft het gezegd en hij doet het ook, hij houdt zich aan zijn woord. Zijn naam is een goed verhaal, een woord dat je wakker maakt, opwekt, op doet staan.

Veertien dagen geleden hadden we het over de zon, de maan en de sterren. Alle lichtdragers laten verstek gaan. Angst, radeloosheid en het bulderen van de golven. En dan, als je je weer opricht, de Mensenzoon. Ik heb u toen uitgelegd: het adamskind. Mens Adam. Kind van Adam, denk aan Abel. Mensenkind, slachtoffer, uiterste kwetsbaarheid, de verlorene - maar hier: zittend op de wolken. Het evangelie wil er niets van weten dat de mens een opgegevene is. Tronend op de wolken des hemels: want uw verlossing is nabij. Verlossing, vrijheid, bevrijding: je hoofd kunnen opheffen.


U begrijpt: het gaat hierbij over een visioen. We worden uit onze tent gelokt en eenmaal buiten voelen we een frisse wind, een uitdaging. Maar Lucas zegt: houdt het hoofd koel. Laat je niet gek maken, niet voer je zelf niet dronken en laat de dag je niet overvallen.

De stilte van het bidden, las ik deze week in een boek van Willem-Jan Otten, is wonderlijk. Je richt je tot iemand die er niet is, maar omdat je je tot Hem richt is hij aanwezig, wil hij er zijn voor je. En je zegt eenvoudige woorden die je ten diepste raken. Onze vader. Moge dat rijk van jou er van komen, dat rijk van vrede, van en vrijheid en bevrijding. Moge wat jouw goed doet, waar jij voor staat, onze gerechtigheid, moge al dat goeds er van komen. En brood, een beetje brood, om de dag aan te kunnen en de duisternis van de nacht.
De woorden die je al bidden voor jezelf neerlegt vormen een pad, en plan, een plattegrond. Zo komen we behoedzaam verder in de stad die ons gegeven is, onze Gerechtigheid.

Delen wij met elkaar wat ons gegeven is als voedsel voor onderweg. Delen wij met elkaar de mensenzoon, hier in ons midden, en moge God met ons zijn.


 

De laatste zondag van het kerkelijk jaar

Christus koning
22 november 2009

Daniël 7, 13-14
Psalm 93
Apocalyps 1, 5-8
Johannes 18, 33b-37

Intro
Om te beginnen God schept - hemel en aarde.
Beresjith bara elohiem eeth hasjamaim we-eet ha-arets.
Hemel en aarde is een woord voor iets waarvan we niet weten wat het is. Je kunt ook zeggen: het is een ander woord voor alles. Niemand weet immers wat alles is. Maar van wat we alles noemen weten we, dat het in Gods hand geborgen is. Hemel en aarde in God hand, bij hem vertrouwd en toevertrouwd.
In het hebreeuws zeg je: God schept eeth en eeth. Dat woordje eeth betekent niets, maar het draagt aan wat er komt: eeth hemel en eeth aarde.
De letters van dat eeth zijn in het hebreeuws de alef (alfabet) en de tau. In het hebreeuws de eerste en de laatste letter van het alfabet. In het grieks zijn dat de alfa en omega. Ik ben de alfa en omega, ik ben degene die alles aandraagt, wat er ook komt. U vindt die letters op de Paaskaars. Alfa en Omega. Aan het eind van het kerkelijk jaar kijken we terug naar waar het om begonnen is. Vragen wij God dat Hij ons zegen nu wij beginnen aan deze laatste dienst van het kerkelijk jaar: In de naam van …


Verkondiging
Wij zijn allemaal mensen. Daarom zijn we niet gelijk. Want alle mensen zijn verschillend. Om die verschillen is het begonnen. Simpel: je kunt niet onverschillig zijn. Je kunt er niet onderuit dat de ander iemand anders is, echt iemand anders.

Lees of hoor je verhalen over "de anderen", dan gaat het ook over de verschillen en hoe we die verschillen overbruggen. De anderen zijn groter en kleiner is. Ze zijn het of ze denken het, of wij denken het. Het gaat bijna voortdurende over wie meer, wie minder is - wat dat ook moge betekenen. Zo zijn er mensen die je bewondert. Mensen met een zekere uitstraling, met allure, mensen voor wie je ontzag hebt, die je op een of andere wijze eert of zou willen eren. Maar zo, schattend en geringschattend, worden er ook mensen afgeschreven. Dan vallen en slachtoffers. Zo is de geschiedenis van mensen ook een geschiedenis van slachtoffers.

Daarom is het niet verwonderlijk dat de bijbel al in zijn eerste verhalen er op wijst, dat je op de kleintjes moet letten. Als Cain niet op Abel let dan vallen er slachtoffers. De oudste zijn, de baas, zo je wilt "koning zijn" is niet kunnen doen en laten wat je wilt. Dat is opletten, een verantwoordelijkheid meer hebben.
Het verhaal van Cain en Abel wordt overgespeeld in het verhaal van Esau en Jacob. Esau is van nature de oudste, hij kent de wetten van zijn natuur en het recht van de sterkste, hij regelt zijn zaakjes perfect. Jacob is een prutsertje. Die moet al zijn slimheid uit de kast halen om ook een beetje mee te magen doen. Uiteindelijk weigert Esau verantwoordelijkheid te dragen. Ik sterf van de honger, we gaan toch dood! "Geef mij maar te eten." En hij verkoopt zijn eerstgeboorterecht. Voortaan is Jacob de jongste, in feite de oudste. Maar het zal wel anders moeten gaan. Hij zal ene andere oudste moeten zijn. Leider zijn, verantwoordelijk zijn, dat ben je als een klein mens, dat kost je veel, zo niet alles. Jacob, de Heer, is de Dienaar. Zo komen we in het evangelie: de mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen. Heer zijn is dienen.

In oude kerken, zeker in het zuiden en oosten, zie je vaak rond of boven het hoofdaltaar in de koepel een afbeelding van de pantokrator, van Hem die over alles heerst. Vaak zie je dan een streng kijkende Christus, niet een Jezus maar een als koning toegeruste Christus die de gelovigen in de kerken streng en beoordelend aankijkt. Dat is niet een Jezus die je als huisgenoot zou willen hebben, of kunnen hebben. Met macht kijkt hij je aan, geen spoortje mededogen. Ik kan niet goed tegen die afbeeldingen. Ik vind dat meer een portret van hoe koningen, vorsten en tyrannen zichzelf vroeger als haantje de voorste zagen. Iedereen moest bukken. Dit soort indrukken en afbeeldingen vertellen volstrekt niets over het onderwerp van het evangelie. In het evangelie is er eigenlijk maar één beeld: Jezus die de voeten van zijn leerlingen wast, de tuinman die zich buigt voor de boom, - die er een greppel omheen graaft en hem water geeft omdat hij hoopt dat er ondanks alle onvruchtbaarheid al die jaren al, toch eindelijk vrucht zal komen.

Met Christus koning sluiten we het kerkelijk jaar af. "Christus koning" zijn de woorden voor een terugblik, een slotevaluatie, een samenvatting. "Die zit aan de rechterhand van de Vader". Heel de wereld in Jerusalem heeft geprobeerd hem in het verhaal over zijn lijden en sterven weg te duwen, weg uit onze wereld, "Weg met hem!" Maar Pasen laat zien dat voor de Vader van Hemel en Aarde zijn Liefste, zijn Mensenkind, niet afgeschreven is. Voor God is Zijn Kind oneindig, bron van tederheid en vreugde, steeds weer nieuwe mens aangewezen op een beetje genegenheid, op steeds opnieuw weer, steeds weer als nieuw beginnen, geschapen worden. U weet wel: eerder behaalde resultaten bieden geen garantie. Wat voorbij is telt niet, dat hebben we gehad. De weg van het hier en nu - Karina sprak daar een paar weken geleden heel precies over - de weg van het hier en nu loopt nergens anders dan hier in ons midden.

Hij, Jezus, de eerstgeborene, is eerstgeborene te midden van zijn broers en zussen. Zij voelen zich bij hem thuis zoals hij bij hen te gast wil zijn, - als vreemdeling, als vriend, als iemand die van verre komt en zo eindeloos nabij is, iemand als jij en ik, schepping, uitzondering, afzondering - voor wie je niet onverschillig kunt zijn. En bij jou is hij "niet aan de heidenen overgeleverd".

We beseffen best dat dit niet een les is die je een keer van buiten moet leren en dan ken je het. Het is een levensles, iets wat het leven je voortdurend leert en blijft leren, iets dat in liederen en verhalen aan het licht komt, het geheim van de nabijheid, het geheim van de verschillen. Daarom is het ook een troost, bij het einde van het kerkelijk jaar, dat we dadelijk, komende week, volgende zondag voor wie dat wil weer opnieuw gaan beginnen met de lessen die de liturgie ons biedt aan de hand van brood en wijn, vrucht van de akker, vrucht van ons werk, Zijn lichaam, Zijn bloed, Zijn nabijheid en betrokkenheid, Gods geheim in ons midden, als ons midden.

Het meest overschatte verhaal is het scheppingsverhaal. Het is het meest overschat omdat we er het verhaal van alles of niets van gemaakt hebben. Daarmee hoef je niet meer te luisteren naar het verhaal. Je weet immers dat het over alles gaat. Maar het scheppingsverhaal weeft alleen maar de notenbalken en legt de zwarte stipjes en streepjes met enkele en dubbele vlaggetjes gereed voor de muziek die we dadelijk zullen gaan zingen. In dat lied van ons leven speelt Hij, de koning van Hemel en Aarde, een Bescheiden Grote Rol, een Gevoelige Hoofdrol. Zonder zijn medespelers, zonder de andere zangers in het koor des levens kan Hij, het Kind van Gods ontferming, zijn Geschenk aan ons, niets. Schepping is de samenvatting achteraf die vooraan gezet is, omdat het er altijd om gaat, om te beginnen.

Ik ben de alfa en omega, ik ben degene die alles aandraagt, wat er ook komt, de letters op de Paaskaars. Alfa en Omega, samenvatting voor het afgelopen kerkelijk jaar. Het is de laatste glimp die we opvangen van wat voorbij is. Met Christus koning, Alfa en Omega sluiten we het boek. Het boek 2010 gaan we vanaf de week die komt voorbereiden, voorbereiden wat komt, de advent, om weer opnieuw te beginnen.
Delen we wat ons gegeven is als troost en bemoediging voor onderweg en moge de Heer met ons zijn.

 


 

23e zondag door het jaar
Marcus 13,24-32

We hebben zojuist geluisterd naar woorden van Jezus in het dertiende hoofdstuk van Marcus. Ik weet niet hoe het u vergaat wanneer u dat hoort, maar een prettig gevoel krijg ik daarbij niet. Lees ik dan verder in mijn Bijbel dan begrijp ik het. Het volgende hoofdstuk van Markus vertelt over de zalving in Bethanië. De leerlingen zijn dan boos over die verkwisting. Ze hebben nog niet begrepen wat wij weten: zo aanstonds begint het laatste avondmaal, daarna komt de Hof van Olijven en alle droefheid die daarop volgt, tot en met Mijn God mijn God, waarom heb je mij verlaten.
We hebben dus gelezen in het verhaal voor het einde. We kijken dus als het ware in het licht van de laatste dagen met Jezus naar Jerusalem. Hij heeft de tempel verlatenen zijn leerlingen zeggen tegen hem:"Moet je toch eens kijken, wat prachtig, de stenen, die gebouwen." De leerlingen moeten zich wel heel goed gevoeld hebben bij hun meester. Zoiets als in de tijd van de eerste verliefdheid, wanneer alles licht en intense vreugde is. Het leven kan niet op.
Op de Olijfberg staat een klein kerkje dat aan dit verhaal herinnert. Het heet: Dominus Flevit. De Heer huilt. Jezus die met tranen in zijn ogen naar die stad, de stad van zijn dromen, zijn lief, kijkt. Als je in dat kerkje bent en je ogen over Jerusalem laat gaan zie je inderdaad een heuvel vol bouwwerken en de prachtige ruimte daartussen. Hij rijk is het leven. Het is toch fantastisch dat je dit allemaal mag meemaken. Moet je kijken. En Jezus huilt over Jerusalem.

In dat 13e hoofdstuk van Marcus lijkt het er op dat hemel en aarde vergaan. Heel de geschiedenis van de kerk en van de mensheid speelt zich in enkele regels af: volkeren tegen volkeren, broeders tegen broeders. Mensen die elkaar heilig waren staan elkaar naar het leven, beroven elkaar van eer en aanzien, doen je liefsten pijn. Als je de gruwel van de verwoesting ziet, vlucht, vlucht naar de bergen. Maar ook krijg je te horen: kijk goed, ik heb het gezegd. In die dagen, na de verdrukking, zal de zon verduisterd worden, de maan zal haar glans niet meer geven, de sterren zullen van de hemel vallen en de machten van de hemelen zullen wankelen. Alles waar je in stilte vertrouwen in hebt, toch steun vindt - het verdwijnt. Je houdt je hart vast … en dan zullen zij de mensenzoon zien komen.

Nog een keer: EN DAN ZULLEN ZIJ DE MENSENZOON ZIEN KOMEN …
Als alle glans verdwenen is, als zelfs de bescheiden intimiteit van de nacht geen plaats meer kan vinden, … je richt je op … dan zie je de mensenzoon. Het gaat hier dus om te beginnen niet over een sterke man. Mensenzoon, mensenkind. Het woordje kind is hier in alle bescheidenheid en kwetsbaarheid uiterst wichtig. Een mensenkind, iets dat steeds onze toekomst zichtbaar maakt, een wereld laat zien die enkel maar dan ook volop - komt. En daar is nog iets meer.

Mensenkind. Mens is Adaam. Het kind van Adam. U denkt onmiddellijk aan Cain en Abel. Het mensenkind, het kind in al zijn kwetsbaarheid, is niet de botte Cain die zijn gelijk wel halen zal. Het mensenkind is Abel, de eerste dode in de bijbel, de uiterst kwetsbare.

DAN ZULLEN ZIJ DE MENSENZOON ZIEN KOMEN …daar komt Abel, op de wolken des hemels, en we begrijpen onmiddellijk dat allen die geslagen zijn door de geschiedenis die mensen maken en breken, allen die mishandeld en misbruikt zijn verzamelt hij.

Wanneer je handen nu het gebaar van verzamelen maken komt er tussen je handen onverwacht iets heel anders, een boompje, een boom, een vijgenboom.
De vijgenboom wordt door bijbelse mensen graag vergeleken met het boek van alle verhalen. De vijgenboom heeft per jaar twee oogsten, in het voorjaar en in het najaar. Je kunt bij wijze van spreken niet langs een vijgenboom komen of er is iets te halen. Je hoeft je handen maar uit te strekken - zoals Jezus vorige week zijn hand uitstrekte naar Bartimeus, dat kleine manneke dat in de boon geklommen was om niet onopgemerkt te blijven. En Jezus zag hem, riep hem, maakte het huis van Bartimeus tot zijn plaats.
We zagen de mensenzoon, Abel, de kwetsbare, die alle mensen die geofferd zijn verzamelt, en tussen onze handen tekent zich een vijgenboom af. Jezus zegt: van deze boom kun je leren. Als zijn takken zacht worden en de bladeren komen, dan weet je, de zomer is op komst. Het duurt niet lang meer. De tekst zegt dat mooi: Weet dat het nabij is.

We zitten in de buurt van het einde van het kerkelijk jaar. Volgende week is Christus koning en daarna hangt hier weer de adventskrans. Voor mijn gevoel doet die vijgenboom vandaag wonderen. Ondanks de treurigheid durft Jezus te spreken over een boom die zacht wordt. Terwijl de dagen korter worden en de winter naderbij komt spreek het evangelie te midden van alle narigheid waar de wereld vol van is, over de kwetsbare mensenzoon die naar ons toe komt, een kind dat over voorjaar en zomer spreekt. Over warmte en delen.

Daarmee is ook een beetje aangegeven waarom we afgelopen week begonnen zijn met de verwachting weer opnieuw te koesteren. Sinte Maarten die zijn jas deelt. Sint Nicolaas (nikè laos > de overwinning komt het volk toe, het volk wint) gaat ons bezig houden om de verwachting te koesteren. Want de advent komt er aan, de tijd die ons wil leren om te verwachten en uit te zien.
Wat ons gegeven wordt is voor ons bewaard. We delen het lichaam van Christus dat ons wil sterken voor de dagen die komen gaan. Moge God met ons zijn. Moge dat zo zijn.



Tweeëndertigste zondag door het jaar
8 november 2009

1 Koningen 17, 10-16
Marcus 12, 38-44


Met weemoed denk ik soms terug aan de tijd van mijn jeugd, aan de armoede van onze ouders die met hun grote gezinnen werkelijk wonderen moesten verrichten om alle mondjes een beetje gevuld te houden. Nu ik zelf ouder geworden ben begrijp ik er nog minder van, die eigenlijk bittere armoede waarin een hoorspel op de radio puur rijkdom was, of een beetje zon. Mijn vader was mijnwerker maar als het vroor zei mijn moeder altijd:"Die arme mensen die geen geld hebben om kolen te kopen." We hebben nooit puur armoede gekend, maar een pakje groentesoep, volstrekt een nieuwe uitvinding in mijn jeugd, was voor ons een traktatie. Het had iets van een wonder.
Elia in de eerste lezing komt in een decor dat ik in mijn fantasie van jongst af aan ken. Het is de dagen van koning Achab, een man die maar één God kende, zijn eigen gelijk, zijn eigen macht. Volstrekt lak had hij aan alles wat mensen bijeen kan brengen. Zijn koningschap roept de eerste profeet, Elia, de vader van de profeten. Elia krijgt de taak de bitter noodzakelijke maar ook uiterst ondankbare taak, de koning uit de Tora de les te lezen. En reken maar dat de koning met die profetische grote mond wel raad weet. Elia kan nog maar alleen vluchten, loopt in de bittere val van de armoede die bij vluchteling zijn hoort. Stervend van honger komt hij in Sarefat. Wat dat voor stadje is hoort U onmiddellijk aan het visitekaartje: een weduwe bukt zich om houtjes bijeen te rapen, houtjes voor het laatste vuur het laatste meel. De weduwe kent het verbond alleen nog maar uit haar herinnering. In de bijbel geldt zij als het voorbeeld voor de mens die niemand heeft die het voor haar opneemt, weduwen en wezen, de rechtelozen.
Als zij zich opricht staat Elia voor haar, grijs van het stof en met een uitgedroogd gezicht. "Haal me in een kruik een beetje water, dat ik wat kan drinken. … En breng me ook een beetje brood mee." Water en een beetje brood zou pure rijkdom zijn. Maar wat als het ontbreekt? We horen haar pure armoede, haar ten einde raad. Er is nog maar een beetje meel en een beetje olie in de kruik. Dat is het genadebrood. Daarna is er alleen de zekere dood. Dat beetje hout in haar hand is voor het laatste maal.
Wonderlijk vind ik steeds dat zij in haar armoede niet weigert. Ze zegt niet: "Ik heb niks, ga ergens anders heen". Er zijn van die dagen dat er geen ergens anders is, dat jij de enige bent en dat je nog alleen het laatste beetje kunt delen, moet delen. Voor haar is dat geen probleem. Wat koning Achab ontbreekt, siert de vrouw. Zij gunt de profeet zijn taal. Ze zegt ook niet: "Kom nou". Wie niet geloofd in wonderen is geen realist. Ze luistert naar zijn woord. En de olie raakt niet op en het meel blijft voorradig. Niemand hoeft meer bang te zijn voor de onmiskenbare en onontkoombaar dreigende dood.

Terwijl we dit tafereel verwonderd gadeslaan is het beeld verplaatst. Van de heuvels in Galilea zijn we naar Jerusalem, naar het hart van de stad, de Tempel waar de Naam van de Heer woont. In iedere tempel stond een beeld van de Godheid, daar woonde God. In de tempel in Jerusalem stond geen godenbeeld, woonde geen God. De leraren zeiden: daar woont de Naam van God - uw Naam worde geheiligd. Wie is God? Een Naam is minstens één verhaal, en nog een, en nog een, boeken vol als je iemand beter kent. Zo is de tempel het huis van de verhalen. Een meisje van elf zei me eens in een les: "De mensen zeggen altijd, de Tempel stond in Jerusalem. Maar dat klopt eigenlijk niet. Als je een verhaal over Jerusalem vertelt en over de tempel, dan staat hij nog altijd in Jerusalem." Dit meisje hield van verhalen, dat is duidelijk. Ze weet waar mensen als het goed is altijd oren voor hebben. Een goed verhaal is nooit weg. Het brengt mensen bij elkaar.
Lucas neemt ons mee naar de Tempel, naar het huis van alle verhalen. Ik stel voor om een beetje in de schaduw te blijven. De warmte en het licht is daar anders dan hier en nu.
We zien een groepje mensen. Je ziet de tempelbobo's flaneren. De televisie brengt dat soort beelden makkelijk dichterbij. Aangekleed gaat uit, vroom volk, het gebed kruipt uit hun mouwen. En we horen de leraar. Die heeft het niet begrepen op dat schoon vertoon. Altijd haantje en hennetje de voorste moeten zijn, altijd de eerste graantjes graaien, de hoogste moeten zijn in de pikorde. En alsof hij het bijna met een laatste restje adem zegt, een soort samenvatting: "Ze eten de huizen van de weduwen op." Alles is consumptie, zelfs hun bidden, hun lange gebeden.
En Hij gaat zitten.
Dat wil zeggen, de les begint. Als de leraar gaat zitten moet je je oren op steeltjes zetten. Hij geeft zijn OGEN goed de kost - alsof hij dat altijd gedaan heeft. Zo vanzelfsprekend ziet hij precies wat hen niet ontgaan kan, niet ontgaan zal. Wij horen wat Hij ziet: klinkende munt, kopergeld, en het vele van de rijken. Dat verstilt allemaal tot decor, tot couleur locale. Het dient enkel om precies dat voor het voetlicht te brengen wat onze les voor vandaag zou moeten zijn.
Er komt, niet een weduwe, maar een arme weduwe. Daar komt ze met haar hebben en houden. Daar zal niet veel klinken. Maar intussen! Jezus maakt er zijn geheel eigen verhaal van. Die twee koperen muntjes die daar bijna verscholen klinken, dat rinkelen is alles, is een gigantische klok, is de ruimte van haar hele leven. Jezus zegt: van haar armoede heeft zij er in geworpen, haar hele leven. Vertalingen vertalen hier vaak zoiets als "haar hele levensonderhoud". Vertalers geloven hier ook niet wat hun te verstaan gegeven wordt in dit verhaal. Zij geeft haar hele leven.
Ik denk dat Jezus dat zo ziet, omdat hij daarin ook zijn eigen beschikbaarheid herkent. Hij is ook naar Jerusalem gegaan om daar zijn hele leven te geven. Misschien moet ik het nog duidelijker zeggen: niet om daar te sterven, maar om daar zijn leven te geven. Wat wij eigenlijk ook doen wanneer wij hier naar voren komen en onze hand uitstrekken, ons hele leven. Niet ons verleden, niet onze toekomst, niet onze goede bedoelingen, niet onze eenvoud, maar onze armoede, ons hele leven weten wij geborgen in het huis van al die verhalen. Het blijft hier niet onopgemerkt. Wij weten zeker dat Hij zich over ons ontfermt.
Moge dat zo zijn.


Dertigste zondag door het jaar
25 oktober 2009

Jeremia 31, 7-9
Marcus 10, 46-52


In het hebreeuws begint de tekst van de eerste lezing heel spannend: ki koh // amar adonaj. Want zo … en dan eist de tekst dat je even zwijgt. Want zo …! Hoezo zo? Precies. De paar woorden die we gaan horen willen gehoord worden. Je moet vragen gaan stellen, luisteren met je oren op steeltjes. Want denk er aan: in de bijbel hebben we niets anders dan woorden. Wees hier aanwezig zongen we vandaag om te beginnen. Zo is hij aanwezig, in de woorden die ons gegeven zijn, meer nog, gegeven worden. Nu worden ze ons te verstaan gegeven.

Want zo …! De Heer spreekt. De joodse traditie kent Rabbi Soesja, een heel populaire rabbijn in Oost-europa. Rabbi Soesja was een eenvoudige man. Die luiserde veel naar de mensen en was altijd bescheiden. Dat moest wel, want Rabbi Soesja sloeg altijd op tilt as zijn leraar zei: God sprak of God spreekt. Dan werd hij helemaal lyrisch en moest na buiten gaan om weer bij te komen. En dan stond hij met zijn hoofd tegen de muur tikken. En de hele tijd zei hij: Stil je voor, God spreekt, stel je voor, God spreekt. Rabbi Soesja was een eenvoudig man. Hij had bijna niets anders geleerd dan: God spreekt.

Want zo …! De Heer spreekt.
Kent u dat? Hava narannnanah. Dat staat in het hebreeuws: rannoe, juich, spat uiteen van vreugde, laat je vreugde schallen, het lachen klateren. Jubel Jacob vreugde toe! U kent hem wel, die oude Jacob, die oude naam voor Israël, die man die daar aan het begin van het verhaal moe zit te wezen aan de kantlijn, eindeloos moe, zijn handen op zijn stok, verdoofd voor zich uit zitten te kijken. Jubel Jacob, vreugde! Laat het horen, prijst (haleloe!), zegt. Met drie werkwoorden worden we aan het werk gezet. Wat een gedoe. Waarom al die drukte? Hosja Ja! BEVRIJDING de Heer.
Al die drukte, al die spanning in dat handjevol oude woorden, alleen maar om alle nadruk te leggen op: bevrijding de Heer. God wil gekend worden als degene die bevrijdt, die mensen de ruimte geeft en de tijd, ruimte om zelf te kiezen waar je heen gaat, niemand meer die jou dagen vult, die je dwingt om je te buigen, die je klein wil krijgen en klein wil houden. Ruimte om zelf te gaan en tijd om zelf te staan in je eigen leven. De Heer bevrijdt - uw weet dat dit een vertaling is van twee heel geliefde woorden in het hebreeuws. Het blijft een droom, als God ons thuis brengt. En hij zal dat zeker doen, want de Heer bevrijdt. In het hebreeuws: je - hosoea, In het grieks is dat Jèsoes, in het latijn Jezus.
Jeremia, de profeet die we kennen uit de klein maar fijne schilderij van Rembrandt waar hij treurt over de puinhoop die Jerusalem geworden is, Jeremia provoceert ons tot uitzinnige vreugde. Hoe groot de ellende ook is, die heeft het laatste woord niet. Dat laatste woord is één naam, Jezus, de Heer die bevrijdt. En daar komen ze in de tekst, de lammen en de blinden, de vrouwen die het leven doorgeven in uiterste kwetsbaarheid. In dichte drommen, getroost, over gebaande wegen.

Dat is dan uit Jeremia de eye-opener voor vandaag: De Heer ken je aan de vrijheid die je aangereikt krijgt, die je na alle ellende (uit-landigheid) begint te vermoeden, te voelen.
Daarmee komen we aan bij Marcus. En zeg nou niet dat het moeilijk is. Het is zo leuk, zo simpel. Het hele verhaal zit tussen de eerste en de laatste woorden.
En ze komen naar Jericho en terwijl hij Jericho uittrekt … en zijn leerlingen en een geschikte menigte .. dan komt eht verhaal van vandaag en dat eindigt met: En Jezus zegt hem: ga, je vertrouwen bevrijdt je. En terstond ziet hij en hij volgt hem op de weg. Dus niet zoals onze slechte vertaling zegt: en hij sloot zich terstond bij Hem aan op zijn tocht. Niks te tochten en niets aan te sluiten. Jezus is op weg naar Jerusalem. Dat wordt de weg van de bevrijding, van Jezus, van de Heer bevrijdt. En , weg. De blinde maakt de weg naar Jerusalem zichtbaar en hij gaat ons als volgeling voor,als leerling, om de weg van de bevrijding te leren.
Ik begrijp nu ook beter waarom dat in het verhaal zo'n beetje rommelig staat. Ze komen Jericho alleen maar binnen om er meteen weer uit te gaan. In de griekse tekst staat Jericho twee keer achter elkaar geschreven, alsof daar bijna geen ruimte is. Die ruimte van vier griekse woordjes wordt alleen maar gebruikt om hem weer uit te laten gaan, en zo terloops vertelt het verhaal over de leerlingen en die menigte die daar bij zijn, zonder werkwoord. We weten hoegenaamd niet wat ze doen. Daarom zit daar LANGS DE WEG (niet langs de tocht maar langs de WEG) de bedelaar, die blinde die niet weet hoe hij kijken moet of kan. Maar hij heeft wel meteen zijn tekst klaar. Hij hoort JEZUS DE MAN UIT NAZARETH en hij begint meteen een keel op te zetten: ZOON VAN DAVID, JEZUS, WEES BETROKKEN OP MIJ, ONTFERM JE OVER MIJ, LAAT ZIEN DAT IK VOOR JOU MEE TEL.
Hij zit langs de weg. Wij hij niet kan kijken roept hij omhoog: Zoon van David, Jezus. Zoon van David, God die bevrijdt. In Italiaanse opera's is dat zo treffend: Pieta. Ontferm je, maar ook: heb pieteit, voel achting, zie mij hier staan, laat even een wenk van je ogen, een blik maar, een ogenblik, even voor mij zijn.
Sommigen vinden dat-ie zijn kop moet houden. Wie denk-ie wel dat-ie is! Wat verbeeld je je, man, wat heb je in je hoofd. Nou, nog harder schreeuwt hij: zoon van David, eleison mij
En gelijk, hij ziet op, en hij volgt hem op de weg.
Zo zal hij en zullen zij straks aankomen in Jerusalem om daar met hem Pasen te vieren. Pasen, vrijheid en bevrijding, zal daar beginnen aan die tafel die daar staat met de bittere kruiden, het been van het lam, de beker van de bevrijding, het brood voor onderweg, voor levenslang onderweg, hem volgen op zijn weg waar de dood het laatste woord niet krijgen zal.
Delen wij met elkaar wat voor ons bewaard is, het lichaam van Christus dat wij samen delen, dat ons bemoedigt, onderweg, op de weg.


Achtentwintigste zondag door het jaar
11 oktober 2009
Dienst van Woord en Communie


Wijsheid 7, 7-11
Marcus 10, 17-30

Afgelopen vrijdag las ik in mijn krant een vreemd verhaal. Het was het verhaal over een vrouw met een dodelijke spierziekte. In 2004 kreeg ze te horen dat ze nog een jaar of drie zou leven. Daar zat ze met haar kinderen van 13 en 15 en een fijne, succesvolle baan. Alles afgelopen. Wat is de zin van dit alles! En toch!
In haar verwarring stootte ze op de laatste regels van het boek Handelingen van de Apostelen. Daar gaat het over Paulus die in Rome huisarrest heeft in afwachting van proces dat hem ter dood zal veroordelen. Daar staat: "Paulus verblijft twee jaar in het huis dat hij gehuurd heeft en ontvangt daar iedereen die naar hem toe komt. Hij verkondigt dat God koning is en onderricht vrijmoedig over de leer van Jezus Christus zonder dat hem iets in de weg wordt gelegd." En zij zegt: "Ik put ook veel moed uit het leven van Jezus. Hij wist dat hem in Jerusalem een bijna bovenmenselijk lijden e wachten stond. Toch ging hij vastberaden daarheen op weg en onderweg had hij aandacht voor de mensen om hem heen." Ik heb het daar de vorige week over gehad. Jezus zal zijn bruid, zijn Jerusalem, zijn Kerk, nooit opgeven, nooit in de steek laten. Hij gáát voor ons, ons vóór op onze wegen.

Ik heb de tekst over Paulus opgezocht. Het staat er echt, over de gevangen en toch onbevangen Paulus. Hoe is het mogelijk dat een mens over zijn of haar eigen angst heen kan kijken? Hoe kan het leven zo wonderlijk indrukwekkend zijn?

Daarmee komen we in de buurt van de eerste lezing van vandaag, uit het boek Wijsheid. Het is vandaag ook een tekst om mee naar huis te nemen en er wat op te puzzelen. Wat staat hier eigenlijk? Hoe staat het er? Op welke vragen willen die paar woorden antwoord geven?
Ik bad en inzicht werd me geschonken. Ik vind dat interessant. Niet: ik bad om inzicht, maar ik bad. En als vrucht van dat bidden komt als vanzelf inzicht. In-zicht, in-zien, als het ware naar binnen kijken, diepte zien, perspectief. Lijnen tekenen zich af wanneer je gaat bidden. Wat is dat bidden dan? Hoe gaat zoiets? Inzicht, de geest van de wijsheid, het ver bindende en bevruchtende van wijsheid in-der-daad. In vergelijking met wijsheid is alles niks. Al gaat de goudprijs omhoog: goud is alleen maar stof en zilver is modder. Wijsheid, wat is wijsheid? Kijk naar de praatprogramma's op de t.v. Wijsheid, een beetje evenwicht, een spoortje geduld, even luisteren, eens een keer tot tien tellen - wijsheid is een zeldzaam goed aan het worden. Mensen talen daar nauwelijks naar, lijkt het. We bewaren te weinig stilte. Bidden, het verkennen van de ruimte die we beleven, woorden wegen en durven, woorden die ons gegeven zijn. Zonder wijsheid betekent gezondheid, schoonheid, en zelfs het licht eigenlijk niks. Wat is wijsheid? Een vraag die voor ons uitgaat.

In het evangelie van Marcus zijn we bijna in Jericho. Jezus heeft Galilea verlaten en gaat op naar Jerusalem. Hij is de Jordaan overgestoken en iemand komt naar hem toe. We noemen dat verhaal het verhaal van de Rijke Jongeling. Maar in de tekst is het iemand, iemand die naar hem toekomt met een typische vraag. Je mag je afvragen wat deze man in Jezus ziet: "Meester, wat moet ik doen om eeuwig te leven". Niet:"Wat moet ik doen om in de hemel te komen?", zoals wij dat vroeger in de katechismus leken te leren. Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en hiernamaals gelukkig te zijn. Nee, om hier en nu gelukkig te zijn, hier en volop tee leven, naar de maat van God te leven, eeuwig.
Wat ziet deze man in Jezus? Waarom stelt hij hém die vraag?
U kent het antwoord: niet doden, niet je heil zoeken in ontrouw of inbreken in de trouw waarin mensen leven, niet stelen, niet vals getuigen. Doe niemand te kort en heb achting voor de mensen die je leven geven.
Hij, die mens, prachtig - hij zegt: "Dat alles doe ik van jongs af aan." Een heel leven passeert de revue. Zoals je dat als kind ook geleerd hebt. Let een beetje op andere mensen, doe niet zo minachting, treiter niet, geef om elkaar. En hoe je als kind als je best deed om er iets van te maken. Ik heb het gevoel dat ik Jezus hier goed kan begrijpen. Hij kijkt hem aan. Hij voelt in zijn kijken bewondering en liefde groeien. Dit komt dicht bij hem: een mens naar Gods hart.
En dan krijgen we wat Jezus, in deze herkenning, er nog aan toe voegt. "Eén ding ontbreekt je …" We horen het ideaal van Franciscus: alles wat je hebt en bent zet je op het spel voor Gods armen om Hem te volgen.
Ik denk niet dat het er hier over gaat dat wij onze girorekeningen moeten gaan opheffen om alles op rekening van de hulpverlening te storten. Ik denk dat het veel meer autobiografisch voor Jezus is. Als je naar Hem toegaat, naar wat voor mens ga je dan toe? Wie is Hij? Wie is Hij die doet wat Hij niet laten kan? We krijgen zelfs te horen hoe moeilijk het voor Hem is om de weg te gaan die voor Hem voert naar de manier waarop God koning wil zijn.
Ik bedoel: vrijheid, bevrijding, een vrij mens zijn - dat is niet een klusje dat je er even bij doet, iets dat er nog wel bij kan. Gods koningschap. De reis naar Jerusalem, naar waar je leven wezenlijk op uit is, duurt een leven lang.

Vrijheid en bevrijding - wijsheid. De leerlingen zijn er niet gerust op. "Wie kan dan nog gered worden?" Als het zo definitief gezegd wordt als Jezus dit doet, wie kan dan nog mee? Dat is de vraag die Jezus uitnodigt zijn laatste troef op tafel te leggen.
Dat ligt niet in onze macht. Van de kant van de mensen uit gezien is dat onmogelijk, maar van de kant van God uit gezien is alles mogelijk.
Dat alles heeft voor mij iets geheimzinnigs. Dat bij God alles mogelijk is betekent niet dat Hij een giga-producent is. Mogelijk maken is meer: laten zijn, de kans geven. Als wij God de kans geven, in te breken in onszelf - door ruimte te maken in onszelf, door bidden bijvoorbeeld, door Hem te delen in Zijn naam - dan maakt hij het ons mogelijk dat wij er zijn, voor Hem, als licht in zijn ogen, als hoop op vrede.
Delen wij met elkaar wat ons gegeven is en moge God met ons zijn.


 

Zevenentwintigste zondag door het jaar
4 oktober 2009

Genesis 2, 18-24
Marcus 10, 2-16

Als Inleiding
U weet, ook de liturgie is mensenwerk. Mensen hebben teksten bijeengezocht en bijeen gezet die samen een geheel vormen zodat wij de liturgie kunnen vieren. Maar soms gaat er dan toch wel iets goed mis. Vandaag bijvoorbeeld. Als U in het boekje van de dienst kijkt naar de evangelielezing (p.5 onderaan), dan ziet u meteen al, bij eerste oogopslag waar het over gaat: "Staat het een man vrij zijn vrouw te verstoren?" Wij weten direct al dat het gaat over "scheiden mag niet". Veel mensen ween dat dat het standpunt van de kerk is: scheiden mag niet. U hoort mij niet zeggen dat het wel mag. Maar door de tekst zo te laten beginnen missen we de pointe van het verhaal geheel en al. Hoe moet je de tekst dan beginnen? Hoe moet je lezen om te weten wat Jezus ons vandaag in het verhaal vertelt? Makkelijk. Gewoon een regel eerder beginnen, hoofdstuk 10, vers 1. En hij staat op en vertrekt vandaar naar het gebied van Judea en het Overjordaanse, en weer komen de menigte bij hem samen en weer, zoals hij dat gewoon is, leert hij hen.
In het evangelie van Marcus begint nu de reis naar Jerusalem en wij weten wat dat betekent. Wij weten wat er in Jerusalem gebeuren gaat met Hem, met Hem maar ook met ons. In het evangelie zal het gaan over Jezus en Jerusalem. Hij zal die stad nooit in de steek laten. Hij gaat op naar Jerusalem en wij volgen hem van op een afstand want we weten wat er komt.


Verkondiging
Het werd wel iets minder, merkte ik de laatste jaren van mijn werken in onderwijs aan 18 tot 40-jarigen, maar toch zijn er nog steeds mensen die zoveel weten van het scheppingsverhaal dat de zich die zeven dagen nog herinneren. Natuurlijk leert het verhaal je niets over die zeven eerste dagen. Het leert je om te beginnen, je dagen te tellen en ook, om met tellen te beginnen en te zien dat dag één niet niks is, een gigantische uitzondering. Een dag die staat. Want niets is zo moeilijk dan beginnen.
Ook weten velen nog dat in het scheppingsverhaal God eigenlijk alles goed vindt. En God zag dat het God was. In de les vertelde ik dan vaak wat ik van mijn leraar Ben Hemelsoet geleerd had: God is niet van beton. Hij reageert niet als een kouwe kikker, dat het goed is. Hij vindt echt dat het goed is. Je kunt veel beter vertalen: en God zag hoe goed het was. Wanneer je en feest hebt gehad en iemand vraagt je, of het een fijn feest was, dan zeg je ook niet dat het goed was maar … je komt woorden te kort en gebruikt een paar superlatieven om te zegen hoe goed het was. Vanaf het begin is er zo de betrokkenheid, de belangstelling, de warmte van alles wat God voelt voor zijn schepping die Hem lief is. En ik zei er de laatste jaren op school vaak bij: als je iemand hoort vertellen hoe goed zij of hij iets vindt, dan weet jij in ieder geval dat zij of hij God citeert, zoals hij spreekt in het scheppingsverhaal.
Zes keer klinkt hoe goed. Dan komt natuurlijk de zevende keer: hoe zeer goed.Alles fantastisch. Alle duisternis en radeloosheid is verdwenen. Het kan niet meer stuk. Dat moeten we weten. Want de volgende zin doet onze adem stokken.
Het is niet Goed!
Het is niet goed dat/hoe de mens alleen is. Daarmee valt de eerste lezing met de deur het huis binnen. Het is niet goed. Volstrekt ongehoord! Dat kan helemaal niet! Wat is dan niet goed?
Het is niet goed de mens in zijn alleen zijn.
Dit de enige keer is dat iets in de bijbel niet goed heet. U begrijpt: hier wordt een uitzonderlijke snaar aangeslagen. Het geluid van deze toon zal ver dragen en lang blijven hangen, al de eeuwen, al tijden die komen gaan door. Alleen zijn, dat is niet goed. Doen alsof je alleen bent, dat is niet goed. Je kunt op straat al niet doen alsof je alleen bent. Daar is het verkeer veel te druk voor. Die grondtoon van het begin "niet goed dat de mens alleen is" dringt binnen in het evangelie. Jezus zal er alles aan doen om dat wat niet goed is, het alleen zijn op te heffen en gemeenschap, verbondenheid te stichten.

Die eenheid en verbondenheid komt aan je lijf. Het scheppingsverhaal geeft een eigen soort biologie, meer poëzie. Het ziet het lichaam als gedicht. De vorm van de rib buigt zich. De gebogen houding toont genegenheid, ruimte voor jou. Iemand zei: jij bent mijn rib is Arabische poëzie. Het betekent zoiets als: jij bent mijn beste vriend, mijn alles.
Het verhaal van Adam en Eva waarvoor de Bijbel nu het begin gemaakt heeft, vertelt vervolgens niet over het eerste mislukte huwelijk. Verteld wil worden dat alles mogen niet betekent dat je ongebonden bent. Een gemeenschap die de buitenstaander niet verdraagt, die intolerant is, botst tegen haar eigen grenzen. Een nieuw leerproces, niet eerder vermoed maar nu dwingend geworden, kan dan beginnen. Wat betekent het wanneer je moet inbinden, opnieuw moet beginnen om te leren dat je niet alleen bent?

In eerste instantie begint de lezing van vandaag niet ongewoon. Er komen Farizeeën bij Jezus met een vraag. Zoveel hebben we vroeger wel geleerd dat we nu weten dat ze hem met het vragen komen jennen. Ze willen hem natuurlijk weer de voet dwars zetten, in de val lokken om hem te laten struikelen. Het onderwerp waar ze nu mee komen is: Staat het een man vrij zijn vrouw te verstoten. Dat lijkt een gemakkelijke vraag. Het antwoord zal wel: "Natuurlijk niet!" zijn. Maar er zit een luchtje aan die vraag.
De liturgische knipseldienst die de lezingen toesnijdt naar de liturgie heeft de eerste regel van dit verhaal weggelaten. Hij staat op en vertrekt vandaar naar het gebied van Judea en het Overjordaanse en weer komen de menigten naar hem toe, en weer geeft hij hen onderricht zoals hij gewoon is. Als Hij naar Jerusalem gaat trekt de menigte samen op naar hem als ware hij het veelbelovende land, de stad op de berg, het licht dat niet verborgen of onder de korenmaat gezet kan worden.
Naar Hem trekken zij op nu hij zijn schreden richt naar Judea en het Overjordaanse. En er staat nog meer: Hij staat op en vertrekt vandaar. Een op geheimen zinnend werkwoord dient zich aan, opstaan. Het zal ons nog bezig houden en ons opnieuw naar Galilea sturen waar alles begint (Marcus 16,7 - 1,9).
Op het einde van hoofdstuk 9 vinden we zoiets als een orgelpunt in vuur, zout, vrede (9,49-51). Dominee Piet Kooiman vertelde daar vorige week over. Over vrede, ruimhartig leren leven. En vandaar vertrekkend … samen optrekken naar hem, leren.

Nu Jezus zijn schreden naar Judea-Jeruzalem richt komen de Farizeeën, niet de hypocrieten maar de beste tegenstanders meteen de zaak op scherp stellen. Wat moet hij in en met Jeruzalem? Beproeven, toetsen, denk aan de "toets" van de piano: tot klinken brengen. En let wil: ze willen hem op de proef stellen. Het gaat over Hem. Wat zal Hij laten horen nu hij naar Jeruzalem gaat? Welke woorden zal Hij onder dit plaatje zetten om "wat?" te onderstrepen en in het licht van zijn woord en daad te laten stellen? Want ieder die een beetje vertrouwd is met de Schriften kan vermoeden dat definitieve zaken gezegd zullen worden omdat Jerusalem, de dochter van Sion, de bruid van de Heer is. En naar Jerusalem gaan betekent voor hem: zijn lijden en sterven tegemoet gaan.
Het evangelie presenteert ons niet een morele les als randschrift en bedenking bij een fenomeen dat in onze wereld niet vreemd is. Als het bij de Profeten over echtscheiding gaat, dan gaat het er over dat God van Jerusalem, zijn bruid, zijn Jerusalem, nooit zal scheiden. Dat kan en zal hij niet en nooit.

Jezus vraagt naar wat Mozes leert. Hij beroept zich altijd op Mozes. Dat weten ze/we wel. Ook nu. Mozes heeft de mogelijkheid van een scheidingsbrief! Maar maakt die brief duidelijk dat je kunt scheiden, dat scheiden het open slaan van een nieuwe pagina is? Jezus geeft die brief een andere lezing. Als het bijbels gesproken gaat over trouweloosheid, over doen alsof er geen verbond is - weten wij dan niet ook wat het verhaal beoogt en voelen ook wij ons dan niet ook bekeken? De hardheid van ons gemoed! Trouw is zo'n geheim, zo ondoorgrondelijk.
Maar het Verbond is niet ons initiatief, niet onze uitvinding, niet onze beleving. De ander/Ander draagt immers het verbond dat mij geschonken wordt, waar ik mij in vind, herken, begrepen voel.
Simpel gezegd: dat God van ons houdt is niet "heel verstandig" en goed gezien van Hem. Wij feliciteren Hem niet met het feit dat Hij ons gevonden heeft. "Je mag blij zijn dat je mij hebt!" Nee, de harde kern van het geloven is de verwondering dat God in Zijn trouw mij/jou gevonden heeft, dat Hij er voor jou wil zijn en jij voor Hem er bent. Je begrijpt daar niets van. Je moet nog leren en zal blijven leren, wat dat is en wat het betekent.

Naar Jerusalem Jezus gaat naar Jerusalem als ware dat "zijn kinderen". Daartoe geprovoceerd speelt hij zijn troef uit. God kan Jerusalem niet verloren laten gaan. Wat Hij verbonden heeft… Zijn wereld is Zijn alles. Zó gaat Jezus in Gods naam naar Jerusalem. Daar zal Hij het brood breken en delen en met de wijn zijn bloed duiden, alles wat Jerusalem Hem kosten zal en mag. Zó gaat hij naar Jerusalem om dát een verhaal te worden dat met de eeuwen mee zal gaan, tot in onze dagen toe. God is getrouw, eindeloos getrouw.

Het verhaal over de scheiding die niet bestaat, over God die zijn volk trouw zal blijven, besluit met een onverwacht tafereel. Wat de woorden ons laten zien verstaan we onmiddellijk. Iemand is ontroert bij het zien van de moeders (en vaders) met hun kinderen. Onuitgesproken betekent ieder alles voor de ander. Zij willen naar Hem toe en Hij houdt van hen. We horen Jezus over de gemeenschap die Gods koning-zijn betekent: onvoorwaardelijke genegenheid en trouw, kinderen met hun aanhankelijkheid en vertrouwen! Voor mensen die zijn als zij is Gods koningschap. Wat zij zijn en wat Hij aan hun ziet is Zijn motief. Dat horen wij Hem zeggen terwijl Hij ons voor gaat naar Jerusalem, naar waar de Vader thuis is, waar hij ons nodigt aan zijn tafel. Moge dat ook voor ons, hier vandaag samengekomen, zo zijn.


Vierentwintigste zondag door het jaar
13 september 2009

Jesaja 50, 5-9a
Marcus 8, 27-35


Als het goed met je gaat besef je vaak niet dat het goed met je gaat. Gaan en staan, lopen, kijken, praten - het is allemaal natuurlijk en vanzelfsprekend. Tegen zieke mensen zeg ik wel eens: "Als je gezond bent weet je niet half wat je mankeert." Mensen glimlachen dan. Ze vatten wat je zegt.

De Bijbel is hoe dan ook Gods mensenboek. Als het over God gaat dan gaat het over mensen, en als het over mensen gaat, dan gaat het over God. Hemel en aarde zijn bijbels gesproken niet los van elkaar verkrijgbaar, ze vragen naar elkaar, roepen om elkaar, want ze hebben op een of andere manier elkaar nodig, in 's hemels naam. En er zijn bijbelteksten, poëtische teksten, die vol liefde en verwondering uitzingen hoe prachtig een mens is, als een bruid in de morgen, als de zon die opgaat, als een boom vol bladeren en vruchten - je hoeft je
maar uit te steken. Maar die pronk en pracht wordt getekend door heel veel tegenzijde, duistere pagina's met tranen geschreven. Vaak is het zo dat alleen de verhalen nog in staat zijn een herinnering op te roepen aan betere tijden, of een verwachting want je weet het nooit. Overgeleverd is een mens aan het wel, maar ook vaak aan veel wee. Op zoveel wijzen signaleert het leven ons hoe kwetsbaar we zijn.

Hoevelen zijn niet te beschrijven met de woorden van Jesaja? Het gaat over de dienaar van de Heer, over de van God en mens verlatene. De actualiteit heeft ons de afgelopen jaren genoeg van die beelden laten zien: geslagen, verminkt, misvormd en geminacht. Moedeloos word je er vaak door. De pijn die mensen elkaar aandoen. Deze week, Afganistan. Maar de bijbelse literatuur is er van overtuigd, dat de treurigheid en woede die je voelt bij die beelden ook de radeloosheid van God vertolken.

Mensen zeggen ook soms: Hoe kan een almachtige God dit alles toelaten? Toch heb ik het gevoel dat dit tegenwoordig wat minder vaak gezegd wordt. Het is ook een uitspraak die op een misverstand berust. Ik geloof in God de almachtige vader moet je meer verstaan als Ik geloof in God de barmhartige vader. God is nabij. Hij maakt mee wat wij ondergaan. En wanneer het leed, de radeloosheid diep gepeild wordt weet de profeet: Die mij vrij zal spreken is nabij. Laat ons samen voor de rechter gaan staan. Wie zal mij schuldig verklaren. God zal het opnemen voor de mensen die altijd zijn mensen zijn. Hij kan en wil niet zonder hen.


In het evangelie gaat natuurlijk iets vooraf aan de lezing van vandaag. Het laatste verhaal gaat over een dorp, Bethtsaida. Daar schuiven ze Jezus een blinde in handen. Hij moet hem aanraken. Je hoort ze bijna schreeuwen: Jezus! Jezus! Laat zien wat je kunt. Kom op! Kom over de brug! Jezus! Jezus!
En wat doet Jezus?
Heel aandoenlijk, zoals spelende kinderen doen: Jezus neemt hem bij de hand. Hij brengt hem buiten het dorp. Dat is opvallend. Mogen ze in het dorp dan niet zien wat hier verteld wordt? Ik weet het niet. Wel weet ik: we kennen het verhaal omdat de verteller er over vertelt. Hij vertelt iets heel intiems, in details. Jezus spuugt op de grond, legt hem de handen op. Zie je al iets? Ik zie mensen als bomen. Hij ziet alleen maar Jezus, want er zijn geen andere mensen in het verhaal. En dan legt hij de handen op de ogen en de mens ziet alles scherp. Ik denk: wat ziet hij dan? Maar Jezus stuurt hem naar huis, maar hij mag het dorp zelfs niet meer in … Raadselachtig. Wat is hier aan de hand? Daar begint het verhaal van vandaag.

Uitgaande vertrekt Jezus met zijn leerlingen naar de dorpen van Caesarea Filippi. De kaart van Israël krult daar. We zijn bijna buiten de kaart. Je kunt niet verder van Jerusalem af zijn. De weg naar Jerusalem is dus begonnen, gaat beginnen of is begonnen. We zitten bij het geheim van het begin, van waar het om begonnen is.
En Jezus zegt - je hoort Hem hardop denken: Wie zeggen de mensen dat ik ben?
Grote namen vallen. Johannes de Doper, Elia, een van de profeten. Het zijn grote namen, maar ook namen van veel droefheid. Het loopt met Johannes tragisch af. En Elia was ook overal nergens thuis terwijl de koningen mooi weer speelden. En de profeten zijn geen mensen met gouden petjes op en veel fanmail. Ik heb je nooit een rozentuin beloofd. En terwijl je zo peinst klinkt weer die stem: Wie zeggen jullie dat ik ben? Petrus die in Jezus een droom ziet waar hij voor gaat, zegt- volgens mij nog vor hij er erg in heeft - Jij bent de messias! Meteen klinkt: Hij verbiedt hen nadrukkelijk hier met iemand over te spreken.

Waarom niet?
Als het waar is mag het toch zeker gezegd worden!
Ja, maar je weet niet wat je zegt! Je houd je hart vast bij de woorden die dan komen gaan, over naar Jerusalem gaan, over lijden, over verworpen worden en over gekruisigd worden. Op de derde dag, wanneer je weet: "Het komt nooit meer goed", zal Hij opstaan. Dat leert Jezus hen. Zonder terughoudendheid zegt hij het hen, ons. Petrus wil dat niet. Geen mens wil dat. Maar de weg van Johannes de Doper, van Elia en van de Profeten, de weg van de Messias gaat naar Jerusalem. Ook ons leven leert dat ons. Geen huisje zonder kruisje.
Afgelopen week was mijn vrouw bij de kleinkinderen. Bedtijd, kleine kinderen, bovenste verdieping, alle actie. Opeens gaat de bel. De oudste, net goed zes, kan het niet laten. Ze moet naar beneden. Even later komt ze terug. Mijn vrouw vraagt: "Wat was er". Enigermate bedremmeld zegt ze: "Het was iemand die centen moest hebben. De koningin heeft hulp nodig." Koningin Wilhelminafonds. Daar word je stil van, de koningin heeft hulp nodig. Zelfs een kind begrijpt dat dat eigenlijk niet kan.
Toch is dat het geheim van het evangelie: de koning heeft hulp nodig. Getuigen, leerlingen. Ons leven is leerlingen zijn, navolgen, om ruimte te maken voor verder. Dat zijn de woorden die wij delen, het brood dat hij ons aanreikt, ook vandaag, zolang wij leven. De koning heeft hulp nodig, wij doen mee. Als dat een beetje kan.
Moge dat zo zijn.


 

Drieëntwintigste zondag door het jaar

6 september 2009

Jesaja 35, 4-7a
Marcus 7, 31-37


"Het staat in de bijbel", ieder van ons kent die uitdrukking wel. Zeker katholieken kregen vroeger nogal eens te horen dat we eigenlijk niets wisten omdat we niets van de bijbel afwisten. In de bijbel, daar stond het in en wat daarin stond was waar. Dat was openbaring van God en God had gelijk. Punt, uit, amen.
De Bijbel had iets geheimzinnigs en absoluut heiligs. Dat wisten we wel. Vroeger in de plechtige kerkdiensten werd het evangelie altijd gelezen met links en rechts een kaars. Het Boek werd bewierookt. En we weten wat het betekent, iemand bewieroken. Zo iemand is absoluut bijzonder, heilig eigenlijk.
Maar ja, wij wisten er eigenlijk ook niets van. In het beste geval hadden we een beetje bijbelse geschiedenis gehad. Dan wist je iets van hoe het vroeger gegaan was. Maar wat er verder in stond?

Meestal is de bijbel in het beste geval een boek dat steeds bij stukjes en beetjes gelezen wordt. In onze stemmen voegt zich dan een ander geluid, een eeuwenoud geluid. En de woorden en verhalen die je dan hoort zijn afkomstig van ergens tussen laten we zeggen 1000 voor tot 100 jaar na Christus. Er zijn dus grote lijnen, er is een ontwikkeling en een geschiedenis, eigenlijk weten we daarvan het minste. Het enige wat we weten is de tekst die raadselachtig is, open, te lezen, en gesloten tegelijk. Gesloten, want als dit er al staat, wat staat er dan? Waarom staat het? En waarom zo? Waar komt dit allemaal vandaan en wat moeten we er mee?
Meer dan een boek vol zekerheden is de Bijbel een boek van de raadsels van het leven, een Boek dat grote en kleine geheimen van mensenleven geboekstaafd heeft. Het is eigenlijk begonnen met het grote verdriet en het heimwee van de mensen van Jerusalem en omgeving die als ballingen naar Babylon waren gedeporteerd. Het enige wat ze nog hadden waren ze zelf met hun herinneringen en hun verhalen. Verloren mensen. Daarom zijn er zoveel teksten die moed inspreken, die proberen te troosten en te bemoedigen. Vat moed en vreest niet, God zal het voor ons opnemen. Dan gaan de ogen van de blinden weer open en zullen de oren van de doven geopend worden. Lammen zullen springen als een hert en jubelen zal de tong van de stommen.
U hoort, dat is geen krantentaal. Dit is geen mededeling of verslag. Er wordt iets aangekondigd, iets dat eigenlijk niet te geloven is, dat iedere verwachting tart. Want als je balling in Babylon bent, als je van God en mens verlaten bent, aan de heidenen overgeleverd, dan weet je één ding zeker. En dat weet je zeker: Dit gaat nooit meer over! Hier komen we nooit overheen. Verhard en versteend ben je. Laat maar zitten, klaar.
Tegen dit zich vastbijten in het verdriet en de eenzaamheid spreekt de profeet. Hij spreekt je aan. Zijn woorden proberen je te bereiken, proberen binnen te komen in waar je in wanhopige eenzaamheid bent. Vat moed! Wat is dat, moed vatten? Hoe kan dat? Vragen is het eerste teken dat je meer wilt. Hoe zou moed kunnen vatten? Hoe zou dat moeten? Jezus aan het kruis is toch een volstrekt opgegeven zaak! Vat moed!
Woorden proberen aarzelend zich te nestelen in je gehoor, binnen te dringen, aan te kloppen. Kun je je eigen geslotenheid niet een beetje openen? Een kiertje? Je weet toch minstens van vroeger dat mensen blij kunnen zijn, ondanks alles kunnen dansen van vreugde! In muziek en in verhalen is zoveel bewaard, is zo'n grote ruimte gereserveerd, is zoveel mogelijk.
Dat is wat Bijbel voor mensen die er mee leven wezenlijk is, een Boek van grote reserve, een enorm tegoed. Voor alles wat een mens kan ontmoeten en zal ontmoeten in haar of zijn leven zijn er woorden, is er klank. Het Boek van Alle Verhalen is het geschenk van de God van al die Verhalen. Hij wil dat wij er zijn, dat we durven, dat we opzien en gaan, dat we kiezen voor het leven dat zich op zoveel manieren aan ons mededeelt om het mee te maken, mede te maken.

Wij vallen niet samen met ons heden. We zijn geen stenen, geen rotsen, zelfs geen bomen of bloemen die enkel groeien en bloeien om dan te verdwijnen. Wij leven in de reserve van de taal die ons van jongs af aan gegeven is, leefruimte die alle kanten uit groeit, die ons bewaart, die ons meeneemt en plaats geeft.
In de steppe zullen beken ontspringen. En we kunnen vermoeden wat er gebeurt wanneer het door en door droge land gewekt wordt door een beetje water. Bekend is het verhaal op Matsada waar het nooit regent. Maar een jaar of 40 geleden is dat toch eens gebeurd. Een paar dagen later was die eeuwenoude dorre vlakte een groen tapijt vol bloemen. De hemel had gezaaid! Het dorstige land wordt één waterbron.

Er gebeuren onmogelijke, onwaarschijnlijke zaken. Als je merkt dat je iets kunt wat je nooit gekund hebt. Een kind dat opeens die grijze brij zoals letters ontdekt en de letters als woorden. Of een kind pas op school, ik heb het zelf gezien. Doodstil was het. Geen woord, geen krimp, geen spoortje beweging. Wat de juf welwillend en al ook probeerde. Niets. Drie maanden later kom ik weer op die school. Niets aan de hand. Het kind doet gewoon mee als ieder kind, praat honderd uit, gaat in op vragen. Het had het zelf nog niet in de gaten maar het was helemaal open gegaan.

Effetha, ga open. Het graf, ga open. De doodse stilte, ga open. Geen stom woord, ga open.
Helemaal uit het noorden (uit het gebied van Tyrus en Sidon, tegenwoordig Libanon, langs de kust - waar de honden onder de tafel van de kruimels eten - helemaal uit het noorden begeeft hij zich naar de Zee van Galilea om midden in het gebied van de Tien Steden tot staan te komen. Hij, de tekst noemt in feite zijn naamniet. Wie is Hij? Ze brengen een mens. Publiekelijk wordt iemand aangevoerd. Een dove, iemand die niet spreken kan. Ze smeken. Uit die paar details blijkt hoe begaan ze met hem zijn. Hij neemt hem terzijde. In het zijne, buiten de kring van het volk. Heel precies vertelt het verhaal wat Hij doet, hoe hij zich met de mens identificeert. Hij herkent zich zo volledig in die mens dat hij zich met een zucht van hem losmaakt. Hij slaat zijn ogen naar de hemel. Ga open. Ga open hemel, ga open oren en mond.
Hij mag er niet over spreken en hij kan niet zwijgen. Moet een geheim niet bekend zijn alvorens een geheim te kunnen wezen?
Intussen noemt de griekse tekst in dit verhaal Zijn naam niet. Wij moeten vragen: Wie is dat? Wie is Hij? Hij is degene die de doven doet horen en de stommen laat spreken. Spreken is het laatste woord. Spreken. Vrijspraak.

Dit zijn de verhalen die de liturgie ons vandaag wil geven. Zij zijn het brood, zijn lichaam, zijn leven dat hij vandaag met ons hier deelt. Moge dat zo zijn.


Tweeëntwintigste zondag door het jaar
30 augustus 2009

Deuteronomium 4, 1-2.6-8
Marcus 7, 1-8.14-15.21-23


U weet, we lezen altijd fragmentjes, snippertjes uit de tekst geknipt. En soms komt dat niet zo gelukkig uit. De samenstellers van de lezingen voor vandaag vonden dat de eerste lezing een beetje plompverloren zou beginnen met zoals het in ons boekje heet: "Luister Israël …" Je kunt toch niet zomaar met de deur in huis vallen. Daarom hebben ze er braaf voorgezet: "Mozes sprak tot het volk en zei…" Een beetje typisch, iets veranderen aan een tekst die er precies over gaat dat je niets aan de tekst mag veranderen, er niets aan mag toevoegen en er niets van mag afdoen. Ook de woordkeuze van onze vertalers is, als ik dat zo zeggen mag, is ook niet altijd gelukkig. "Luister dan, Israël".
Want "luisteren". Nou moet je eens goed luisteren. Luister nou toch eens een keer … ik weet niet of u dat ook hoort als een woord dat nogal van boven af klinkt, nogal bevoogdend. Je hebt te luisteren. In het hebreeuws is die suggestie in ieder geval volstrekt afwezig: En nu, Hoor Israël … We-athah, sjema Jisraeel. In de bijbelse traditie zijn dit absoluut heilige, apart gezette woorden.
Sjema Jisaeel - Hoor Israël. In die woorden spreken Joodse mensen hun geloven, hun vertrouwen uit. Bij die woorden voelen zij zicht thuis. Daarom ook zijn die woorden Jezus uit het hart gegrepen. Hoor Israël.. Dat wordt steeds hardop gezegd, verstaanbaar, met je stem er ij. Je stemt er mee in. Je hoort dan ook zelf hoe jij jezelf aanspreekt met je eigen stem en hoe het horen van je eigen stem je maakt tot kind van deze woorden, tot Israël.
Wie deze woorden zo hoort geldt voor de tekst als Israël Hoor.
Horen, er bij zijn, bij de tijd komen, present zijn. Meedoen. Je partijtje mee willen blazen, mee verantwoordelijk willen zijn. Want aan dat horen van Israël doet iedereen mee. Er is niet een stelletje baasjes die uitmaken hoe het zit terwijl de rest gehoorzaamt. Nee, het bijbelse omgaan met het woord is wezenlijk liturgie, laos turgein, het volk onderhouden, de gemeenschap gemeenschap laten zijn, in de ware zin van het woord dienst bewijzen, eredienst, tot je dienst.

De eerste lezing komt uit Deuteronomium, het boek dat gelezen wordt voor de Jordaan met het oog op het land, de toekomst, wat op je toekomt, voor ogen. Alles wordt nog een keer doorgenomen, in herinnering geroepen alvorens de grote stap gezet gaat worden naar het land dat door de beloften gedragen wordt, dat de beloften aanreiken en dat zelf één en al belofte is, steeds opnieuw aanbod, steeds opnieuw te veroveren, steeds weer nieuw. Daarom kan de tekst ook zeggen: Wat is dit voor groot volk, dat God het volk zo nabij is als onze God ons (nabij) is, steeds wanneer we hem roepen. Roepen, kara in het hebreeuws. Een tekst lezen heet in het hebreeuws kara. Wanneer wij hem roepen - dat wil hier dus zeggen: wanneer we de tekst lezen, laten klinken. Want alleen bij het klinken van de woorden blijkt het leven een oponthoud in de vergankelijkheid, een wonder om bij op te zien.

Marcus hebben we vandaag opgeslagen in het 7e hoofdstuk. Na de dood van Sint Jan de Doper in het 6e hoofdstuk lijken bij Marcus de kaarten geschut. In snelle scheden zal de afstand tussen Jezus en de leiders van het volk zich uittekenen. Waarom? Vandaag komen de Farizeeën en sommigen van de geleerde schrijvers vandaag met de problemen die ze hebben: over de reinheid. Over de leerlingen die zo maar wat doen of niet doen, in ieder geval niet doen wat men dient te doen. Ze eten met onreine handen. Dat zien ze en dat (b)lijkt hun pijn te doen. Waarom eten zijn leerlingen met onreine handen?

En inderdaad, als dat zo algemeen gebruikelijk is, waarom doen die leerlingen dit dan niet? In ieder geval, de tegenstemmen in het evangelie kunnen daar een punt van maken. Maar dat verwijt kan Jezus precies aangrijpen voor wat er volgens hem aan de hand is, aan de hand dient te zijn, gaande is.
Woorden zonder daden, uiterlijkheid zonder innerlijk - dat is hypocriet. Je vrome taal is dan een vlag op een modderschuit. Als je met je gedrag geen gehoor geeft aan je woorden, spreek je dan niet zonder zin? zonder gevoel van richting? Dan praat je als een kip zonder kop, dan is er voor jou geen verschil tussen begin en einde en maakt het in feite niets uit.

Hij, wie is Hij, de tekst zelf noemt zijn naam niet, Hij roept de mensen wederom bij zich. Dat wederom vind ik belangrijk. Opnieuw laat hij ons naar hem toe komen. Niets wat van buiten komt kan een mens verontreinigen, zegt hij. Maar wat uit een mens komt - dat is een andere zaak. Wat uit een mens komt, dat verontreinigt een mens.
Uit de lezing is dan weer een stukje weggelaten. Ze gaan naar huis en de leerlingen komen Jezus nadere uitleg vragen. In die uitleg klinkt dan al die narigheid waar de krant vol van is, geweld, moord, ontrouw, hebzucht.
Jezus heeft het over een andere pijn, over wat je ziet gebeuren, over waar mensen toe in staat zijn, wat uit een mens komt. Dat verontreinigt een mens. En daar wil ik vandaag nog iets bij zeggen.

In de evangelielezing van vandaag gaat het over rein en onrein. Wij met ons gevoel voor rein en onrein denken dan aan schoon. Wij leerden als kind ook dat zonde zoiets was als een vlek op je ziel. Je had kleine en grote vlekjes. Als je biechtte werd je door vlekjes zwart geworden zieltje weer schoon gewassen. Generaties zijn met deze beelden getiranniseerd. Neemt u van mij aan, dat het evangelie het daar niet over heeft. Dat gaat niet over smetvrees, niet zozeer over "ik en mij".
Rein of onrein gaat over de gemeenschap, horen bij de gemeenschap, meedoen, deel uitmaken van het geheel. Waar het volk kwam, waar iedereen was, daar moest iemand die onrein was niet komen. Die was meer privé.
Jezus zegt vandaag: je wordt niet buiten de gemeenschap geplaatst door wat op je af komt. Je plaatst jezelf buiten de gemeenschap door mooi te praten en intussen met alles en iedereen de kachel aan te maken. Je plaatst jezelf buiten de gemeenschap wanneer je de gemeenschap en de relaties in die gemeenschap minacht of kapot maakt. Je bent een bouwer of een breker. Voor afbrekers heeft hij geen goed woord, zeker niet wanneer die zich voordoen als de leiders in de gemeenschap.
Jezus is er alles aan gelegen dat we het vertrouwen vinden om in alle bescheidenheid, op onze plek, een bouwer te zijn, iemand op wie je aan kunt. Het is als met het horen aan het begin van de eerste lezing. Het gaat er om bij de tijd te zijn. Daartoe nodigt hij ons aan de tafel - om zijn geheimen met ons te delen, met ons, deze gemeenschap vandaag hier.
Moge dat zo zijn.

 


Eenentwintigste zondag door het jaar
23 augustus 2009

Jozua 24, 1-2a.15-17.18b
Johannes 6, 60-69


Het weer doet recht aan de teksten van vandaag. Het laatste hoofdstuk van het boek Jozua speelt zich af in een omgeving waar de zon een goede bekende is. Jozua brengt ons naar Sichem, heuvelachtig, niet al te vruchtbaar maar toch groen. De naam Jozua is hebreeuws. In de oude, voor-christelijke vertaling word de naam Jozua gelezen als Jèsoes, in het latijn Jezus. Als we Jozua lezen, lezen we ook vanuit het vermoeden van het Nieuwe Testament. Jozua, de opvolger van Mozes, heeft indertijd het volk door de Jordaan geleid, het veelbelovende land in. Langzaam maar zeker wordt dat land aan de overzijde, het land van vrijheid en bevrijding, niet enkel een droom maar om te proberen. Leven in het goede land. Alles zul je ontspannen maar vastberaden in het werk moeten stellen om het land dat je gegeven is tot je land te maken, om te leven op de plaats die je zo vertrouwd is en die je steeds vertrouwder wordt, je plaats, je plek.
In de publiciteit wordt het boek Jozua vaak misbruikt als een voorbeeld om aan te geven dat het Oude Testament en wreed boek is en dat de God van het Oude Testament een wrede God is. En inderdaad, als je leeft met "het staat in de bijbel" en als je denkt dat je begrijpt wat je leest, dan zul je best gelijk krijgen. Als je leest wat er staat lees je vaak niet niet wat er staat. Het Boek hoort thuis in de gemeenschap en daar hoort een hele leescultuur bij, een gebruiksaanwijzing, een traditie waarin we met elkaar overleggen, hoe ...
Veel mensen weten bijvoorbeeld niet dat je het Oude Testament moet lezen vanuit de Babylonische Ballingschap. De lezers van dit boek zijn dan altijd overlevenden uit Jerusalem en omgeving. Ze hebben niets en zijn nergens meer, zijn letterlijk aan de heidenen overgeleverd. Het enige wat ze nog hebben zijn de verhalen van vroeger, over slavernij en bevrijding, over de uittocht uit de slavernij, over al die jaren in de woestijn en over Mozes, de leraar die het volk voorgaat, telkens weer en altijd weer met nieuwe moed en eindeloos geduld. Want leren hoe je leven kunt, gaat stapje voor stapje, gaat met wel en wee. De slavernij in Egypte begrijpen zij als ballingen in Babylon maar al te best. Vroeger was werkelijk niet alles. Maar zoals de slaven uit Egypte werden opgehaald, zo, en dat weten ze zeker, zo zal ook voor hen de tijd aanbreken, ooit, eens … dat zij terug zullen gaan naar het land van de beloften, naar de stad waar God zijn hart aan verpand heeft.
Jozua is het eerste van de profetische boeken. Jozua verkent de mogelijkheden en moeilijkheden van het leven met de beloften in de toekomst die God je steeds weer geeft, al de dagen van je leven. We zitten in het laatste hoofdstuk. Het zal dus niet lang meer duren met Jozua.
Alles en iedereen begeeft zich naar de landdag in Sichem. De leiders van het volk zullen daar naar Jozua gaan. Ze komen bij elkaar voor de Ark van het verbond. Jozua begint te spreken. Hij richt zich - niet tot de leiders van het volk, maar tot het volk. Wij krijgen met zijn allen te horen wat Jozua/Jezus zegt. Wat heeft hij ons te zeggen?

Jozua richt zich tot het volk. Hij zegt: Als je de Heer niet wilt dienen, kiest dan wie je wel wilt dienen. Wil je de goden van je voorouders aan de overkant of wil je de goden van de Amorieten? Ik en mijn familie, wij dienen de Heer. Ik vind altijd dat begin van deze woorden interessant. Als je de Heer niet wilt dienen… Jozua gaat er van uit dat je dat wel wilt maar het zou kunnen zijn dat je niet wilt. Hij gaat er van uit dat de mens niet enkel samenvalt met zijn heden en zichzelf. Wij willen een ideaal hebben, een droom, een voorbeeld, een uitnodiging, uitdaging, een stem - zodat het ons iets zegt. Men zegt wel een: Ik ga ervoor. We willen ergens voor gaan. Dat is ons hart. Dat wil ergens naar toe. Waar uw schat is daar is ook uw hart. Of heb het lev eens, heb het hart eens en doe eens wat, durf, probeer.
Jozua zegt: als je niet kiest voor de Heer maar oude zekerheden van vroeger uit de linnenkast wilt halen als omlijsting van je leven en daarmee wilt leven (vroeger was alles beter!), het zij zo. Ik en mijn familie, wij kiezen voor de Heer. Wie is die Heer? Dan kun je alleen maar verhalen gaan vertellen. De Heer is een boek, is boeken vol al dan niet geschreven verhalen over hoe mensen leven, zichzelf en hun God tegenkomen, het aandurven, weer opnieuw, moed verzamelen..
Jozua zegt: Wij kiezen voor de Heer. Dat wil zeggen: wij kiezen voor de God van al die verhalen, van alle wel en wee in de uitzichtloosheid van de slavernij, in al die jaren in de woestijn, van zoeken en tasten hoe het zou kunnen in het land. Wij kiezen voor alle verhalen die als een lijst ons leven profileren en perspectief geven, die ons bestaan een eigen licht en plaats geven.
Dat Jozua daarmee geen onvermoede of onverwachte keuze maakt blijkt direct. Het volk antwoordt onmiddellijk lijkt het. Het is alsof ze gewacht hebben op deze uitnodiging van Jozua. Ze gaan onvoorwaardelijk mee: Wij denken er niet aan de Heer te verlaten en andere goden te dienen. En ze beroepen zich op het hele verhaal dat Israël tot dat kleine volkje met zijn beloften gemaakt heeft.

U ziet aan de cijfers boven de tekst dat er veel is weggelaten. Weggelaten is bijvoorbeeld het motief van Jozua. Waarom gaat Jozua naar Sichem om bij de Ark van het Verbond het volk toe te spreken?
Jozua weet dat hij sterven zal. En hij begint met: "Zie alles is gekomen." Aan het einde van zijn dagen gekomen weet Jozua zich verplicht tot eindeloze dankbaarheid voor alles wat hem en zijn mensen, zijn volk gegeven is. Alles is gekomen. Zijn ervaring, zijn overtuiging en zijn woord zal de generaties van later de moed moeten geven om ook met deze God en zijn beloften in zee te gaan, in de ballingschap, en in alles wat daarna gebeurt met de kinderen van zijn volk, met al zijn mensen, ook in onze dagen.


Sint Jan geeft in zijn evangelie een zeer persoonlijke kijk op hoe het gegaan is met Jezus en zijn leerlingen, zijn volk. Johannes begrijpt aan het einde niet meer waarom het steeds opnieuw weer zo moeilijk is. De afgelopen weken waren we rond het Meer van Galilea bij Kapernaüm. Vijf broodjes en twee visjes maakten de mensen enthousiast voor Jezus. Hij moest het worden. Hij was onze man voor brood op de plank en einde aan alle sores. Ze wilden hem onmiddellijk voor hun karretje spannen. En wanneer langzaam maar zeker duidelijk wordt dat Hij de weg van de vader vertolkt, dat Hij als brood wil zijn voor onderweg, dat Hij God allerpersoonlijkst nabij brengt - dan hoeven ze hem niet meer. Volgens Johannes zeggen veel van de leerlingen van Jezus: Harde taal. Wie kan daar nog naar luisteren! Dat is geen vraag. Ze hebben daar geen oren naar. Dit is onzin.
Neem je daar aanstoot aan?, zegt Jezus. Wat dan wanneer je de mensenzoon op ziet gaan naar waar hij vroeger was? Daar kun je met je lijf niet bij. Daar heb je de geest voor nodig, u weet wel, die geest die hemel en aarde aan elkaar toevertrouwt en hen een maakt. Steeds weer wonderlijk vind ik die zin: de woorden die ik spreek zijn geest en waarheid. Ons leven met Hem is leven met de woorden die ons gegeven zijn, die hij ons geeft. Niet verleden maar volop tegenwoordige tijd.
Ook als Petrus namens de twaalf zegt dat hij wil blijven, dan hoor je bijna dat het nauwelijks van harte is. Naar wie zouden we gaan? En alsof hij schrikt van die koude woorden: jouw woorden zijn woorden van leven naar de maat van God en wij weten dat jij Gods heiligheid aanreikt. Maar dat kun je ook anders lezen. Jezus volgen is niet op de manier van akela, wij doen ons best. Dat kan ook met moeite zijn, met eigenlijk niet weten. Naar wie moeten we anders gaan? Om dan te zeggen: jouw woorden zijn woorden van eeuwig vermoeden, van volop leven, de toekomst tegemoet.

Iedereen kent die dagen dat het niet eenvoudig is. Iedereen weet dat leven kiezen is en zoeken. De woorden van de Schrift willen ons bemoedigen aan de tafel van het laatste avondmaal waar Hij zichzelf en al zijn vertrouwen aan ons geeft.
Moge dat zo zijn.

 


Maria tenhemelopneming
15 augustus 2009


Spiegel van gerechtigheid, Zetel van wijsheid, Oorzaak van onze blijdschap, Mystieke roos, Toren van David, Ivoren toren, Gouden huis, Ark van het verbond, Deur van de hemel, Morgenster
Ik denk dat ik voor de meesten van ons bekende woorden zeg. Het zijn aanroepingen uit de litanie van Maria die wij vroeger zo vaak gebeden hebben dat de woorden nog steeds echoën in ons hoofd. Namen, minnenamen voor Maria, diepe bijbels geïnspireerde namen voor die wonderlijke vrouw die ons in haar simpele gebaren op een bijzondere wijze nabij is. Zij brengt voor ons het geheim dat God is onder woorden, troost ons met de nabijheid van waar wij geen woorden voor hebben.

Apocalyps 11, 19a; 12, 1-6a.10ab
Lucas 1, 39-56

Maria Hemelvaart was vroeger een "verplichte zondag". De tijd van het feest is veelbelovend. Het is hoogzomer. Het feest staat stil bij de verwachting en de vervulling.
De eerste lezing komt uit dat raadselachtige boek dat wij Apocalyps of Openbaring noemen. Het boek beschrijft in hoofdzaak de angstaanjagende tijden aan het begin van het christendom. Tegen de angst en onderdrukking in schrijft Sint Jan de Apocalyps, ik noem het voor mezelf altijd het Open Boek, het Troostboek van Johannes. Hij ziet de Tempel in de hemel open gaan. De intimiteit van Gods huis wordt zichtbaar. Een groot teken wordt zichtbaar aan de hemel. Geen adelaar met zijn machtsvertoon, maar een vrouw, gekleed met de zon, de maan onder haar voeten en twaalf sterren rond haar hoofd. Vrouwe Israël, de nieuwe Eva, Maria. En er wordt een ander teken gezien. Een grote vuurrode draak. Een derde van de sterren - en je kon er veel zien aan de hemel in de oude tijden - een derde wordt weggeslagen. Je houdt je hart vast. Maar angst maakt plaats voor ontroering. Het kind wordt geboren. Het word ijlings naar de hemel gebracht. De vrouw vlucht naar de woestijn en de stem klinkt: "Nu is gekomen het genezend en troostend vermogen van Gods koningschap en van de Messias die ons opricht."

Lucas heet de patroon van de schilders te zijn. Hij schildert zijn evangelie met zulke eigen toetsen en penseelvoering dat niet alleen de voorstelling, het verhaal, maar ook de streken en kleuren interessant gaan worden. Het tafereel van vandaag is aandoenlijk. Maria heeft haar jawoord gegeven. Net in verwachting krijgt zij te horen dat haar nicht Elisabeth al in de zesde maand is. Mij geschiede naar uw woord blijkt in de praktijk als eerste te betekenen dat zij naar Elisabeth toe gaat. Dan zullen woorden vallen en die woorden zullen ons gaan doen vermoeden wat er gaande is, wat op het spel staat. Want woorden kunnen ons bij de tijd brengen.
Visitatio heet dit tafereel. Bij de visitatie wordt wat nog niet zichtbaar is duidelijk. Maria groet Elisabeth. Haar sjalom doet het kind van Elisabeth opspringen in haar schoot. Zij zal dat dadelijk ook zeggen. Maar tussen de woorden over dat springende kind staan de veelbetekenende woorden: Jij bent de gezegende onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van je schoot. Elisabeth draagt de woorden aan die zeggen: de moeder van mijn Heer. Wie is de vrouw die zo bezongen wordt!
Zo door Elisabeth toegesproken geeft Lucas Maria haar eerste lange tekst. Overbekend zijn die woorden geworden. Maria zingt het lied van Israël, over God die bevrijdt, die omziet naar de klein gemaakten, die betrokkenheid betoont aan Abraham en allen die in zijn kind, zijn kinderen zijn.

Maria - hoe kan het zijn dat haar naam zo diep gegroefd is in ons bestaan? Waarom weten wij zo zeker en willen wij zo graag ook zeggen, dat zij, Maria, dat meisje uit Nazareth, voor ons, volstrekt gereserveerd en beschikbaar is als een vaste plek in de hemel van onze dromen.
Als je wat rationeler bent, en dat ben ik waarschijnlijk, heb je wel wat moeite met die overvloed aan devotie waarmee sommigen Maria menen te mogen benaderen. Ik ben dan wat terughoudender, blijf wat op afstand. Ik kan daarom ook vragen: waarom doen we dat? doen we dat eigenlijk zo vanzelfsprekend en graag? Waarom verdient Maria zoveel aandacht en liefde?

Het is waarschijnlijk eigenlijk heel simpel. Zij krijgt die aandacht omdat ze zelf al die aandacht en liefde ook geeft. Zij wordt in de bijbel toegesproken: "Wees gegroet, Maria, vol van genade, bron van genegenheid". Haar ja-woord maakt een toekomst mogelijk waar wij allen van mogen leven dank zij haar lief kind, Jezus, de vrucht van haar schoot. Daar haar bereidheid gebeuren wonderen.
Alles wat tussen mensen mogelijk is, tussen een moeder en haar kind, tussen God en zijn mensen, alle genegenheid waartoe wij geroepen zijn, alle raadsels ook waarmee het leven ons kan overvallen - wij weten dat zij dat sprakeloos aan den lijve ook heeft meegemaakt. Als de radeloosheid ons overvalt, als we niet meer weten hoe het verder moet - graag naderen we dan Maria omdat wij ons in haar zorg, haar aanwezigheid herkennen en geborgen weten.

"Gij zijt machtig ons van lijden en gevaren te bevrijden. Waar de mens geen hulp meer ziet daar ontbreekt de uwe niet. Nee, gij zult uw kindren beden toch niet weigeren zonder reden. Toon ons dat gij Moeder zijt, in des levens harde strijd." Een paar jaar geleden waren mijn oudste zussen die tekst aan het reconstrueren. Het was het gebed dat mijn moeder vaak aan haar kinderen leerde voordat we gingen slapen. Zij zei het in alle stilte, in groot vertrouwen. Dat voelden we. En nu, groter en ouder geworden, meenden we dat ook beter te begrijpen.

Dichtbij de plaats waar ik ben opgegroeid, ligt op een met bos begroeide heuvel een klein kapelletje. Het kapelletje van Leenhof. In steen staat er boven: Onze Lieve Vrouw van de Berg Carmel". De parochiekerk aan de voet van de heuvel is intussen al geen kerk meer. Maar iedere zondag, zelfs iedere dag komen hier mensen om even stil te zijn of even te bidden. Om even met zichzelf alleen te zijn en met haar, de moeder die ons als een hemelse reserve, als blijk van vertrouwen gegeven is.
Ik zie mezelf als een klein jongetje van 6 of 8 voor de ingang staan. Ik kan me optrekken aan de spijlen van de ijzeren poort en op mijn tenen staan om naar binnen te turen. In de koele schaduw dank zei het licht uit kleine ronde ramen in de dikke muren, ontwaar ik de gestalte die het geheim van het leven belichaamt, Maria, de moeder van de Heer.
Dat God zich over haar ontfermd heeft weten wij zeker, zoals we ook zeker weten dat hij zich over ons ontfermt.
Moge dat zo zijn.

 


Negentiende zondag door het jaar
9 augustus 2009

1 Koningen 19, 4-8
Johannes 6, 41-51


Op de fiets, afgelopen week in de stad, wordt het mij opeens duidelijk: al die mensen! Het meest typische is nog wel dat al die mensen allemaal hun eigen wereld met zich meedragen. Zodra mensen beginnen te spreken gaat hun wereld open. Met elkaar communiceren is nog heel iets anders als met elkaar van gedachten wisselen, gedachten uitwisselen, informatie delen. Met elkaar spreken, elkaar tegen komen, betekent: je wereld open maken, je leven hoe dan ook delen. Je wereld: dat wat jou tot jou maakt, waar je van leeft, wie je bent.
Het meest typische aan een mens is, dat zij of hij een hele wereld met zich meedraagt, een hele wereld is.

Steeds wanneer we Jezus in de verhalen tegen komen, in Jerusalem of rond het Meer van Galilea, steeds draagt hij die wonderlijke wereld waar Hij deel van uitmaakt met zich mee. Wat is dat toch? Waar leeft Hij van? Wat drijft Hem voort? Wat houdt Hem op de been? Wat wil Hij, zoekt Hij. Zijn rijmwoord, het woord daty steeds terugkeert in Zijn spreken is een Naam. Die naam is niet anders dan het begin van het aramese, hebreeuwse alfabet: abba, vader. Abba sjebasjamaiem, Vader die in de hemel is. Door die bril kijkt hij naar De Wereld, Zijn wereld onze wereld, - die plaats waar wij elkaar tegen komen, waar wij de tijd en ruimte van ons bestaan met elkaar delen, op hoop van een beetje zegen.

En al die mensen om Hem heen, al die mensen die aan hem hangen, die Zijn Leven hopen te delen, zouden willen delen, al die mensen doen dat omdat Hij zo welkom is in hun allenige, eigenlijk armzalige wereld. Hij, een en al inspiratie, volstrekte aandacht voor mensen met hun wel en wee, Hij met Zijn opvallend ingetogen oogopslag, Zijn stilte, Zijn markante menselijkheid. Hij met Zijn Wereld, Zijn Geheim.

En wij, met al ons wel en wee, wij volgen dat alles van Jezus en Zijn leerlingen, van Jezus en al die mensen om hem heen, van "op een afstand". We gaan mee in dit verhaal, rusten er in uit, om op verhaal te komen, een beetje dichter bij onszelf, bij onze gevoeligheid, onze zorg, onze armoede, ons verlangen. Gelovig zijn, geloven - ik hou er van om dat woord te benaderen alsof het engels is: ge LOVE n, houden van, het niet laten kunnen, - iets en alles zien in. Hij, een van ons, voor ons uit.


Johannes baart menig predikant in deze weken zorgen. Net goed en wel begonnen aan Markus zijn we plotseling midden in de zomer van de oogst, vier weken lang bezig met Johannes 6, waarschijnlijk omdat de bedenkers van deze serie lezingen op die manier de eucharistie centraal willen stellen. Het beter lezen van de teksten, ik bedoel, minder gericht op de uitkomst en meer op "wat staat er", laat toch ook andere zaken zien.
Voor mij is de tekst meer een muziekstuk voor de blazers, strijkers en het slagwerk, meer zoiets als het Koninklijk Concertgebouworkest in actie. Je hoort allerlei motieven terugkomen, steeds anders georkestreerd, steeds anders ingezet, meegenomen,overgenomen, neergezet. Een motief wil ik er uit halen om het een plek te geven bij ons.

Je hoort hoe Johannes in dit stukje uit zijn verhaal over Jezus voortdurend bezig is met het grote verhaal dat bijbelse mensen tot bijbelse mensen maakt, het grote verhaal dat we altijd maar in kleine stukjes kunnen bemachtigen, bewonderen onder het vergrootglas van onze aandacht. We horen over het morren in de woestijn. We weten toch dat dat niet kan wat Hij zegt! Dat is toch de zoon van Jozef! (Grapje - de joodse traditie kent de uitspraak: "hij die zegt ik ben de zoon van een timmerman kent de Tora". Ga maar na, een timmerman heeft een timmermansoog. Die weet hoe de zaak in elkaar zit. Als de timmerman het niet goed doet krijg je een lik op stuk beleid: een gammele toestand redt het misschien even maar dondert onherroepelijk in elkaar. Dat weet je wel. Hij die zet: ik ben de zoon van een timmerman, weet hoe de zaak in elkaar zit, kent de Tora.) Dat is toch de zoon van Jozef! We kennen zijn vader en moeder toch!

U begrijpt, er mag niets nieuws onder de zon zijn, geen oplichtende vreugde, geen warme ontroering. Het mooiste plot moet ondenkbaar zijn. Het mag werkelijk niet duidelijk worden dat God Van Mensen Houdt. Zodra je immers weet dat God van mensen houdt zul je je fatsoen moeten houden. Als God van mensen houdt kun je ze niet meer voor je karretje spannen, kun je hen niet meer uitbuiten, niet meer minachten. Als God Van Mensen Houdt ben ik geen God meer in het diepst van je gedachten, maak ik de dienst niet meer uit en zijn we op elkaar aangewezen. Als God van mensen houdt!
Het kan je soms gebeuren dat je iemand ziet waar je stil van wordt, dat een mens een spoor van God voor je is, dat je zielsgelukkig bent, eindelijk gevonden, eindelijk thuis.
Ik denk dat Jezus in het verhaal van Johannes, of Johannes in zijn verhaal over Jezus ten diepste wil uitleggen wat uiteindelijk de kern van het bestaan van een mens is, van Jezus is, van wat de samenhang in zijn wereld is: wij zijn er voor elkaar, om broed en wijn te zijn voor elkaar, om met elkaar te leven die dagen dat we er zijn. Wij leven met en van elkaar, zijn door Onze Vader aan elkaar gegeven. Zo is Jezus volgens Sint Jan het Brood dat uit de Hemel neerdaalt - opdat wij kunnen leven - leven mogen in Zijn Naam, in Gods naam,vandaag, hier en nu.
Moge dat zo zijn.

 

 


Negentiende zondag door het jaar
9 augustus 2009

1 Koningen 19, 4-8
Johannes 6, 41-51


Op de fiets, afgelopen week in de stad, werd het mij opeens duidelijk: al die mensen! Het meest typische is nog wel dat al die mensen allemaal hun eigen wereld met zich meedragen. Zodra mensen beginnen te spreken gaat hun wereld open. Met elkaar communiceren is nog heel iets anders als met elkaar van gedachten wisselen, gedachten uitwisselen, informatie delen. Met elkaar spreken, elkaar tegen komen, betekent: je wereld open maken, je leven hoe dan ook delen. Je wereld: dat wat jou tot jou maakt, waar je van leeft, wie je bent.
Het meest typische aan een mens is, dat zij of hij een hele wereld met zich meedraagt, een hele wereld is.

Steeds wanneer we Jezus in de verhalen tegen komen, in Jerusalem of rond het Meer van Galilea, steeds draagt hij die wonderlijke wereld waar Hij deel van uitmaakt met zich mee. Wat is dat toch? Waar leeft Hij van? Wat drijft Hem voort? Wat houdt Hem op de been? Wat wil Hij, zoekt Hij. Zijn rijmwoord, het woord daty steeds terugkeert in Zijn spreken is een Naam. Die naam is niet anders dan het begin van het aramese, hebreeuwse alfabet: abba, vader. Abba sjebasjamaiem, Vader die in de hemel is. Door die bril kijkt hij naar De Wereld, Zijn wereld onze wereld, - die plaats waar wij elkaar tegen komen, waar wij de tijd en ruimte van ons bestaan met elkaar delen, op hoop van een beetje zegen.

En al die mensen om Hem heen, al die mensen die aan hem hangen, die Zijn Leven hopen te delen, zouden willen delen, al die mensen doen dat omdat Hij zo welkom is in hun allenige, eigenlijk armzalige wereld. Hij, een en al inspiratie, volstrekte aandacht voor mensen met hun wel en wee, Hij met Zijn opvallend ingetogen oogopslag, Zijn stilte, Zijn markante menselijkheid. Hij met Zijn Wereld, Zijn Geheim.

En wij, met al ons wel en wee, wij volgen dat alles van Jezus en Zijn leerlingen, van Jezus en al die mensen om hem heen, van "op een afstand". We gaan mee in dit verhaal, rusten er in uit, om op verhaal te komen, een beetje dichter bij onszelf, bij onze gevoeligheid, onze zorg, onze armoede, ons verlangen. Gelovig zijn, geloven - ik hou er van om dat woord te benaderen alsof het engels is: ge LOVE n, houden van, het niet laten kunnen, - iets en alles zien in. Hij, een van ons, voor ons uit.


Johannes baart menig predikant in deze weken zorgen. Net goed en wel begonnen aan Markus zijn we plotseling midden in de zomer van de oogst, vier weken lang bezig met Johannes 6, waarschijnlijk omdat de bedenkers van deze serie lezingen op die manier de eucharistie centraal willen stellen. Het beter lezen van de teksten, ik bedoel, minder gericht op de uitkomst en meer op "wat staat er", laat toch ook andere zaken zien.
Voor mij is de tekst meer een muziekstuk voor de blazers, strijkers en het slagwerk, meer zoiets als het Koninklijk Concertgebouworkest in actie. Je hoort allerlei motieven terugkomen, steeds anders georkestreerd, steeds anders ingezet, meegenomen,overgenomen, neergezet. Een motief wil ik er uit halen om het een plek te geven bij ons.

Je hoort hoe Johannes in dit stukje uit zijn verhaal over Jezus voortdurend bezig is met het grote verhaal dat bijbelse mensen tot bijbelse mensen maakt, het grote verhaal dat we altijd maar in kleine stukjes kunnen bemachtigen, bewonderen onder het vergrootglas van onze aandacht. We horen over het morren in de woestijn. We weten toch dat dat niet kan wat Hij zegt! Dat is toch de zoon van Jozef! (Grapje - de joodse traditie kent de uitspraak: "hij die zegt ik ben de zoon van een timmerman kent de Tora". Ga maar na, een timmerman heeft een timmermansoog. Die weet hoe de zaak in elkaar zit. Als de timmerman het niet goed doet krijg je een lik op stuk beleid: een gammele toestand redt het misschien even maar dondert onherroepelijk in elkaar. Dat weet je wel. Hij die zet: ik ben de zoon van een timmerman, weet hoe de zaak in elkaar zit, kent de Tora.) Dat is toch de zoon van Jozef! We kennen zijn vader en moeder toch!

U begrijpt, er mag niets nieuws onder de zon zijn, geen oplichtende vreugde, geen warme ontroering. Het mooiste plot moet ondenkbaar zijn. Het mag werkelijk niet duidelijk worden dat God Van Mensen Houdt. Zodra je immers weet dat God van mensen houdt zul je je fatsoen moeten houden. Als God van mensen houdt kun je ze niet meer voor je karretje spannen, kun je hen niet meer uitbuiten, niet meer minachten. Als God Van Mensen Houdt ben ik geen God meer in het diepst van je gedachten, maak ik de dienst niet meer uit en zijn we op elkaar aangewezen. Als God van mensen houdt!
Het kan je soms gebeuren dat je iemand ziet waar je stil van wordt, dat een mens een spoor van God voor je is, dat je zielsgelukkig bent, eindelijk gevonden, eindelijk thuis.
Ik denk dat Jezus in het verhaal van Johannes, of Johannes in zijn verhaal over Jezus ten diepste wil uitleggen wat uiteindelijk de kern van het bestaan van een mens is, van Jezus is, van wat de samenhang in zijn wereld is: wij zijn er voor elkaar, om broed en wijn te zijn voor elkaar, om met elkaar te leven die dagen dat we er zijn. Wij leven met en van elkaar, zijn door Onze Vader aan elkaar gegeven. Zo is Jezus volgens Sint Jan het Brood dat uit de Hemel neerdaalt - opdat wij kunnen leven - leven mogen in Zijn Naam, in Gods naam,vandaag, hier en nu.
Moge dat zo zijn.



 

Zeventiende zondag door het jaar
26 juli 2009

2 Koningen 4, 42-44
Johannes 6, 1-15

(Inleiding over begrijpen en niet begrijpen, en meer begrijpen door te spelen en mee te spelen.)
Vijf broden en twee vissen - zeg maar liever vijf broodjes en twee visjes. Wat moet zo'n jongetje met gigabroden en stoere vissen die je niet dragen kunt. Daar kun je niet een hele dag mee rond lopen, met al die mensen om je heen. - Vijfduizend man, vrouwen en kinderen nog niet eens meegerekend. Nu hebben vrouwen in die tijd ook al meer te doen dan achter de actualiteit aan hobbelen en ze hebben hun kinderen in de regel ook om zich heen, altijd in de buurt, zodat de mannen de belangen van de gemeenschap kunnen dienen in de synagoge, op de straten of op het plein, of wie weet een beetje werk kunnen vinden.
Ik denk ook dat achter dat jongetje met zijn vijf broodjes en twee visjes een vooruitziende blik zit. Je moet zo'n kind toch iets geven om mee door de dag te komen. Maar wat is dat, vijf broodjes en twee visjes, voor al die mensen.

Ik merk dat ik de rol van Andreas ga spelen. Ook een nuchter man. Wat wil je met zo'n beetje voor al die mensen? Dat is toch een beetje onzin.

Maar Jezus doet alsof hij niets hoort. Dek de tafel maar. Nou ja, dat nog net niet. Nog geen tafel. Maar laat ze maar gaan zitten. Want er is gras in overvloed, niet alleen maar een mooi groen tapijt waar je wel op wil zitten, maar een schaap zou het wel weten. Zo'n kudde op de rand van de woestijn heeft maar weinig tijd nodig en al het gras is verdwenen.

Ik zie me daar al zitten, met al die mensen. Ik denk dat ik wel dicht vooraan zou zitten. Ik zou het wel willen weten, willen horen wat de Meester zegt. Er zou te eten zijn! Hij heeft blijkbaar iets waar je op teren kunt. Eerlijk gezegd: ik zie niet veel. Ja, een jongetje schuiven ze naar voren met 1, 2, een stuk of vijf broodjes en twee visjes. Dat is wel goed bedoeld wellicht, maar daar schiet je niet veel mee op.
Het moet een situatie van grote verlegenheid zijn, een beetje gênant ook. Al die mensen die alles verwachten, en dan dat kind met zo'n beetje niks, een handjevol niks. Ga zitten, deel maar.
Zo zitten we hier, op de zoom van wat ouder Amsterdam en nieuwer Amsterdam, een handje vol mensen, te wachten op het wonder dat geschiedt, op het ongelooflijke verhaal dat ons bijeenbrengt en dat voor ons hier om te eten en te delen is.

Ook de twee lezingen van vandaag geven ons niet zoveel, eigenlijk. Neem die eerste lezing. Hij is al uit voordat hij begonnen is. Ideaal voor een korte kerkdienst maar wat schiet je er mee op. Er worden niet eens namen genoemd. Er komt een man uit Baal Shalishah. Een naam die ik helemaal niet ken. Baal wel. Heer. Het is ook de naam van de mannelijke hoofdgod van de bewoners van Kanaan, de God van de Vruchtbaarheid, van Ik Kan Alles. Die naam, Baal Shalisha, moet ook wel onbekend zijn. Hij blijkt alleen maar hier voor te komen. (Shalisha, Shalisha, Shalisha.) Als ik dat shalishah een paar keer door me heen laat gaan begint een lichtje te trillen, zo'n sidderend waakvlammetje. Jom Sjelishi is de derde dag. De derde dag is dag in het scheppingsverhaal dat het niet op kan. Twee keer zegt God die dag "hoe goed!" het is. Eerst trekt het water zich terug en komt het droge te voorschijn, onze lieve, arme aarde die toch de koning te rijk is. Heel goed. En dan komt er al dat groen, al dat gewas met zijn zaad, de bloemen, de struiken en de bomen, de noten en het graan. Heel goed.

Nu begin ik wel een vermoeden te krijgen bij dat korte verhaaltje zonder namen. Er komt iemand met iets van de eerstelingen van zijn land, gerstebroodjes en vers geoogst koren dat nog helemaal ruikt naar de zachte wind en de zon. Deze man brengt in midden oosten het echt begonnen voorjaar mee. Een andere wind begint te waaien. Geef het de mensen te eten. Leuk, de man die het krijgt pakt het niet om het zelf te eten. Hij deelt uit wat hij gekregen heeft.
Maar hoe kan dat voldoende zijn voor honderd man? De profeet doet zijn mond en bij gebrek aan beter tegelijk zijn boekje open: De Heer zegt er is genoeg, en jullie zullen over houden. Ze vergeten zelfs bijna te eten want ze houden over. Bijna niets kun je delen - dat is theologie, dat is het woord van God. Theologie of geloven dat een beetje nadenkt over zichzelf is niet voortdurend herhalen: "Ik heb gelijk." Theologie, verantwoord geloven, is meer samen-komen, een bewoonbare wereld maken, een oikoemené, een samenleving die goed voor mensen is.

"Laat de mensen gaan zitten, en deel uit", zegt Jezus. Dat is wat de leerlingen moeten doen. "Mijn spijs is het de wil van de vader te doen", heeft hij eerder gezegd. Van wat God wil, van zien hoe goed het is, wil hij leven. En hij nodigt ons uit daarin met Hem mee te gaan, leerling te worden, leerling van Gods goedheid.

Hoe kan dat?
Dat kan toch niet?

Volgens Jezus in het verhaal van vandaag doen die vragen er niet toe. Mensen hebben honger. Geef hen een plek, laat hen gaan zitten, en deel uit, deel met hen.
Zo zitten we hier.

In het verhaal gebeurt dan iets vervelends.
Ze/we zien deze Jezus wel zitten. Dat moet een profeet zijn. Iemand die voor ons de was doet. Dat zet zoden aan de dijk. Hem moeten we hebben. Inpakken en op de troon zetten.
Jezus begrijpt dat ze hem tot hun broodkoning willen maken. Hij trekt zich terug in de stilte van het heuvellandschap.

God is er niet om Hem op te potten, om Hem te pakken. Als je dat wil hoef je hier niet op verhaal te komen. Blijkbaar wil je alleen jezelf, je eigen belang. Het gebaar van Jezus en dat kind met zijn broodjes en visjes overrompelt ons door zijn eenvoud. Je hoeft niet alles te begrijpen.

Als je Jezus gelooft, wil God er alleen maar voor ons zijn, wil Hij er voor ons zijn. Een huisgenoot, een deelgenoot.
Danken wij God dat wij bij Hem te gast mogen zijn en delen we Gods gaven met elkaar zoals Hij het ons in Gods naam voordoet.

Jan Engelen
240709


Vijftiende zondag door het jaar

Dienst van woord en communie
12 juli 2009

goden

Amos 7, 12-15
Psalm 85
Efesiërs 1, 3-14
Marcus 6, 7-13

Als je hier in Amsterdam in de bibliotheek bent om een boek te lenen, bijvoorbeeld in die schitterende nieuwe bibliotheek bij het Centraal station, hoe gaat dat dan? Simpel. Je loopt tussen de rekken door, bijvoorbeeld bij de romans of de reisboeken, of de kunst - je neemt een boek er uit, bladert wat, leest een stukje, kijkt verder. Als het je bevalt neem je het mee, om het te proberen. Je moet een nieuw boek altijd even de kans geven. Ik heb met mezelf afgesproken: ik lees 50 pagina's, en als het me dan nog niet bevalt stop ik er mee. Zo gaat het in de kerk niet.
De boeken zijn al uitgezocht. Meer nog: ze liggen al op tafel, ze zijn zelfs al open gelegd. Vandaag, Amos, hoofdstuk 7. Ik weet niet of dat U wat zegt, maar Amos, hoofdstuk 7. Wat is dat, Amos? Het is een beetje vervelend dat de kerk doet alsof wij dan al weten waarover en over wie het gaat. Zo maar midden in het verhaal vallen - wij, hier, in de Sint Jan de Doper, wij in deze kleine bescheiden kerk: AMOS. Ja, wat moeten we daarmee?

Ik had vroeger een vriend die Bert heette, een beetje moeilijke jongen, maar met met handjes van goud. Hij kon tekenen en schilderen als de beste. Jammer genoeg heeft hij daar achteraf gezien te weinig mee gedaan, vind ik, maar wie ben ik. Bert wist woorden in beelden te vangen, in lijnen en kleuren. Ik keek mijn ogen uit - een tovenaar.
Bert tekende een redelijk belijnde, oudere Heer met zoiets als wapperende manen. Dat was Amos. En er was iets typisch aan die man. Hij had maar en been. Het andere been bleek een boom te zijn, een stam die stoer en stug in de aarde wortelde. "Amos is een boer", zei Bert, "hij wortelt in de aarde". En het sap dat uit de aarde in hem omhoog trekt, gaat tot in zijn priemende, uitdagende vinger. Want Amos - Amos is heel spannend. Die gaat te keer op een manier waar je geen woorden voor hebt. Ik ga u dat nu niet vertellen, maar als je hoort hoe hij uitvaart tegen de dames en heren notabelen van Samaria met woorden als "jullie koeien van Basan die op de berg van Samaria liggen, die de armen verdrukken en de mensen de te kort komen verplettert, en die tegen je vriendjes zegt, breng op, kom, laten we drinken … Amos is een brok dynamiet. Het journaal van vandaag laat zien dat Amos intussen ook in Irak, Iran, in China en overal in Afrika is. Geworteld in de aarde, zijn uitgestoken vinger priemend omhoog.
De notabelen, U kent ze wel, - de notabelen beginnen Amos onderhand vervelend te vinden. Dat gezeur altijd. De eerste lezing laat horen: Ziener, maak dat je wegkomt. Verdwijn naar Juda en ga daar je brood maar verdienen met profeet uit te hangen. Hier, in Amsterdam, New York, Peking, Jerusalem, - hier in Samaria mag je niet meer profeteren want ons onderkomen is van ons, dit is ons huis en hier doen wij wat wij willen.
Dit is een compleet theater. Daar staat een mannetje in wie de bliksem ingeslagen is en ze zeggen: rot op, rot op goser, wat moet je man! Ga thuis vervelend doen. Zeurpiet. Want Amos, de vijgenboer uit Tekoa - omdat mijn vriend Bert daar zo dol over tekende heb ik daar op gelet bij mijn vele bezoeken aan Israël - … Tekoa ligt maar een kilometer of 8 van Bethlehem af. Vlakbij zie je daar het Herodion, een berg waaar de punt als het ware vanaf gezaagd is, en als je boven bent zie je een uitgeschraapt paleis. Aan alle kanten kun je alles overzien en je zit er, zeker 200 jaar geleden, volstrekt veilig. Het Herodion. Een paleis van en voor Herodes, u kent hem wel, de man voor wie zijn vrouw en zeker zijn kinderen niet veilig waren. Het Herodion dat Bethlehem zou willen overschaduwen. Maar dat is niet gelukt. Moordenaars winnen hoogstens even, zo lang er nog lakeien en slippendragers zijn. Het kind, de toekomst wint altijd.

Het zou mij niets verbazen als u het gek vindt, maar de hele week denk ik al dat mensen eigenlijk goden zijn. Helemaal vastgeklonken aan onze wereld staan we volstrekt los van de wereld. Het kan regenen en stormen en toch voel je je goed. De zon kan stralen en bloemen bloeien, overal, en toch voel je je ongelukkig. Wij zijn volstrekt losgemaakt van de wereld om ons heen, van de mensen met wie zij leven. Wij zijn, en dat is na alle bevoogding en hele troost, wij zijn AUTONOOM, ABSOLUUT, staan op een of andere manier los van alles. Goden zijn we, en ten einde raad. Want als niemand je vraagt kun je niet dansen. Als niemand je aanziet kun je niets vertellen. Wij zijn pas goden als wij aangesproken worden, als we ons iets laten zeggen, als iemand op de eierschaal, de kalklaag om ons heen mag tikken om de dag over ons heen open te laten gaan.

Klop, klop, klop, wie ben ik? Dat is een kinderspelletje, herinner ik me. Kinderen spreken de waarheid, zeker wanneer ze vragen stellen. Wie ben ik? Wie ben je? Zo hebben zijn leerlingen, zo hebben wij naar Jezus gekeken en zo kijken we nog steeds: "Wie ben je? Wie ben ik? - Maar vooral: wie ben jij? Wat wil jij van mij? "Heb ik soms je kleren aan? Vroegen wij vroeger? Zo kom je mekaar letterlijk aan het lijf. Wie ben je? Wie ben ik? Zo komen Goden elkaar tegen - absoluut, losgemaakt, direct en rechtstreeks. Wie????
Ik ga niet in op de tweede lezing - al vind ik die prachtig. U kunt het boekje mee naar huis nemen en zelf lezen, wegen, peinzen, wikken en wegen. Want het zijn woorden van al zo hoge van al zo ver. Je komt er niet op wat ons door de goede boeken wordt voorgehouden. Maar ik zal er niets over zeggen, tenzij wanneer u hier nog een uur of twee wilt blijven zitten. Ik denk dat ook God dat nu niet van ons wil. Dus lopen ver verder in het museum van de taal en de verhalen, en naar Markus 6 gaan.

Een jaar of vijf geleden moest ik en week missen op school, op de Ipabo in Alkmaar. Maar ik had tegen de studenten gezegd: "Ik ben er niet, maar de les gaat door". Volgende week: drama-les. Jullie bereiden Markus 6 voor. Over veertien dagen, dus de volgende les dat ik er weer ben, gaan jullie Markus 6 spelen. Achteraf geneerde ik me. Het was best een pittige opdracht. Ga de tekst maar eens lezen. Maar wat die studenten er mee deden grenst aan het ongelooflijke! Ze zeiden ook: Het is typisch. je kunt meer spelen dan je begrijpen kunt!!!" Dat heeft mij zeer ontroert. Je kunt meer aan dan je aan kunt. Jullie zijn Goden.

Als alles dicht lijkt te slibben stuurt Jezus zijn leerlingen, twee aan twee. Zie je de gemeenschap? Voel je hoe mensen bij elkaar horen? Als mensen goden zijn, wat zijn wij dan samen?
De stok en sandalen uit de lezing van vandaag kunnen wijzen op Pesach/Pasen, zoals het genezen kan wijzen op het dienstwerk van Mozes. Preken, de boze geest verdrijven en zalven. Wat doe je als een kind pijn heeft? Een beetje strelen, een kusje geven. Een hand. Dat zijn wij als lichaam, een hand, een streling, een kusje.
Het lichaam van Jezus delen wij hier met elkaar.
Moge God met ons zijn.


 

Veertiende zondag door het jaar
5 juli 2009

Ezechiël 2, 2-5
Marcus 6, 1-6

We zijn aangekomen bij de gewone zondagen door het jaar. Dit jaar zouden we vooral Markus lezen. Vorige week hebben het verhaal gehoord over het meisje dat Hij de hand reikt om haar op te laten staan. Vandaag gaat het verhaal verder. Over Jezus in de sjoel, de synagoge van zijn vaderstad. U kent het verhaal: het gaat niet goed. Ik kom daar straks op. Eerst wil ik met U naar de eerste lezing. Uit de profeet Ezechiël.

Je kunt de tekst breedsprakig noemen, maar het zou ook kunnen dat de structuur van de woorden je dwingend tot getuige maakt van wat naar voren wordt gebracht. De tekst begint in vers 1. Dat hoort niet bij de lezing volgens het boekje dat wij hebben, maar het hoort wel bij de tekst van Ezechiël. Wat staat er in vers 1? M

Mensenzoon ga op je voeten staan en ik zal tot je spreken. Zodra hij tot mij spreekt komt de geest in mij en doet hij mij op mijn voeten staan. U hoort twee keer over het spreken en de voeten. In omgekeerde volgorde komen die twee items (voeten, spreken) terug. Daartussen staat de geest komt in mij. Dat lijkt te betekenen: de profeet hoort. Hij hoort het spreken tot mij. Hij hoort niet alleen de woorden, maar hoort hoe hij daarin aangesproken wordt, tot mij, Alsof het spreken hem afzondert van de anderen, spreken tot mij.

In het hebreeuws kun je de persoonsvorm aangeven in de vorm van het werkwoord zoals ook in het latijn en Italiaans). Ti'amo betekent van jou houd ik. De nadruk ligt dan op jou, op de beminde. Als de persoonsvorm er bij staat betekent dat het benadrukken van het onderwerp. Dan zeg je in het Italiaans bijvoorbeeld Io t'amo. Io is er bij gekomen. Dat betekent extra nadruk. Derhalve: IK houd van jou. Dus door het anders te schrijven en te zeggen leg je de klemtoon anders. Ik hou van JOU, of IK hou van jou. Hier, bij Ezechiël, IK stuur JOUW. Ezechiël wordt met een boodschap gestuurd. Hij zal naar Israël moeten. En of zij luisteren of niet: zij zullen weten dat er een profeet in hun midden is, een gezondene, iemand die namens de God van het verhaal gezonden is.
En U begrijpt ook al wel: wanneer die zending zo nadrukkelijk gepresenteerd wordt dan zal de boodschap niet zo eenvoudig zijn. En dat is hij ook niet. Ezechiël moet gaan zeggen: dat het een opstandig volk is, dat ze zich tegen God verzetten. Dat ze niet willen, nukkig en weerbarstig zijn.

De laatste jaren van mijn theologische opleiding heb ik veel colleges gevolgd bij Yehoedah Ashkenazy, een rabbijn die hoogleraar was op de opleiding. Hij zei vaker tegen ons: "Denk je dat het leuk is om te horen dat je vaderen het verkeerd hebben gedaan? Het is niet leuk om te horen dat ze het vroeger verkeerd hebben gedaan. Want dan moeten wij het beter doen. En wie zijn wij om te denken dat we het beter zouden doen?
Maar, let op: dat vraagt Ezechiël ook niet. Ezechiël zegt niet dat wij beter ons best moeten gaan doen. Je zal maar je best gaan doen op dingen die verkeerd zijn. Dan kom je toch echt van de regen in de drup. Mijn moeder zei dat vaak: goed je best doen, jongen. Ik wist dan nooit wat ik moest doen. Ezechiël heeft iets geheel anders. Of ze luisteren of niet, ik zal een profeet in hun midden doen opstaan. Een pro-fètès in hun midden. Uit hun midden in hun midden. Niet een exotische ster vanbuiten. Niet iemand met veel bombarie en een roerende trom, fanfares en marsmuziek, maar een pro-fètès in hun midden.
Een profètès, iemand die spreekt, pro - voor. Niet voor van de tijd, Tien voor twaalf, maar het voor van knollen voor citroen, in plaats van, namens. Een profeet is iemand die spreekt NAMENS. Namens wie of wat spreekt een profeet dan? Oh, dat is vrij simpel, namens zijn opdrachtgever. Namens God, dat willen zeggen: namens het verbond, namens de kwetsbare onderlinge samenhang, namens de armen en gebrekkigen. Een profeet kan het niet laten om het op te nemen voor anderen. Gelukkig kennen wij die mensen ook uit onze omgeving.

Gaan we nu naar het evangelie. Meisje, ik zeg je, sta op. Dat was het vorige verhaal van Marcus. Vandaar (met dood en opstanding, het geheim van het evangelie, in het geheugen) gaat hij weg en komt hij in zijn vaderstad. In het boekje begint de lezing met "In die tijd ging Jezus vandaar weg". Maar de tekst zegt enkel: en hij ging uit vandaar. Hij gaat weg. Wie hij? Dat vertelt de tekst niet. Wij weten wel dat het Jezus is maar we moeten even vragen: wie is hij? Wie is hij die op sjabbes naar de synagoge gaat en begint te leren.
We horen hoe de gemeenschap over hem spreekt. Vanwaar dit alles bij hem, wat voor wijsheid en al die krachten door zijn handen! Ze herkennen in hem een verhalenman en een wonderman. Maar ze uiten alleen hun verwondering om denigrerend over hem, hem op zijn plek te zetten. Dat is toch de timmerman, de zoon van Maria. We kennen toch zijn familie! Zij ergeren zich aan hem. Ze willen er niet van weten. En dat is interessant.
Waarom is het interessant dat ze niets van Jezus willen weten? En waarom willen ze dat niet? Ik denk dat dit vrij simpel is. Volgens mij is het dat verstoppertje spelen, dat beroemde kinderspelletje: blijf zitten waar je zit en verroer je niet.. Ik weet dat er meerdere varianten van dit lied zijn, maar wij leerden vroeger want er komt iemand aan en die slaat je aan. Door Hem af te wijzen hoeven zij niets te doen, blijft alles bij het oud. Zoals Schillebeeckx rond de jaren 70 van de vorige eeuw eens zei: Geloof, hoop en liefde. Ons blijven dus deze drie maar de grootste van deze is … de bestaande orde. Ook als de wereld om je heen verandert, jij blijft dezelfde en zit dus goed. En jij hoeft niets te doen.
Jezus in de synagoge van zijn vaderstad sluit eigenlijk erg aan bij ons levensgevoel: alles verandert. Werkelijk, heel de wereld.
Toen de eerste missionarissen de eikenbomen omkapten waar de goden in woonden en van het hout een bank maakten, begon de wereld te veranderen. Maar in Nazareth gebeurde dat niet.
Onder ons gezegd: is dat nou zo erg? En let op: er staat in het verhaal niet "in Nazareth". In zijn vaderstad, met andere woorden: waar hij thuis is. Daarmee kan ook Jerusalem bedoeld zijn, ook Rome, ook Amsterdam.
Proberen wij met open oog en oor te luisteren naar wat er in onze wereld te koop is, naar mensen die ons profetisch voorgaan in het doen van wat goed en noodzakelijk is, die het opnemen voor wie dat nodig heeft. Anders gezegd: proberen we attent te leren van het leven zoals dat iedere dag op ons af komt en waar God ons tegemoet komt in de mensen naast ons, om ons heen.
En moge God, zoals hier rond het altaar, met ons zijn.

 


 

 

Dertiende zondag door het jaar
28 juni 2009

Wijsheid 1, 13-15; 2, 23-24
Psalm 30
2 Korintiërs 8, 7.9.13.15
Marcus 5, 21-43

- Niet God heeft de dood gemaakt. Dat is een zin waar je bij stil moet staan. Dat is voldoende om te horen: Hij heeft alles geschapen om te leven. Gerechtigheid is onsterfelijk. God heeft de mens geschapen voor de onsterfelijkheid. Voor de dichter van het boek Wijsheid zijn leven en dood niet op de eerste plaats woorden die in de biologie tot hun recht komen. Er wordt blijkbaar iets anders ter sprake gebracht. Waar mag het over gaan wanneer het over leven gaat?
Misschien is het een beetje stomme vraag, maar: "Leven, wat is dat?" Een beetje domme vraag misschien, maar zoals zoveel domme vragen: uiteindelijk is het toch de enige vraag die er toe doet.
Geen kraai stelt ooit die vraag, geen mug, en ook geen eikenboom. "Leven, wat is dat?" Als iets menselijk is, dan is het deze vraag.
Op de middelbare school kregen we een nieuwe scheikunde docent. Hij verbijsterde ons allemaal met zijn zekerheid. "Leven is de opbouw en afbraak van eiwitten." Wij vonden dat ongelooflijk. Hij wist het. En de domheid die hij dan debiteerde: leven is de opbouw en afbraak van eiwitten. Dat is iets anders dan een dagje aan het strand. Maar goed, deze man werkte ook bij de keuringsdienst van waren. Goedgekeurd waren wij, jongens van rond de 16, allemaal opbouw en afbraak van eiwitten. Hoe kom je er op, wetenschappelijk verantwoord en wel. Wat is leven?
Op de hoogtepunten komt die vraag te voorschijn, bij nieuw leven, of wanneer een mens sterft en wij werkelijk niet te troosten zijn. Of wanneer je voelt hoe lief iemand je is. Leven, wat is dat? En interessant is: je eigen leven zelf is antwoord op die vraag. Niet iets wat je bedenkt of wat je voorzichtig, bescheiden, probeert te omschrijven, maar je eigen leven zelf. Dat is voor jou leven. En over dat leven probeert het boek wijsheid te zeggen: God wil dat wij leven. Zoals de tuinman die al zijn planten hun zorg geeft, opdat ze leven, opdat ze groeien en bloeien. En de dood dan? Heel simpel, grof simpel eigenlijk. Ook die tuinman die zijn groen water geeft, is er niet op uit dat de planten zo snel mogelijk uitgebloeid zijn. De dood is een heel ander verhaal, een verhaal waar we wellicht geen woorden voor hebben, enkel verdriet. Niet over onze dood, daar kunnen we waarschijnlijk wel mee uit de voeten. Maar de dood van de mensen die je niet wilt missen, nu niet en nooit niet. Een oud boek van meer dan 2000 jaar geleden probeert dat verdriet weer te geven door te zeggen: niet God heeft de dood gemaakt. Dat is het gevolg van de afgunst, van de duivel. Hij bedoelt waarschijnlijk: God mag het weten, ik weet het ook niet, ik weet het voor de duivel niet. God blijft houden van een mens, ook wanneer die mens gestorven is. Wat het ook moge betekenen: voor God ben je niet dood.

Daarmee komen we aan in de tweede lezing. Aan de overzijde. Een menigte verzameld zich rond Jezus - synagoo, maakt zich rond hem tot synagoge. En zo zegt de tekst subtiel: hij is bij de zee. Voor ons klinkt dat naar "Zandvoort of zo", maar bijbels gezien is dat altijd ook op het randje van de dood. Hoezo? Wat is er dan. Een man stormt op hem af, nee, niet een man, maar de "overste van de synagoge". Zo'n beetje de belangrijkste man van het dorp. Hij is nergens meer. Zijn dochtertje! Doodziek. Als je niet vlug wat doet! Leg haar de handen op - u hoort, het lichaam van Jezus.
Jezus gaat naar het huis van deze ongelukkige vader, de menigte volgt. Ze dringen tegen hem op. Maar de gang van het verhaal met al zijn nood wordt onderbroken door een ander verhaal. In het gedrang bevindt zich een vrouw die haar hele leven, haar hele bezit heeft gegeven om gezond te worden. Die aan bloedvloeiing leed. Dat betekent dat zij constant buiten de gemeenschap moest leven, als eenling, een paria. En nu, ten einde raad, zal ze? Als ik maar zijn kleren aan kan raken! Dat doet ze. In plaats van slachtoffer wordt ze initiatiefnemer. Aanraken, je identificeren met. Jezus merkt het. Wie heeft mij aangeraakt. De leerlingen bemoeien zich er nog even mee. Je ziet toch die menigte om je heen! Wat vraag je dan wie je heeft aangeraakt. Misschien moeten wij goed horen dat te midden van de velen Jezus toch steeds bij die éne is. Zoals de bijbelse traditie zegt: een goede leerling is de leerling die te midden van anderen zich persoonlijk aangesproken voelt, die dus persoonlijk betrokken is.
Wie? En zonder aarzeling presenteert zij zichzelf, om te horen: meisje - nee, dochter! Dochter, je vertrouwen heeft je gered.

En nog voor hij uitgesproken is komen ze uit het huis van Jaïrus en zeggen ze: laat maar! Te laat! Val de meester maar niet meer lastig. Wij weten immers hoe lang helpen nog zin heeft. Er komt een moment en dan is het te laat. Laat maar!

Maar Jezus heeft daar geen oren voor. Je hoeft niet bang te zijn. Vertrouw maar. Aan de overzijde, waar we geconfronteerd worden met lijden en dood - en dat zal ook in het evangelie zoals wij weten meer dan uitgebreid ter sprake komen - verschuift hij blijkbaar de grenzen. Alsof er meer is, alsof je verder kunt.
Thalita koem, klikt het in het verhaal. Hij neemt de jonge vrouw bij de hand en zegt thalita koem. Dochter, sta op. En ze staat op.
Hij verbiedt hen nadrukkelijk dat iemand dit te weten zou komen. Een beetje typisch eigenlijk. Daarnet kwamen ze hem vertellen dat het meisje dood is en nu mag niemand weten dat hij haar uit de dood heeft doen opstaan!
Eerlijk gezegd, dat is niet zo duidelijk.
Het is meer alsof voor Jezus de dood niet bestaat.
Hij jaagt de rouwklagers weg. Ze slaapt zegt hij. Dan kan hij haar ook aanraken. In de bijbelse traditie is een dode onaanraakbaar. Nu ze slaapt kan hij haar bij de hand nemen. Wij horen over het lichaam van Jezus. Hij raakt haar aan, neemt haar bij de hand, helpt haar opstaan. En hij zegt: "Pssst! Geef haar te eten." Dat blijkt een teken van gezondheid. Eten. Meedoen, erbij horen.
De lezingen van vandaag zijn heel dringend. Onze zekerheden over leven en dood zijn, nu wij hem zijn tegengekomen, op een of andere manier minder zeker. Jezus in het verhaal laat zien wat wij niet zouden durven wensen, dat God zich over onze dierbaren en ook over ons ontfermt.
Dat willen we hier, in liederen en gebeden, in brood en wijn in dankbaarheid gedenken.
Moge dat zo zijn.

 

Sacramentsdag
14 juni 2009

Exodus 24, 3-8
Marcus 14, 12-16.22-26


Vandaag is het sacramentsdag. We vieren dat we vieren, - dat we brood en wijn en de verhalen delen met elkaar. Dat we dat doen omdat Hij ons dat gevraagd heeft, omdat Hij ons vraagt Hem te gedenken. Ook dat vieren we.
Vieren is niet op de eerste plaats met toeters en bellen rondlopen, maar gedenken, stil staan bij. Even de stroom van het gewone en alledaagse onderbreken en stil zetten om samen stil te kunnen staan bij. Zoiets als een plaatje maken, een foto. Een momentopname als teken van een geheel. Als je daar naar kijkt kun je zien waar het ons om begonnen is, waar het Hem om begonnen is wiens naam wij heiligen in het brood en de beker.

Lichaam en bloed, vlees en bloed. We gebruiken die woorden "lichaam en bloed" als aanduiding van een mens in vlees en bloed, levend en wel. Ik zag het afgelopen vrijdag opeens heel duidelijk. Anne Frank zou die dag 80 geworden zijn. Het late journaal stond er uitgebreid bij stil. Ze lieten foto's zien die pappa Frank van dat kleine meisje, zijn "al grote dochter" gemaakt had. Met een computerprogramma kun je tegenwoordig die foto's in elkaar over laten lopen. Het is dan net alsof je het gezicht van Anne voortdurend ziet veranderen. Foto's van haar lichaam, haar gezicht, alsof ze daar is en je aankijkt met die levendige oogopslag.
Anne Frank is niet alleen het meisje dat vlak voor het einde van de oorlog zo treurig gestorven is. Ze is ook dat meisje dat aan de tijd onttrokken, bij ons gebleven is en blijft in verhalen, beelden, gebeurtenissen, in droefheid en stilte, in hoop en zekerheid. Zij blijft zo optimistisch als grote kinderen kunnen zijn, maakt ook het kind in ons wakker dat in vertrouwen anderen aan kan zien en vanzelfsprekend vertrouwen delen wil.

Lichaam en bloed zijn niet alleen maar materiaal met een zekere houdbaarheid. Ook je naam is je lichaam en de mensen die jij herkent en die jou herkennen in de ruimte en de tijd die we hoe dan ook op een of andere manier delen, de ruimte waar we elkaar, ook door alle tijden heen, tegenkomen. Het lichaam, het geheel van die onderling nogal verschillende delen die een eenheid vormen. Niet alleen maar in zichzelf gekeerd maar ook blootgesteld aan weer aan wind, met ogen om te zien en handen die je uit kunt steken, op zoveel manieren.

Het lichaam is het levende lichaam, zoals wij mensen kennen en zoals ze een leven lang mee gaan. Zo verbindt Jezus zichzelf met het brood waarmee de paasmaaltijd begint. Dit is het brood van de droefheid dat onze vaderen aten in Egypte wordt aan tafel in Jezus woorden: Dit is mijn lichaam. Zo, met alles wat Hem die avond voor Zijn lijden en sterven te wachten staat, zo wil Hij er voor Zijn leerlingen zijn, voor wie om hem geven en met Hem mee optrekken naar Jerusalem, naar het Huis van de Vader. En de beker van de dankzegging reikt Hij aan met de woorden: Dit is de beker van het nieuwe verbond in mijn bloed. Daarmee zet hij zijn handtekening onder alles wat gebeuren zal als een nieuw verbond, een band die altijd zo goed als nieuw is, zijn naam voor ons.


Sacramentsdag is een moeilijke dag om bij te preken, niet zozeer omdat het onderwerp moeilijk zou zijn, maar omdat de makkelijke dingen altijd moeilijk zijn. Denk maar aan een hand. Wat is een hand? Als je die vraag stelt denkt iedereen dat je een beetje doorgedraaid bent. Je weet toch wel wat een hand is?
Ja, maar probeer het eens te zeggen. Ik denk aan de vingers van mijn oudste dochter toen ze een maand of twee was. Een vriendin op bezoek, ze zat met ontzettende problemen, zag het kind toen het de fles kreeg. Ze pakte met de tranen in haar ogen om de zorgen die ze had het handje, begon te glimlachen en zei: Het zij net garnalenvingertjes. Een beeld en een paar woorden onmogelijke troost. Of ik zag dit jaar met Pasen in de kapel een meisje met het syndroom van Down, een mongooltje. Ze hield de hele tijd ingetogen het voetje van een klein kindje vast dat net gedoopt was. Als een engeltje bleef ze bezorgd bij het kind. Die hand tekende haar gezicht en haar hele houding. Handen groeien met groot gemak uit tot verhalen. Iedereen kan verhalen vertellen waar handen een rol inspelen. In Mahalia Jacksons lied heeft zelfs God handen. Daarmee houdt Hij de wereld vast. Handen die breken en delen, handen die nemen, die aanraken en zegenen kunnen. In Handen gaat ons hele leven schuil.

Wat ik wil zeggen is dit: op sacramentsdag gedenken we hoe Jezus zichzelf in brood en wijn aan ons toevertrouwt, hoe Hij er voor ons wil zijn. We gedenken Hem, Zijn lichaam, zijn vlees en bloed. En als we Hem gedenken, gedenken we ook ons zelf. Even staan we stil bij onszelf, en dat wil ook zeggen: bij de mensen die ons dierbaar zijn, allemaal lichamen, allemaal levend en wel, teken van saamhorigheid en verbondenheid, van de ruimte die we delen en waar we elkaar tegenkomen. Sacramentsdag is ook een soort Allerheiligen en Allerzielen.
Op sacramentsdag gedenken wij Zijn kwetsbaarheid en grootsheid en gedenken we de kwetsbaarheid en grootsheid van de mensen met wie wij geleefd hebben en nog leven, voortdurend, vaak van dag tot dag, en onze eigen kwetsbaarheid en grootsheid.

Ik bedoel maar: Zonder lichaam geen schilderij,geen muziek, geen theater. Zonder lichaam geen gesprek, geen kopje koffie, geen goede dag. Zonder lichaam geen verhaal, geen verbodenheid tussen mensen. Zonder lichaam geen tijd of duur, geen herinnering en geen vergeten zijn en zich plotseling weer herinneren.

Op sacramentsdag gedenken we het lichaam van Jezus, zijn bloed van het altijd zo goed als nieuwe verbond voor ieder die zich bij Hem thuis weet, door Hem overrompeld en gewonnen. Delen wij zijn gaven, zijn aanwezigheid met elkaar en mogen Hij ons zegenen.

 


 

Heilige Drie-eenheid
7 juni 2009

Deuteronomium 4, 32-34.39-40
Romeinen 8, 14-17
Matteüs 28, 16-20


Mozes spreekt in de eerste lezing. De vertaler schrijft: "Ga de oude tijden maar na." Het klinkt mij een beetje als "Kun je nagaan. Ga maar na". Dat zijn dan vaak woorden van iemand die niets na wil gaan en die overtuigd is van zijn eigen gelijk. In het hebreeuws staat het veel meer persoonlijk, betrokken, interessanter: Vraag aan de eerdere dagen die waren voor jouw aangezicht … Zeer persoonlijk: voor jouw aangezicht, zover jíj terug kunt kijken. En daarbij staat op dat woord aangezicht in de hebreeuwse tekst nog een leesteken dat je verplicht om te rusten. Daar moet je stil zijn, even wachten, de spanning opvoeren en gaan voelen. Vraag aan de eerdere dagen die waren voor jouw aangezicht…vanaf de dag dat God de mensen op aarde schiep . Je mag met je vragen komen tot aan het scheppen van God toe. En je mag heel de ruimte verkennen, van het ene einde van de hemel tot het andere einde. Waar gaat het dan om?
Heeft een volk ooit een God uit het vuur horen spreken. Je zou geneigd kunnen zijn de stem uit het vuur als het belangrijkste element uit de tekst te beschouwen. Toch is dat waarschijnlijk ten onrechte. Drie keer horen we in de tekst het woord horen. Alsof je als gelovige niet je ogen, maar met name je oren zou je moeten geloven. Niet het diepzinnige nadenken maar het horen wat ons te verstaan gegeven wordt, plaatst ons in het hart van de tijd en de ruimte van dit verhaal, de stem in het gebeuren. Leven is niet het dragen van het slavenjuk, het torsen van de last op je schouders gelegd. Leven, jouw leven, dat ben jij - en het verhaal maakt ons duidelijk hoe God er alles aan gelegen is dat wij er kunnen zijn, zelf kunnen zijn, zelf staan en bestaan. Staande en zittend voor Gods aangezicht mag het ons duidelijk worden dat Hij ons zeer bemint, dat wij Hem dierbaar zijn, wij en de mensen om ons heen, eigenlijk alle mensen. Drievuldigheidszondag, een feest waarin we stil proberen te staan voor het geheim van onze God, is het feest van onze god, het is "ons feessie", dat wij er zijn,hier, wij met ons allen op een of andere wijze samen.

Paulus wijst ons er op dat wij Gods kinderen zijn. Wij hebben de geest van God ontvangen en dat is niet een geest van slaafsheid, van angst. De geest van Vrijheid en Bevrijding. De geest die ons "Vader" doet zeggen. Dát is de gave. Niet de gave van ééns gegeven blijft gegeven, mijn bezit, dat wat ik heb, maar gave als dat wat ik krijg, dat wat voortdurend gegeven wordt. Alsof wij staan en delen in de beweging van het heden als geven en nemen. Dat wil Paulus aan zijn mensen in Rome duidelijk maken. De tekst maakt ons tot die kinderen van God. Samen kunnen we in de geest, de woorden die hij ons geeft, Onze Vader zeggen, zoals Hij, de zoon ons dat leert.

Hoever zijn we als Matteüs zijn verhaal van vandaag vertellen mag? Het is het 28ste hoofdstuk. Dat wil zeggen: heel het evangelie is verteld, alles is gebeurd, tot en met de schrik om het lege graf en de engel die de vrouwen tot mensen met een missie maakt. Ze moeten de leerlingen, dus ook aan ons gaan vertellen dat hij is opgestaan zoals hij gezegd heeft. In het evangelie van Matteüs gaan de elf dan op weg naar Galilea, naar de berg die Jezus hen aangewezen heeft. Dat kan alleen maar de berg van de zaligsprekingen zijn Zalig de armen van geest, de mensen die zich nergens op beroepen en zich op niets laten voorstaan, de mensen die er eenvoudigweg zijn, want zij kunnen aanvoelen wat het betekent dat God koning is. Bij Matteüs kan dat ook alleen maar de berg van de gedaanteverandering zijn, wanneer hij voor hun ogen lichtend wordt als sneeuw en zij hem zien spreken met Mozes en Elia, als alle woorden weer als nieuw zijn, een uitnodiging voor het grote verhaal van God met de mensen.
Onderweg naar Galilea moet het hele verhaal terugkomen, wordt alles op scherp gesteld: alles hetzelfde gebleven en toch volstrekt anders geworden. Zoals wanneer iemand verliefd is. Alles is hetzelfde en toch volstrekt anders geworden. Een nieuw licht zet ons de wereld in het badende licht. Maar alles moet ook nog geleerd worden, steeds opnieuw weer geleerd, geproefd worden. Want leven is, wat mensen ook zeggen, geen herhaling van zetten. Wanneer het over ons leven gaat, over ons, zoals wij hier allen zijn, dan kan een kind de was doen. Wij zijn geen vreemden in ons eigen bestaan, geen vreemden te midden van de mensen met wie wij leven. Maar dat alles is werkelijk niet alleen maar eenvoudig.

Het verrijzenisverhaal van Matteüs verdraagt wat geloven tot geloven maakt. Sommigen echter twijfelden. De leerlingen gaan bij Matteüs terug naar waar alles begonnen is, naar Galilea, naar de berg van alle verhalen waar hij hun bijeenroept. Waarom? Waarom nog een keer daar samen komen? Wat kunnen wij daar, ten slotte, dan nog horen?
Mij is alle macht gegeven… Macht - ook in de zin van volmacht, wat hij vermag, wat Hem te doen gegeven is. Jezus laat zien dat het verhaal van Israël niet een verhaal is van wij wel en jullie niet. Het verhaal over God die een bevrijdende koning is, is in zoverre exclusief dat het inclusief is. Niemand wordt tot buitenstaander gemaakt. Ieder die er van hoort en die zich herkent, die zijn leven herkent in de verhalen van God en Israël, in de verhalen van en over Jezus de Messias, in de geest die in die verhalen bespeurbaar is. Ieder die voelt dat hij daar bij wil horen, daarbij hoort, die is uitgenodigd, die is, zoals we net Paulus al hoorde zeggen, uitgenodigd, meer dan welkom. Kind aan huis mag je zijn in je eigen vertrouwen. Wij mogen delen in de geheimen van hemel en aarde, van God en de mensen, en de Geest die hen verbindt. Het Evangelie begint echt wanneer Jezus in de Jordaan gedoopt wordt. In die doop gaan wij, de volkeren, als leerling mee. Wij zijn kind aan tafel, uitgenodigd binnen te gaan in het veelbelovende land van Gods vrijheid en bevrijding, van God te midden van de mensen. Wij breken het rood en delen de beker om Hem te gedenken die ons is voor gegaan, op hoop van zegen.
Moge dat zo zijn.



Sint Jan de Doper - 24 mei 2009
Dienst van woord en communie
Aangepaste lezingen

Apokalyps, 1, 9-18a
Johannes 6, 48-63


Het is een beetje misleidend. Vandaag heet het officieel de 7e zondag van Pasen. En dat klopt, als je Pasen zelf als de eerste zondag van Pasen telt. Maar in feite is het vandaag de zesde zondag na Pasen. Want met Pasen beginnen we te tellen tot de 50ste dag na Pasen. Pentekonta, pentecostes, door komt Pinksteren vandaan. Pinksteren, de vijftigste dag. En U begrijpt: 50 is 7 x 7 plus 1. Het getal 50 is het getal van de volheid. En wanneer heb je meer het gevoel van vol zijn, zeker de mensen uit een boerensamenleving die alles moesten hebben van het land? Ten tijde van de oogst. Dan kun je weer vooruit, dan kijk je naar je land en zie je buiten dat je binnen bent. De vijftigste dag is de dag van de oogst.

In de joodse traditie is de vijftigste dag na Pesach, de vijftigste dag na de uittocht uit de slavernij, de dag waarop op de Sinaï het verbond gesloten wordt. Aan de voet van de berg beseft het volk dat God het geheim van hun bevrijding is. Dat bevrijd zijn, mens zijn, een godsgeschenk is.
Pinksteren heet daar het wekenfeest, zeven weken, zeven keer zeven dagen. Dan is er rond de top van de berg het bliksemen en onweer - dat we terughoren in het Pinksterverhaal van Lukas, de volgende week, in het gedruis aan de hemel en de vurige tongen. En Israël, het volk van het boek - in zekere zin zijn wij dat ook - gedenkt dat God zijn volk de Tora schenkt, het Boek van het Verbond, het Boek dat het verbond documenteert, het proces verbaal - dat wat gebeurt in woorden gegoten. Nu zijn er woorden voor. Nu hebben we taal en begrijpen we elkaar. Woorden, dat zijn beelden, gevoelens, inzichten herkend, menselijk geworden. Pinksteren. Maar dat is voor de volgende week. Vandaag zitten we op de zondag tussen de 40ste en de 50ste dag in. We zitten te wachten.

Bij dat woordje zitten bleef ik hangen. Ik zag me zitten op de Olijfberg. Ik ben er een paar keer geweest maar de indruk is zo geweldig dat je vanaf nu aan die plek gebakken zit. Voor je zie je de plaats van alle verhalen. Het gebied waar nu de gouden koepel moskee staat was sinds de dagen van Salomo het Tempelplein met het Huis van de Keer. Jezus moest daar naar toe. Dagelijks leerde ik in de tempel. Grappig, niet bidden, maar leren. Maar de Tempel is toch het huis van gebed. Ja, ja. Maar ook op een of andere manier alsof leren het hart van bidden is. Als bidden is: jezelf geven aan, jezelf toevertrouwen, dan moet je wel een beetje weten waar je je aan toevertrouwt, aan wie je je toevertrouwt.

Het speelt al lang door mijn hoofd. Ik heb geprobeerd het te schilderen maar ik kan het niet. Afgelopen donderdag zag ik het helemaal voor me, hier in de kerk. De eerste lezing van vandaag. We horen Johannes. Ik zie de zeven lichten, de zevenarmige kandelaar, de tempel in Jerusalem. Daar stond die kandelaar met zijn zeven lichten, zeven armen ten hemel geheven. Het licht van de lampen werd bij het invallen van het duister aangestoken om gedurende de nacht te herinneren aan de afgelopen dag in de hoop dat morgen weer een dag zal mogen zijn. Het was een licht dat brandde op olijfolie, de zoete olie van de bittere vrucht. Want wie zegt dat het leven enkel eenvoud, alleen maar gemakkelijk is?
Ik zie, zoals hier, de tempel, de zeven lichten. En temidden van die lichten, zoals hier, iemand die uitziet als een zoon van mensen, een mensenkind zoals wij allen zijn. Gevoed, verwarmd, gekoesterd. Iemand die zich ten diepste begrepen voelde en gegrepen wist door zijn God. Maar ook: denk aan Abel, kind van Adaam, kind van mensen, door en door kwetsbaar.
Als wij door de lichten van de zeven armen heen kijken zien we de mensenzoon - hier in de kerk niet als slachtoffer aan het kruis, maar als door God begrepene, door God in licht, als heerlijkheid begrepen, als kroon op zijn werk, zijn schepping, eerste onder de broers en zussen die we zijn als we Onze Vader zeggen.

De tweede lezing nam ons mee naar Galilea. Bijna is het zover. Bijna zal zijn reis naar Jerusalem beginnen. Mensen lopen achter hem aan. Hij heeft het, hij is het, bij hem moet je zijn. Hij spreekt over het brood dat de mens leven laat. Je hoort de evangelist meedenken, over het paaslam, het vlees en het bloed. Een mens in vlees en bloed zeggen wij. Echt een mens. Dat is het geheim dat tussen kerstmis en Pasen/pinksteren in de kerken een winter en voorjaar lang aan de orde is: echt een mens, een echte mens, een mens in de diepste betekenis die dat woord voor ons kan hebben.

Maar nu, zes weken na Pasen. Het is wachten op Pinksteren en dan gaat de tijd weer met ons op de loop. Wachten op de geest - waar wachten we dan op.
De geest is het die levend maakt, zegt Jezus. Vooruitdenken is in de bijbel bijna altijd terugkijken. De aarde is woest en leeg, duisternis over de vloed … onheilspellend helemaal niks. Maar voordat je je er met een zucht bij neerlegt komt het volstrekt onvermoede, onverwachte. Iemand ziet je aan. En geest van God zweeft boven de wateren. Iemand ziet je aan, ziet je staan. Licht. Er is licht. Het licht gaat op en nu begint een ander verhaal. De geest.

Een van de voor mij meest ontroerende bijbelteksten van Johannes spreekt Jezus dan: de woorden die ik spreek zijn geest en waarheid. Wat is de geest? Wat houdt in het verhaal, zodra er woorden zijn, hemel en aarde toch bij elkaar, laat droom en werkelijkheid, onrust en vrede naast elkaar bestaan? Zijn brood, zijn vlees en bloed, zijn geest: de woorden die hij spreekt.

Een vriend van mij heeft vaak geschreven dat woorden testamentair zijn. En zeker teksten boekstaven dat. Woorden zijn testamentair. Wij leven bij gratie van de herinnering. Dat herkennen we, daarvan leven wij - de woorden die ons gegeven zijn.
Moge dat zo zijn.


Derde zondag van Pasen
26 april 2009

Handelingen 3, 13-15.17-19
Lucas 24, 35-48

De eerste lezing begint nogal recht voor zijn raap. In die dagen zegt Petrus tegen het volk: 'De God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jacob, de God van onze vaderen heeft zijn dienaar Jezus verheerlijkt die jullie hebben overgeleverd en ten overstaan van Pilatus hebben verloochend terwijl Pilatus zei dat hij hem vrij moest laten. Dat klinkt allemaal zwaar en vierkant, maar ik neem toch aan dat Petrus niet zo maar voor de vuist weg dit soort heftig vrome taal begint uit te slaan. Hij zal het toch met recht en rede zeggen? Er zal toch richting en zin in zijn woorden zitten? Hij zal ht toch tegen mensen zeggen?
Het is het begin nog van het boek Handelingen, het tweede boek van Lucas. Alles is nog vers. Laten we zeggen: de dauw van Pasen ligt nog op het veld. Je ziet dat het groen nog jong is en vrolijk, onbezorgd. Petrus en Johannes gaan zoals ze dat gewoon zijn naar de Tempel - wij zijn in Jerusalem, in de schaduw van de Allerhoogste. Ze gaan naar de tempel tijdens het gebedsuur, dat is, zo zegt de tekst, tegen het negende uur. Een verlamde, iemand die lam is vanaf zijn moederschoot, zit bij de poort. De man vraagt een aalmoes. Petrus zegt: ik kan je alleen geven wat ik heb. In de naam van Jezus de Messias uit Nazareth, wandel. De man blijkt daar oren naar te hebben, springt op en rond en iedereen is verbazing en ontzetting vervuld. Dit kan natuurlijk niet. Als lammen beginnen te lopen dan is het eind zoek. Wat is dit. Daarop neemt Petrus het woord. In die dagen zegt Petrus tegen het volk: 'De God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jacob, de God van onze vaderen heeft zijn dienaar Jezus verheerlijkt die jullie hebben overgeleverd en ten overstaan van Pilatus hebben verloochend terwijl Pilatus zei dat hij hem vrij moest laten. Jullie hebben hem in de kou gezet, maar God heeft hem uit de doden doen opstaan.
U begrijpt, de liturgie is nog steeds vol van Pasen. Dat zijn we in de kerk altijd. Elke zondag, elke dag is uitleg van het Paasverhaal, maar zeker in die weken tussen Pasen en Pinksteren moet het over Pasen gaan, over ons faillissement en over God die dat niet neemt, die Hem, de zoon, zijn mensenkind, zijn zoon, uit de doden doet opstaan. Zoals iedere dode die ons lief is bij de levenden hoort, zo ook Hij, zo Hij om te beginnen als eerste. Hij het hoofd, wij het lichaam.

Uit die lezing wil ik alleen even stil staan bij de aanhef. De God van Abraham, de God van Isaak, de God van Jacob, de God van onze vaderen. Misschien is het U opgevallen, u kunt het controleren, dat ik steeds de God van invoeg. In het boekje staat de kortere versie. De God van Abraham, Isaak en Jacob, de God van Onze vaderen. In de tijd dat ik student was zei een van onze leraren: Je moet je afvragen, waarom er staat:de God van Abraham, de God van Isaak, de God van Jacob, de God van onze vaderen. En hij was stil. Ja, waarom eigenlijk? Hij keek ons aan en zei:
Abraham heeft een andere ervaring van God als Isaak. Voor Abraham is God degene die hem deed weggaan uit zijn land, uit zijn familie, uit het huis van zijn vader. Voor Abraham is God degene aan wie hij zijn kind moet geven. De Joodse traditie zegt: God, het schild voor Abraham. Voor Isaak is God de schrik van Isaak. Isaak is de eerste overlevende, hij wordt opgeheven en gebonden in het verbond en wordt vrij gelaten. Je zult er maar voor staan, voor dat leven dat je overkomt en dat je bent. Leven is niet meer natuurlijk. Isaak, de eerste overlevende. De kinderen van Isaak zijn kinderen van overlevenden. Jacob die zijn broer pootje licht met de zegen van de eerstgeborene, die zo graag haantje de voorste wil zijn, die zijn leven zelf meent in te richten terwijl hem de ballingschap overvalt, en heimwee, bijna eeuwigdurend heimwee.
Ieder van deze mensen heeft zijn eigen geschiedenis, zijn eigen ervaring van God. En op basis van die eigen ervaring kun je je aansluiten bij anderen, de God van onze vaderen … om te zeggen onze God, onze Vader. En dat is ook zo.
Alleen op basis van je eigen verhaal, je eigen ervaring, je eigen taal, kun je meegaan met de verhalen van de anderen en met alle verhalen. Ik bedoel: God ziet de mens voor vol aan. Dat wil niet zeggen dat wij opeens geen mensen meer zijn, maar engeltjes en brave boontjes. Zo werkt dat niet. Uit het nest van vanzelfsprekendheid gevallen en zelf opgestaan moeten wij zelf onze weg zoeken, iedere dag opnieuw beginnen, het scheppingswerk dat God met ons begonnen is tot een zo goed mogelijk groei brengen. Iedere tuinman weet dat je daarvoor moet snoeien, bijknippen, af en toe leiden maar vooral ook veel vrijheid en vertrouwen geven, ook zelf proberen jezelf niet voortdurend op de hielen te zitten maar vertrouwen te vinden. Voor ieder van ons is God een eigen verhaal. Op basis daarvan zeggen we onze, onze God, onze Vader. En Jezus is bij dat alles iemand die naast ons staat, onze broer, onze vriend, onze leraar ook, iemand die je vertrouwen geeft en bij wie je je in alle stilte en eenzaamheid goed voelt, accepteert wat op je af komt om te zien wat je er mee kunt doen.

De leerlingen van Emmaüs vertellen dat verhaal. Een vreemde die met hem mee ging. Bij het breken van het brood ging hun ogen open. In het gebroken brood, het gebroken leven, herkenden ze hem, en alle verhalen gingen open.
Terwijl ze daarover praten staat Jezus zelf in hun midden met zijn woord van vrede. En let op: dat betekent niet dat ze halleluia beginnen te zingen. Verbijstering en schrik. Ze menen een geest te zien. Ze begrijpen niet wat ze zien en geloven hun ogen niet.
Zijn handen, zijn voeten, zijn gaan, zijn staan en zijn doen - ze kunnen het niet geloven. Zoals bij een verliefdheid of liefde. Ook na al die jaren. Je weet wel beter maar je kunt je ogen niet geloven, onvoorstelbaar, jij.
Jezus die verrezen is maakt de boeken open. Wat gebeurt is de actualiteit van wat geschreven is, van wat verteld wordt altijd door. God is niet degene die ons berecht en veroordeelt, maar hij die degene die ons vrij spreekt, die ons op weg zet, de toekomst tegemoet.
Eén woord hoor je daarbij. Vrede. Wij kunnen in ons eigen wereldje, in de relatie met de mensen met wie wij leven, bijdragen aan de vrede en zo ook vrede vinden.
Vrede, dat het goed is. Om dat te kunnen zeggen heeft Hij ons geroepen.
Moge dat zo zijn.


 

Tweede Paasdag 13 april 2009
Handelingen 2,14.22-32
Matteüs 28,8-15

Nu nog is Pasen in Jerusalem een drukte bedrijf. Mensen van overal ter wereld komen naar die stad om daar Pesach te vieren. Iedereen ziet iedereen weer. Feest. Samen bevrijding vieren.
Uit de talloze films, schilderijen en tekeningen over het lijden en sterven van Jezus hebben we allemaal beelden over Jezus en zijn lijden. Je ziet Hem alleen in zijn leed en massa's mensen eromheen. Toch is het de vraag of het zo gegaan is. Jezus was bij veel mensen te populair om hem groots af te voeren. Het is niet waarschijnlijk dat Jezus door Pilatus in de legerplaats veroordeeld is. Dat zou voor de romein Pilatus een te primitief kampement geweest zijn. Waarschijnlijk was Pilatus te gast bij Herodes, de nepkoning die vlak bij de tegenwoordige citadel hof hield. Dat is in feite dicht bij de stadsmuur en maar een paar stappen van de Kruiskerk, de plaats van de terechtstelling. Van de drukte in Jerusalem hebben ze gebruik, misbruik gemaakt. Waarschijnlijk hebben de leiders van het volk en de Romeinen Jezus snel even willen opruimen, als het ware door een achterdeur, net buiten de stad vlak bij de gaten in de rotsen waar de doden werden bijgezet. Op Pasen hadden ze niet gerekend. Op Pasen kan niemand rekenen. Nooit hebben ze gedacht dat wij er vandaag in Amsterdam en overal ter wereld nog steeds mee bezig zijn, met die man naar Gods hart die ons vertelt en laat zien dat voor God geen mens verloren gaat, dat ieder mens van begin af aan door God gekoesterd wordt, en vrijgelaten, geschapen.
Pasen is een complete verrassing, een onvermoede mogelijkheid van de hemelse regisseur om een mens die er niet meer is, op het toneel te laten en het woord te geven. De vrouwen, die ochtend op weg om de dode te verzorgen - het was allemaal zo hectisch en al die drukte voor Pesach: er moesten nog een paar dingen gedaan worden om de begrafenis af te ronden. De dode zalven en de laatste eer te bewijzen. En dan is er geen touw meer aan vast te knopen. De dode Jezus is er niet meer. "Hij is opgewekt", zegt iemand. Ze moeten het de leerlingen gaan vertellen. En de vrouwen haasten zich weg om het aan de leerlingen te vertellen. En dan komt hij hen tegemoet. Ze vallen voor zijn voeten. En Jezus zegt: "Boodschapt aan mijn broers". Leerlingen worden broers en zussen, dat is een van de geheimen van het evangelie. Leerlingen worden broers en zussen, mensen die elkaar zeer vertrouwt zijn van jongs af aan, die voelen wat de ander voelt en denken wat de ander denkt. Zo nabij dat het ook bedreigend kan zijn. Denk aan Kain en Abel, denk aan Jozef en zijn broers. De broederschap is zeer bedreigt wanneer we haar niet achten. Is broer en zus zijn niet ook het geheim van "Onze Vader". In het Onze vader komen wij elkaar onder ogen.


Wij delen hier de geheimen die er zijn tussen God en de mensen, tussen de mensen en hun God. Delen wij de gedachtenis in de zekerheid dat God ons gedenkt.
Moge dat zo zijn.
Amen


 

Eerste zondag van de Veertig Dagen
1 maart 2009

Genesis 9, 8-15
Marcus 1, 12-15


Toen mijn jongste broer 14 jaar geleden volstrekt onverwacht stierf, 46 jaar jong, zeiden mensen tegen me: je hebt in ieder geval de steun van je geloof. En naderhand is dat ook bij andere droevige gebeurtenissen tegen me gezegd. Wat een onzin. Alsof wanneer je een gelovig mens bent, pijn geen pijn doet. Alsof je te troosten bent wanneer je zeker weet dat je lieve mensen nooit meer naar je zullen kijken en nooit meer zult horen praten.
Het verhaal van Noach ook: ik heb nooit kunnen begrijpen dat Noach zich ook maar één moment getroost voelde dat hij in de Ark zat terwijl het alsmaar moordend aan het regenen was.
Ik kan me ook niet voorstellen dat Noach met en blij gevoel uit de Ark kwam. Al die doden, en hele wereld vol. Maar, u begrijpt wel, dat wil het verhaal uit de eerste lezing ook niet vertellen.
Het verhaal meet niet breed uit, dat het kwaad van een wereld onhoudbaar geworden is, een en al krisis - nergens meer een spoortje vertrouwen na al dat onbenul en dom gedoe. Het verhaal vertelt kort: "De ongerechtigheden van de mensen waren groot geworden". Daar moeten wij het mee doen. Er was geen houden meer aan.
Alles verdwijnt. We houden alleen over: die man, ja, met zijn vrouw en zijn kinderen, - maar die lachen hem nog net niet uit wanneer hij niet kijkt en aan het timmeren is aan zijn boot tegen de ondergang van de wereld.
Het zou gaan regenen. Schouderophalen. Die oude man, met zijn vrouw en zijn kinderen, maar in feite moederziel alleen in die levensgrote boot. Als eindelijk het drama zijn beslag gekregen heeft, ligt daar die hele wereld die nog gedaan moet worden. Gedaan moet worden terwijl het geen zin heeft. Je weet immers: dadelijk zijn ze weer alles vergeten en zingen ze nog maar alleen en alweer die oude liedjes. De oude man en die verlaten, opgegeven wereld.

Maar zijn verhaal is het verhaal niet. Naast hem is er nog een andere speler in het spel, een Kruidje Roer Me Niet Die zich nauwelijks roert, Iemand die zegt dat je op hem aan kunt, dat je Hem kunt vertrouwen, dat Hij er ook nog is en dat jij alles voor Hem bent.
Terwijl Noach zijn ogen uitkijkt, van links naar rechts en weer terug - prachtig, al die kleuren van de regenboog, - hoort hij de stem die zegt: dit is het teken - teken van het verbond, tussen Mij en jou en alle levende wezens. Ik zet mijn boog in de wolken, teken van het verbond.
Voortaan zullen God en mens, en mens en God, op een of andere wijze uit hetzelfde hout gesneden zijn, aan elkaar gewaagd zijn - en Hij zal dat verbond in ieder geval houden, kost wat het kosten moet.

Zo komt Jezus in het evangelie van Markus, als enige uit dat (vanaf Jerusalem gezien) verre en eigenlijk achterlijke, boerse Galilea naar de Jordaan, naar Johannes om door hem gedoopt te worden. En zeg nu niet: Jezus hoeft niet gedoopt te worden.
Wij leerden vroeger: door de doop wordt je kind van God en worden je zonden vergeven. Jezus heeft geen zonden. Hem hoeft dus niets vergeven geworden, en hij is al kind van God, dat weten we toch!
Ja, het evangelie trekt zich niets aan van de prietpraat die zogenaamde theologie soms/vaker ook is. Als er één gedoopt moet worden, dan Hij wel, vertelt Marcus. Hij als eerste met name genoemd. Want als hij gedoopt wordt zal de hemel open gaan, dan zal de dauw der gerechtigheid (rorate coeli, dauwt hemelen) op aarde regenen en zullen wij de stem horen die spreekt over Deze. Mijn welbeminde zoon. Luistert naar hem. Alle ogen kunnen nu steun zoeken bij hem die daar, bij de Jordaan, voor ons uit gaat - voor ons. En dan begint dat kleine stukje lezing dat we vandaag horen. Gelijk drijft de geest Jezus naar de woestijn. We kennen dat verhaal. We weten dat je door de woestijn heen moet om aan te komen in het land dat de beloften draagt. En U kent de versie van Mattheus, dat de duivel naar Jezus komt om hem op de proef te stellen, te toetsen, tot klinken te brengen. Toch is Marcus er heel kort over. Veertig dagen brengt hij door in de woestijn.

Toen ik begin zeventiger jaren in de Bijlmer woonde, goed woonde, zeiden mensen vaak dat de Bijlmer een Woestijn van Beton was. En de anonimiteit van een stad kan ook als een woestijn ervaren worden waar je verloren loopt. Woestijn, kort: zo goed als geen water, gortdroog. Daar groeit zo goed als niets. Daar is leven zo goed als uitgesloten. Nergens thuis, nergens een spoor te bekennen. Je hoort in de lezing: "satan", "wilde dieren". Uitgesloten dat dit nog ergens toe leidt. Je houdt je hart vast. Dat kan niet goed gaan.
Maar het blijkt heel anders. Het blijkt dat er eigenlijk niets aan de hand is. Poetischer kan Het Goede Boek het niet vertellen: Engelen bewijzen hem hun diensten. Tussen de Jordaan en Galilea is de woestijn van dood en verlatenheid niet bedreigend. Hier begint een ander verhaal.

De overlevering van Johannes zet de toon, zet het sein op groen, markeert bij Marcus het begin van de verkondiging: De tijd is gevuld geworden. De beker van de tijd is tot de rand gevuld. Het is volop Nu, hier en Nu. Hier en nu worden we aan het begin van de veertig dagen tijd tot getuigen gemaakt van een heel andere manier van leven. We mogen leven onder het teken van Gods koningschap: Uw koninkrijk kome. Jezus zegt: keer om, de manier van God, de wijze waarop Hij koning is, komt voor de dag. Er daagt een andere dag, een andere tijd wanneer wij samen opzien nu wij de stem horen van al zo hoge van al zo ver.

Ik herinner me heel goed dat een van mijn professoren ons vroeger leerde: Pasen, de opstanding van Jezus uit de doden, heeft volstrekt niets te maken met het voorjaar. Dat was primitief natuurgeloof. Pasen in het voorjaar was eigenlijk een merkwaardig soort toeval.
Dat is mij geleerd.
Intussen weet ik dat die arme professor wel een braaf man was of meende te zijn, maar er helemaal naast zit. Pasen vertelt dat het voorjaar niet alleen een natuurgebeuren is. Natuur, van nasci, geboren worden. Pasen vertelt ons dat wij allemaal geboren worden, zelfs vandaag nog, ouder en wijzer, geboren worden, dat wij zo jong zijn als vandaag als wij ons een beetje gewonnen geven, dat proberen, aan de woorden die wij horen om bij de tijd te kunnen zijn. De veertig dagen vertellen ons dat er meer aan de hand is, dat leven meer is dan drie maaltijden op een dag en nog een hapje of slokje tussen door.
Aan de tafel van het Avondmaal horen wij dat er meer aan de hand is. Het wordt ons gegeven in het brood en de beker die Hij ons aanreikt, in de woorden die wij delen.
Moge dat zo zijn
Jan Engelen

 



Zesde zondag door het jaar
15 februari 2009

Leviticus 13, 1-2.45-46
Marcus 1, 40-45

(een dienst van woord en communie)

We lezen in de kerk niet zo vaak uit het boek Leviticus. Leviticus - een boek voor Levieten? En wat mag dat dan zijn? Ja, we kennen een Leviet. Die ging net zoals die priester, met een boog om de man heen die in de handen van rovers gevallen was. Alleen een barmhartige Samaritaan boog zich voor hem en verzorgde hem. Leviticus, Levi. U begrijpt, het kan niet zo zijn dat Levieten alleen maar een minder soort mensen is. Daar is meer aan de hand.
Eerst de levieten. Levieten zijn assistenten van de priesters in de Tempel - de Tempel waar het hart klopte en klopt van Joodse mensen. De levieten verrichten de hand- en spandiensten die gedaan moeten worden om het dagelijks leven in de Tempel in Jerusalem door te laten gaan, van zingen en musiceren tot het slachten van de dieren die geofferd werden. Dus Levieten hebben te doen met de praktijk van de kern van de zaak. En dat is interessant.

Het interessante is dat het boek Leviticus midden in de Tora staat. De Tora is het hart van de Joodse traditie, is de spil waar al die verhalen om draaien, elk jaar weer opnieuw vanuit en op weg naar Pesach/Pasen, de bevrijding uit de slavernij.

Ik ben mijn hele leven student en/of leraar godsdienst, altijd bezig met het lezen, bestuderen en proberen te begrijpen van "de boeken" en wat geschreven staat. Een jaar of 30 geleden moes tik naar de kliniek van de Vu. Er moest iets gedaan worden aan mijn hoofd onder plaatselijke verdoving. Ik moest dus wachten in de wachtkamer en had een boek meegenomen. Mijn Bijbeltje.
Ik had me gerealiseerd dat ik nog nooit het boek Leviticus gelezen had en het werd hoogtijd. Dus ik in de wachtkamer, geprikt en wel, lezen in Leviticus. Dat was vreemd. Want de tekst die ik las was saai, saai, onbeschrijfelijk eentonig. Brandoffers, spijsoffers, vredeoffers, zondoffers, schuldoffers. De teksten zijn bijna identiek. En ze worden ook nog gebruikt voor kinderen die leren schrijven. In ontbijtkoek worden de eerste letters uitgesneden, met honing besmeerd en opgepeuzeld. En dat allemaal met zo'n saaie tekst. Ik had het princiep nog niet in de gaten: als een kind hier één tekst kan schrijven kan het er meteen een heleboel schrijven want ze zijn allemaal gelijk. Met een paar letters kun je een boel lezen.
Maar toch: waarom Leviticus? Hoe kan zo'n saaie tekst een kerntekst zijn, het hart van de Tora?

Heel simpel. De Tora is hét Boek geworden, al die verhalen en boeken zijn gekristalliseerd, kern geworden van de samenleving in de tijd van de Babylonische Ballingschap. Joodse mensen zijn op dat momenten overlevenden van Jerusalem en omgeving, overlevenden in Babylon. De overlevenden van de belegering en verwoesting van Jerusalem zijn als ballingen naar Babylon gebracht. Daar ging ten einde raad hun geschiedenis, dat wat er met mensen aan de hand is, open. Van week tot week en zelfs dagelijks kwamen de overlevenden samen om elkaar met vroeger een hart onder de riem te steken, verhalen te vertellen en die op rijm te brengen, tot lessen voor overlevenden. En in het hart van die verhalen kwam te staan wat zij het diepste misten: de tempel in Jerusalem. Wat voor ons saai is zijn voor hen herinneringen, iedere letter bijna een pagina vol heimwee en hoop. Geen detail te veel. Dat is het boek Leviticus. In het hart van Leviticus staat een tekst over Verzoening en Grote Verzoendag. Dat schijnt heel belangrijk te zijn. En de middelste letter van de Tora - ook dat is met veel liefde uitgezocht, staat de letter L, de eerste letter van het woord lamad, leren. Zo belangrijk is het leren, leren van de verhalen, leren van je verleden. U begrijpt, hier s nog veel over te zeggen. Maar nu de lezingen van vandaag.

Bij melaats moet je niet grijpen naar een medisch dictionaire. Je moet kijken naar het Boek. Wat is een gezwel, een uitslag, een vlek? De tekst vertelt over die ellende die het lijf van een mens vertekenen, onherkenbaar kunnen maken. Maar er komt verderop ook een tekst over een huis met uitslag. Laat ik kort zijn: het gaat over alles wat de samenleving bedreigt. Het gaat over ideeën als die van een Hitler die de samenleving fundamenteel aantasten, over alles wat de samenleving bedreigt. De kranten en televisieprogramma's zijn er vol van. Crisis op crisis, allerlei mensen tegen elkaar ophitsende meningen, misselijk makende beslissingen van autoriteiten die alles wat dreigt te genezen, eindelijk, langzaam, meedogenloos kapot maken. Ik gebruik met opzet het woord meedogenloos. Want mededogen is een kernwoord in het evangelie. Mededogen is het sleutelwoord om Jezus en Zijn Vader te begrijpen. Mededogen, vandaag vertaald als medelijden. Dat woord wat je hoort in Eleison, heb medelijden, mededogen.

Er komt een geïnfecteerde bij Jezus. Uw wil, zoals in de hemel, laat dat op aarde geschieden. Die tekst lijkt hij te kennen. Als jij wilt kun je me genezen.
Niet de genezing is dat wat de aandachtmoet trekken. Nee - de genezing is pas een feit wanneer het door de bevoegde priester is geconstateerd en uitgesproken. Jezus, zo wil Marcus vertellen aan het einde van het eerste hoofdstuk, houdt zich aan de Tora. De man begint overal zijn verhaal te vertellen. Het wordt een publiek geheim. En hij kan niet meer in de stad komen. Hij met een hoofdletter of met een kleine letter. Dat weet je niet. Ze lijken op elkaar, die man die ziek was en Jezus die voor hem bevrijding is. Allebei buitenstaanders, uitzonderingen - zoals ieder mens. Uitzondering, geroepen om je naam waar te maken, om mee te doen aan de gemeenschap die ons draagt.

Wij zijn hier vandaag bijeen gekomen om de gaven van de eucharistie met elkaar te delen. Wij gedenken Jezus die ons het leven heeft voorgedaan.
Moge dat zo zijn.


 

Vijfde zondag door het jaar
8 februari 2009

Job 7, 1-4.6-7
Marcus 1, 29-39

- Het lijkt wel oorlog voor een mens, op aarde. Ongeveer zo sterk staat het er. Afzien moet je, vechten. Als de dagen van een huurling (een loonslaaf) zijn dagen. Als je zo Job te keer hoort gaan tegen het soms barre leven van elke dag dan denk je: het bijbelboek Job verdient meer aandacht dan zo maar, opeen, plotseling een paar regels. Als je de showprogramma's op de tv voorbij ziet flitsen zie je enkel stralen, glitter, roem en luister. De stralende dagen van de amusementsmedia blijken in de dagen van Job kommer en kwel, uitzichtloos. Alles is te verwachten, behalve dat het ooit anders wordt. Snakken naar een beetje schaduw, uitzien naar de dag dat er weer iets is waar je mee betalen kunt. En dan dat prachtige beeld van het schieten van een weversspoel. Mijn dagen verschieten sneller dan een weversspoel.Ik heb het wel eens gezien op een film. Het spoel van de wever schiet door de kettingdraden van de inslag. Dat gaat heel snel, van links naar rechts en omgekeerd, zoals een bal bij en tenniswedstrijd. Zo flitst het leven voorbij. Bijna buiten adem ben je getuige van je eigen voorbijgaan. Dat gevoel lijkt de liturgie van vandaag ons te willen voorhouden als achtergrond, om te luisteren naar het evangelie.

Het liturgische jaar 2008-2009 is een zogenaamd b-jaar. Dat wil zeggen: we lezen dit jaar in de kerk vooral het evangelie van Marcus. Maar eerst krijgen we natuurlijk de advent en de feestdagen rond kerstmis. Pas als dat gebeurt is komt markus aan de beurt. Als u in het boekje kijkt kunt u dat ook zien. We hebben Marcus gelezen, Hoofdstuk 1 de regels 29-39. We zitten nog aan het begin. Alles moet nog beginnen. Jezus is nog maar alleen uit Galilea gekomen nar de Jordaan, om zich te laten dopen, om zich te laten oriënteren op zijn keuze voor Jerusalem, de stad met het huis van God. Dan wordt Johannes opgepakt, overgeleverd. Jezus gaar naar Galilea. Langs de oevers van het Meer van Galilea plukt hij zijn eerste leerlingen van het strand langs "de zee". Een verhaal met veel visserslatijn is begonnen. Ze gaan naar Kapernaüm - Kfar Nachoem, het dorp van de troost. Welke troost. (Denk even terug aan Job - welke troost. Hoe kun je een mens in al zijn zelfstandigheid en eenzaamheid troosten? Misschien, voor het gemak: bijbels troosten in niet alleen laten. De Heilige Geest, de Trooster. De Geest maakt duidelijk dat die eenzame aarde niet alleen is, dat de hemel er ook nog is, niet later, maar nu. God is nu met je, ook als je je diep verloren voelt, eenzaam en allen.

In het Troostdorp is het gelijk sabbat en gelijk gaat Jezus naar sjoel, naar de synagoge om er te leren. Vorige week hebben we die tekst gelezen. Er wordt daarbij niets vertelt over wat hij leert. Er zijn zelfs commentaren die het jammer vinden dat we niet weten wat Jezus leert - maar dat is heel dom. Want joodse mensen leren, dat wil zeggen, zijn bezig met de Tora. Leren is leven van je verhalen, is te rade gaan bij je geschiedenis die ouder is dan vandaag of gisteren.
In die synagoge is er meteen een vlammend protest. Een mens met een onreine geest schreeuwt: wat bemoei je je met ons, laat ons met rust.
Als de geest betekent "hemel en aarde horen toch en echt bij elkaar" dan betekent een onreine geest in ieder geval: hemel en aarde horen niet bij elkaar; ze hebben niets met elkaar te maken.
Jezus geneest die onreine mens. Dan gaan ze naar buiten.

In ons boekje staat "In die tijd toen Jezus uit de synagoge kwam". Marcus schrijft: En gelijk uit de synagoge uitgaande gaan ze naar het huis van Simon en Andreas met Jacobus en Johannes. Daar is een probleem. De schoonmoeder van Petrus. Ze s ziek. Ze ligt op bed.
En gelijk spreken ze hem aan over haar.
Gelijk. Markus doorstikt zijn verhaal aan het begin met gelijk, gelijk, gelijk. In een rap tempo. Uit de Synagoge, gelijk het huis van Petrus. En gelijk spreken ze hem daar op aan. HEM. De naam van Jezus noemt Markus hier niet. Wie is Hij?
Alsof het in de lijn van de verwachting ligt, naar haar toegaande wekt hij haar op terwijl hij haar hand pakt. Hier moeten en mogen we op elke slak, op elk woord zout leggen, op de kleintjes letten.
Op de eerste plaats horen we dat Jezus hoort. Tot hem gezegd blijkt niet tot dovemansoren gezegd. Hij gaat naar haar toe. Hij wekt haar op. Dat is hetzelfde werkwoord als bij de opwekking van Jezus. Opwekken, op doen staan. Wakker maken. Bij de tijd brengen. Je proeft alleen meteen de vraag: wat gaat zo iemand doen die opgewekt wordt, maar de tekst wil nog iets zeggen. Wat wil Marcus dan nog invoegen, wat mogen en moeten we weten?
Hij neemt haar bij de hand. We horen over het lichaam van Jezus. Dat aanraken is iets heel gewoons, maar het is ook een heilig gebaar. Iemand aanraken betekent je identificeren met elkaar.
Het vuur (van de koorts) verlaat haar en zij dient. Je wordt dus opgewekt om op te staan en te dienen. Dienen is, getuige zijn van de verrijzenis. En dienen is niet: je schort omdoen een de handen uit de mouwen. Het is nog meer alledaags. Alles waar bij je zet: tot je dienst. Dienst aan de ander omdat hij of zij een ander is, is dienst aan het volk, is laos turgein - liturgie. Geven om elkaar, je oefenen in de goede omgang met elkaar. Dat krijgen we te horen nu bij Marcus eigenlijk alles nog beginnen moet.
Dan gaat de camera terug. De schoonmoeder van Petrus wordt kleiner en anderen komen naast haar in beeld. De ene zieke wordt nu allen die het slecht hebben en alle bezetenen. Zij komen bijeen voor de deur. Zij, de hele stad, maken zich wanneer men het Griekse woord over neemt, tot synagoge, tot een huis waar mensen samenkomen. Van schoonmoeder via allen die tot heel de stad. Wie is Hij. Alle hoop is op Hem gericht. Alle handen strekken zich uit. Zoals wij zo aanstonds zullen doen wanneer wij naar voren komen om mee te gaan in het evangelie, in het goede verhaal dat Marcus ons gaat vertellen, over God die met ons is.
Moge dat zo zijn.


Zondag voor de eenheid der Kerken in de Ark te Amsterdam - 25.01.2009

Ezechiël 37: 15-19, 22-24a
Romeinen 8: 18-25
Johannes 17,7-11
Wij zijn hier vanmorgen in de Ark bijeen in de schaduw van de tafel aan het Avondmaal. Want spreken over God en Zijn volk, spreken over vrijheid en bevrijding die op handen is, midden onder ons, Gods koningschap, het rijk van vrijheid en bevrijding - free at last, free at last - het gesprek daarover speelt zich niet af in een vergaderruimte met notulist en iemand die voor de koffie gezorgd heeft, maar aan de tafel waar mensen het leven met elkaar delen, aan de tafel waar ieder voor zich en ieder voor allen verantwoordelijk is. Wij zijn - wat dat ook moge betekenen en wij blijken het nog steeds niet te weten - wij zijn uitgenodigd aan de maaltijd van het lam, aan de maaltijd die in haast gegeten wordt, de lendenen omgord. De deurposten zijn getekend in het bloed van het lam. Wij hebben ons teruggetrokken in onze binnenkamer, bang wellicht voor de klappen die nog komen gaan want de tijd staat niet stil en er moet nog veel ingehaald, eindelijk goed gemaakt worden.
Wij zijn hier op zondagmorgen ondanks de mooie tijd van de ochtend bijeen als ware het die avond voordat de totale mislukking een feit zal zijn. Ze zullen komen en hem oppakken. Lichten in de nacht zullen van alle kanten bijeenkomen om hem aan te wijzen die onze leraar is. "Wie zoeken jullie?", zal Hij vragen. En Hij zal vragen dat ze ons laten gaan, ook al menen sommigen, dat wij elkaar niet mogen uitnodigen tot gastvrijheid, tot dé deugd van Abraham, tot het gebaar waarmee hij met zijn gaven mensen aanziet met het mededogen van God zelf, als waren zij, als waren wij: "schapen zonder herder". Kerkelijke regels en welgewogen opvattingen over de heiligheid van de gaven Gods maken het blijkbaar nog steeds onmogelijk met elkaar aan tafel te gaan waar Hij ons van heinde en ver bijeenbrengt, ons toespreekt, waar Hij Zijn leven, alles van Hem, met ons deelt, - want Hij is als Zijn God, Beeld en Gelijkenis, door en door mededeelzaam.
Toch, ondanks ons aarzelen weten wij: wij zijn hier vandaag bijeen in de schaduw van de tafel van het laatste avondmaal, van die avond waarin alles definitief wordt: het brood van de ellende en de beker van de vreugde die hij met ons zal delen wanneer Gods koningschap, dat Rijk van Vrijheid en Bevrijding, een feit zal zijn. Wij zijn hier, niet omdat wij dat zo graag wilden, maar omdat wij geroepen zijn, in de ban van de stem die ons bespeelt, die ons roept en meeneemt naar verten die wij niet kennen. De joodse traditie kent het beeld van het Meer van Galilea als een harp. Zijn stem vertolkt de klanken. Stem als een zee van mensen, om ons, door ons heen.
De eenheid van de kerken heeft alles te maken met de eenheid van God: Hoor Israel, de Heer is onze God de Heer is een. God is één betekent: niet de beursberichten, niet de zorgen die ons soms terneer duwen, niet de tegenwind en tegenslag, niet alle hoop die wij bij tijd en wijle verloren hebben, maar Zijn visioen van vrede, van God te midden van zijn volk - Zijn zekerheid dat God een herder is en dat Hij zijn kudden bijeen zal brengen, dat Hij een Bevrijder is - dat is het lied van Zijn harp dat onze oren beroert, waar wij de klanken van horen mogen om op te zien, op te zien en te hopen - dat het leven geen herhaling van zetten is, maar het avontuur dat God met ons gaat, dat God een vader is voor wie de dagen van zijn mensenkind tellen. Dat God en mens een droom van vrede is die alle bergen van zin en tegenzin, van hoop en wanhoop, van vermoeidheid en kinderlijk vertrouwen slecht om een weg te bereiden door de woestijn.
Eenheid, gebaseerd op waarheid, let wel: op daden van genegenheid. Ik ben bijna 40 jaar lang docent geweest in het katholieke onderwijs voor onderwijsgevenden, (ped.ac.). Wanneer het over waarheid ging, de waarheid die wij delen, had ik een favoriet kort verhaaltje. Als Pietje tegen Marietje zegt:"Schat, ik houd van je", maar Marietje denkt: "Daar merk ik dan wel heel weinig van", dan is daar geen waarheid. Waarheid zijn daden waar je de genegenheid van afleest en aanvoelt. Ik ben de weg, de waarheid en het leven - dat wil zoiets zeggen als: aan de manier waarop Ik doe en de manier waarop God het probeert, kun je vermoeden hoeveel Hij om ons geeft. Het leven als daad van Gods genegenheid zou ons de ogen moeten openen.
In de schaduw van het Laatste avondmaal ontwaren wij vandaag een stem uit de ballingschap. Ezechiël. Hij kent het land, Jerusalem en de Tempel alleen van horen zeggen. Hij voelt de ballingschap, de verscheurdheid en het missen dat pijn doet. In de schaduw van de tafel neemt hij vandaag twee stukken hout. Die brengt hij bijeen, hij houdt ze tegen elkaar. De tekst zegt niet hoe hij ze bij elkaar houdt, boven of onder elkaar of naast elkaar. We weten niet of de stukken hout bijvoorbeeld hemel en aarde verbinden, verbonden door de profeet in het midden, of dat hij links en rechts bijeen houdt als waren het twee uitgestrekte handen, zoals die van Mozes voor de zee, zoals Jezus aan het kruis. De tekst vertelt enkel dat zij één geheel worden in zijn hand, één alles en allen omvattend geheel: zij zullen mijn volk zijn en ik hun God. Alles wat hen van elkaar doet verschillen, alle onenigheid en misverstaan, alles wat uiteindelijk ten diepste grievend is voor een goed verhaal moet zijn over God en zijn mensen neemt Hij op zich. Het lijden van deze tijd weegt niet op tegen de heerlijkheid die ons te wachten staat, tegen de doksa die ons geopenbaard zal worden, die voor onze ogen open zal gaan, hoorden wij Paulus zeggen. Doksa - Gods doorslaggevend gewicht. Zijn licht, de warmte en ijver waarmee zich inzet voor ons als onderpand voor onze eenheid. Heel de schepping, zegt Paulus, wacht vurig dat het eindelijk zichtbaar wordt, dat wij eindelijk laten zien wat het betekent om kinderen Gods te zijn. Dat leed van twistende broers, elkaar betwistende broers, dat zou in de schaduw van de tafel van het laatste avondmaal bijgelegd kunnen en moeten worden, want hier weten wij zeker dat Hij onze Heer is, dat Hij plaats heeft voor onze op Gods eenheid gebaseerde verscheidenheid. Hij heeft ons allen mateloos lief.
Hij geeft ons wat Hem gegeven is, Zijn woorden, Zijn woord. Hij wil ons bewaren in de naam van de Vader, de naam die God hem geeft: Jehosjoea, Jezus. De Heer bevrijdt. Hij brengt ons bijeen, maakt ons één. Hij. Niet instanties, organisaties of vergaderingen, maar Hij. Hij brengt ons bijeen. Laten wij ons meenemen, één werktuig worden in zijn hand? Wanneer wij leren om broers en zussen te zijn zal onze éénsgezindheid, ons broeder- en zusterschap het aloude verhaal van God in ons midden, Immanuël, weer tot als nieuw maken. Wanneer wij heden, nu wij zijn stem horen, ons gewonnen geven aan zijn verhaal op ons dan zal de tijd ons niet inhalen en zullen wij weer een teken van vrede worden, een vuur dat handen en harten verwarmt. In zijn handen horen wij bijeen. Dat gaat als een licht voor ons uit.
Moge dat zo zijn.

25 januari, Jan Engelen


 

Vierde dag in het kerstoctaaf
Feest van de Onnozele Kinderen

Eerste lezing: 1 Johannes 1,5 - 2,2
Evangelie: Matteüs 2,13-18

Joost van den Vondel:
O Kerstnacht schoner dan de dagen
hoe kan Herodes 't licht verdragen
dat in uw duisternisse blinkt
en wordt gevierd en aangebeden?
Zijn hoogmoed luistert naar geen reden
Hoe schel die in zijn oren klinkt.
Hij poogt d'Onnoozle te vernielen
door 't moorden van onnoozle zielen,
en wekt een stad- en landgeschrei
in Bethlehem en op den Akker
en maakt de geest van Rachel wakker,
die waren gaat door beemd en wei.
Bedrukte Rachel schort dit waren:
Uw kinderen sterven martelaren
en eerstelingen van het zaad,
Dat uit uw bloed begint te groeien
En heerlijk tot Gods eer zal bloeien
En door geen tyrannie vergaat.


Het rood hebben we in deze kerk bewaard. Het rood van het bloed, maar ook het rood van het hart dat vurig verlangt. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan, zegt onze nederlandse taal. Het bloed is het leven. Het wil geleefd worden. Denk maar aan "de beker van het nieuwe verbond in mijn bloed". Het leven wil geleefd worden, zich doorgeven en delen. We spreken ook over bloedjes van kinderen en bloedjong. Vandaag is de kleur rood. Hij hoort bij Kerstmis.



Verkondiging
Rood is de kleur voor vandaag, zoals we allen zien. We hebben er vandaag voor gekozen om het feest van de onnozele kinderen te vieren. Onnozel, de kinderen die nog enkel onschuld waren, en die slachtoffer werden van de wrede hand van Herodes die zijn koningschap bouwt op de kinderen die hij ombrengt, zoals de geschiedenis dat zo vaak doet, nog steeds laat zien, eigenlijk. Kinderen, mensenkinderen die het slachtoffer zijn - als het ware zonder einde meent de wereld zo geschiedenis te maken, door onschuldigen op te offeren op het altaar van 'ik ben de baas", "ik ben de sterkste", "ik kan me alles permitteren want ik heb gelijk en kom maar op". Moet je terugslaan als iemand je slaat/ Moet je met gelijke munt terug betalen, en liever al slaan voordat je geslagen wordt? Het is een eeuwenoud, zo oud als het leven volgens de bijbelse verhalen al is. Want broederschap - we doen alsof dat vrede suggereert maar het Boek des Levens weet dat beter. Denk maar aan Kain en Abel, daar direct al bij het begin. Denk aan Jacob die voor de woede van zijn broer vlucht naar Mesopotamië. Denk aan Jozef in de put omdat zijn grote broers hem willen ombrengen. De broederschap is het bedreigde leven. Mensen zijn weerloos als kinderen en kinderen zijn altijd het slachtoffer, tenzij wanneer iemand zich over hem of haar ontfermt. Daarom komen we met Kerstmis ook tesamen onder het sterrenblinken en laten wij in alle bescheidenheid onze liederen klinken want we willen er bij zijn met Kerstmis, we willen mee naar Bethlehem waar dat arme kind geboren wordt, de zoon van David die nog van niets weet en over wie het leven zich zal gaan voltrekken in een tempo en een geweld waar we geen idee van hebben - terwijl hij enkel spreekt over vrede en over wat ons tot vrede strekt, over omzien naar elkaar en doen alsof we kinderen zijn van de vader, van Onze Vader die in de hemel is opdat wij op aarde kunnen zijn, wel kunnen zijn.
Het doet iedere keer weer goed wanneer wij hier in de kerk van Sint Jan de Doper iets voorlezen van Sint Jan. Ik weet wel dat Sint Jan de Evangelist niet dezelfde is als Sint Jan de Doper - maar een keer Jan altijd Jan. De een doet altijd denken aan de ander en omgekeerd. En Sint Jan wijst altijd verder, naar die na mij komt bijvoorbeeld, en groter dan mij. Johannes is eigenlijk iemand die voordat je er erg in hebt al zegt: wees welkom en tot je dienst. Ik zie het ook steeds wanneer na afloop van onze dienst hier koffie wordt geschonken: tot je dienst. Alleen in dat tot je dienst kun je peinzen over: In hem is het licht, in hem is volstrekt geen duisternis. Het bloed van Christus maakt ons vrij van alles wat ons van elkaar isoleert, van alle angst ook en onzekerheid. Geschapen zijn betekent immers: er mogen zijn - God houdt van ons. Kerstmis maakt ons onomstotelijk duidelijk hoezeer wij in het verhaal van God van harte welkom zijn - want Hij wil alleen maar God met de mensen zijn. Geen Oerknal voor dovemansoren, Geen Eerste Begin, Geen Geheime Pottenkijker die ons al veroordeeld heeft nog voordat we iets gedaan hebben. God, de vader van Onze Heer Jezus Christus wil alleen maar God met de mensen zijn, te midden van ons - imm anoe eel: te midden van ons God, broos en breekbaar als mensen.
Herodes, en alles en allen op wie Herodes lijkt, wil koning zijn zoals Kain broer wil zijn van Abel: door naar het leven te staan, door naar zijn hand te zetten. Dat is bij een Herodes altijd: door om te brengen. Waar gehakt wordt vallen spaanders.
De bijbelse maat is vol wanneer de farao van Egypte de opdracht geeft om de jongetjes die geboren worden, die bloedjes van kinderen om te brengen. Mirjam, het zusje van Mozes zet haar broertje tussen het riet - je weet maar nooit - tussen het riet aan de oever van de Nijl. We vertalen oever. In het hebreeuws staat er letterlijk: op de lip van de Nijl. Ik zie dan altijd een krokodil voor me, mond wijd open. Kinderen als voedsel voor de mensenverslindende machine van "onze wereld". Maar zij blijft kijken.
Herodes wil bericht van de wijzen uit het Oosten. Kom het mij vertellen als je dat kind gevonden hebt, dan kan ook ik het op mijn koninklijke wijze gaan aanbidden - terwijl je in de verte al het slijpen van de messen hoort.
De wijze worden in een droom gewaarschuwd. Ze gaan langs een andere weg terug.
Jozef wordt in een droom gewaarschuwd: hij kan met het kind en zijn moeder vluchten.
En moeder Rachel weent om haar kinderen die er niet meer zijn. Zij weigert zich te laten troosten. Je kunt je zelfs afvragen of zij zich zal laten troosten door de Messias wanneer die probeert haar wangen te drogen. Bedroefde Rachel staakt uw waren, houd op, rond te dwalen. Je kinderen zijn er niet meer. Maar jouw verdriet wordt genoemd wanneer we kerstmis vieren en wanneer we dit kind gedenken en het lot dat de geschiedenis hem toedicht: weg met hem aan het kruis met hem.
Telt een gewaarschuwd mens voor twee? Gaan we op onze tellen passen en letten op de kleintjes waar we met elkaar omgaan. Ik denk dat we dat willen, dat we dat willen proberen, in het spoor van Hem die ons heeft voorgedaan en die ons is voorgegaan opdat ook wij verder zouden komen in het geheim dat wij delen met elkaar en met God, het leven dat verder gaat, in Gods naam.
Moge dat zo zijn.


 

Kerstmis dagmis
25 december 2008

Jesaja 52, 7-10
Psalm 98
Hebreeën 1, 1-6
Johannes 1, 1-18

Neem je de woorden van Jesaja ter harte, dan moet je je oprichten. Je moet omhoog kijken (Omhoog de harten!), de bergen op die het verhaal uit Jesaja veronderstelt. Kijk omhoog, de bergen op, en zie. Hoe prachtig op de bergen de voeten van de vreugdebode. De Septuaginta (de griekse vertaling van de hebreeuwse bijbel) vertaalt hier: de voeten van de evangelist van wat je kunt horen (het verhaal) over vrede, over bevrijding (Jesjoea: Jezus). Wat is dan dat goede verhaal over vrede en over bevrijding? Wat is het goede verhaal over De Heer Bevrijdt, van en over Jezus? Dat is tegen Sion zeggen: jouw God is koning.  Wat er ook gebeurt! Zijn rijk van vrijheid en bevrijding komt. Uw rijk kome begint met dit verhaal.
De wachters op de toren beginnen te jubelen. Ze zien de Heer terugkomen naar Sion, terug naar Jerusalem. Jesaja spreekt over het einde van de Ballingschap, wanneer het door Nebuchadnezar geknechte volk door Cyrus van de Perzen weer terug naar huis mag, terug naar Jerusalem. De wachters op de toren zien het gebeuren. Ze jubelen van vreugde en willen ons voorgaan in geluk. God laat de wereld niet alleen. Daar spreekt kerstmis over. Hij komt voor ons op.
Het kind dat met Kerstmis geboren wordt zal ons voorgaan, voorgaan naar Jerusalem om daar zichtbaar te laten worden hoe God koning is.

Maar waarom praten we over Jerusalem. Dat komt omdat hier altijd de boeken open gaan. En de boeken, de boeken van de Bijvel, zijn de boeken van de mensen die in Jerusalem thuis zijn.  Jerusalem is niet alleen maar die plaats, zo’n 3 tot 4000 km van hier, maar Jerusalem is overal waar een mens zich thuis voelt, waar je weet dat het goed is. Precies zoals Israël in de bijbel niet alleen maar de aanduiding van een volk is.
De naam Israël in de joodse traditie (in de Talmoed, zo schrijft Levinas)  de aanduiding van een bepaalde kwaliteit van mens zijn. In die kwaliteit van mens zijn zal niet de economie maar de achting voor de ander normatief zijn. De vreugde van Kerstmis is daarin exclusief dat zij inclusief is. Niemand wordt buitengesloten.

Nu na de voorbereiding het evangelie in de Kerstnacht opnieuw wil beginnen, nu de stem weer volop klinken gaat, opent de kerk in de dagmis zoals steeds het evangelie van Johannes – Jochannan: God is genegenheid, God heeft ons lief, houdt van ons. De erste woorden van Johannes.
Om te beginnen is er het woord. Steeds opnieuw eer houden ze zich in de media bezig met schepping of evaluatie. In Nederland heb je een notoir kliekje die alleen maar willen zeggen en horen dat geloven onzin is, iets voor zwakzinnigen. Ze denken dat wij zoeken naar een God die als een kind in de zandbak even de wereld organiseert. Maar scheppen is geen kinderwerk. Scheppen is niet de klok van de wereld de eerste keer opdraaien. Waar de wetenschap zoekt naar een desnoods geluidsloze oerknal waarmee alles min of meer begonnen is, als er tenminste zoiets als een begin is – is het bijbelse verhaal al lang begonnen met een heel ander begin, een veel oorspronkelijker begin. Johannes lijkt te peinzen: om te beginnen, waar het eigenlijk allemaal mee begint … waar begint het mee? Wat is het eerste en het eigenlijke, dat wat de doorslag geeft. Het eerste waar het mee begint dat is met een mens die luistert, iemand die zegt en doet: wat hoor ik daar?
Het begint met iemand die zich gewonnen geeft aan iets anders dan het zuchten van de eigen ademhaling.
Zo vindt Johannes: om te beginnen is er het woord. Nu klaart alles op. Nu verdwijnt de grauwsluier die over het anonieme, amorfe alles ligt. Nu wordt er onderscheid gemaakt en scheiding tussen licht en donker, tussen wiebelig water en vaste grond onder je voeten. Nu kun je aanwijzen en noemen, nu kun je zelf vragen: hoor je me niet?
Om te beginnen is er het woord waar wie lezen en horen wil zich voor buigt. Met om te beginnen  gaat het Boek van Alle Verhalen open. Om te beginnen God schept de hemel en de aarde wil Genesis 1,1 vertellen. Om te beginnen is er het woord zegt Johannes. De stilte is voorbij. Er is een woord. Iemand ziet je staan. Iemand zegt al dan niet uitgesproken: mijn woord heb je, van mijn woord kun je op aan. Als uit een hoorn van overvloed rollen de woorden de wereld in. Woord. God. Het gebeurt. Leven. Licht. Mensen. Zelfs de dissonant van niet aannemen, niet willen of niet kunnen, zal plaats maken voor aannemen en vertrouwen. Met God in ons midden is de geschiedenis een ander verhaal dan de voortdurende ontkenning van mensen waar onze wereld vol van is.
Gods woord van voor alle tijden wordt een andere geschiedenis, even kwetsbaar als een mens.
Hij heeft in ons midden gewoond, zegt de vertaling. Johannes zegt – wonderlijk voor een tijd waarin mensen in huizen woonden – hij heeft zijn tent in ons midden opgeslagen. Broos en vergankelijk, voorlopig binnen zijn als in een tent maar ook meegaan, niet vergankelijk maar “meegankelijk”, meegaand als een boek, als het volk en met de mensen onderweg, op reis door de woestijn van wat voorlopig nog voorlopig is. Maar in ons midden, als ons midden. Imm-anoe-eel, Immanuel.
God in ons midden. Moge dat zo zijn en mogen we dat een beetje meemaken te midden van de mensen met wie wij leven. Moge dat zo zijn.


 

Derde zondag van de Advent
14 december 2008

Jesaja 61, 1-2a.10-11
Als Psalm: Lucas 1, 46-50.53-54
1 Tessalonicenzen 5, 16-24
Johannes 1, 6-8.19-28

Wonderlijke woorden laat Jesaja hier horen. Wonderlijk omdat ons woorden worden toegefluisterd die in hoge mate kunnen ontroeren. De geest van de heer rust op mij. Het zijn woorden van de profeet, over zichzelf, maar de zeggingmacht van deze woorden strekt zich uit naar degene die leest, naar degene die hoort. We worden allemaal in de ban van deze woorden meegenomen. De geest - het toch bijeen, bij elkaar horen van hemel en aarde - die rust, ook op mij. Hij heeft ons gezalfd. Om aan de armen het goede verhaal te vertellen. Om te genezen, om vrijlating te melden en bevrijding. Heil en gerechtigheid. De moedeloosheid die ons bij tijden overvalt, het niet meer verder weten ten einde raad - in de eerste lezing komt de profeet naar ons toe met woorden van al zo hoge van al zo ver. Wat is er dan te melden? Wat moet hier, in ons midden plaats vinden. De boodschap is kort en beslist: alles is goed. Bruidegom en bruid, de Messias zal komen, de langverwachte. Het verbond zal bloeien. Zoals een tuin het zaad dat de toekomst garandeert laat rijpen, zo zal de Heer gerechtigheid laten ontluiken.
Voor ons is de winter soms bar en koud, maar in het Midden-oosten is het de tijd van de regen. En regen is in het Midden-Oosten de garantie dat dadelijk alles groen zal zijn. Geen kredietkrisis maar puur krediet en toekomst, openheid voor een heel ander verhaal. Rorate Coeli gaan we straks zingen: dauwt hemelen van omhoog en laat de regen de rechtvaardige brengen. Zo stemt de profeet ons om, opdat wij straks volop en van harte kerstmis kunnen vieren.

Om te beginnen is er het woord en het woord is bij God en het woord is God. Ik vermoed dat de meeste van ons die woorden wel kennen. Het is het begin van het Johannes-evangelie. Eerste Kerstdag zal ik er iets over vertellen. Het is een tekst die zeer verheven oogt, van grote hoogte, als de adelaar die menig kerkkoor sierde om het boek te dragen. Die hoge, verheven tekst maakt ruimte voor een mens, voor iemand die ons in de Sint Jan lief is, voor Johannes die wel ook de doper noemen. Een mens, iemand met een missie. Iemand die komt om te vertellen, om ons bij de tijd te brengen van de mare,de blijmare die hij te vertolken heeft.
Er komt een mens, om te getuigen van het licht. Ik vind dat interessant, dit jaar. Een mens, om te getuigen van het licht. Wij zijn bezig met alle ellende van deze wereld. Op de tv en in de kranten: het houdt niet op. Ramp aan ramp, kredietcrisis, werkeloosheid, verdampende kapitalen, orders die teruglopen, grondstoffen die niet meer nodig zijn en vervoer dat overbodig dreigt te worden want er hoeft niets meer vervoerd te worden, lijkt het. Wanneer de economie schrikt dan staat de wereld stil van angst. En Johannes zegt: er komt een mens, om te getuigen van het licht. Ik zag het enkele weken geleden in Amsterdam, rond de Opera. 15 Koren met solisten en voor ons onbekende instrumentalisten uit andere culturen, rond het stadhuis en de Opera, zingen over culturen en rijkdom, over licht en begrip. Alsof de vele culturen die altijd thuis waren in de stad, nog altijd thuis zijn in de stad, ondanks de problemen die daar ook bij horen. Het deed me goed. Ik ben langzamerhand genoeg Amsterdammer om ontroerd te worden door de eenvoud waarin je tegen elkaar "wees welkom" zegt, de toewijding van mensen.
Een mens, om te getuigen van het licht. Leuk vind ik dat Johannes er bij schrijft: Ni hij is het licht, maar hij komt om te getuigen van het licht. De kerstverlichting moet je niet zoeken in de boom of in de slinger die door de winkelstraten hangen, maar in elkaars ogen, als je elkaar aanziet en hoort - om te getuigen van het licht. Het is niet enkel duisternis. De duisternis is de plaats van het licht, daar is het licht thuis, daar licht het op en zie je elkaar, zie je ook jezelf in de ander die je aanziet.

Johannes, de getuige van het licht, komt met een getuigenis. U kent het beroemde nederlandse lied van het getuigenis … Wat is het lied dat iedere Nederlander kent, over het getuigenis? …
"Ik zag twee beren". Hebt u wel eens ooit beren broodjes zien smeren. "Hie, hie hie, ha ha ha, "k stond er bij en ik keek er naar". Dat is getuigenis. Ik stond erbij en ik keek er naar. Ik heb het zelf gezien. Johannes komt met zijn verhaal, zijn getuigenis.
Waarom doet Johannes dat? De tekst geeft dat heel precies aan. Toen de mensen van Jerusalem Priesters en Levieten naar hem toestuurden. Als ze in Jerusalem de klok horen luiden en zoeken waar de klepel hangt komen ze bij Johannes terecht. Hij komt met zijn getuigenis wanneer zij vragen: Jij, wie ben je?
Als zij hem vragen Jij, wie ben je, komt hij met zijn getuigenis. En wat is dan het getuigenis van Johannes? Wat is zijn hoge woord wanneer het uit hem komt?
Hij zegt: Ik ben de Messias niet. Door te zeggen: ik ben de messias niet, zegt hij twee dingen. Hij zegt op de eerste plaats: Wie je verwacht, op wie je ten diepste, vol verlangen wacht, de vrucht van alle verhalen in ons hart uitgezaaid al die eeuwen door - ik ben het niet. Ik ben de langverwachte niet.
Door te zeggen: ik … ben … niet - ik ben niet de Messias, wekt hij opnieuw de verwachting op naar de Messias, de bevrijder, de gezalfde, de koning, naar Hij die komt.
Had Johannes gezegd: ik ben de bakker niet, dan had je geweten, er komt en verhaal met een bakker of zo. Maar hij zegt: ik ben de Messias niet. Nu weten we waar ht bij Johannes over zal gaan, over het kind Gods van al zo hoge, de gezalfde, Gods lieve mensenkind, de koning van de vrede die met Kerstmis opnieuw met de hand van Jozef wijzend op zijn vrouw op onze deuren klopt op zoek naar een beetje plaats nu zij haar kind, ons kind, Gods kind ter wereld gaat brengen.
Nu, op deze derde zondag van de Advent - de wereld lijkt zwanger van een kind dat alles zal doen, opdat het vrede wordt waar wij met elkaar zijn, opdat wij allen tevreden mogen zijn - wij allen, in Gods naam.
Moge dat zo zijn.


 

Zondag 23 november 2008 - Christus koning


Ezechiël 34,11-12.15-17
1Korintiërs 15,20-26.28
Matteüs 25,31-46

In het officiële documenten heet het feest dat we vandaag vieren: Christus, koning van het heelal. Dat is een merkwaardig feest, omdat het woordje heelal in de bijbel niet voorkomt. Bijbelse mensen hebben geen idee van zoiets als heelal. Die spreken over hemel en aarde. Als je niet meer zegt hemel en aarde, kun je ook niet zeggen: “Onze Vader die in de hemel zijt”, of “Eer aan God in de hoge en vrede op aarde”. Dan krijg je “Onze Vader die in het heelal zijt” en “eer aan God in het heelal en vrede voor de mensen ... ”, waarschijnlijk ook in het heelal.

“Christus koning”, zeiden we vroeger. Dat was een koninklijk feest. “Aan U o Koning der eeuwen”, hoorde daar bij. Maar ook dat “Christus koning” is weer merkwaardig. Want Christus betekent Gezalfde en daarmee word de koning bedoeld. Dus het feest van “Koning koning”. Toch ook een beetje vreemde titel. Het feest is trouwens jong. Het bestaat pas sinds 1925 – oorspronkelijk op de laatste zondag van oktober, nu als afsluiting van het kerkelijk jaar. Een soort feest van “eind goed al goed”? Zou kunnen ja, zeker als je let op het evangelie van vandaag - met het laatste verhaal voordat de Mattheüs-passion begint. Na dit verhaal zal Matteüs verder gaan met: En het geschiedde, toen Jezus al deze woorden geëindigd had, dat hij tegen zijn leerlingen zei: jullie weten, over twee dagen is het pasen, dan wordt de mensenzoon overgeleverd om gekruisigd te worden. Dat klinkt heel anders dan het begin van de lezing van vandaag: wanneer de mensenzoon komt in zijn heerlijkheid.
Het evangelie spreekt vandaag over de mensenzoon, het mensenkind, het kind van de mens, kind van Adaam/Adam. Breekbaar broos in de Goede Week, die als koning zetelt op de troon van zijn heerlijkheid wanneer de dag van de mens ten einde loopt. Een fantastische tekst. Een tekst waarvan je, als je hem hoort, zegt: “Ja, natuurlijk”. Maar ook een tekst die je nooit zou bedenken, ook niets als grondtoon wanneer en waarmee het lijdensverhaal inzet. Christus koning.

Om te beginnen is er het koninkrijk Gods. U weet wel: Uw koninkrijk kome, de manier waarop u koning bent, maak dat zichtbaar Lieve Heer. Vaak spreekt Jezus in het evangelie over het Koninkrijk der hemelen, een eerbiedige manier om over het koninkrijk Gods te spreken, het koning zijn van God. En als we daarover peinzen dan weten we precies wat het niet is en blijft het een geheim wat het wel is. God is koning betekent: de farao, de slavendrijver, is geen koning, de economie ook niet, macht, eer en aanzien of: ik heb altijd gelijk” ook niet. God is niet koning op de manier van de farao en zijn collegae, die gaan met groot gemak over lijken. Zij zijn koning ten koste van de mensen. maar God is koning ten dienste van de mensen. God is koning als iemand die bevrijdt, die mensen opricht, de mensen recht laat staan op aarde onder de hemel, zelf laat staan, mondig, vrij en verantwoordelijk maakt, alle kans geeft om te groeien en te zijn naar zijn beeld op hem gelijkend, zoals God de mensen schept. Wat dat betekent - is toekomst, ons toegezegd, voortdurend uitnodiging om op te staan en mee te gaan in zijn messiaanse, koninklijke beweging van vrije mensen, van mensen van zijn welbehagen.

Ezechiël, de profeet die alleen de ballingschap gekend heeft, die van Jerusalem en God is koning alleen maar kon dromen en wiens dromen tekst geworden zijn voor ons, leesbaar, neemt ons mee naar de herder en zijn kudde. Zoals een herder omziet naar zijn kudde en zich onder zijn kudde begeeft wanneer ze verstrooid zijn, zo zal ik omzien naar mijn schapen en hen in veiligheid brengen. Hoever ze ook afgedwaald zijn door mist en nevel Ik zal mijn schapen weiden. Ik zal ze laten rusten, spreekt de Heer. God in dit verhaal is geen schapenboer. Hij is een herder, een vriend, een geliefde. Iemand die alles doet voor wat hem toevertrouwd is. Blijkbaar weet en zeg je die dingen pas wanneer je de beker gedronken hebt, de ballingschap kent, weet van radeloos en reddeloos zijn. Pas wanneer je weet hoe verlaten een mens kan zijn, pas dan ga je voelen wat het betekent dat hoe dan ook, de hemel zich uitstrekt over de aarde, dat God zijn wereld niet verlaat, niet prijsgeeft, niet alleen laat staan, in de kou, maar dat hij ons uitnodigt om te schuilen in zijn schaduw, zijn weldadige betrokkenheid op de uiteindelijk steeds eenzame mens, eerste persoon enkelvoud, die er alleen voor staat en daarom smeekt om een adres, een richting, een doel voor zijn spreken, een luisterend oor – iemand die je helpt om op te staan en te beginnen met verder gaan. Ezechiël, een zeldzame profeet die Gods koningschap bezingt als iemand die omziet, een herder.

Daarmee is de grondtoon gezet voor de mensenzoon, Christus koning, het finale verhaal van Matteüs. Wanneer de mensenzoon komt in zijn heerlijkheid. Voordat het lijdensverhaal begint krijgen we te horen waarop Jezus inzet, wat zijn ultieme visioen is, met welke zekerheid Hij zijn donkere dagen tegemoet gaat.

Het wordt bijna een filmisch panorama.
Hij neemt plaats op zijn troon van glorie en van alle kanten komen de volkeren, - bijeengebracht voor hem. Glorie, niet op de eerste plaats schittering,  triomf. Glorie is “wat het zwaarste weegt”, wat de doorslag geeft, wat beslissend is. Waar uiteindelijk alles duidelijk wordt.
Op dat alomvattende moment zien we een massale audiëntie die zijn weerga niet kent wanneer het over getallen gaat. ALLE mensen en volkeren in één collectief HEDEN bijeengebracht voor de troon van de grote koning, voor the last post, de grote finale, zoals Matteüs dat ziet. Wat nu? Wat gaat er  gebeuren?

De Mensenzoon gaat doen wat God doet op de vooravond van dag ÉÉN, de eerste dag van het scheppingsverhaal. Hij maakt scheiding. Scheiding tussen het licht en het donker, tussen de schapen en de bokken, tussen rechts en links. Tegen de mensen rechts zal hij zeggen: “Kom”. En tegen de mensen ter linker zijde zal hij zeggen: “Ga”.

Kom en Ga. Wat bepaald hier de richting van de uitspraak? Wat beslist over: “Kom, Wees Welkom”, en “Ga weg. Neem afstand”? Dat heeft alles  te maken met wat je wel of niet gedaan hebt. Dat heeft te maken met “hoe je met Hem” bent omgegaan. Ik had honger en je hebt me te eten gegeven, ik had dorst en je hebt me te drinken gegeven. Over ik en jij. Over gebrek en ontferming

Spannend vind ik dit jaar, dat de “gezegenden” blijkbaar niet weten dat ze HEM te eten hebben gegeven, niet weten dat ze HEM te drinken hebben gegeven. Ze hebben gewoon wie honger had te eten gegeven, wie dorst had te drinken. Maar de mensenzoon, die grote koning blijkt een naam heeft voor de hongerigen en de dorstigen, de naakten, de zieken en de gevangenen. Hij noemt hen: “de geringsten die mijn broers en zussen zijn”. Wat je voor de geringen, voor MIJN broers en MIJN zussen gedaan hebt, dat heb je voor mij gedaan.
Waar wij met elkaar omgaan, gaan wij blijkbaar ook met hem om, met de Mensenzoon.

Op zijn troon, nu wij uiteindelijk kunnen zien wie Hij eigenlijk is en waar het Hem eigenlijk om gaat, blijkt hij één met zijn broers en zussen, met de hongerigen, de dorstigen, met de mensen die niets hebben en niets zijn tenzij wanneer iemand zich over hen ontfermt, wanneer wij ons over hen ontfermen. Denk niet te vlug economisch. Denk niet aanhet steunen van hulpprogramma’s, hoe nodig en goed die ook allemaal zijn.
Tegenover de ander die feitelijk niets heeft sta je in het krijt – zoals een moeder tegenover haar kindje een en al zorg is, zoals iemand een gebrekkige helpt. Je moet hem of haar zien en doen wat geboden is, aan de orde is. De hongerige van Matteüs is ook de mens die opkijkt wanneer je een deur even open houdt. De feitelijk armoede van de ander vraagt ons respect in daden van betrokkenheid. Met het oog daarop is de aarde gegrondvest – zegt de mensenzoon op zijn troon.

Anders gezegd. Wij bidden iedere dienst weer het “onze vader”. Als we dat zeggen dan richten we ook onze handen naar elkaar. Daarom maken we dat gebaar van vrede, steeds weer. Als kinderen van een vader.
De mensenzoon op de troon van zijn heerlijkheid is onze broer, nodigt ons uit broers en zussen te zijn van die vader. Moge dat zo zijn.


 

16 november 2008

Spreuken 31,10-13.19-20.30-31
1Tessalonicenzen 5,1-6
Matteüs 25,14-30

De lezingen van vandaag hebben voor ons eigenlijk niets van een geheim. Een sterke vrouw – en wie kent haar niet uit de eigen omgeving – is bijzonder. Ze is voor velen een reden tot blijdschap. En dat je met je handjes moet wapperen, met je talenten woekeren, dat weet ook ieder. Dus we zijn klaar. De les is begrepen,
Maar, zo U wilt, er is natuurlijk meer aan de hand.
De eerste  lezing – u ziet dat aan de cijfertjes erboven – is een bij elkaar geknipt stukje tekst uit een groter geheel. Dat geheel is een lang gedicht in feite, uit 22 coupletten. 22 Is het getal van de letters van het hebreeuwse alfabeth. Elke letter wordt gebruikt om een lied te zingen op de esjet gail, de sterk vrouw. Elke vrijdagavond wordt de tekst in menig joods huis gezongen. En afgezien van het prijzende karakter dat de woorden aandragen, het gaat volgens mij ook om een bemoediging. Een voor ons doen oude tekst, afkomstig uit een heel andere wereld, dicht bij de basis waar de eerste samenlevingen gevonden werden, boerenleven. En je proeft aan de tekst: het aanrecht is de eerste rechtbank van het huis. Daar wordt beslist wat goed en wat niet goed is. En het gaat werkelijk niet alleen om romantiek. Een vrouw die de heer vreest moet geprezen worden. De eerste vrouwen die in de bijbel de Heer vrezen zijn de voedvrouwen in de tijd dat in opdracht van de Pharao de jongetjes vermoord moeten worden. Maar de vroedvrouwen vreesden God, zegt de tekst en zij lieten de kinderen leven. God vrezen: leven laten, leven gunnen. Rachamiem – wij vertalen dat woord met ontferming, maar feitelijke betrokkenheid zou beter zijn – namelijk dat wat bestaat tussen de zeer aanstaande moeder en het kind dat nog niet geboren is, beiden op elkaar aangewezen om te kunnen overleven – ontferming / betrokkenheid is de eerste eigenschap die de bijbel aan God toeschrijft. Rachman in de traditie van de Moslims. Het laat haar niet koud. Het laat hem niet koud. Hem, met een kleine of met een hoofdletter. Beiden. Zij is alles waard.
De wijsheid, tenslotte, wordt ook voorgesteld als vrouw. Zoals vrouwe justitia, u weet wel. Wijsheid als een vrouw. Zij dringt zich niet op. Maar overal vind je sporen die aan haar doen denken. De bijbelse traditie wordt vaak gezien als een patriarchale kultuur. Zelfs als dat zo is, dan gaat het daar niet over een wereld van mannetjesputters of haantjes de voorsten. Huis en haard verbeelden de intimiteit waarin mensen thuis mogen zijn, waarin mensen ervaren wat het betekent, thuis te mogen zijn.

De tweede lezing werd graag gelezen bij de opening van het schooljaar. Zelfs als je met weinig talenten gezegend was, doe er wat mee. Steek je kop niet in het zand. Ontwikkel je talenten, maak iets van je leven, je lééft maar een keer. Je moet woekeren met je talenten. Ook met minder talenten kun je verder komen. Zelfs dat éne talent moet je niet begraven. Toch, zoals zo vaak, beter lezen kan geen kwaad.
Het is opvallend dat de eerste en de tweede knecht op dezelfde manier spreken. De derde heeft een eigen verhaal. Heer, ik weet dat jij een hard mens bent. Jij oogst waar je niet gezaaid hebt. Jij brengt bijeen vanwaar je niet hebt uitgezet. En bang weggegaan heb ik je talent begraven in de aarde. De man van dat ene talent begint terstond te spreken over wat hij weet. Heer, ik weet! En moet je horen wat hij weet. Die heer van hem is hard, hij verwacht het onmogelijke. Hij oogst zelfs waar hij niet gezaaid heeft. Die harde heer maakt hem tot een graf graver. Hij graaft die ene talent weer op. Hier is wat van jou is. Hij doet alsof hem niets gegeven is. Hier heb je het terug. Die man van dat ene talent voort in feite oorlog tegen zijn Heer. Hij heeft er geen goed woord voor over. En zich distantiëren van die Heer geeft hem alle gelijk van de wereld. Je kunt er toch niets aan doen. Hij gaat vrij uit. Door die talent te begraven zet hij zichzelf buiten spel. Door zijn Heer bij het oud vuil te zetten meent hij het gelijk aan zijn zijde te hebben. En dat is vroom verpakt: bang heb ik je talent begraven en hij is er klaar mee. In het verhaal lukt dat niet. In feite ook niet. Je pleit jezelf nooit vrij door anderen te beschuldigen – dat blijkt steeds.

We zitten in hoofdstuk 25 van Matteüs. Hoofdstuk 26 is bekend van de Matteüs-passion. Het is een tekst met bijna laatste woorden. Misschien wordt daarom verteld over de Heer en zijn eigen knechten. Zijn was voldoende geweest. Maar het grieks zegt: zijn eigen knechten. Ze horen bij hem, zijn de zijnen. Hoe vullen zij dat “eigen” zijn in, wat doen ze? Ieder krijgt talenten naar eigen vermogen en wint wat hij gekregen heeft, behalve die ene. Die ene zegt: ik weet wie jij bent. Kent zijn Heer als een harde Heer. Hij begraaft het. De tekst maakt dan van het talent geld. Dat woord wordt hier voor het eerst genoemd. Straks komen we het tegen in de handen van Judas en de hogepriesters.
Na die lange tijd komt de Heer terug. Lange tijd. Tijd is altijd lang voor wie zich van verveling geen raad weet. De afrekening over het verleden wordt een toekomstvisioen. Steeds zegt die Heer: over weinig ben je trouw geweest, veel zal ik je ter hand stellen. Het bijbelse veel heeft altijd iets van “alles”, van overvloed.
Maar voor die ene is het talent dat hij kreeg niets. Hij heeft er niets mee gedaan behalve dat éne, begraven. Daarmee zet hij zichzelf buiten spel. Als hij naar buiten wordt geworpen wordt enkel onderstreept wat hij zelf deed. De duisternis was kenmerk van de slavernij. Als het weinige van dat ene talent niets is, dan is je niets gegeven alsof dat bestaat.

Tenslotte: dat ene talent wordt gegeven aan degene die 10 heeft. Dat moet dus die mens zijn die 5 talenten gekregen heeft. Ik moet U zeggen dat dat mij in moeilijkheden brengt. Waarom krijgt die van de 2 talenten niets daarvan? Maar U merkt, de tekst speelt hier het spel van 10 en 5 en 2. Als je twee handen uitstrekt en vraagt; wat zie je? Dan kan het antwoord drie kanten op: 10 vingers, of twee handen, of een mens. Dat zijn cijfers waar je mee kunt spelen. Als we er met elkaar over zouden spreken kon ik meer vertellen. Nu wil ik het kort houden. Ik denk dat die ene die zijn talent begraven gaat ook de mens is voor wie alles wat Matteüs nu vertellen gaat niets betekent. De mens voor wie het verhaal over Jezus lijden en sterven enkel verleden tijd is. De mens voor wie Pasen en bevrijding geen troostend perspectief biedt.
Wij kunnen, daar attendeert het verhaal ons op, wij kunnen proberen dat anders te doen en met die ene die ons gegeven wordt, leven, leven zoals hij daarover spreekt, leven op hoop van zegen.
Moge dat zo zijn.


9 november 2008

Kerkwijding van de basiliek van Sint Jan van Lateranen

Ezechiel 47,1-2. 8-9. 12
Johannes 2,13-22

Het is een ietwat wonderlijk aangelegenheid dat wij hier vandaag de kerkwijding vieren van een basiliek in Rome – al zou het mij niet verbazen wanneer die naam iets bekends heeft: Sint Jan van Lateranen. Wat is daar dan mee?
De kerk ligt best een eindje (als je loopt) van de Sint Pieter af. Een imposant gebouw, best wel oud zo te zien. Dat klopt. De familie van keizer Constantijn heeft de grond geschonken aan de kerk. Voordat het Vaticaan iets voorstelde was hier de kerk en het paleis van de Pausen. In de gevel vindt je ook: moeder van de kerken. Heel wat historisch gezien belangrijke synodes en concilies hebben hier plaats gehad. Dus heel eerbiedwaardig. Maar evengoed kun je zeggen: nou, en? Moet voor ons de gewone orde van de zondagen wijken om het feest van de wijding van deze oude kerk te vieren?
Blijkbaar wel. Maar gegeven dit feest is het wel de moeite waard om stil te staan bij zaken die hiermee verband houden en die ook voor ons belangrijk zijn. In een tijd waarin zoveel kerken gesloten zijn, er niet meer zijn, realiseren we ons hier in de sint Jan de Doper dat een kerk voor ons veel betekent. Want dit is deze plaats waar we iedere zondag en vaak ook in de loop van de week bij elkaar komen. Dit is een plaats waar je terecht kunt en waar je van elkaar op aan kunt. In alle bescheidenheid en eenvoud, een ruimte waar veel mensen zich voor inzetten. We zijn er nog en proberen er zolang te zijn als we kunnen. We zullen dat zelf moeten doen en doen dat in feite ook – kunnen dat dank zij de inzet van zoveel mensen in de jaren die achter ons liggen. Vieren dat we een kerk hebben, een kerk zijn. Kerk – kyriakè oikia, huis van de heer, waar de heer thuis is.

De huiselijkheid van ons huis is bijbels altijd verbonden met het Huis van de Heer in Jerusalem. Wij zegen de Tempel in Jerusalem. Maar de tempel in Jerusalem was de enige tempel die geen tempel was. Hoezo? Wat is dat voor rare praat? Simpel: in de antieke tempels woonden de Goden. Daar stond altijd en godenbeeld. Zodoende was de Tempel het huis van De Godheid. Maar in de Tempel in Jerusalem stond geen beeld van de godheid.  Toen de Romeinen in 70 na Christus de  Tempel hadden verwoest ging de Generaal de tempel in. Hij wilde die God van de Joden wel eens zien. Maar hij vond niks. In de tempel vond hij sacra inania, heilig niks. De joodse religie was een atheïsme. Wat al de volkeren als Godheid vereerden, vereerden de Joden niet. Die bogen hun knieën niet voor bomen en dieren, voor de zon en de maan en de sterren. Daarom zei men: in de Tempel in Jerusalem woont de naam van God. Zodat je moest vragen: wie is dat, God? En dan kon je alleen maar antwoorden met verhalen, altijd weer verhalen. Door hun verhalen onderscheiden de Joden zich van de andere volkeren. Voor hen was dat hun geschiedenis. Daar had de archeologie niets mee te maken. Het waren de verhalen die de ouders aan de kinderen vertelden, die samen gelezen werden in de synagogen en besproken in de leerhuizen. Want van wat anderen hebben meegemaakt kun je wat leren. Zo, bij elkaar, zomaar. Niet dat het elke dag een uitschieter is, of elke dag heel bijzonder. Maar er zijn van die momenten dat je hier, bij elkaar, in de schaduw van de verhalen, in het luisteren naar elkaar, in het brood en de beker die we met elkaar delen, - er zijn van die momenten dat je nog maar alleen stil bent en weet dat je er mag zijn, dat God naar je omziet, dat er een plaats voor je is, een stoel, een oor.

Een kerkwijding gedenken is niet een gebouw gedenken, hoe massief en eerbiedwaardig dat gebouw ook is. Een gebouw zijn dode stenen, een gemeenschap bestaat uit levende stenen. En daarbij weten we, dat het leven, ons leven, een groot raadsel is, een geheim, een geheim dat we delen.
Wanneer het gaat over de kerk dan gaat het over het huis van de Heer, over waar hij verblijft, en dat is altijd te midden van de mensen, bij de mensen. Waar wij zijn en blijven, groeien en bloeien, en ongemerkt verder gaan. Voor ieder van ons is de kerk met zijn feesten en tijden een geschiedenis die we delen. Geboorte, dood, huwelijk, je zorgen en je vreugden. Delen als sleutelwoord. Veel mensen denken nu dat de kerk iets is van moeten en zullen, van bemoeizucht en mensen klein houden. Dat is misschien en zeker ook wel zo, zeker zo geweest, maar langzamerhand weten we toch dat de generaties vroeger anders met elkaar omgingen dan nu. De kerk nu is een reservoir,  een krachtbron. Op zijn eigen manier vertelt Ezechiel daarover. Onder de drempel van de tempel welt water op. Water betekent leven, dat betekent mensen, dat betekent verhalen. Water is groeien en bloeien, verleden en toekomst, volop heden, er kunnen en er mogen zijn. Weten dat je welkom bent op Gods aarde aan ons gegeven. En Ezechiel vertelt verder: De rivier brengt levend water waar hij stroomt, het wemelt er van de dieren. Vissen in menigvoud. Vruchtbomen langs de oevers, bladeren die niet verdorren en rijpe vruchten aan de takken, nooit zoek je tevergeefs.

God is niet in een gebouw, maar in waar mensen samen zijn, waar we elkaar laten zijn. In het Johannesevangelie valt Jezus eigenlijk meten met de deur het huis binnen. Mattheüs, Markus en Lucas hebben ook het verhaal van de zogenaamde tempelreiniging, maar zij vertellen dat vlak voordat Jezus gevangen genomen wordt. Het lijkt daar bijna de aanleiding om hem op te pakken. Als Johannes over Jezus gat vertellen (hier hoofdstuk 2 al) dan moet het meteen Pasen zijn, dan is er direct al Jerusalem en is het – Pasen in Jerusalem – direct dat Jezus naar de Tempel gaat. Daar gaat hij vreselijk te keer. Heel de handel jaagt hij de tempel uit en geldwisselaars voor de tempelbelasting jaagt hij weg. Je voelt hem bijna zwepen met zijn handen en zich verbijten: “Weg! Weg! Weg! Weg met jullie. D’r uit!” Evenals de leerlingen staan we er een beetje verbaasd bij te kijken. Zo fel kennen we Jezus niet. Maak van het huis van mijn vader geen huis waar je handel drijft. Huis van mijn vader. Hier valt bij Johannes het woordje vader. Mijn vader betekent voor Jezus ruimte, eerbied. In wat hen heilig is maakt hij ruimte voor wat hem heilig is. En de leerlingen herinneren zich: de ijver voor uw huis vreet me op. Jezus zal alles doen en laten voor waar de vader thuis is, voor waar wij zijn kinderen mogen zijn, broers en zussen.
Hier, in onze kerk, delen we zijn woorden en gebaren, breken wij het brood en delen wij de beker om Hem te gedenken die voor ons ruimte maakt in het huis van de vader.
Moge dat zo zijn.


Zondag 26 oktober 2008 Dertigste zondag door het jaar
Exodus 22,20-26
1Tessalonicenzen 1,5c-10
Matteüs 22,34-40

In de eerste lezing van vandaag hoorde u over de goede oude tijden, zeer oude tijden. Het kon zijn dat je zo arm was en toch perse, onontkoombaar iets moest hebben, dat je nog alleen je mantel kon belenen, afgeven als onderpand. Maar als iemand je zijn mantel als pand gegeven had moest je die wel voor zonsondergang teruggeven. Het is de beschutting voor zijn blote lichaam. Hele concrete aanwijzingen worden gegeven over hoe je om dient te gaan met de mensen "van mijn volk" in nood. Want je moet weten en kunt weten dat "mijn volk" God zeer ter harte gaat. Is hij niet omwille van hen uit zijn ivoren toren gekomen om hen op te halen uit het slavenhuis, om hen omhoog te trekken uit de duisternis van "er verandert niets en het wordt nooit wat", om hen te brengen naar het licht en voor de dag te laten komen, ZELF te laten zijn. Ik denk soms: we zien elkaar te gemakkelijk als "mensen", "ik ben ook maar een mens" en zo. Daardoor vergeten we dat we een schepsel Gods zijn. Niemand weet wat dat betekent, maar in ieder geval betekent het zoveel als dat hij even alles aan de kant heeft gezet voor ons, voor jou, en voor jou, voor hem en voor haar, voor dat kleine kind en de oude man of vrouw. Wij zijn schepsel Gods, een wonder in zijn hand. Hij kijkt zijn ogen naar ons uit omdat hij alles van ons verwacht, ja, werkelijk alles.
Niet dat God verwacht als een bemoeial of als een boeman. Dat weten we wel beter. Gods verwachting is als de zon waarin je je kunt koesteren. De zon die door de kou van je lijf binnen komt en je tot op het bot verwarmt, koestert, groeikracht geeft. Wat God van ons verwacht heeft niets te maken met alles wat eisend op ons neergelegd is door onze levensgeschiedenis. Hij verwacht van ons dat we proberen overeind te komen en op te staan, om op weg te gaan op hoop van zegen. Want Hij wil niets anders dan een God van mensen te zijn die mondig zijn, die naar links en rechts kunnen kijken en die naar wat mogelijk is, hun verantwoordelijkheid op zich te nemen en elkaar overeind te houden.
Daarom: buit de ander niet uit, gun hem het licht in zijn of haar ogen en heb gevoel voor de kwetsbaarheid van de mens naast je, ook voor je eigen kwetsbaarheid.
Wat dat betreft is het exodusverhaal niet op de eerste plaats een verhaal over hoe het vroeger gegaan is. Exodus, uittocht, bevrijding, het gebeurt nu. Nu heb je van die momenten dat je weet dat het niet meer stuk kan, dat je op de goede weg bent. Vanuit die kleine momenten van vrijheid en bevrijding herken je de waarheid van "wij waren slaven in Egypte en Hij heeft ons bevrijd".
De naam Jezus betekent: God bevrijdt. Zijn naam, ons verhaal. Op die naam beroepen we ons ook altijd als wij bidden "omwille van Uw zoon en onze broeder, onze Heer".
Alles wat ons bespookt en behekst, alle waan die ons achtervolgt, bijbels gesproken: "alle afgoden" die hun aandacht vragen worden in de bijbel van joden en christenen op hun plaats gezet. Een eikenboom, hoe imposant ook, is geen God. De maan, hoezeer hij doet denken aan de horens van een sterke stier, de maan, de vruchtbaarheid, is niet onze hoogste God. Rijkdom, macht, eer, aanzien - kijk naar Jezus in het evangelie dan wie je waar dat toe leidt. Rijk, macht, eer en aanzien gaat over lijken. En tegelijk: daarmee redt je het niet. Het is allemaal waan van de dag. Morgen, overmorgen ben je het vergeten. Hoe kon ik me daar zo druk over maken?

Er heeft een heftige discussie plaats gevonden met de sadduceeën. Eerst ging het over: mag je aan de keizer belasting betalen? Maar Jezus zegt; geeft aan de keizer wat van de keizer is en geef aan God wat van God is. Dat zei hij naar aanleiding van het beeld en het opschrift op de belastingmunt. Beeld en zoals geschreven staat. U weet dat wet. Er staat geschreven: naar Gods beeld, op Hem gelijkend. De mens is "naar Gods beeld op Hem gelijkend". Zo, als een uitzondering op het geheel van de schepping, zijn wij geschapen.
Daarna kwam een verhaal dat ik nu niet wil behandelen,. Dat vraagt nu te veel. Maar duidelijk wordt dat God de God van Abraham, van Isaak en van Jacob is. God is een God van levenden, niet van doden. Als iemand in het verbond sterft blijft hij bijbels gesproken leven want God blijft trouw aan een mens. Voor God is een mens niet dood.
Dan komt het verhaal van vandaag. Wat is het grootste gebod? En het is jameer dat we dat allemaal al weten. We kennen het antwoord, dus het zal ons niet meer verrassen. Toch is het een vraag om mee naar voren te komen. Een vraag ook die actueel blijft. Wat is het grootste gebod? Wat is de belangrijkste zaak. Waar moet het ons om gaan? Waar draait het eigenlijk allemaal om? Wat is het belangrijkste dat de Tora, Gods woord, het Woord dat hij ons geeft - wat is het belangrijkste dat Gods Woord ons geeft?

Jezus vraagt geen bedenktijd. Het antwoord ligt voor op zijn lippen. Houd van en je houd van. Twee keer. Het staat er in wat we in de taalkunde noemen in de tweede persoon enkelvoud. Het gaat over "Jij". Over "Mij?" moet je dan vragen. Ja, over "Jij". Ieder van ons wordt daarin persoonlijk, uitzonderlijk persoonlijk toegesproken, aangesproken. Houdt van en houdt van.. In de indicativus, niet in de imperatief, niet in de gebiedende wijs. In de aantonende wijs. Zoals je kijkt, je ziet, je spreekt. Zo: je houdt van. Uitnodigend.
Mooi, uitnodigend, houd van. Waarvan moet ik dan houden? Dat is helemaal fout gevraagd. Waarvan vraagt naar IETS. Van WIE vraag naar IEMAND. Van wie moet je dus vragen. Van wie moet je houden? Dan worden er twee genoemd. God en de mens naast je. Bij houden van God volgt geen uitleg - maar het loont er bij stil te staan. De kern van onze relatie met God is blijkbaar niet geloven, weten, zeker weten en zo. De kern van ons geloven, van onze relatie met God is houden van. Leuk, we kennen allemaal genoeg engels love. GeLOVEn. Dat is een. De eerste aanwijzing. De tweede die in aanmerking komt bij het woord "houd van"is de mens die je naaste is. En hier wordt een argument bij gegeven. Want hij of zij is als jij. Bedoeld wordt: hij heeft hetzelfde meegemaakt als jij, is even kwetsbaar en broos als jij. Als jij blij bent dat God je bevrijd heeft, gun dat dan ook de ander, de mens naast je.
Alles wat wij hier zeggen, alles wat hij in het boek van Alle Verhalen tot ons zegt, volgens Jezus is het allemaal begonnen om geven om elkaar, geven om God die ons bijeenbrengt en bijeen houdt.
Houd van God en houd van de mens naast je die is als jij. Zo simpel. Zo elke morgen weer nieuw. In die verwachting delen we het brood en de beker en voeden wij ons met de woorden die ons gegeven worden.
Moge dat zo zijn.


Zondag 5 oktober 2008       Zevenentwintigste zondag door het jaar
Jesaja 5,1-7
Filippenzen 4,6-9
Matteüs 21,33-43

Alle verhalen spelen zich af in een wereld. Je hoort mensen soms verzuchten: wat een wereld. En u begrijpt al: de wereld is een verzameling van vele werelden. Jouw wereld, mijn wereld, de wereld van kinderen, de grote wereld die in de media voortdurend om aandacht en eerbied smeekt, de wereld van het grote geld of de wereld van het diepe verdriet. En er is ook de wereld, zoals Anatevka zegt, van het goede boek. Dat maken wij hier steeds weer open om er in binnen te gaan, om ons af te laten stemmen op die stem van al zo hoge van al zo ver, God in ons midden dank zij Jezus, zijn lief kind, zijn beminde zoon, onze broeder, onze heer. Aan al die namen hoort U al dat we woorden zoeken om namen te geven aan wat we uiteindelijk niet kunnen benoemen, wat ons ten diepste ontglipt.

We weten ook dat de wereld niet ophoudt met Amsterdam en omgeving. Ik herinner me nog dat ik, rond 1960, vanuit wat hier heet het “diepe zuiden” de eerste keer met de trein naar Amsterdam kwam. Niet te geloven. Van Utrecht tot Amsterdam één rechte lijn, alleen maar gras met koeien en slootjes. Niets van de glooiende, aantrekkelijke landschap met zijn verborgen en geheime plekjes. Open en bloot groen gras.
Dat gloeiende land benaderd ook het land van Galilea, ja ook Jerusalem. De heuvels zijn soms wat hoger maar het zijn nooit bergen naar Zwitsers model, de dalen wat dieper maar toch zelden zo diep gevallen als de ravijnen.
Dat zacht glooiende land inspireert Jesaja beslist te einde raad tot het lied dat hij wil zingen voor zijn vriend, over zijn vriend, zijn vriend en zijn wijngaard. Dat woordje vriend moet u vasthouden. Het is een touw dat houvast geeft.
Alles doet hij voor zijn hapje grond op de vruchtbare helling. Stenen eruit, prachtige wijnstokken er in. Een wachttoren, een perskuip. Dat wordt een jaar om nooit te vergeten.
Maar.
Er komen enkel wilde vruchten. Puur ontgoocheling. Niets zal van die beminde wijngaard over blijven. Zelfs de wolken wordt verboden hun regen te laten vallen.

Iedereen luister in het begin naar dat verhaal. De wijngaard is een wereld vol dromen en verliefdheden, verwachting, vrolijkheid, waar je met vrienden bent. En daarom voelen we de pijn van de teleurstelling voor we er erg in hebben.

Jezus vertelt volgens Matteüs hetzelfde verhaal. Alleen: de heer van die wijngaard gaat naar het buitenland. Als hij dienaren stuurt om de oogst in ontvangst te nemen viert plotseling criminaliteit hoogtij. De een wordt mishandeld, een tweede gedood en een derde gestenigd. Een tweede golf dienaren wordt gestuurd. Hetzelfde gebeurt. Dan stuurt hij zijn zoon. Die zullen ze niet. Die durven ze niet. Volgens mij is het de teleurgestelde Matteüs die hier vooral aan het woord is. Hij probeert te begrijpen en te beschrijven wat in een mensenhoofd niet op kan komen. Ze grijpen hem vast, werpen hem de wijngaard uit en doden hem. Jezus wordt buiten Jerusalem, net buiten de muren, vlak bij de grafplaatsen geëxecuteerd – niet te begrijpen. Niet te begrijpen wat mensen kunnen aanrichten, wat wij van onze wereld maken. Maar zegt Matteüs: daarmee is niet het hele verhaal verteld.

U kent het beroemde verhaal van het brandende braambos. Het is de tijd van de bijvelse slavernij in het bijbelse Egypte. De Pharao, de machtige van deze wereld, loopt over de hoofden en ruggen van klein gemaakte mensen heen. Daarop, als de nood het hoogste is, wordt een kind gespaard. Later zal hij vluchten. Zo komt hij in de woestijn en ziet hij uiteindelijk de struik die in brand staat maar niet verbrand. Die struik begint te praten, als God: “Ik ben er ook nog”.  Ik ben betrokken. Ik zal nooit mijn wereld overleveren aan de handen van mensen alleen.
Dat is ook de sleutel van het gebaar dat ons zo vertrouwd is, naar voren komen, de hand uitsteken, delen met elkaar wat ons gegeven is.

Daarom, zo is het de mening van mensen uit de kerken gebleven: je kunt de mensen die verlaten zijn niet verlaten, je kunt vluchtelingen niet dumpen. Na het tot stand komen van de pardonregeling constateert de WOU (werkgroep opvang uitgeprocedeerden) is er wat meer rust gekomen, maar er is ook een berooide kas. Kunnen wij de helpers helpen om hun goede werk ook namens ons voort te zetten?
Daarom, zo is het de mening van initiatieven ook vanuit de kerken, is er de voedselbank. Willen we daar nog eens naar kijken, mede om iets te delen met wie het nodig heeft en op hulp is aangewezen?

Gisteren was het voor veel mensen werelddierendag, dat weet iedereen. Uit mijn onderwijspraktijk weet ik dat velen niet weten dat 4 oktober werelddierendag is, omdat 4 oktober de dag van Sint Franciscus is. Toen niemand naar hem luisterde kwamen de dieren om naar zijn preken te horen. Een wolf bekeerde zich. In Hoofddorp in de bijbelse tuin staan twee aandoenlijke beelden die dat laten zien.

Franciscus was een kind van rijke ouders, maar volgens hem werd daar een mens niet rijk van. Hij gingen leren van de vogels des hemels en de bloemen in het veld, mooier gekleed dan Salomo in zijndiepste dromen. De vogels en de bloemen leerden hem dat God voor een mens zorgt, meer dan een mens voor zichzelf kan zorgen. Als je bang bent onderweg kan dat een bemoediging zijn.
Hoe alleen ook, een mens is niet alleen. God is er ook nog. Voor elkaar kunnen we dat betekenen. Naar elkaar omzien. Een woord, een gebaar, even eenmoment – het zijn wonderen voor een mens die niets meer heeft.

Hier in de kerk delen we het geheim van ons leven, delen we wat ons bindt. We herkennen Gods goedgeefsheid in het gebaar van Jezus die brood aanreikt voor onderweg, zijn leven, zijn dood en verrijzenis. Die de beker van die nieuwe verbondenheid tussen mensen en God die om ons geeft. Delen we dat met elkaar en moge God zich over ons ontfermen.


14 september
Kruisverheffing & ziekenzondag

Numeri 21,4-9
(Filippenzen 2,6-11)
Johannes 3,13-17

Iets wat je ontroert, daar zie je tegen op. Iemand die opzien baart, waar je van op kijkt, waar je ontzag voor hebt. Maar je ziet ook op tegen wat je moeilijk vindt, waar je een hard hoofd in hebt. Dat woord opzien lijkt vandaag centraal te staan. Gaan we naar de eerste lezing.

Velen van ons weten intussen wel: het centrale verhaal, het moederverhaal uit de bijbelse literatuur waar alle andere verhalen aan hangen is het verhaal over vrijheid en bevrijding, over de uittocht uit de slavernij, over hoe het volk uit het dal Egypte kroop om op te gaan naar het velbelovende, alles belovende land. Opzien > opgaan. Hun leven, zo heftig en meedogenloos verpest door de slavernij had zelfs de vonk van “wie weet, ooit breekt de dag aan, misschien” niet meer . Slaaf zijn in de Egyptische duisternis betekent: gisteren slaaf, vandaag slaaf en morgen ook weer slaaf. Afhankelijk, klein gehouden, afgeblaft. Menige zwarte slaaf heeft er zich over verwonderd dat het boek van de witte mensen vertelde over slavernij en bevrijding. Go down Mozes, go down in Egypts land, tell all, the pharao, let my people go. Menige afgeblafte arbeider heeft zich staande gehouden in de hoop dat misschien hij het wel niet beter kreeg, maar dat in ieder geval zijn kinderen het beter zouden hebben. Mijn vader was de laatste jaren van zijn leven een door de mijn gebroken man. Ademhalen. “Een mens heeft er geen idee van wat het betekent wanneer je bijna geen lucht kunt krijgen”, zei hij wel eens. Maar toch: hij voelde zich de laatste jaren van zijn leven een rijk man. Hij had het zoveel beter dan zijn vader en moeder. Hij kon zich een zakje sinasappels kopen wanneer hij dat wilde. Ik eet graag een sinasappel en denk dan vaak aan mijn vader.
Het moederverhaal uit de bijbelse literatuur over vrijheid en bevrijding heeft in heel de westerse, in oorsprong christelijke wereld, de droom naar vrijheid en bevrijding, naar het kan beter en het moet beter, wakker gemaakt. Ooit, eens!
Want ieder mens wil graag vrij zijn, zich verbeteren, beter worden. Alleen: dat gaat niet vanzelf en vaak niet zoals wij dat zouden willen. Beter worden, zo goed mogelijk leven, dat betekent vaak en steeds weer opnieuw kiezen. Opnieuw beginnen, proberen te beginnen en de moed niet verliezen.
Zo is er het verhaal uit de eerste lezing. Het volk is de woestijn zat. Doodmoe word je er van. Al dat geploeter door die uitzichtloze woestijn is volstrekt zinloos. Dat zie je toch! Je hebt toch ogen in je hoofd. Je ziet toch hoe het gaat Mozes! Waarom moest je ons zo nodig uit Egypte halen? Waarom heb je ons in de woestijn gebracht? Geen brood, geen water, alle miezerigheid. Giftig sissende slangen krijgen de mensen die nog een beetje staan, nog net, tegen de grond. Velen sterven.
Mozes, niet vergeten, de leraar, - leraar Mozes identificeert zich met het volk. Hij begrijpt de pijn, maar hij begrijpt ook dat je daar niet verder mee komt en hij begrijpt dat je het met al je verwijten  jezelf alleen maar moeilijker maakt. En de mensen zeggen: wij hebben gezondigd, we zitten er naast, we missen ons doel, bidt God dat hij die slangen van ons afneemt”.
Mozes maakt een bronzen slang en ieder die daar naar opziet, die zijn kwaad onder ogen ziet, blijft in leven.
Ik vertel het verhaal kort, maar u begrijpt dat dit verhaal een verhaal van veel verhalen is. De meeste mensen hebben daar een eigen versie van – uiteindelijk opzien naar, uit jezelf komen, een handje geholpen je durven overgeven en merken dat het toch een beetje gaat. Een beetje, heel veel meer dan niet of niets.

Het tweede verhaal brengt ons naar Jerusalem. De tijd is Pasen. Het is nacht. Paasnacht in het bijbelse Jerusalem betekent: iedereen en overal zitten mensen bij elkaar. Ze eten samen en vertellen verhalen. En de rode draad in die verhalen is: wij waren slaven in Egypte en Hij, de God waar wij niet over konden dromen, waar we nooit op zouden kunnen komen, Hij heeft ons bevrijd.
Johannes, die het verhaal van vandaag vertelt, zoomt in op twee hoofden, twee mensen die elkaar in die nacht gevonden hebben – twee mensen die we aan het einde van het evangelie weer zullen tegen komen. Nicodemus neemt bij Johannes, het lichaam van Jezus van het kruis. Hij neemt het lichaam van Jezus, zoals wij hier elke zondag doen wanneer wij het brood breken en delen.
Jezus heeft tegen Nicodemus gezegd, dat je om opnieuw te beginnen goed moet luisteren naar waar al die verhalen uiteindelijk over willen spreken. Je moet, zegt hij tegen Nicodemus, maar daarmee ook tegen ons allemaal, opzien naar de mensenzoon, opzien naar de gekruisigde zoals die mensen in de woestijn, op moesten zien naar die slang.
Opzien naar de mensenzoon, zoals we opzien naar elkaar.

In de stilte proberen wij hier, bij brood en wijn, woorden te vinden om een beetje te begrijpen van het geheim dat ons leven is. Brood gebroken, wijn uitgeschonken en ogen die ons over de aloude gebaren van geven en nemen en delen met elkaar aanzien. Opzien naar elkaar.
Ik vind dat op de dag waarop velen zich inspannen voor mensen die ziek zijn, een mooi woord. Opzien, een woord voor vandaag.
Moge God met ons zijn.


 

Tweeëntwintigste zondag door het jaar
31 augustus 2008

Jeremia 20,7-9
Matteüs 16, 21-27

In het tweede hoofdstuk van zijn evangelie, het verhaal over de wijzen uit het oosten en de vlucht naar Egypte spreekt Matteüs een paar keer over de profeet of de profeten. Hij noemt daarbij geen namen. Eén uitzondering maakt hij: Jeremia. Matteüs vertelt zijn verhaal over Jezus de Messias blijkbaar ook tegen de achtergrond van de profeet Jeremia – Jirmejahoe: de heer is verheven. Jeremia is de stem bij uitstek om uit te leggen wat het verbond betekent en hoe dat werkt, dat verhaal van God en de mensen of over de mensen en God.
Verbond, verbonden zijn, leven in verbondenheid, religio, gaat zoals wij allemaal weten, niet enkel over vlinders in je buik, rozengeur en maneschijn. Het kan ook hard aan komen. Je hebt mij verleid en ik ben bezweken. Maar in al het vele wel en het vele wee blijft toch de oorspronkelijke van de ervaring, dat je verbonden bent, niet alleen. Het boek Jeremia vertelt dat, vrijwel aan het begint. Daar klinkt de stem van God: Voor ik je vormde in de schoot kende ik je, voordat je uit de moederschoot kwam heiligde ik je, als profeet voor de volkeren heb ik je aangesteld. Jeremia probeert er nog onderuit te komen. Ik ben nog een kind. Maar er is geen ontkomen aan.
Die eerste confrontatie met de stem eindigt met een vraag: Jirmejahoe, wat zie je? Dan komt een interessant beeld. Ik zie de twijg van een amandel, zegt hij. De amandel is de eerste boom die in het voorjaar zijn bloesem laat zien, de eerste die zegt: er komt nog meer, het is nog niet afgelopen. En God legt de betekenis van de amandeltwijg die Jeremia ziet uit: Dat heb je goed gezien, want ik, ik waak over mijn woord, om het te doen.(Sjaked/ amandel, sjokeed/ wakend).
Dat is ook wat Jezus bezield, als ik dat zo zeggen mag: God ziet ere op toe dat zijn woord gedaan wordt, tot zijn recht komt.

Vandaag komen we Jeremia tegen op de vlucht en ten einde raad. God heeft hem aangesproken en hij is er  op ingegaan – zijn leven lang. In het voorafgaande heeft hij de ramp geschilderd die Jerusalem overvallen zal, overval en moord, verwoesting, deportatie naar Babylon. Maar dat maakt ook hemzelf radeloos. Want hij schreeuwt geweld en onderdrukking, en iedereen lacht hem uit, of vindt het schandelijk dat hij dat soort pessimistische taal uitslaat. Ik wil  niets meer weten, ik wil niet meer spreken in zijn naam. Maar dan laait er een vuur in mijn hart, het brandt in mijn gebeente. Jeremia moet wel spreken.
Daarmee leidt de liturgie ons naar de tweede lezing
We beginnen waar we de vorige week ophielden. Wie zeggen de mensen dat ik ben?, de vraag op de grens, de uiterste, uiteindelijke vraag. We hoorden de namen van Johannes de Doper, Elia of Jeremia – putten vol diep bijbelse echo’s – totdat Petrus het uiteindelijke zegt: Jij bent de Messias, de zoon van God die leeft. En Jezus noemde hem Zalig, want niet vlees en bloed, maar mijn vader die in de hemel is heeft je dit geopenbaard.

Petrus heeft meer gezegd dan hij verantwoorden kan, meer ook dan hij vermoeden of bevroeden kan.  Want waar denk je aan wanneer het over Messias gaat. Christus, Gezalfde, Messias – de koninklijke bij uitstel, degene van wie je alles mag verwachten, die uiteindelijk alles is wat God ons geven kan, Wie is dat? Waarom is Hij dat? Hoe is hij dat? Wat heeft Petrus gezegd wanneer hij Jezus belijdt als de messias, de zoon van God die leeft?
Daarop begint Jezus uit te leggen wat het voor hem betekent, Messias zijn, kind van de levende God te zijn. Hij vertelt hen, dat hij naar Jerusalem moet gaan en veel zal lijden van de zijde van de oudsten, de overpriesters en de schriftgeleerden, dat hij gedood zal worden en dat God hem op de derde dag zal opwekken uit de doden. Ik kom daar dadelijk op terug. Ik volg nu eerst het verhaal.

Wat Petrus ook gedacht mag hebben: hij neemt Jezus terzijde en begint heftig op hem in te praten. Dat kan niet. Dat mag niet gebeuren. Als een dwarsbalk gooit Petrus zich voor de weg naar Jerusalem die Jezus aanwijst als zijn weg. Nooit van z’n leven! Maar Jezus, bijna bits, keert zich om. Petrus heeft hem aan de kant genomen, maar Jezus draait zich om – alsof Petrus achter hem loopt, achter hem zou moeten lopen. Ga weg, Satan, achter mij. Je bent bezig met menselijke overwegingen en niet met wat God wil.
Het verschil tussen zalig en satan is bij Matteüs zes regeltjes. Dat lijken de uitersten voor een mens, daar leef je tussen.
Petrus, de leerling, hoeft het niet beter te weten. Hij moet achter zijn leraar aan, hoeft niet voor te lopen of beter te weten. Op degene die hem volgt, die zijn leerling wil zijn en achter hem aan gaat, wil Jezus zijn kerk bouwen. Het is de les die we allemaal leren, levenslang, ieder op zijn eigen wijze, niet beter weten maar leerling zijn. Wat betekent dat? Wat moet je dan doen, om leerling te zijn? Ook dat weten we allemaal. Vragen stellen, vragen proberen, steeds opnieuw willen kijken en luisteren. Vermoeden, aanvoelen, vragen. En antwoorden proberen, wikken en wegen – in ieder geval meegaan, volgen.

Dat hij naar Jerusalem zal gaan, naar die eeuwige droom van het echte leven in vrede met elkaar en met jezelf, naar Jerusalem, die stad waar God zijn hart aan verpand heeft, de stad van de bloeiende amandeltak, God waakt daar over zijn woord om het te doen, te laten gebeuren. Daar, in dat gebeuren ontmoeten we hem, de Vader, de Zoon.
De oudsten, de overpriesters en de schriftgeleerden zullen hem doden. Dit is ontzettend pijnlijk. De oudsten, de wijzen, de mensen wier leven een en al ervaring is. De overpriesters, de oercelebranten, de plechtige bedienaars van de tijd en de hoogtij dagen, en de schrijvers die het verleden kunnen lezen en beschrijven, die het heden kunnen vastleggen. Kort gezegd: de mensen die het weten kunnen zullen hem van de kaart proberen te drukken. Voor hem is geen plaats in hun herberg. Weg met hem, aan het kruis met hem.
En toch.
God bewaakt zijn woord. Hij ziet er op toe dat het gebeurt. Dat is het geheim van de derde dag. Wanneer duidelijk begint te worden hoe definitief het is, alles voorbij – dan wordt er ingebroken in onze stelligheid en klinkt de vertolking van het paasgeheim, van de bloeiende amandel: hij leeft. Hij ziet toe. Hij ontfermt zich over ons.
Dat leren we wanneer we hier samen zijn in zijn naam en het brood breken en delen met elkaar. En moge God ons zegenen.

 

 

21ste zondag door het jaar

Jesaja 22,19-23
Romeinen 11, 33-36
Matteüs 16, 13-20

Voor de eerste lezing worden we vandaag naar Jerusalem gebracht. Het is ongeveer 700 voor het begin van de Christelijke jaartelling. Jerusalem in die tijd zou in onze ogen een dorp zijn. Sta je op het diepste punt van de stad dan zie je als het ware een driehoek tussen twee dalen omhoog lopen. Links is de uitbreiding van de stad, op de berg Sion. Maar de driehoek van het begin van de stad loopt uit op wat wij kennen als het tempelplein. Zo krijgt  die beroemde psalmregel een beeld: Ik sla mijn ogen op naar de bergen, zou iemand mij komen helpen?
Sta je tegenwoordig op dat tempelplein dan zie je aan de overkant, op de Olijfberg, een massa stenen monumenten, graven. Beneden zijn nu nog een paar grotere: het graf van de koningen of het graf van Absolon en het gedenkteken van Zecharja. De heuvel die omhoog rijst aan de overkant is de Olijfberg. Verder naar beneden loopt dat uit op het tegenwoordige Oost-Jerusalem.
De wanden van het dal, net buiten de stad maar zichtbaar dichtbij, zijn uitgehold. De stenen zijn gebruikt om Jerusalem van te bouwen. De gangen die overbleven waren favoriete begraafplaatsen. Daar treffen we vandaag ene Sjevna aan, een bobo aan het hof, overste van de tempel.
Sjevna wordt er van verdacht de koning in te fluisteren dan een verbond met Egypte hem zal redden. Nu is zijn excellentie Sjevna bezig voor zichzelf een hooggelegen praalgraf te bouwen – en komt dan de stem van Jesaja tegen: Dat houwt in de hoogte zijn graf uit, dat hakt zich in de rotssteen een woning. De heer zal je winden tot een windsel en je wegslingeren als een opgerold pakketje – denk aan de mummies. En al de  tekenen van zijn waardigheid zal ik aan Eljakiem geven, de zoon van Chilkijahoe. Mochten wij ons afvragen waar dat alles om draait, luister dan naar de opdracht of de aankondiging van Eljakiem. Hij zal worden als een vader voor wie wonen in Jerusalem en voor het huis van Juda …De sleutel van het huis van David zal ik op zijn schouder dragen. … Ik zal hem vastslaan als een spijker op een stevige plek. U begrijpt: alles zal anders worden. Anders, meer zoals God daarvan gedroomd heeft.

Vorige week waren we Jezus bij Matteüs gevolgd naar het grensgebied van Tyrus en Sidom. Daar kwam die vrouw uit Kanaän naar hem toe. Meester, mijn dochter … Vandaag gaan we nog een klein eindje verder naar het noorden, op de rand van de kaart van Israël. Het gebied van Cesarea Philippi. Daar, op de grens, komt de vraag op de grens, de uiteindelijke vraag. De vraag van Jezus aan zijn leerlingen, zo je wilt, de vraag van Jezus volgens Matteüs aan ons. Wie zeggen de mensen dat ik ben? Wat of wie zien ze allemaal in mij. Met andere woorden: als je hier, op de grens, op het uiterste naar Jezus kijkt, hoe kun je dan kijken?

We horen de antwoorden.
Sommige zeggen: Sint Jan de Doper – U kent hem wel, die profeet die bij de Jordaan omhoog kijkt naar waar hij Jerusalem vermoedt en die recht voor zijn raap zegt dat het anders kan en anders moet, dat je je moet oriënteren op Jerusalem en op alles waar die stad – gegeven Gods beloften – voor staat.
Anderen zegen Elia – U kent hem wel, de vader van de profeten. Elia is de eerste die de koning, die “een oosters potentaat” het opengeslagen boek voorhoudt om duidelijk te maken dat ook een koning heeft te horen naar God die spreekt in alle verhalen die zelfverrijking en willekeur of machtsmisbruik niet ophemelen maar ingetogenheid, engagement, ruimte en bevrijding voor de mensen die God dierbaar zijn.
Weer anderen zeggen Jeremia of een van de profeten. Als U in het Rijksmuseum bent geweest dan hebt U zeker die prachtig ingetogen, door en door droeve Jeremia gezien aan de voet van een gigantische zuil lijkt het. Als je beter kijkt zie je Jerusalem, de tempel in brand staan. Jeremia is getuige van de treurnis en droefheid die je overkomt wanneer je alles wat je dierbaar is, lief en heilig, wanneer eigenlijk alles je ontvalt.

We hebben dus drie portretten van hoe het in de stad van de grote koning toe zal gaan, helemaal gebonden aan Jerusalem en de troon van David. Maar Jezus maakt de vraag indringender. Maar jullie, wie zeggen jullie dat ik ben?

Terwijl we naar woorden zoeken horen we een stem. Simon Petrus. Simon Petrus is ons voor. Hij spreekt voor ons, namens ons. Jij bent dé koning, dé gezalfde, de messias, de christus – allemaal één woord. Jij bent de Gezalfde, de zoon van God die leeft. Als een blok valt die steen in de stilte van de leerlingen. Kringen trekken hun golvende lijnen over het water. Gods koninklijke kind, de geliefde beminde, de lang verwachte, de uitkomst en opluchting wanneer wij de zwaarte van de dag bijna niet meer kunnen dragen – jíj bent dat! Jij bent de Messias, de zoon van God die leeft.

Daarmee is Petrus ver uit de goal gelopen. We zullen dat de volgende week uitgebreid gaan horen. Maar nu zet Jezus een streep onder de woorden van Petrus, een opmerkelijke streep met een eigen aard. Hij zegt: Zalig ben jij, Simon, zoon van Jona, want niet vlees en bloed heeft je dit geopenbaard, maar mijn Vader die in de Hemel is. Petrus krijgt meer dan een tien, maar daar is een enorm MAAR bij. Volgende week zullen we ook zien dat Petrus de wijsheid van die woorden niet uit zijn eigen hoofd haalt. De kaarten waar hij mee speelt zijn absoluut waar en betrouwbaar. God staat daar garant voor. Maar wij leren, leren voortduren en blijven leren en vermoeden wat het betekent dat hij de Messias is, dé koning, het kind Gods dat ons met Kerstmis gegeven wordt en dat wij heel ons leven zullen zoeken te volgen. Hij nodigt ons aan zijn tafel van vrijheid en bevrijding. Daar delen we de beloften die ons gegeven zijn, maar misschien meer nog: daar delen we de beloften die ons gegeven worden.
En moge God met ons zijn.

 

 

Twintigste zondag door het jaar

Jes 56,1.6-7
Romeinen 11,13-15.29-32
Matteüs 15,21-28

Het woordje katholiek betekent eigenlijk algemeen, de rest van de wereld. En dan moet je denken aan Israël en de rest van de wereld. U weet, zeker in amsterdam weten we dat, het is niet vanzelfsprekend en gemakkelijk, al die andere mensen. Israël en die anderen: die anderen dat is de betekenis van katholiek.
Het lijkt er op dat Jesaja ons vandaag gerust moet stellen, op voorhand gerust stellen. De vreemdelingen,de anderen die mee willen doen horen er bij. Zij zijn welkom in de Tempel, in het huis op de berg van alle verhalen. Voor hen is er plaats.

Met die wetenschap komen we dan bij Matteüs aan. Een vreemde Jezus. Hij jaagt die vrouw zo ongeveer weg, alsof het hem niet aan gaat. Ik ben alleen maar tot de verloren schapen van het huis van Israël gezonden!  Daar zijn we mooi blij mee, hier in de Sint Jan de Doper in Amsterdam.
Maar laten we bij het begin beginnen. Het verhaal begint met dat hij vandaar weg gaat. Vanwaar gaat hij dan weg? Wij hebben het voorafgaande verhaal niet gehoord.  Daar was een discussie met de schriftgeleerden en farizeeën. Het ging over rein en onrein. Over onderscheid. Over verschil dat er is en dat er moet zijn. Niet alles is hetzelfde. Jezus zegt:niet wat de mond ingaat, maar wat de mond uitgaat , dat komt uit het hart, dat verontreinigt een mens.
Gegeven die discussie gebruikt Matteüs nu een sterk werkwoord. Jezus wijkt uit naar de grensgebieden. Hij trekt zich los uit die discussie. Hij houdt zich schuil op de rand, waar binnen buiten wordt en omgekeerd. Dan staat er niet op een gegeven ogenblik, maar En zie. Boem. Plotsklaps, een blikseminslag. Daar komt een kananese vrouw uit die grensgebieden. Ze schreeuwt. We kunnen zelfs dat grieks verstaan: eleison me, kyrie, zoon van David. Zo slaat meteen de goede toon aan: Zoon van David. Erbarm je over mij. Laat je schaduw over mij vallen en laat zien dat je een koninklijk mens bent als David!
Wat is er aan de hand? Waarom al die trammelant? Het zal je maar gebeuren: Mijn dochter is heftig van de duivel bezeten. Maar hij zegt niks. En de leerlingen zeggen hem: stuur dat mens toch weg. Straks weet nog iedereen waar we zitten en vallen de schriftgeleerden en farizeeën over ons heen.

Het ging net over rein en onrein. Er is een verschil. In die Kananese vrouw loopt op een of andere manier heel de wereld, als die anderen die niet Israël zijn, achter hem aan. Zoon van David, ontferm je over mij. Mijn dochter – haar kind, haar troost, haar toeverlaat, haar leven of waar heel haar leven mee verweven is – eergisteren was het Maria hemelvaart. Moeten we dan nog uitleggen hoe dat gaat tussen een moeder en haar kind! – erbarm je over mij.
Hij draait zich niet om. Hij geeft alleen het antwoord: ik ben niet gestuurd tenzij naar de schapen, de verloren schapen van het huis van Israël.
Ik ben verwonderd over de wijsheid van die vrouw. Zij probeert hem niet tot een discussie te dwingen. Helemaal niet. Op een of andere manier snapt ze hem wel. Die indruk heb ik. Maar hem snappen betekent voor haar ook: het er niet bij laten zitten. Ze komt dichterbij. Gooit zich voor hem op de grond en zegt: kyrie, help me – Het griekse woord in de tekst komt alleen hier voor. Maar het brood van de kinderen kan ik niet nemen en aan de honden geven! Zo weet ik er nog wel een paar, zouden we in Amsterdam zeggen. Dat kun je niet maken. Nee – zij is veel slimmer. Hallo Heer, wat zullen we nou hebben. De honden eten toch van de kruimels die van de tafel vallen. Drie keer heeft  zij wat gezegd. Hij twee keer. Hij is aan zet.  Wat voor Matteüs van begin af aan al duidelijk is wordt ons hier, in de grensgebieden van Tyrus en Sidom gepresenteerd als een ontdekking van Jezus die door die Kananese vrouw over de streep wordt getrokken – door haar weerloosheid, haar pijn maar ook haar onverwoestbare zekerheid. De kruimeltjes zullen volop haar deel zijn. Vrouw, groot is je vertrouwen. Moge je geschieden zoals je wilt.
De dochter wordt op hetzelfde uur genezen en door de voorspraak van die Kananese vrouw mogen wij horen dat wij in ons vertrouwen er ook bij horen. Dan komen er in het verhaal velen die ziek zijn en weer een verhaal over de velen die te eten krijgen. Volgende week zullen wij horen welke vraag uiteindelijk op de grens gesteld wordt.

Hoezeer je ook buitenstaander bent, het loont de moeite om te roepen, om je te presenteren. Zo zijn wij uiteindelijk ook hier vandaag bijeen gekomen, om te doen wat ons gevraagd is en met elkaar te delen wat ons gegeven is. Moge dat zo zijn.

 

Zondag 10 augustus 2008
19e zondag door het jaar

1 Kon 19, 9a. 11-13a
Matteüs 14, 22-33

We hebben de afgelopen weer de verhalen gehoord over het koninkrijk Gods, de manier waarop God koning is. Want koninkrijk - daarmee wordt niet zoiets bedoel als het koninkrijk der Nederlanden, Koninkrijk België, of het Britse koninkrijk. Koninkrijk God bedoelt vooral de manier waarop God koning is. Voorbeeld: Beatrix is een heel andere koningin als Juliana. Koninkrijk Gods: de manier waarop God koning is. En bijbels gesproken moet je dan altijd denken aan: niet zoals de pharao van het Egyptische slavenrijk. De Pharao is koning over de ruggen van de slaven heen, koning ten koste van de slaven, de anderen kleiner maken om zelf groot te kunnen zijn. God is niet koning als de pharao, ten koste van de slaven, maar voor de onderdrukte, de arme, de geminachte mens. God laat zien hoe hij koning is door de slaven de vrijheid, de verlossing, de bevrijding te geven. God bevrijdt. Dat is ook wat de naam Jezus betekent: God bevrijdt.

We hebben gesproken over Gods koning zijn met behulp van het verhaal over de boer die goed zaad zaait in zijn akker. En dan komt iemand met al dat onkruid. Wacht! Wacht. Geef het de tijd. Trek niet het goede met het verkeerde uit. En er was het verhaal over de schat in de akker, de kostbare parel. Het verhaal over het mosterdzaad dat zo imponerend boom wordt dat de vogels des hemels, en God heeft vele vreemde vogels, daar een plaats in kunnen vinden, een boom van en vol leven die hemel en aarde met elkaar verbindt.
Vorige week is dat peinzen over het koning zijn van God als het ware in de rede gevallen. Onthutsend kwam het bericht over de moord op Johannes de Doper. Als die mensen achter hem aan. Wat kon hij volgens Matteüs anders doen dat zichzelf te geven, dan brood uit te delen voor zo velen. In geven en delen kan hij bij hen zijn. Wij weten dat elke week weer hier. Een beetje brood geeft alle moed om de eenzaamheid op je te nemen en te dragen, tot wasdom en mildheid te laten uitgroeien, een beetje begrip. Het brood dat we delen oogt al vooruit naar Pasen, doet ons terugdenken aan de bevrijding - dit is de eerste dag van de rest van mijn leven - elke morgen nieuw.
Vandaag brengt Matteüs ons weer in de sfeer van Pasen. Jezus heeft zich teruggetrokken op de berg. Hij bidt. Hij legt zijn ziel voor God neer en weet dat Hij er niet alleen voor staat, dat God ook voor Hem de Vader zal zijn. Dat speelt zich af op de berg.
De leerlingen zijn intussen door de storm in de boot genomen. Heftig gaat het te keer. Dat gaat helemaal fout. Daar is geen houden aan. En in al die radeloosheid komt hij over het water gelopen. Daarbij hoef je niet je ogen, maar moet je je oren geloven. De weg over het water is de weg uit de slavernij, als de pharao het niet meer houden kan en die arme mensen wel MOET laten gaan. Zij in dat bange bootje schreeuwen het uit. Een spook! Maar hij zegt: Houdt moed. Ik ben. Vrees niet. IK BEN is ook de stem uit het brandende braambos. IK BEN staat tussen: Houdt moed en vreest niet. Je hoeft niet bang te zijn. Het mag wel, moet misschien zelfs, maar het hoeft niet. Je bent niet alleen.
Petrus wil wel, maar kan eigenlijk niet. Petrus moet ons bij Matteüs steeds duidelijk maken dat de kracht van het vertrouwen niet uit de mens zelf komt. De sterkte van mijn geloof is niet MIJN overtuiging, maar DAT HET MIJ GEGEVEN is. De Ander geeft mij dat vertrouwen, dat WETEN DAT JE NIET ALLEEN BENT.

Daarom wil ik graag met u terug naar de eerste lezing. Voor mij is dit een van de grootste verhalen uit de bijbelse literatuur. Elia, de man Gods, de VADER VAN DE PROFETEN. Pro/namens, feet van fari, spreken. Een profeet: iemand die spreekt namens. Namens wie of wat spreekt de profeet dan? Vul maar in, probeer maar: namens God, namens de onderdrukte, namens ,,, vul maar in. Zelfs: namens de tekst, namens het verhaal. Want een verhaal heeft ook vertellers nodig. Met alle problemen in de kerek zouden we dat hoog op de agenda moeten schrijven: het boek van God en de mensen heeft vertellers nodig, profeten. ELIA IS EEN PROFEET, zelfs, de VADER van de profeten. Iedere profeet is uit zijn hout gesneden.
Elia heeft zich voor zijn God de poten uit zijn lijf gelopen. Het is in de dagen van koning Achab, een koning die een aanfluiting van een koning was, die dreinde als hij zijn zin niet kreeg en als het voor zijn plezier nodig was over lijken ging. Elia is de eerste die het boek stem geeft en zegt: zo gaat en kan het niet. Maar Achab houdt niet van mensen die zijn spelletjes in de ar stuurt, en Jezebel, zijn vrouw, al helemaal niet. Elia zal zogenaamd vanzelf wel tegen het mes aan lopen.
Elia is gevlucht, de woestijn in, naar de berg Gods, de Horeb. Daar heeft hij zich uitgebreid beklaagd. Zo is het geen leven God, laat mij liever sterven. De raven komen hem voeden, maar Elia wil doodsmoe alleen maar slapen. Hij trekt zich terug in een grot. Daar stappen we het verhaal van vandaag binnen."
"Elia, kom naar buiten. Ga staan voor de Heer op de berg". Hij komt naar buiten. Dan breekt de hel los. Hemel en aarde lijken te vergaan. Een storm die je stijf van schrik doet staan, die bergen doet splijten en rotsen versplinterd. Daarna een aardbeving waardoor geen grond onder je voeten meer blijft. Dan een vuur dat alles ontluistert. Elia blijft staan.
Dan, ten slotte, is er "het suizen van een zachte bries" zegt de vertaling heel lief. Maar het staat er nog veel inniger. Na alle hokus pokus die horen en zien doet vergaan is er volgens het hebreeuwse origineel "de kleine stem van de stilte".
"De kleine stem van de stilte". Elia hoort dat. Hij bedenkt zijn gezicht met zijn mantel. Hij gaat naar buiten en blijft voor de ingang van de grot staan.
Je kunt hem niet aankijken. Hij heeft zijn gelaat bedekt; hij ziet niet meer. Wat niet kan gebeurt aan hem: God gaat voorbij,. Hij weet dat. Voor Elia is het opnieuw Pasen, zoals het eigenlijk iedere zondag een herinnering is aan de eerste dag van de week, de dag van de verrijzenis, van het Grote Gebeuren dat je bijna niet merkt, de kleine stem van de stilte - of de stilte van de kleine stem - onhoorbaar maar even reëel als een glimlach die je opmerkt.
Zo heeft hij zijn leerlingen aangekeken, die laatste avond. Hij kijkt als het ware over zijn dood heen naar zijn vrienden die nu zelf moeten gaan beginnen. Hij geeft zichzelf aan ons. Dat vieren wie, steeds weer. Uiteraard: samen.


 

Zondag 27 juli 2008
17e zondag door het jaar

1Koningn 3,5.7-12
Matteüs 13,44-52

Je moet weten dat de mensen in Galilea natuurlijk iedere dag over de akkers liepen. Dat was de omgeving direct rond hun huis. Met een beetje geluk. Je loopt er iedere dag en opeens die overval: een schat, een immense bron van rijkdom zo maar in je tuintje. Zo is het koninkrijk Gods. Zomaar gevonden in een akker. De man van dit verhaal verkoopt alles wat hij heeft om deze akker te kopen. Daarmee houdt het verhaal op. Er wordt ons niet verteld of hij die schat opgraaft en of hij die gaat verkopen om van de rente te leven bijvoorbeeld. Geen woord. Enkel: hij koopt die akker.
Weer is het koninkrijk der hemelen gelijk aan… Komt er weer een zeer gelijkenis van een regel. De manier waarop god koning is lijkt op trekker verkoper, een marchandeur, een koopman die mooie edelstenen zoekt. Maar als hij dan die ene prachtparel vindt verkoopt hij alles om deze ene te hebben.
Het zijn verhalen van alles of niets.
En daar komt meteen weer een gelijkenis: dat koning zijn van God lijkt op een sleepnet. Het brengt alles bijeen – sunagousè, u hoort synagoge. Een kerk vol. Het goede wordt bewaard in vaten, het slechte wordt weggegooid.  Zo zal het gaan wanneer de volheid van de tijd gekomen is. Gods engelen zullen uittrekken om de verkeerde mensen uit het midden van de rechtvaardigen te halen. En het wegwerpen wordt verder ingevuld. Ze zullen in het vuur worden gegooid waar je de tanden hoort kraken.
Je wordt er een beetje stil van. Alles of niets, en er komt nog een selectie. In oude kerken en schilderijen zie je de angst voor het vuur verbeeld.

Terwijl je zo peinst gaat de tekst verder. Heb je dat nu allemaal gehoord? Ja, zeggen ze, zeggen we. We hebben het allemaal gehoord. Dan komt de laatste regel. Iedereen is schriftgeleerd wanneer hij of zij geleerd heeft over het koninkrijk der hemelen. Daarover peinzend word je wijs, wordt je een heer des huizes, iemand die goed thuis is. Hoezo? Uit je schat haal je nieuwe en oude dingen te voorschijn. Dat wil niet zeggen dat je uit je voorraad oud repertoire en nieuwe deuntjes hebt. Je moet dat oud en nieuw bij elkaar trekken: nieuw dingen die eeuwenoud zijn, die je eigenlijk allang wist maar die nu weer als nieuw voor je zijn. En oude dingen die je al zo lang bij je draagt dat ze al hun rijkdom en glans verloren hebben, maar die je je nu weer opeens en ten volle realiseert.

Heb je dit alles verstaan? Na alles wat hij vertelt heeft is dit de vraag. Meestal leidt de eerste lezing ons naar de tweede, als een pad naar het evangelie. Vandaag lijkt het omgekeerd.
Salomo de zoon van David – een koning die als een droom is, de koning te rijk. Het verhaal vertelt over Salomo die in een droom God ziet. Werkelijk een uitgelezen gelegenheid. God vraagt hem wat hij wil. Wat wil je dat ik je geef? Een vraag die ons al horend in de oren wordt gefluisterd: Wat zou je graag willen? Als je niet meer de jongste bent is dat een vraag waar je niet zo lang over hoeft na te denken. Wat zou je graag willen?
Intussen is Salomo aan het wikken en wegen geslagen. Je hebt mij koning laten worden God, terwijl ik nog zo jong ben, nog zo weinig weet. En niet zo maar koning, maar koning over dat volk dat jouw volk is. Als een soort rentmeester heb je mij aangesteld en wat moet ik doen. Ja, het goede moet ik doen. Maar in al die complicatie waar en mens mee moet leven! Als je ziet wat er iedere dag op ons af komt via de t.v. en de krant. Heel de wereld wordt op ons bordje geserveerd en wat moeten wij? Geef uw dienaar een opmerkzame geest – zegt de tekst. Een opmerkzame geest … Het hebreeuws zegt het volgens mij veel mooier, veel echter en eenvoudiger. Geef uw dienaar een horend hart. Het bijbelse hart zoekt altijd naar richting. Iemand met een goed hart weet waar hij of zij het zoeken moet. Salomo vraagt een horend hart. Laat mij de afstand tussen mij en de wereld waarin ik leef, de mensen met wie ik leef, overbruggen met een horend hart. Altijd weggaan uit jezelf, horen naar, je afstemmen op, om mee te kunnen gaan in het gebeuren.

Ook vandaag wordt ons vertelt hoe de Heer in ons midden is, ons aanziet en zich aan ons geeft in het brood en de beker. Op een heel persoonlijke wijze wil hij bij ons zijn om uit onze schat oude en nieuwe dingen te halen, om bij de tijd te kunnen zijn.
Moge dat zo wezen.

 

 

Zondag 20 juli 2008

Over teksten van de zondag, maar ook een beetje met het oog opde doop van twee kinderen

Romeinen 8,26-27
Matteüs 26-27

Ze zijn een beetje naïef, de leerlingen in het eerst verhaal. Zij, of wij, moeten blijkbaar iets leren, iets dat er toe doet, - en daarom worden we meegenomen naar een boer die in het voorjaar doet wat een boer graag doet: zaaien. Hij zaait niet zo maar wat. Hij zaait, zegt de tekst, goed zaad. Pico bello. Maar dan komt iets dat het daglicht niet dragen kan, een vijand, onkruid. Maar het land is een toverland. Het schiet op, zet vrucht – en ook het onkruid roert zich. Dan komen die knechten. Ze willen meteen uitrukken. Maar deze man van het land blijkt een voorzichtig heer te zijn. Ik ben bang dat jullie de tarwe mee uittrekken als je met het onkruid in de weer gaat. Een beetje simpel en een beetje snel gezegd: leg niet op alle slakken zout. Rustig aan. Heb vertrouwen in wat komen gaat. Zie de  toekomst – ondanks wat dan ook – zonnig.

Datzelfde verhaaltje komt aan het einde van het evangelie terug. Het onkruid blijkt dan de oogst van het kwaad te zijn. Het wordt verbrandt. Er blijft niets van over. Al het andere is oogst, kostbare oogst. Het wordt verzameld en gekoesterd. Die boer die in zijn zorg een Heer is gaat zo met zijn oogst om dat je zou willen daar bij te horen.

Die parabel over het zaad en de oogst is als het ware uitgerekt of tot twee stukken gemaakt, twee boekensteunen. Tussen die twee steuenen staan nog twee verhaaltjes. We kennen die verhaaltjes maar toch haal ik ze even uit het duister, uit het rek.
Het eerste verhaaltje is het mosterdzaad. Het kleinste van alle zaden.  Ik tekende dat vroeger in lessen op het bord. Niet zo, niet zo, niet zo – uiteindelijk een stipje op het bord. Zo groot, zo klein, zo nauwelijks. En dan zei ik: net niet niets. Het koning zijn van God is niet het grote vertoon. Het koning zijn van God is net niet niets maar wordt zo groot dat hemel en aarde elkaar in die boom vinden – en wij, de vogels, komen nestelen in die takken, volop plaats.

Ik bak graag en regelmatig zelf brood. Het tweede verhaaltje is mij dus dierbaar. Ik zie haar altijd voor mij, die vrouw die desem in drie maten bloem verwerkt. Als kind vond ik dat al geheimzinnig: drie maten bloem. Bloem was meel, maar “drie maten”. Maar ik zag grote gebaren en het deeg rijzen onder haar handen.
Het desem is maar een beetje. Je merkt het eigenlijk niet op. Als ik het meel was, ik zou er niet van groeien – maar dat is een vergissing. Kneden en kneden en kneden maar, drie maten meel, drie maal meel uitgemeten – het is als het leven zelf. Wij worden gekneed en dat beetje desem, dat geheimzinnige Rijk Gods, dat Rijk van vrijheid en bevrijding, van “wees welkom en zoek je plek in de takken van het mosterdzaad” – dat beetje desem doet de wonderen die wijzelf voor onmogelijk hielden. Daarom is het goed om twee kinderen en in hen alle kinderen toe te vertrouwen aan dat het leven dat wij noemen het koning zijn van God, die koning die met kerstmis een kind is, op goede vrijdag geheel en al kwetsbaar maar met Pasen voor God heilig en dierbaar.

Wat zullen we dan nog meer zeggen waar zoveel van de toekomst onzeker is? Daartoe heb ik vandaag de tweede lezing als eerste gekozen. De Apostel Paulus, voorwaar niet de  geringste, komt onze onzekerheid tegemoet. Hij zegt: de geest komt onze zwakheid te hulp. Want wij weten niet eens hoe we moeten bidden. De geest die de aarde en de hemel met elkaar verbindt, pleit voor ons in ons zuchten. Daar ontstaat het vertrouwen en de stilte.
Het kleinste zaad de grootste boom en een beetje desem met drie maten bloem – mogen wij dat ook een beetje voor elkaar zijn. Een beetje schaduw, een beetje plaats, en dank zij de desem overheerlijk brood, leven om in te bijten.
In die verwachting, tegen die achtergrond en met dat perspectief zullen we Jael en Boaz dopen. Moge dat zo zijn.

 

 

13 juli 2008
Jesaja 55,10-11
Matteüs  13,1-23

Zeezaad
Eigenlijk kunnen wij de eerste lezing niet goed verstaan. We hebben de laatste jaren wel wat weinig sneeuw gehad, maar regen des te meer lijkt het wel. Wij hebben eerder het vermoeden dat het best wel een beetje minder zou mogen. Dus: “Zoals de regen en de sneeuw uit de hemel vallen en daar pas terugkeren wanneer zij de aarde hebben gedrenkt, haar vruchtbaar hebben gemaakt en met groen bedekt …” Voor ons is dat wel mooi gezegd, maar ook een beetje overdreven, overtrokken. Maar onze wereld en ons land is niet het bijbelse landschap. In maart is alles groen, overstelpend groen en bloemig. Kom je een maand later dan is er niets meer tenzij wanneer iemand voor water zorgt. Hitte die steeds onbarmhartiger wordt. Ik heb het meegemaakt in juli 53 graden in de schaduw. Wanneer het zo voortdurend heet en droog is, dan is de wintertijd met zijn regen en soms zelfs sneeuw een uitkomst, dan is er weer hoop op straks, een beetje groen, en oogst van granen en vruchten, zelfs wat gras voor schapen. Regen als een droom van vrede, een visioen. Water is het verschil tussen woestijn en land, is hoop op zegen.
Zo is het ook met het woord van God, zegt Jesaja de profeet, uit de Ballingschap. Ook water heeft een missie, een zending. Het keert pas terug wanneer het zijn wonderen heeft verricht. Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid – wij kennen die teksten.

Mattheus neemt ons mee naar het meer van Galilea. Het is een verhaal dat begint als een ballet, met een welomschreven choreografie.
Jezus gaat zitten aan de oever van het meer, zegt onze vertaling. Hij verlaat het huis en gaat aan de oever van het meer zitten. Dat is mooi en herkenbaar nederlands, lijkt het begin van een poëtisch verhaal, want je ziet het zo voor je, maar het leidt ons niet het verhaal in. Mattheus zegt: op die dag, uitgaande uit het huis gaat hij zitten bij de zee. Heel dominant zegt Matteüs uitgaande. Uitgaan, uittrekken, uittocht – dat idee moeten we mee nemen. Ik bedoel: Jezus is wel vaker een huis in en uit gegaan, maar dan staat het niet in de tekst. Nu wel. Let op de kleintjes.
En dan de choreografie. Hij zit daar bij de zee. Bij hem komen bijeen, sunèchtèsan, maakten zich tot synagoge, vele menigten, zodat hij in een schip gaande gaat zitten en al die menigten staan op de oever. Ik heb wel eens tegen studenten gezegd: “Ga eens staan. Nu ben jij Jezus. Je hoeft  niets te zeggen. Waar zijn al die mensen.” Studenten zijn dan eerst verbaasd, weten niks, maar na een paar keer proberen steekt dan toch iemand zijn hand en zijn arm uit en maakt een breed gebaar van links naar rechts. Het gebaar dat wij kennen als het gebaar van de zaaier. Hij geeft als het ware uit zichzelf weg (uitgaande) aan de aarde, aan de anderen. Het verhaal begint met een zoekplaatje, en dat zoekplaatjes is het hele verhaal en alles wat het te denken geeft.
Je krijgt medelijden met die zaaier. De vogels vreten een deel op. Een deel valt op de rotsen met nauwelijks aarde. Weg. Een deel valt onder de distels die alle licht wegnemen zodat er eigenlijk niets groeit. Tevergeefs, tevergeefs, tevergeefs. In ht latijn heet dat frustra. Frustrerend zaaien. Ja, dat zou je denken, maar dan begrijp je weinig van wat zaaien eigenlijk is en hoe dat gaat. De uitbundigheid van het gebaar wordt niet ontkend door alles wat er fout gaat en fout kan gaan. God is een onverbeterlijk optimist. Het laatste deel groeit uit, schiet uit. Honderd, zestig, dertigvoudig. Niet te kort!

Het hele verhaal wordt verteld na het voorafgaande. Ik geef u de  laatste regel: Want zo is wie de wil doet van mijn vader die in de hemel is, zo is hij mijn broer en mijn zus en mijn moeder. De hemel in die tekst schreeuwt om de aarde en het groeien van het woord betekent: broers, zussen en moeders.
Het woord van God heeft zeldzame groeikracht. Om jaloers op te worden. Nee, glimlacht volgens mij Matteüs dan. Heb je het net niet helemaal begrepen. We begonnen met vader. Wie de wil doet van mijn vader die in de hemel is. Dus op een of andere manier hebben we bij voorbaat al te maken met een zoon. Vader in de hemel, zoon op aarde. En als dan mensen het woord doen en het begint over vrucht voor te brengen komen de broers en de zussen en de moeders – en weer broers en zussen en moeders. Een soort perpetuum mobile. Hoe kan dat? Ook dat heeft Matteüs als het zaad in de tekst verstopt, denk ik.
Wij kennen dit verhaal het beste uit de markustekst. Daar heet het, zoals in Genesis: dertig, zestig en honderdvoudig. Het zijn net twee handen die van je borst vertrekken om zich allengs uit te strekken naar alles wat oogst is. Maar Matteüs heeft de bekende volgorde veranderd. Hij zegt: honderd, zestig, dertig. Dat is de andere kant op. Van breed uitgestrekt komen de handen bij elkaar en gaan ze naar je toe. Van honderd, zestig, dertig kom je als vanzelf terecht bij die ene, die het geheim van het verhaal is, die zoon van de vader die in de hemel is, die zoon die in broers en zussen en broer blijkt. Broederschap, nabijheid als een zich uitdelende kwaliteit van leven. Dat is het geheim van het zaad, van Gods woord dat ondanks wat zich aandient als tevergeefs, toch in ons vruchtbare aarde vindt en groeikracht, toekomst om blij mee te zijn. Zo zijn wij oogst en zaaigoed waar God blij mee is – zegt Jezus bij de zee.
Moge dat zo zijn.

 

Zondag 6 juli 2008
Veertiende zondag door het jaar
Zacharja 9,9-10
Romeinen 8,9.11-13
Matteüs 11,25-30

Een van mijn leraren is de in mijn ogen zeer grote Frans-Joodse filosoof Emmanuel Levinas.  Rond 1963 verraste hij de wereld van filosofen met een volstrekt oorspronkelijke manier van denken. Opeens ging filosofie over honger en dorst, over een huis, over kleding en werk. Maar zijn basisidee was: de ander opent mij de ogen; de ander haalt mij uit de geslotenheid van mijn wereld om mij te plaatsen in de ruimte van wat eigenlijk onmogelijk is, het uitzonderlijke dat mij overkomt. De ander tot zijn recht laten komen was voor Levinas een weergave van wat contact met de eeuwige is. De ander is mijn leraar, gaat mij voor, nodigt mij uit, laat mij verder komen dan ik in mij uppie ooit voor mogelijk had gehouden. De ander mens is mijn leraar.
Eigenlijk is dat volstrekt niet origineel. Vanuit onszelf, instinctmatig, konden we zuigen en omgaan met wat voor ons lichaam uitgewerkt was. Al het andere, staan, kijken, antwoorden, meegaan, opzien, proberen, nog eens – alles hebben we van anderen geleerd en leren we van anderen. Alles hebben we zo door en door van anderen geleerd dat het daarna heel moeilijk is om zelf te gaan staan, op eigen benen, en zelf proberen.

Leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Jezus, op het toppunt van graag willen, o zo graag willen, maar eigenlijk niet geaccepteerd worden, zegt: leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart, eigenlijk, vernederd van hart. Van de vernederde, op Goede Vrijdag geminachte Jezus, kleingemaakt, te schande gesteld, te kijk, kunnen we leren. Omdat van hem niets is overgebleven kun je van hem leren. Hij beroept zich nergens op, laat zich nergens op voorstaan, is wat hij is, en door en door kwetsbaar mens zoals ieder van ons. Daar kun je van leren.

Leer van mij want ik ben zachtmoedig en nederig van hart, vernederd van hart. Wat is dat, zachtmoedig?
Een jaar of 25 geleden had de had de ncrv en serie over Bijbelse grote figuren. Toen de uitzending over Mozes ging stond er in de KRO-gids een commentaar van de KRO bij. Daarin schreef en redacteur, dat van Mozes werd gezegd dat hij zachtmoedig was, maar dat was toch niet helemaal waar. Mozes kon flink te keer gaan. Ik heb hen toen geschreven dat het goed katholiek was om het beter te weten dan wat in de heilige teksten geschreven staat, maar volgens het boek Numeri was Mozes de meest zachtmoedige onder de mensen. Zachtmoedig is de kwaliteit van een leraar. Wat een leraar, wat een mens van wie je leren kunt, tot leraar maakt, dat maakt hem of haar tot een zachtmoedige. Probeer maar. Een zachtmoedige is iemand die geduld heeft, die het nog eens probeert uit te leggen. Die kijkt naar jou, of je het volgen kunt. Die weet hetzelfde anders te zeggen of die weet te zwijgen op het juiste moment. De zachtmoedige zullen het land beërven. Omdat ze ruimte geven krijgen ze ruimte. Zachtmoedigheid brengt je tot aan de grens van het alles belovende land en zelfs over de grens heen, door de Jordaan.

Daarom is ook het basiswoord voor ons in het goede boek, in het boek van alle verhalen zo ontroerend. Christenen zijn leerlingen. Leerlingen van de Messias. Jezus wijdt ons in. In wat het geheim van de Messias is, in het rijk van de vrede, van vrijheid en bevrijding dat komt, “uw Rijk kome”, moge het er in Gods naam van komen.
Als kind leerden we dat we eigenlijk altijd vervelende en moeilijke dingen moesten, doen, offertjes moesten brengen en meer van die “zin of onzin”. We moesten vroeger als pubers eigenlijk op onze tenen lopen, geterroriseerd door ons lijf dat groeide en met ons aan de haal ging, en voor menigeen heeft het lang geduurd voordat je in een beetje vrede met jezelf kon leven. We moesten ons best doen en op onze tenen lopen, heel de dag door geestelijke pirouettes maken. Maar in het evangelie van vandaag komen we Jezus tegen, bijna ontmoedigd, die ons aanziet en zegt: leer van mij. Je kunt van mij leren. Zachtmoedig ben ik. Ik heb alle tijd en eeuwigheid, ik wil alle wegen met je mee gaan. Ik ga mee door je diepste dal, door je radeloosheid en je eenzaamheid. Maar ik ben er, ook voor jou, zachtmoedig, vernederd, ontwapend ontwapenend.

Op mijn vakantie in Italië ben ik gevallen over al die bisschoppen, groot vertoon van mijters op oude schilderijen waar de gewone man en vrouw, de vernederden ten koste van wie zoveel schoonheid gemaakt is – waar de gewone mensen nog alleen voor kwamen in de madonna’s met haar arme kleine kind. En het is treurig dat ik als kind geleerd heb dat de leerlingen van Jezus de apostelen waren – en in een adem door: de bisschoppen zijn de opvolgers van de apostelen.
Het woordje apostel wordt pas heel laat gebruikt, bijna in termen van “de kleine apostel” – nu is het jullie beurt, jongens. Werk aan de winkel. Trek er op uit, probeer wat.
Leerling is het grondwoord. De kerk, dat zijn de leerlingen van Jezus. Leerlingen met een lange leertijd, een leven lang. Tot mijn grote verwondering – ik was een jongetje van 5 of 7 – zei mijn oma regelmatig: “een mens is nooit te oud om te leren. Mijn oma wist volgens mij alles. En zij zei: nooit te oud om te leren. Alsof er voor haar iets nieuws was.
En natuurlijk:
Elke dag is nieuw. Dit moment is nieuw, is een uitzondering. Wij hier bijeen, rond de  tafel van brood en wijn. Wij die ons gewonnen geven aan de oude verhalen, uiteindelijk over een God die van mensen houdt, een God voor wie een mens, ieder mens heilig is, uniek. Wij hier bijeen rond brood en wijn en de woorden die ons gegeven zijn: op hoop van zegen.

Met de profeet Zacharias ging het boek vandaag open. Het gaat over jubelen en juichen. En twee keer horen we het woord dochter. Dochter Sion. Sion is de meisjesnaam voor Jerusalem. Al het verrassende, het volstrekt niet vanzelfsprekende klinkt daarin mee. Waarom al die ophef, die vreugde? Omdat de koning komt! En wat voor koning. Iemand die zich identificeert met wie de last (het juk, Matteüs 11,29) draagt. Alle oorlogstuig ruimt hij op om plaats te maken voor de vrede, voor omzien naar elkaar.

Leer van mij want ik ben zachtmoedig en nederig, vernederd van hart.
Leer van mij. Moge dat zo zijn.

 

 

Zondag 29 juni
Petrus en Paulus

Hand. 12, 1-11;
2 Tim. 4, 6+8+17-18
Matteüs 16, 13-19

Bij reuzen te rade

Inleiding
De lijst van de lezingen door het jaar wordt in de regel niet doorbroken. Het feest van Petrus en Paulus breekt deze regel. In het dorp van mijn jeugd (Schaesberg) was het een vanzelfsprekend groot feest. Onze kerk droeg de naam Petrus en Paulus. Petrus kenden we uit de jaarlijks terugkerende vastenmeditaties. Dat was de man die zei: “Ik ken die mens niet.” Paulus kenden we eigenlijk niet. Het verhaal over de bekering van Paulus kwam pas zo laat op de proppen dat je het bijna niet meer hoorde. Paulus was een naam die feestelijk en ruim klonk. Hij had een zekere charme.
De lezingen van vandaag reiken ons een eigenaardig drieluik aan. Links en rechts staat Petrus. Het eerste verhaal staat in Jerusalem. Petrus in de boeien. In het tweede verhaal staat hij in Caesarea Philippi, op het randje van de kaart van Israël te belijden dat Jezus de Messias is. Daarop begint de reis naar Jerusalem, op weg naar Pesach/Pasen. Paulus staat in de tweede lezing. Het zal nooit de bedoeling zijn geweest, Paulus in het centrum te zetten. Want wie is Paulus? We hoorden in de kerk zijn naam wel, maar verder hoorden we niet veel over hem. Later bleek Paulus  “moeilijk” te zijn. Wat dat moeilijke is werd zelden omschreven. Hij heeft iets dat ons bij nader toezien wezensvreemd schijnt te zijn. Wat is dan ons wezen, het vertrouwde, waar Paulus vreemd voor is? In de bouwstenen zal dat zijdelings aangeroerd worden.
Bij Petrus komen we in de buurt van het vertrouwde. (Piet was niet voor niets een behoorlijk geliefde naam.) Petrus was een goede man die wel fouten maakte, maar daar kon je ín komen. Wie zal zeggen of wij het beter hadden gedaan dan hij? Petrus is nog steeds een figuur waar wij ons gemakkelijk mee kunnen identificeren. Niet menselijks is ons vreemd.
Is het de moeite waard om Petrus en Paulus te vieren? Wat vieren we dan? Waar staan we bij stil? Of moet je zegen: Bij wie staan we stil?  Wat is de moeite van het gedenken waard? Of moet je vragen: wie is waarom het gedenken waard?

* * *

Petrus en Paulus lijken twee namen die als pilaren overeind staan. Ze markeren de ingang tot een grote geschiedenis, tot een geschiedenis die er onmiskenbaar wezen mag. Dat is des te opvallender omdat er in het begin zoals bijna altijd, niets minder in de lijn van de verwachting lag.

Petrus een visser, wellicht zoals zijn vader. Ergens in Galilea is hij waarschijnlijk geboren. Niemand weet daar iets van. Kapernaüm misschien. In Kapernaüm langs het water van het Meer van Galilea vind je een klein oud vierkantje met resten van stenen muren verstopt onder een immense, vrij recent gebouwde futuristisch ogende kerk. De bescheiden afgebakende ruimte daaronder verstopt heet sinds de opgravingen begin vorige eeuw “het huis van Petrus”. Petrus is een visser die zelf gevangen wordt, uit het water van de anonimiteit opgevist om leerling te worden, professioneel leerling. Hij komt in beeld wanneer het er om gaat de leerling in beeld te brengen. Leerling van de Messias zijn gaat niet vanzelf. Petrus wil wel graag maar hoe doe je dat, leerling van de Messias worden, kroongetuige zelfs?

Zonder aarzeling volgt Petrus opnieuw tot leven gebracht de stem die hem roept. Aan hem zal het niet liggen: Jezus achterna. Als een soort belhamel, het eerste schaap van de kudde. Wanneer de beslissing op handen is vraagt Jezus zijn leerlingen: “Wie zeggen jullie dat ik ben?” Petrus heeft dan zijn antwoord er al uitgeflapt nog voordat hij enige idee heeft, of kan hebben, van wat hij zegt. “Jij ben de Messias, de zoon van God die leeft.” Blijkbaar komt voor hem die eeuwenoude droom van Israël in Jezus aan de orde. Wat hij aan deze leraar meemaakt doet alles verbleken en vergeten wat hem tot nu toe op de been hield. “Jij bent de Messias. Jij laat zien hoe God leeft, hoe hij God te midden van ons wil zijn. Zoals jij de mensen bemoedigt, zoals jij je over hen ontfermt, zoals jij hen aankijkt en opricht, en meeneemt. Jij bent de Messias. “ Arme Petrus. Als een vis uit het diepe gehaald moet hij nog leren om te leven in die nieuwe omgeving, moet hij zichzelf nog tegen komen, eigenlijk niets en nergens zijn om dan opnieuw te beginnen. Kan dat? Kun je zo hoog inzetten en zo diep afgaan, verloren raken? In het evangelie van Matteüs waar vandaag uit gelezen is, komen we Petrus aan het einde huilend tegen in de hof. Huilend verlaat hij het evangelie. Hij huilt omdat hij weet dat hij zó (“Ik ken die mens niet”) gekend is, maar ook huilend omdat hij weet dat hij zo begrepen is en geliefd, bemind door zijn Messias. Zo, als deze opnieuw gevonden mens, moet hij de kudde van zijn meester hoeden. Zo ontvangt hij de sleutels van de poort die ontsluit waar en hoe God is, om te binden en te ontbinden wat ongebonden of verkeerd verbonden is. Hoe moet dat dan? Hoe is zoiets mogelijk? Voortdurend in de leer gaan!


De oudste afbeeldingen van Paulus laten altijd een bejaard man zien met weinig haar. Hij kijkt streng. Iemand die altijd gelijk moet hebben. Driftig denken we dat hij is. De indruk wekt hij ook in de brieven die hem portretteren. Maar het is net zoals bij Bach, maar een kant van de medaille. Die strenge Paulus kennen we ook als de kwetsbare. Hij blijkt, met alle nadruk op wat voor hem zijn werk geworden is, niet onder de indruk van zijn eigen kwaliteiten. Bovendien: wat kan Paulus willen? Paulus, we zeggen, “van Tarsus”. Het is een jongetje dat geboren en/of getogen is in Zuidoost Anatolië, Turkije. Van huis uit is hij dus een kind van oorspronkelijk immigranten. Een zwerfsteen die van ver gekomen is. Blijkbaar was het leren in zijn omgeving belangrijk.

Het leren is in zijn omgeving uiterst belangrijk. Als een joods jongetje heeft hij misschien niet meteen kunnen schrijven. De term “fijne motoriek” is nog onbekend, maar schrijven komt later. Lezen is belangrijk. Zelf contact hebben met. Zelf geconfronteerd worden met het andere om anders, terug te kunnen keren tot jezelf. Het is nog niet de tijd van de massaproductie van (bewegende) plaatjes en (pulp) literatuur. Wat er toe doet wordt opgeschreven. Dat moet kort en beknopt zijn, anders kost het teveel tijd en kostbare schrijfruimte. Economische teksten en zaken die van werkelijke waarde worden geacht worden vastgelegd, op papier en in het geheugen. Zo ontstaat de bijbelse traditie of dat vloeibare, veel mogelijk makende dat we bijbelse identiteit zouden kunnen noemen. (“In het huis van mijn vader is ruimte voor velen” , zegt Jezus niet omdat hij op de eerste plaats een ruime opvatting over God heeft. Zo begrijpt hij wellicht van jongs af aan de ruimte die mensen moeten en mogen hebben om te groeien en tot wasdom te komen. Je hoeft niet zo bang te zijn.) Geleerden hebben in die tijd veel teksten paraat. Ze hebben ruimte en zijn geworteld. Zo hebben wat te zeggen, ze leren nuanceren en onderscheiden, zo leren ze mee spreken. Hoe weten we dit. Kijk bijvoorbeeld in het begin van het Lucas-evangelie. Daar weet men dat Jezus als 12-jarige verstandig is. Hoe weten ze dat? “Hij zit te midden van de leraren. Hij luistert en stelt vragen.” Zo simpel is dat.
Bedoeling van het lezen is niet de verdoving of verpozing die wij kennen uit de mediacultuur, maar wakker worden, bij de tijd komen, mee doen, zelf mee doen wanneer het gaat over wat er wezenlijk toe doet. Want wat er wezenlijk toe doet is altijd particulier, persoonlijk. Niet zonder jou. Het heeft dan ook alle kenmerken en de aantrekkingskracht van het geheim dat toekomst heet, – steeds persoonlijk.

Als een joods jongetje is Paulus  zeker al vroeg gealfabetiseerd. Paulus heet dan nog Saul, Sja-oel, zoals de eerste poging tot koning in Israël, de voorganger van David de grote koning. De kleine Saul leert spelenderwijs, mee te denken met de generaties voor hem. Die opvoeding zal hij voltooien in het huis van alle verhalen, in (de schaduw van) de Tempel van Jerusalem.
Paulus komt in de wereld van de verhalen als een rabbijnenleerling, om zelf rabbijn te worden. Niet een vrijgestelde geleerde. De rabbijnen hebben in die tijd in de regel ook een vak. Alleen zo heb je contact met het leven van elke dag. Uiterst praktisch. “Wie niet werkt zal ook niet eten. (2 Tessalonicenzen 3,10)” Paulus is wever, tentdoekwever. Zo voorziet hij in zijn onderhoud. Het doek dat hij weeft geeft de nomade zoiets als een eigen huis.
Als leerling van rabbijnen maakt hij de steniging van Stefanus mee. Hij gaat namens de leiders van Jerusalem naar Damascus om daar de leerlingen van de Messias op het goede pad te brengen zoals hij dat ziet. Onderweg wordt hij door de bliksem getroffen. Saulus, waarom vervolg je mij? slaan de woorden hem stiemend om de oren. Als een blinde wordt hij opgevangen. Ananias brengt hem thuis. “Saul,  broer” zegt hij (Handelingen 9,17). En Saul wordt vervuld met de geest van de heilige. Hij komt het geheim van de God in Jezus op het spoor, over wie Ananias hem vertelt. Dat woord neemt hem op om hem tot woordvoerder te maken.
Zelf uit de wereld van de volkeren afkomstig gaat Paulus naar de synagoge en naar de volkeren waar zij een huis gevonden heeft om uit de leggen hoe deze God ook voor de volkeren is.
Paulus blijft een leerling van rabbijnen. Dat maakt hem voor ons zo anders. Je zult in die joodse wereld moeten binnen komen om hem en Jezus-volgens-hem beter te begrijpen. Maar deze Paulus bepleit in ieder geval het goed recht van degenen die van verre zijn om dichterbij te komen (Efesiers 2,13) wanneer het gaat over de zaken die er wezenlijk toe doen. Zo  maakt hij ons, hier in het noorden, langs de Noordzee, tot kinderen van Abraham, onze vader.

* * *

Het is Pasen. In het begin van de Handelingen, zo vertelt Lucas, heeft de kerk het moeilijk. Jacobus, de eerste bisschop van Jerusalem, sterft door het zwaard. Omdat dit naar de zin van het volk lijkt laat koning Herodes, niet dezelfde maar toch weer een Herodes, ook Petrus gevangen neme. Het is Pasen. Petrus wordt zwaar bewaakt. Die komt er in elk geval niet uit. Petrus ligt de nacht voor het proces met twee kettingen vastgebonden tussen twee soldaten. Het einde van zijn verhaal gaat geschreven worden. Maar Lucas wil het anders. Een por maakt Petrus wakker. Gordel, sandalen, mantel. Volg mij. De engel gaat Petrus voor. Zonder ook maar enigszins te beseffen wat er gaande is, het lijkt een droom. De stad gaat open en Petrus is vrij. Petrus beleeft zijn Pasen opnieuw. Zijn verhaal begint pas. Hij zal nog helemaal op reis moeten, tot in Rome toe om daar zijn latijn te leren en zijn kruis te vinden.


Paulus is in Caesarea voor de Romeinse vertegenwoordiger gevoerd. Toen het proces tegen hem kritisch werd heeft hij zich als Romeins staatsburger, beroepen op de keizer. Zo is hij naar Rome getransporteerd. Paulus, de apostel van en voor de volkeren, is in het hart van de wereld van de volkeren terecht gekomen en zal daar weldra heengaan. De wedloop is volbracht. Hij heeft zijn vertrouwen in zijn God bewaard en is daar dankbaar voor. Wat er ook gebeurt: God zal mij behouden overbrengen naar zijn hemels koninkrijk. Als God je rechter is, wat kan je uiteindelijk dan nog overkomen!

 

Caesarea  Philippi
Iedereen weet dat Jozef met Maria en het kind moet vluchten naar Egypte. Iedereen weet ook dat Jozef bij terugkeer moet uitwijken naar Nazareth. Daar al, vooraan in het evangelie van Matteüs begint de beweging achteruit. Wegwezen. Ook Jezus zal onderwerp van dit werkwoord worden. Tot bij Caesarea Philippi, hoog in het noorden, tegen het gebergte van Libanon aan. Nog een stap en je valt van de kaart van Israël!
Matteüs brengt ons bij Jezus en zijn leerlingen. Wie is de mensenzoon. Wie is de zoon van de mens, het kind van Adam. Als je aan Abel denkt: wie is de onschuldige? Wie is het eerste slachtoffer? Hoe kijken de mensen naar mij? En je hoort dat ze met grote ogen naar hem kijken. Johannes, Elia, Jeremia. Of een van de profeten. Je hoort dus dat de mensen iets van ommekeer verwachten,  van opnieuw beginnen. Je hoort dat de verhalen opnieuw verteld zullen worden, over Elia die zich de poten uit zijn lijf loopt voor zijn God en terug zal gaan tot in de woestijn, bij de berg waar het allemaal begonnen is. Je hoort .. “Maar wie zeggen jullie dat ik ben?” In alle lyriek is dat de simpele vraag. Hoe kijken jullie, mijn leerlingen, naar mij?

Woorden om te wegen
De drie lezingen van vandaag brengen ons tot de vraag van Jezus aan zijn leerlingen: “Wie denken jullie dat ik ben?” Terwijl we daar misschien over denken beginnen te denken horen Petrus voor ons, namens ons, zeggen waar we misschien nog lang niet aan toe zijn. Want grote woorden willen gewogen worden. Maar toch. Petrus zegt het, namens ons, voor ons, ons voor: “Jij bent de Messias. Jij bent het kind van God die leeft, die altijd ons heden is en daar naar ons toe komt.
Zo is het door Petrus gezegd. Het verhaal maakt ons tot getuigen, vandaag.

 

 

 

Negende zondag door het jaar
Deuteronomium 11, 18-28
Matteüs 7,21-27

Tijdens de dienst worden Sophie van Bon en Nick de Groot gedoopt

“Wij hebben nog een kerk, maar je vraagt je soms wel eens af: hoe zal dat straks zijn, voor mijn kinderen.” Iedereen van mijn leeftijd weet: zo’n vraag was  vroeger volstrekt overbodig. Kerk en geloven, kerkelijkheid – het was allemaal volstrekt vanzelfsprekend. Iedereen kwam iedereen tegen op weg naar de kerk ’s Zondags. Nu komen we elkaar ook tegen, maar ons aantal is zeer beperkt. We hebben geleerd dat te accepteren, maar het doet ook een beetje pijn. Wanneer we dus vandaag twee kinderen dopen is dat een grote vreugde. Twee nog zo jonge mensen nemen we op in onze gemeenschap. Ze zullen ons zeker overleven. We nemen dus vandaag een voorschot op de toekomst. Hoe die zal zijn weten we niet, hoeven we ook niet te weten. Toch, het is de vreugde over de toekomst, over het leven dat verder gaat, die ons vandaag meeneemt.
Waar gaat het dan over – hier? Dat is een beetje domme vraag, want iedereen weet wat we hier doen, waarom we het doen.  Toch kan het geen kwaad er nog even bij stil te staan. De vraag is namelijk: wat houdt ons als geloofsgemeenschap gaande? Waar gaat het over?
De lezingen van vandaag geven een onverwacht antwoord. Het gaat over de  woorden die ons gegeven zijn. Dat zijn de woorden die ons in leven houden, die ons bewaren. Daar moet je zorgvuldig op zijn.
Het boek Deuteronomium zegt, dat je die woorden moet aanbrengen tussen je ogen en op je handen. Die woorden hebben dus te maken met je zien en je doen. Dat zijn jouw woorden, voor jouw en voor je kinderen, voor jouw toekomst, voor onze toekomst. Woorden binden ons, houden ons bijeen. Want woorden zijn ogen op je gericht of dat wat je ontroert. Een woord is een beetje bemoediging of een wijze raad, iets om te proberen. Woorden zeggen wat je zou willen, wat je wilt proberen. Woorden richten ons op, doen ons inzien en laten het ons opnieuw proberen.
Een beetje sterk gezegd, maar ik denk: meer dan in de wereld van de aardrijkskunde of de wereld van de techniek en de economie leven wij in de wereld van woorden die we delen en die ons laten zijn.

In de doop vertrouwen we onze kinderen toe aan de gemeenschap van de mensen met wie wij het leven delen, alle verwachting, alle diepe geheimen ook. Wij vertrouwen toe - en we willen de kinderen welkom heten in het vertrouwen dat wij geleerd hebben en leren, van Jezus en zijn leerlingen, onderweg, altijd onderweg, op hoop van zegen. Moge dat zo zijn.

 

 

25 mei 2008
Sacramentsdag
Over de maaltijd des Heren.

Wanneer een mens geboren is, dat weet ieder  van ons, zal het kind eerst moeten ademen, diep ademen. En zo kom je huilend ter wereld. Dan wordt de eerste scheiding gemaakt, die tussen de moeder en het kind. Dan komt de tweede hoofdzaak. Om te leven heb je voeding nodig. Op een of andere manier volstrekt dat wonder zich in de regel min of meer automatisch. De eerste slokjes zorgen er voor dat langzaam maar zeker het groter worden gaat beginnen. Dat voeden blijft een noodzaak, dat ademen ook, en wellicht het je los maken, het steeds meer zelfstandig, eigen worden, apart, ook.

Dat voeden begint als een onderonsje tussen moeder en kind. Maar wanneer wij volwassenen ons voeden, dan gaat het er, als het goed is, niet alleen om, om iets binnen te krijgen. Als je familie of vrienden ontvangt, dan kan dat niet zonder een drankje, zonder hapje. Iemand iets te eten of te drinken aanbieden betekent, iemand welkom heten, het leven gunnen. In het gezin met de opgroeiende kinderen is de eetplaats ook de praatplaats. Frans Rosenzweig heeft geschreven: de tafel is de werkplaats van het gezin. Niemand kan namens jou eten, dat moet je zelf doen. Aan tafel zorg je voor elkaar en voor jezelf. Dat gaat  gelijk op.

Een feest betekent vieren, betekent samen, betekent eten en drinken. In de bijbelse traditie vier je elk feest eerst thuis en dan pas in de synagoge. Pesach vier je om te beginnen thuis, een grote maaltijd waar een boek bij gelezen wordt, over de uittocht uit de slavernij, over de moeilijke en lange reis, over de vele tegenslagen, ook omdat je vaak de moed laat zinken, maar ook over eindelijk, het is zo ver, aan de overzijde het veelbelovende land dat de verhalen draagt over vrijheid en bevrijding, over Goddank!

U hebt vroeger net als ik geleerd, dat het zogenaamde openbare leven van Jezus drie jaar geduurd heeft. In ieder geval drie keer heet paasfeest geduurd heeft. Dat komt omdat in het Johannesevangelie drie keer gesproken wordt over Pasen, alsof het over drie opeenvolgende paasfeesten gaat. In de andere evangeliën is dat niet zo. Daar begint Jezus halverwege het evangelie aan zijn reis naar Jerusalem om daar het Paasfeest te vieren. Laten we zeggen: heel zijn rondtrekken in het begin in Galilea is gedaan om niet alleen naar Jerusalem te gaan. Zijn leerlingen en ook wij die de verhalen horen, gaan met hem mee. Een leven lang op weg naar Jerusalem om daar Pasen te vieren, een leven lang op weg naar die avond voor zijn lijden en dood, als hij met zijn leerlingen, zijn vrienden aan tafel is. Op een of andere manier is dat zo doorslaggevend geweest dat wellicht daarom Johannes zegt: Als het over Jezus de Messias moet gaan, en daar gaat het hem over, dan kan dat alleen maar via Pasen, Pasen en nog eens Pasen. Dat lijden en sterven in Jerusalem maakt uiteindelijk definitief duidelijk , dat God zich ontfermt over zijn mensenkind.

De synagoge leest van week tot week de verhalen die ons gegeven zijn. U weet, dat is onze gewoonten, in de regel niet wat vandaag in de kerk wordt voorgelezen, iedere joodse man die naar de synagoge gaat wordt geacht dat wel te weten. Nog sterker, ieder wordt geacht in de loop van de voorafgaande week te studeren, al is het maar een beetje, te studeren op wat op de sjabbes wordt voorgelezen. De lezing in de synagoge is daarom eigenlijk de samenvatting van het studeren van al die mannen die daar zijn – mannen, vrouwen hebben wel iets anders te doen, althans zo was het vroeger.
Die lezingen hangen dus een beetje over de hele week heen en komen wellicht ook ter sprake bij het hoogtepunt van sjabbat, wanneer de laatste maaltijd gevierd wordt. Van begin af aan is tijdens die laatste maaltijd ook verteld over Jezus en zijn leerlingen. Dat werd als het ware een extra lezing, voordat de maaltijd begon met het breken van het brood en het drinken uit de beker, ter nagedachtenis aan die laatste avond. Het brood en de wijn werden gebaar en taal voor alles wat gezegd is en nog gezegd moet worden. Breken en delen met elkaar om elkaar aan te reiken dat God met ons is, dat hij onze vader en moeder, onze broer en zus is, en ieder mens die naast ons is – kind van Gods vrijheid en bevrijding.

Aan de tafel van de Messias eten we allen genadebrood, dat wil zeggen, brood van Gods genegenheid. Het is Christus die we met elkaar delen, God in ons midden, Emmanuel.
Brood voor onderweg, op hoop van zegen. Wij weten zeker dat God zich over ons ontfermt, dat hij – we weten niet hoe maar wat geeft dat – we weten zeker dat hij zich aanbiedt aan ieder van ons, opdat wij gesterkt vanuit God die geeft, het leven ter hand nemen en verder gaan. Bijna vanzelf denk ik dan: op hoop van zegen.
Moge dat zo zijn.

 

Drievuldigheidszondag
18 mei 2008-05-16

Exodus 34, 4b-6.8-9 2 Korintiërs 13,11-13 Johannes 3,16-18

Wie is God?
God is onze vader die in de hemel woont.
Zo leerde de oude katechismus mij, rond 1950, ik was een jaar of 8, wie God was.
Toen mijn oudste dochter 4 was vroeg ze me: "Pappa, wie is God eigenlijk"? Dat was een beetje een overval, een moeilijke vraag. Na een korte bedenktijd zei ik: "Dat is degene van wie Jezus zegt dat hij Onze Vader is." O, zei Mirjam. Ze keek en knikte. Ze kon het blijkbaar begrijpen.
Dat is de eerste inleiding voor vandaag. Nu de tweede.

Ongeveer 10 jaar geleden hadden wij op de pabo in Alkmaar 2 niet-horende studentes. Bij het eindgesprek zei een van de 2 tegen mij:
"Voor dove kinderen is het Godsbegrip een moeilijke zaak."
Ik vroeg: "Hoezo?"
"Nou", zei ze: "dove kinderen hebben geen godsbegrip. Ze kennen het begrip geschiedenis niet. Ze hebben bijna geen verleden. Het duurt heel lang voordat ze weten of vermoeden dat er zoiets als vroeger is. Ieder kind hoort vanzelf verhalen over toen mamma nog klein was, of "Mijn oma was altijd heel lief". Ieder kind is vertrouwd met het verleden, maar dove kinderen om te beginnen heel lang niet. Op mijn vraag hoe je zonder verleden aan dat godsbegrip moet komen zei zij zonder aarzelen: "Dat kun je alleen door te wijzen op iemand als jij - wanneer je onderwijs gevende of ouder bent. God is iemand als degene die er voor jou is, die goed voor jou is, die wil dat het jou goed gaat."
Ik vond dat in vele opzichten indrukwekkend.
Niet alleen omdat ze iets vertelde over hoe zij het begreep, maar ook omdat ze daarmee een bijzonder getuigenis gaf over haar ouders, haar familie en haar (laten we maar zeggen) meesters en juffen. Mensen die je vertrouwen geven, tijd geven, een verleden geven - en woorden, woorden waarmee we proberen iets te begrijpen van dat vreemde dat leven heet.

Drievuldigheidszondag is voor veel predikanten een moeilijk onderwerp. Want: hoe pak je dat aan? Hoe vertel je dat? Wat moet je in je preek zeggen? Maar volgens mij is het niet zo moeilijk. Je hoeft maar één hobbel te nemen.
Kort gezegd: God is in verhalen thuis, bij mensen en bij wat mensen bindt.
God is niet los verkrijgbaar: hij is in verhalen thuis. Dus, om over God te spreken moet je niet diep gaan zitten nadenken, je ogen naar binnen en je concentreren. Wat je dan ook doet en hoe je dat ook doet, als je naar binnen gaat kom je alleen jezelf tegen. Om over God iets te zeggen moet je bij het geheim van ons bestaan, bij verhalen te rade gaan. Hij wordt verhaalsgewijze opgediend.
Je kunt van Jezus zeggen wat je wilt maar hij is op de eerste plaats en verhalenman, een verhalenverteller. Want u begrijpt: "Een verhaal kan ook een paar worden zijn. Denk maar aan: "Nou zeg!...!" Toen hij in de Jordaan gedoopt werd nam Jezus de woorden van Sint Jan de Doper om te beginnen over: "Keer om, want de manier waarop God koning is ligt voor het grijpen, ligt voor het omdraaien". Denk aan Jerusalem en denk aan alle verhalen, alles over slavernij en dromen van vrede, dromen van opnieuw beginnen, durven - ook al kom je maar langzaam vooruit - toch te gaan omdat je weet dat het nog kan.
Het meest ontroerende verhaal van Jezus vind ik: "Onze Vader". Als je die woorden overneemt heb je iets te zeggen, heb je een adres, kun je ergens terecht. Als je durft zo te spreken als hij en die woorden een beetje gaat wegen - wat zeg je eigenlijk? "Onze Vader"? Hoezo Vader? Hoezo Onze? Van mij, ook van mij?
Een rabbijn verteld ons in een college: als je ruzie met je buurman hebt en je zegt dat hij een aap is, en je weet dat God de apen ook geschapen heeft, dan weet je dat God ook die lastige buurman geschapen heeft en dat je in ieder geval respect voor hem moet hebben.

Onze vader - broers en zussen bij de vleet. Zo noemde hij na zijn opstanding zijn leerlingen, broers, zussen, een familie. Als God één is horen wij allemaal bij een.
En mensen zeggen vaak, dat God zo vaak mannelijk wordt besproken. Hij. En Onze Vader. Toch is daarvoor de eerste lezing van vandaag. In dit verhaal over Mozes en zijn vriend God, of God en zijn vriend Mozes wordt het mannelijke van God drastisch bijgesteld - alleen weet de spraakmakende gemeente dat nauwelijks.
Mozes gaat de berg op. En God daalt neer in een wolk - dat onttrekt ons aan het gezicht. Alles grijs, even zien we niets meer. Dat spitst ons toe op bijvoorbeeld het horen: God roept zijn naam in het voorbijgaan. En het eerste dat klinkt is: barmhartig. Wij kennen dat woord allemaal: iemand die barmhartig is, die erbarmen heeft, die zich ontfermt.

Ontferming is een heel typisch bijbels woord. Rachamiem - afgeleid van rechem: moederschoot. Ontferming, erbarmen, barmhartig - heel erg letterlijk vertaald: het moederschoterige. Barmhartigheid, ontferming is dat wat bestaat tussen de vrouw en het nog niet geboren kind. Tussen A en B - dat heet bijbels ook altijd tussen B en A. Het kind is om te kunnen overleven, helemaal aangewezen op de vrouw die zijn moeder aan het worden is, en omgekeerd, de moeder is om te kunnen overleven, helemaal afhankelijk van het mensje dat haar kind aan het worden is. Ook in de Islam, Rachman - het eerste woord om uit te leggen wie God is, een volstrekt moederlijk woord. De eerste eigenschap van God is een door en door vrouwelijk woord. Zo zijn God en mens aan elkaar gebakken, bij elkaar geborgen. Daar voelde ook Jezus zich volstrekt bij thuis.
De vader, de hemel.
De zoon - hier op aarde.
En die twee, tussen die twee speelt het zich af. Ik heb het dit jaar al vaker proberen te zeggen: de geest is: hemel en aarde horen toch bij elkaar, TOCH. Ondanks alles.
Dat hemel en aarde een verhaal hebben, woorden hebben, dat is de Geest.
Woorden hebben, dat is ook verhalen hebben, verleden. Bijvoorbeeld dat je er nog bent, God zij dank.
Iemand zei: het is natuurlijk moeilijk maar ik vind dat heel mooi, de Drievuldigheid. Dan weet je dat zelfs God in zijn uitzonderlijkheid niet iemand is die alleen is. Vader, Zoon en Geest.
Moge dat zo zijn.

 

zondag 27 april 2008                               Zesde zondag van Pasen

 

Handelingen 8, 5-8. 14-17

1 Petrus 3, 15-18

Johannes 14, 15-21

 

 

De weken na Pasen wordt een zaak duidelijk: we kunnen het hier, op zondagmorgen in de kerk, uiteindelijk alleen maar hebben over Pasen en alles wat door Pasen mogelijk is gemaakt. In de eucharistieviering gaan we steeds terug naar die avond voor zijn lijden en sterven – maar we doen dat niet om de treurigheid van Goede Vrijdag te omarmen. Integendeel. We gaan steeds weer te rade bij die avond voor zijn lijden en sterven vanuit de beloften die Jezus woorden en daden voor ons geworden zijn. Brood en wijn hier op de altaartafel leggen ons steeds opnieuw weer uit wat het betekent dat God om ons geeft, wat het betekent wanneer wij een beetje begrijpen dat hij ons in Jezus duidelijk laat worden, dat wij zijn kinderen zijn, Hem lief. Als iemand je echt zegt, of gewoon zegt: “Je bent lief”, dan weet je niet wat je hoort. Als God dat zegt, dan doe je er je leven lang over om in de buurt te komen van wat die woorden betekenen. Geloven, zelfs alleen maar een beetje geloven, heeft het grote voordeel dat één ding heel duidelijk is: hoe dan ook – wij zijn niet alleen. Hoe vreemd en soms bizar de wegen ook zijn die het leven met ons gaat: wij zijn niet alleen. Er is iemand die om ons geeft, wat er ook gebeurt. Iemand die ons vrij laat, vrij maakt, verantwoordelijkheid geeft. Iemand die ons het woord gunt en een plek om te zijn. Iemand die op alle mogelijke manieren ons ziet zitten.

 

De diaken Filippus is naar Samaria gegaan. Hij heeft daar vertelt waar zijn hart vol van is en zijn mond van overloopt, over de Messias. Over de lang verwachte en eindelijk gekomen, maar daarom ook altijd komende Messias, de Gezalfde, Gods mensenkind die zelfs zonder woorden fluistert hoe lief God ons heeft. Het wordt een lopend vuurtje, een totale verandering. Onmogelijke dingen gebeuren. Onreine geesten – figuren die het niet kunnen laten dat hemel en aarde niets met elkaar te maken hebben, dat alles onzin is, dat niets toekomst heeft – onreine geesten verdwijnen onder luid geschreeuw, lammen en kreupelen worden genezen. De stad herkent zichzelf niet meer. Alles is anders, dank zij het verhaal van de diaken Filippus. En Jerusalem gaat mee in die vreugde. De apostelen sturen er twee om de mensen de handen op te leggen en hen zo op te nemen in de Messiaanse gemeenschap, vanaf nu deel van de oogst, vanaf nu verkondigers van de beloften die ons meenemen naar waar wij ook gaan. De onreine geesten verdwenen, de heilige geest maakt tastbaar hoezeer hemel en aarde op elkaar aangewezen zijn, samen vruchtbaar zijn, voor Gods mensenkinderen.

 

De zesde zondag na Pasen en u hoort, we zijn ons vooruit aan het werken naar Hemelvaart en Pinksteren. Want die Jezus over wie het voortdurend gaat, is wel bij ons, maar toch ook niet. Hoe kan dat nu. Gisteren was ik als gast op een pabo in het kader van een creatieve week. Twee studenten zongen een lied. Daarvoor vertelde er een waar het over ging. Het ging over niets. “Want”,  zei ze, “liefde is eigenlijk niets”. Een paar jongens in de zaal wilden al protesteren maar zij herhaalde niet te verstoren: “Eigenlijk niets. Dus eigenlijk ook een beetje alles.” Eigenlijk niets betekende: “Je kunt het niet zien, niet voelen, niet tegenkomen, en toch kun je het overal zien, overal voelen, overal tegenkomen. Dat is wat die twee feesten Hemelvaart en Pinksteren willen zeggen.

 

Jezus is niet meer in ons midden. Je kunt hem geen brief sturen. Hij heeft geen adres meer. Tegelijk is hij bij ons, zo nabij als brood en wijn waar wij samen delen met elkaar. Op een of andere manier is hij ons midden, voor ons een plaats om te zijn, om stil te worden, om op te zien. Hij heeft de vader gevraagd ons zijn Geest te  sturen, de heilige Geest, de Geest van de Heilige, die ons voor alles ervan wil overtuigen dat het zin heeft, dat het harde zacht kan worden, het koude warm, dat stenen kunnen leven en dat vrede bestaat. De geest van de Heilige die ons troost en bemoedigt om zelf te staan en te gaan omdat de aarde bewoonbaar is onder de hemel van Gods hand.

 

Onze handen kunnen we uitstrekken naar de woorden die hij ons geeft als brood om van te leven en wijn van verbondenheid en vriendschap. Van trouw over alle grenzen van de tijd heen.

Vieren we dat met elkaar en moge dat zo zijn.

 

 

Vijfde zondag van Pasen in een A-jaar

20 april 2008

 

Handelingen 6,1-7

1Petrus 2,4-9

Johannes 14,1-12

 

Het eerste lustrum hebben we vandaag. De vijfde zondag van Pasen. De kerk begint te groeien, komt in aanraking met de werkelijkheid. Fricties blijken. Hoe moet dat. De Hellenisten, zeg maar mensen van overal ter wereld die in Jerusalem waren komen wonen en die grieks spraken, morren bij de Joodse mensen. (Velen van die eerste kerkleden waren joodse mensen) Hun klacht: onze weduwen komen te kort. Daarbij moet u niet denken aan “onze weduwen” zoals we dat vandaag kennen. In de bijbel zijn weduwen en wezen de mensen zonder natuurlijke bescherming, zonder rechtspositie. Zij gelden als het beeld van de kwetsbaren. Ze komen te kort. De twaalf, de eerste kring rond Jezus, komen bij elkaar. Ze vinden dat zij zelf met het woord Gods bezig moeten blijven, maar zeven mensen uit hun midden krijgen het ambt, op te komen voor wie ondersteuning behoeft. Blijkbaar kun je, als je dat wilt, als kerkgemeenschap concrete, praktische problemen oplossen. Ik vind dat inspirerend. Ik zou het een zegen vinden als de leiders van onze kerk niet alleen naar boven, maar vooral ook veel om zich heen zouden kijken, zoals vroeger blijkbaar.

(Petrus gaat daar in de tweede lezing op in. Gegeven de hoeksteen zijn wij allemaal levende stenen voor de tempel van de Geest. De Tempel van de Geest, wat is dat? Mag ik het een beetje direct zeggen? Bij geest moet je altijd denken aan woorden. In het Johannesevangelie komen we tegen: “De woorden die ik spreek zijn geest en leven” (6,63). U ziet, er is een geheim driemanschap rond Jezus: woorden, geest en leven. Wanneer iemand gestorven is zal hij niet meer antwoord geven. Maar zijn woorden kunnen we bewaren, zijn geest, zijn leven blijft bestaan. Als wij Zijn Woorden bewaren blijven wij de dragers van de belofte die hij voor ons is zodra wij hem gedenken. Jezus Christus blijft voor ons degene die uitlegt hoe God naar ons kijkt, hun lief wij Hem zijn. Dat maakt ons volgens Petrus tot Gods eigen volk, priesters van de wijze waarop hij die voor ons door de dood heen is gegaan een en al licht geworden is.)

 

Voor de evangelielezing van vandaag wordt de camera bliksemsnel neergezet in het 14e hoofdstuk van Sint Jan. We zitten aan de tafel van het laatste avondmaal. Ze moeten zijn onrust begrepen hebben. Het was allemaal zo typisch, zo ongewoon begonnen. Ze hadden die jonge ezel gevonden die ze van hem zoeken moesten. Het volk had hem lyrisch bezongen: Hosanna, Hosanna – dat was uit een psalm voor pelgrims, maar het betekent; Wees nou eindelijk Hosjea, wees nou eindelijk Jezus. Laat je zien Jezus. Laat zien wat jouw naam betekent, wat die vrijheid en bevrijding is.  De avondmaalszaal is toen voorbereid en daar zitten ze met zijn allen, een beetje vreemd.

Met Pasen is niets in Jerusalem hetzelfde. Alles is anders. Ongezuurd brood, bitter kruid, een maaltijd die een eeuw mag duren omdat het goede aloude verhaal opnieuw gelezen en bezongen wil worden over God die zijn mensen uit het duister van de slavernij aan het licht brengt. Pasen, vrijheid, blijheid. Pas heeft hij lazarus uit het graf gehaald. Zonet heeft hij de voeten van de leerlingen gewassen. Er hangt iets in de lucht en ze weten nog steeds niet wat. Iets definitiefs: wat?

Jezus neemt het woord. Hij zegt iets tegen zijn leerlingen. Wij die door het verhaal mee aanzitten aan die tafel van het verhaal, wij zoals wij hier en nu zijn, worden aangesproken door de Jezus van dit verhaal. Laat je niet onrustig maken. Jullie hebben vertrouwen in God, vertrouw ook in mij.”

Als je een verhaal leest mag je gerust even stoppen. De tekst loopt niet weg. Geduldig wacht hij tot we verder lezen. Maar ik wil nu even wachten.

Wat zegt hij eigenlijk. Op de eerste plaats zegt hij, dat hij weet dat wij in God vertrouwen. Vervolgens, dat we ook in hem moeten vertrouwen. Waarom in hem vertrouwen? Wat gaat hij binnen die omlijsting van Godsvertrouwen en vertrouwen in hem, nu ZEGGEN. Wat wordt zo zorgvuldig voorbereid?

 

Het is een van de meest ontroerende zinnen in het evangelie van Sint Jan. “In het huis van mijn vader zijn vele ruimten”.

Ontroerend vind ik, dat Jezus ons vertrouwen mobiliseert om ons te zeggen, toe te  zeggen, dat er in het huis van zijn vader vele ruimten zijn. De plaats die God voor ons heeft kent vele, bijbels betekent dat vaak alle, kent alle ruimte. Later (14,23) zal hij zeggen: als iemand van mij houdt en mijn woord onderhoudt, dan zal ook mijn vader van hem houden en wij zullen naar hem toe komen en bij hem een ruimte maken, een plaats om te verblijven.

Ook dat, broeders en zusters, delen we met elkaar. Woord, geest, leven en een plek voor elkaar om samen in alle bescheidenheid het huis te zijn waar de Heer meer dan welkom is, waar wij ons thuis voelen.

Moge dat zo zijn.

 

 

 

3e zondag van Pasen.
6 april 2008

Emmaus
Lukas 24,13-35

Het evangelie van vandaag volgt direct op het paasverhaal van Lukas. Eerst komen daar de vrouwen bij het graf. Ze vinden het lichaam van Jezus niet. Ze snappen er niets van. En dan zijn er opeens, bij Lukas, twee mannen die zeggen: wat zoek je de levende bij de doden? En dan komt een bijbels toverwoord: Herinner je. Herinner je dat hij dat gezegd heeft toen hij nog bij jullie was in Galilea, dat hij naar Jerusalem moest gaan, enz. En zij herinnerden zich. Die vrouwen gaan dan naar de leerlingen om het te vertellen, maar de apostelen zeggen: "Onzin, vrouwenpraat." De leerlingen vergeten wat essentieel is voor de leerling, zich herinneren. Blijkbaar moeten wij dat goed in onze oren knopen: herinner je. Het verhaal van vandaag zegt dan iets meer over dat herinner je.

Je ziet die twee leerlingen van vandaag op weg gaan, terug naar hun dorp. Pasen in Jerusalem is een catastrofe geworden. De leraar, hun leraar, hun trots, steun en toeverlaat is er niet meer. Alle verwachting is enkel frustratie geworden. Dat het zo verkeerd is gegaan!
Ze spreken met elkaar over ALLES wat is voorgevallen. Waarover spraken zij? Over ALLES. Dat is mooi. En dan komt die vreemdeling. Grappig is, wij mogen meteen al weten wie die vreemdeling is. Dat is Jezus die verrezen is. Maar hun ogen worden verhinderd. Ze zien het niet, zien hem niet. Een detective dus: hoe zullen ze gaan zien dat hij het is?

Die vreemdeling vraagt: "Waar hebben jullie het over?" Over ALLES. Wat is dat alles dan? Kleophas zegt dan zo bijdehand: "Ben jij de enige vreemdeling in Jerusalem dat jij niet weet wat daar gebeurd is". Blijkbaar is hij geen vreemdeling in Jerusalem. Hij kan er geen touw aan vast knopen maar hij is geen vreemdeling in Jerusalem, hij weet precies wat daar gebeurd is. Afschuwelijk.
Maar Jezus die verrezen is blijkt een ideale schoolmeester. Hij zegt: "Wat dan?" Wat is er dan gebeurd. Hij vraagt naar hun ALLES en zij leggen hun hart en ziel op tafel. Over Jezus en alles wat er met hem gebeurd is. En zelfs die vrouwen zijn gekomen en hebben grote onrust veroorzaakt.
Het is zo aardig bij Lukas dat deze leerlingen van Jezus ALLES weten en er niets van begrijpen. Zelfs het Paasverhaal is voor hen een nachtmerrie, een angstaanjagend droombeeld.
Waarom?
Waarom zijn ze zo teleurgesteld? Dat zijn hun laatste woorden. "Hem hebben we niet gezien." Het mag allemaal wel waar zijn van Jezus die verrezen is, maar hem hebben we niet gezien. Zonder hem heeft het hele verhaal geen zin.
Jezus begint het vervolgens uit te leggen, niet alleen voor die twee, maar ook voor ons, zoals wij hier bijeen zijn. Hij begint bij Mozes en de Profeten en legt uit wat in de geschriften. Als je het begrijpen wilt moeten de BOEKEN op tafel. Jezus die verrezen is, is blijkbaar verrezen om ons de Schriften in herinnering te brengen. Ons meenemen, het boek van alle verhalen in. Ook het boek in dat we zelf zijn.

Blijf bij ons Heer, het wordt avond. Hij blijft. Hij breekt het brood en hun ogen gaan open. Opeens weten ze dat hij het is, maar met dat ze dat weten is hij uit hun midden verdwenen. Je kunt Jezus niet hebben, je kunt niet alles hebben. Dat kun je alleen maar hebben door te delen, blijkbaar, met elkaar, zoals wij hier samen doen, om hem te gedenken, in de hoop dat hij ons gedenkt, herinnert,
Moge dat zo zijn.

 

Tweede paasdag
24 maart 2008
Hand. 2, 14 + 22 - 32
Mt. 28, 8-15

Op de tweede Paasdag kun je je al bijna niet meer herinneren, dat het de vorige week de Stille Week was. Zelfs als het met Pasen sneeuwt, wij weten het beter: het is Pasen en alles ziet er uit alsof het voorjaar nu definitief begonnen is. Al weken lang zeggen we: het wordt lente. Nu is hete lente, de dood voorbij. Al het hout loopt weer uit. "Christus is verrezen. Ja hij is waarlijk opgestaan." Daarmee begroeten de mensen uit de Oosterse kerken elkaar wanneer ze Pasen vieren.

In de eerste lezing hoort u het verhaal dat eigenlijk bij Pinksteren hoort. De leerlingen durven daar weer naar buiten te komen en Petrus neemt namens hen het woord. Aan heel Jerusalem en al die mensen die er zijn vertelt hij het verhaal. Over hoe het gegaan is met Jezus, een man die één en al belofte was en die - hoe bestaat het - door de eigen mensen is overgeleverd om door de Romeinen als een crimineel opgehangen te worden aan het schandhout van het kruis. Maar de strikken van de dood konden hem niet vasthouden. Je kunt ook lezen: de barensweeën van de dood konden hem niet vasthouden. God wekt hem op. Wij allen zijn daar getuigen van.

De tweede lezing breng ons naar het einde van het Matteüs-evangelie. Daar zijn de wonden nog vers. Vrouwen gaan naar het graf om het te bezien. Ze zullen weggaan met een missie. Tegenover hun verhaal komt het verhaal van de goegemeente. Er is niets gebeurd. De leerlingen hebben het lichaam van Jezus gestolen. De zaak wordt afgekocht. Maar tegenover die verkochte zaak staat het geloof van de kerk: de dood is het laatste woord niet. In Jezus heeft God dat laten zien. En ook al weten we niet wat het betekent, we ervaren telkens weer dat de dood niet het laatste woord is. Waar wij met elkaar spreken spreekt ook God tot ons.

Lukas vertelt in zijn evangelie dat Jezus nog veertig dagen lang regelmatig bij zijn leerlingen is. Die veertig dagen duren tot Hemelvaart. Blijkbaar laat Jezus zich aan zijn leerlinge zien om hen nu opnieuw voor te bereiden op zijn afscheid. Wat doet hij in die veertig dagen, waar praten ze over? Lukas heeft daar maar enkele woorden over. Hij spreekt met hen over Gods koningschap, over het koninkrijk van God, nog beter: over de manier waarop God koning is. Dat is het verhaal over zijn dood en verrijzenis, dat is het aloude verhaal over slavernij en bevrijding, over weg noch steg zien, geen kant meer uit kunnen en toch weer verder gaan, kunnen gaan, kunnen gaan waar geen wegen zijn, opnieuw, nu echt, beginnen.

Die laatste avond waren ze bijeen, Jezus en zijn leerlingen. Hij nam het brood, brak het. Hij nam de beker en deelde hem uit. Brood en wijn gedagen door zijn woorden. Ze zijn het eeuwige verbond waarin wij Gods geheimen delen met elkaar. Gedenken wij dankbaar hoe God in Jezus Christus ons leven deelt .
Moge dat zo zijn.

Zingen we: Gedenken wij dankbaar


 

5e zondag in de veertigdagentijd. (A)

Ezechiel 37,12-14
Romeinen 8,8-11
Johannes 11,1-45

Vooraf
Vandaag is het de vijfde zondag van de veertigdagentijd, de eerste passiezondag.
Volgende week hebben we Palmzondag, een week later Pasen.
We komen dus in de buurt van het hart van ons geloof - zoals we elke week gedenken: het lijden, sterven en verrijzen van de Heer. Opnieuw stellen we de vraag: waar gaat het allemaal over? Wat wordt ons te overwegen gegeven? Wat moeten we volgens deze verhalen zo nodig weten, beseffen? Wat wordt ons hier aangereikt, van week tot week?

Voordat we beginnen aan de goede week hebben we drie staties. De eerste was (veertien dagen geleden) het verhaal over Jezus en de Samaritaanse vrouw bij de put. Alles heeft hij mij gezegd, zei die vrouw. Zij voelde zich geheel en al begrepen en geaccepteerd. Alles!
De tweede statie was (vorige week) de genezing van de blind geborene, zien dat je gezien wordt, vertrouwen in de mens die voor je staat. Gaan staan voor het werk waar God mee begonnen is.
Vandaag het derde verhaal, over Lazarus, over vriend Lazarus die slaapt. Zingen we ons de passietijd binnen met lied 101: "Naam van Jezus die ten dode op het hout geschreven staat".

Lazarus en wij
Bethanie, het huis van de arme, het armenhuis. Het is het dorp van Maria, de vrouw die zich over de arme ontfermt en zijn voeten met kostbare olie zalft. We kennen dat verhaal. Bethanie, Maria. Er is nog een zus. Martha. Martha die we kennen als de vlijtige, als de vrouw die zich geheel en al inzet. Met haar zorg staat zij garant dat het een beetje goed gaat met iedereen.
Maria en Martha, twee zussen. Ze sturen Jezus een bericht. Lazarus je vriend is ziek. Maar Jezus lijkt geen haast te hebben. Na 2 dagen! We zitten dus op de derde dag. Er wordt iets verteld over de derde dag. Na twee dagen gaat hij dan uiteindelijk naar Judea. De leerlingen zijn daar niet voor. De mensen van Judea willen je uit de weg ruimen! Maar Jezus is niet onder de indruk. Onze vriend Lazarus is ingeslapen. Ik moet hem gaan wekken. De leerlingen denken dat het over iets gewoons gaat. Als hij slaapt dan zal hij ook wel wakker worden, Dan zegt Jezus vierkant: Lazarus is gestorven, maar ik verheug me om jullie opdat jullie zullen gaan vertrouwen.
Raadselachtige woorden. Wat moet dat dan zijn, dat vertrouwen? Wat wil het verhaal ons zo nodig vertellen?

Eerst komt Martha aan het woord. Alles wat Jezus zegt is voor haar een open boek. Zij gaat mee. Ook al begrijpt ze er niets van, zij laat zich door hem gezeggen. Ik ben. Verrijzenis. Leven. God die ons leven wil, die ons ter harte neemt, zich over ons ontfermt. Geloof je dit? "Ja Heer, ik heb er alle vertrouwen in. Jij bent de Messias, de zoon van God die naar de wereld komt." En ze waarschuwt Maria: "De rabbi is daar. Hij vraagt naar je."

Maria staat vlug op. Ze haast zich. Zit in die haast haar verlangen naar Jezus of is het de droefheid die zich naar hem drijft? Wie zal dat zeggen. Zij haast zich en de mensen achter haar aan. Wij gaan mee. Je hoort wat er gebeurt.

Jezus ziet dat zij huilt. Iedereen huilt trouwens. Had hij nou niet …!
Het graf is een spelonk. Het woord roept de begrafenis van Sara in herinnering. Een steen is er tegenaan gezet. Huivering trekt door Jezus. Voor mij is dit het moment van uiterste waarheid. Hij kan daar niet tegen. Ook wanneer het straks - de stille week - zijn deel zal zijn: de dood, het graf, hij kan daar niet tegen. Dat onherroepelijk laatste woord - hij kan daar niet tegen.

Hij riep met luide stem. We kennen die tekst, We krijgen dat ook te horen, in de lijdensverhalen van Mt, Mk en Lk. Jezus zal dan roepen met luide stem en de geest geven - de geest die heer is en het leven geeft. De grote stem. Alleen: in het evangelie van Johannes staat dat niet. Geen grote stem in het lijdensverhaal van Johannes.
Bij Johannes is de grote stem is naar dit verhaal verplaatst. Jezus roept met luide stem: Lazarus, kom naar buiten. Begin aan je uittocht.

Hoe is dit mogelijk? Waarop baseert Johannes het onwaarschijnlijke dat in dit verhaal verteld wordt. Daarvoor moeten we terug naar de woorden die aan "Lazarus, kom naar buiten" vooraf gaan. "Vader, ik dank je dat je mij hoort." Dat is het hele verhaal!

De grote stem is er in het evangelie van Sint Jan niet voor Jezus aan het kruis. Zij is er voor allen die er bij staan, ook voor ons nu wij dit verhaal horen. Lazarus kom naar buiten. En Lazarus komt naar buiten, gebonden door de dood. Een doek over zijn hoofd. En let op de woorden: Maak hem los, laat hem los en laat hem gaan. Uittocht, ook uit de dood.

Aan het begin van de passietijd wordt ons als troost uitdrukkelijk te verstaan gegeven: de dood heeft het laatste woord niet. God kan daar niet tegen. Jezus is daarvan vandaag de getuige. Delen wij het brood dat hij ons breekt en de beker die hij ons aanreikt. En gedenken wij het verbond dat altijd nieuw is, ook wanneer wij gestorven zijn.

Moge dat zo zijn.

 

4e zondag veertig dagen (A)
Lezingen: Ef 5, 8-14; Johannes 9.

Zien

Intro
In deze tijd van het jaar merk je hoe belangrijk het licht is. De dagen worden langer en dat vinden we fijn.
In het scheppingsverhaal is het licht het eerste dat God ter sprake brengt: Licht moet er zijn. En er is licht. En God ziet het licht, hoe goed.
In de paasnacht zal dat licht van dag één (niet de eerste, geen rangtelwoord, maar bij deze unieke dag het hoofdtelwoord): dag één, de dag die staat als een huis.
Het licht maakt het zien mogelijk. Maar wat als je niet kunt zien, zelfs niet weet dat je niet kunt zien. Als je van geboorte af aan blind bent en geen idee hebt van wat licht zou kunnen zijn? Hoe wordt een mens gevoelig voor het licht dat ons gaande houdt?
Johannes 9 is een lang verhaal waar we ons aan zullen troosten. We zingen het tegemoet en overwegen het door liederen over het licht, over de verwachting, de toezegging, over dat wat ons wezenlijk verwarmt. Het licht ook waarin we gezien worden, begroet, en elkaar tegemoet gaan.

Jezus verlaat de tempel en in het voorbijgaan ziet hij een mens die blind geboren is. Wat wij ook zien - hij ziet het niet. Hij, een en al afhankelijkheid - alles gaat aan hem voorbij. Zo ook die ene. Blinden hebben vaak oren op steeltjes. Zo horen, is mij gezegd, meer dan wij. Eindeloos veel meer. De blinde laat zien hoe we op elkaar aangewezen zijn.
De leerlingen zien blijkbaar ook wat Jezus ziet. Maar ze komen meteen met een vraag. Je hoort hoe ze kijken - hoe BLIND ze zijn. Als zij zien wat hij ziet betekent dat voor hen zonden, afgewezen worden en afgewezen zijn, niet meer voor lief nemen maar bij het vuil langs de weg zetten. Wie heeft er gezondigd. Iemand moet het schuld zijn. En je krijgt door hun vraag ook te horen hoe hij kijkt. Niets over zonde, alles over doen zoals God doet, zijn werk afmaken. Wij moeten leren oog te krijgen voor wat Hij ziet, voor waar God naar toe wil, voor zijn welbehagen - houden van mensen.
Je kunt het niet eenvoudiger in beeld brengen. Jezus spuwt op de grond, maakt een beetje modder en zalft daarmee de ogen van de mens die blind uit de moederschoot komt. Dat gebaar, een beetje modder op de ogen, is hetzelfde als het gebaar dat we kennen wanneer God de mens in het verhaal vormt, stof uit de aarde. Jezus maakt de Genesis, de geboorte, de schepping van de mens af. Hij moet zich gaan wassen en hij komt ziende. Niet "hij komt ziende terug". Hij komt en ziet. Maar het wordt geen veni, vidi, vici, geen ik kwam, ik zag, ik overwon. Het wordt: ik kom, ik zie en iedereen valt over me heen.
Het begint met: hij is het, hij is het niet, hij lijkt alleen maar op hem. Zelf zegt hij: "Ik ben". Dat is de stem uit het brandende braambos. God zegt ik ben, ik zal zijn, ik kom naar je toe, ik ben er voor jou, en als je het niet meer weet: ik ben er ook nog. Ik ben.
Maar hoe kan dat dan? Hij vertelt het hele verhaal, hoe hij gevonden is en nu ziet.
Maar dan kan niet! De autoriteiten worden er bij gehaald. Wat is er gebeurd? Weer het hele verhaal, alleen korter. Die autoriteiten zeggen: kan vriezen kan dooien, maar dit is een zondig mens. Zeker op de dag des Heren kun je niet de zon in het water zien schijnen. Alles moet blijven zoals het is, geen gedoe. Maar hoe kan het dan zijn dat ik zie? Een profeet. Iemand die het voor mij opneemt, die mij bij de les haalt.
De ouders zeggen: hij is oud genoeg. Laat hemzelf spreken. Wij weten het niet. Of iemand … Wij weten het niet. En weer moet het hele verhaal komen. Heel kort. Willen jullie soms ook leerlingen worden van hem?

Straks zal blijken dat de blinde Jezus nog nooit gezien heeft. Hij weet niet wie dat is. Jezus hoort dat hij verstoten is. Hij vindt hem. Dit is het hele verhaal van Israël in de slavernij, verstoten en door God gevonden. Gevonden door iemand die zich voor je buigt. Wie is, Heer. Wie is de mensenzoon? Wie is het mensenkind dat naar ons toekomt?
Jezus zegt tegen hem wonderlijke woorden. Hij zegt: en je hebt hem gezien en die met je spreekt, Hij is. Hij de blinde! Je hebt hem gezien. De mens die niets ziet heeft hem gezien. Hij is het die met je spreekt. Spreken is niet alleen het uitwisselen van informatie. Spreken is communicatie, communiceren met elkaar. Geven en nemen, delen wat wij delen, mededelen, meemaken, erbij zijn. Spreken heeft religieuze kwaliteit. Tot in die diepten van onze eenzaamheid richten gebaar en taal ons op.

Een van de mogelijkheden van het verhaal van vandaag is dat God zich voor ons buigt. Om ons aan het licht te brengen. Om ons te leren hoe dat gaat: vertrouwen in het brood dat hij ons geeft, in de hand die zich naar ons uitstrekt. Iedere zondag vieren en gedenken we dit, hoe God in zijn lief kind Jezus met ons gaat, alle dagen, zo lang wij leven.
Amen

 

Eerste zondag van de veertig dagen (A)
10 februari 2008

Genesis 2, 7-9; 3, 1-7
Romeinen 5,12-19
Matteüs 4,1-11

De 40 dagen voor Pasen zijn begonnen. Terug bij weer het begin. Het is daarom ook aardig dat de eerste lezing van vandaag afkomstig is uit het begin van het boek van alle verhalen, uit het boek Genesis. De kerk reikt ons het verhaal over Adam en Eva aan als voorbereiding op de lezing uit Matteüs. Het gaat dan over een heel fundamentele zaak: luisteren of niet luisteren.
Het Evangelie brengt ons ook naar het begin: Jezus in de woestijn. Veertig dagen en nachten vast hij daar. En dan? We komen daar strakjes op.

Beginnen we deze dienst en …

Als de bijbel een geschiedenisboek is, dan gaat het in dat boek niet over vroeger, maar op de eerste plaats over dat wat geschiedt, wat er aan de hand is met. Denk maar aan: dat is me een fraaie geschiedenis. Geschiedenis: hoe gaat dat, wat is er aan de hand met. Zo begint Genesis met geschiedenis, met wat er aan de hand is.

Het lijkt in het begin een zoekplaatje. Het gaat over de zon, de maan, de sterren, de dieren en de planten. Zoekplaatje: waar blijven wij eigenlijk? Alles heeft met alles te maken. Soort bij soort. Planten en dieren komen in soorten op aarde. En eindelijk komt dan de mens. De menselijke soort. Nee, niks geen menselijke soort. En God zegt: laat ons de mens scheppen, naar ons beeld, op ons gelijkend, om te heersen over de vissen, de vogels en het vee. En God schept de mens naar zijn beeld en gelijkenis. Dat is niet gering. Als de bijbel de eerste keer over de mens spreekt dan zien we een mens die niet lijkt op iets dat wij voor ons zien. De mens is in het eerste verhaal niet iemand die bij een soort hoort. De mens is naar Gods beeld en gelijkenis geschapen, volstrekt uniek. Je kunt als opa of oma wel zeggen over je kleinkind: "Het lijkt onze Jaap wel", maar bijbels gesproken moet je zeggen: het lijkt de lieve Heer wel. Het eerste zoekplaatje "de mens" levert iets op waar je je ogen naar uitkijkt. Onvoorstelbaar. Een koning. Iemand die koninklijk omgaat met. Met de schepping, de wereld, zijn leven. Een absoluut hoogtepunt.

Dan komt het tweede verhaal. Dat tweede verhaal waarin we al snel Adaam, de mens tegenkomen, begint weer van voren af aan. Er groeit nog niets want God heeft het nog niet laten regenen op aarde. Een boerenverhaal, een praktisch verhaal. Er groeit nog niks want het heeft nog niet geregend.
Dat tweede verhaal begint meteen met waar het over hoort te gaan, de mens. Adaam min adamaah, de mens uit de aarde. Adaam min adamah heet het in het hebreeuws. U hoort. Dat rijmt. Adaam min adamah, de aard-ige uit de aarde, de akkerling uit de akker. En Adaam is een heel andere mens. Een stumpertje: voor zichzelf vind hij niet een tegenover. In het tweede verhaal is de mens iemand die weet van ontbreken. Als dan dadelijk die ander als een droom naar hem toekomt dan valt-ie ook bijna op zijn knieën. Eindelijk, iemand. Even sterk en even kwetsbaar als ik. Die twee rijke mensen blijken dan al snel de koning te rijk. Iets dat nauwelijks de moeite waard is houdt hen zo in de ban dat ze niet anders kunnen dan doen alsof hen niets gevraagd of gezegd is. Ze weten van niks.

Ze eten van de vrucht van de boom en hun ogen gaan open om te ontdekken dat ze daar in het paradijs maar een schamel en armzalig bestaan hebben. Voor ze het weten staan ze buiten.
Niet horen. Doen wat in goed Amsterdams heet "voor je kop komt". Doen wat voor je kop komt en levenslang op de blaren zitten.

Het verbond blijkt in het eerste verhaal niet vanzelfsprekend. Bij elkaar horen, samen zijn, heeft niets te maken met die wolk vogels die in de nazomer in de bomen bij elkaar zitten te kwekken. Een mens, een mens, wat is een mens?

Wanneer Jezus in de Jordaan gedoopt is gaat de hemel open. Deze is mijn welbeminde zoon. Luister naar hem. Opnieuw, een mens. Een mens die te voorschijn komt wanneer God zijn handen opent. Wat nu? Wat gaat er gebeuren?

Hij wordt door de Geest naar de woestijn geleid om getoetst te worden door de duivel. Ik hoop dat U merkt, we zitten weer vooraan in de bijbel. God, de hemel. De mens, de aarde. Daartussen de Geest.

En dan is er meteen alweer die ongenode gast. Michelangelo schildert hem op het plafond van de Sixtijnse kapel zo buitensporig giftig. Hij slingert zich om de boom. Je weet vantevoren al: hij gaat alles kapot maken. Om door de duivel getoetst te worden.
U kent dat: toets. De piano heeft een toets. Druk je daar op dan hoor je wat. Toetsen, tot klinken brengen. Na 40 dagen vasten heeft Jezus honger. De duivel heeft een steen en een economisch argument. Maak van die steen brood. Als je in een wereld die van honger weet, van stenen brood kunt maken - de hemel gaat open! Jezus zegt. Jezus klinkt! Hij laat wat horen! Jezus klinkt als het open boek: De mens leeft niet van brood alleen. Daar is ook het woord van God.
Woord van God. Wat is dat dan? Wat mag het zijn, dat woord? Voordat je op die vraag een antwoord kunt proberen is het toneel veranderd. We staan op het dak van de tempel, op de rand. Spring. Laat zien dat je alles kunt. God kan toch alles. Gods engelen zullen je op hun handen dragen. Wat aarzel je nog! Een bijbelvaste duivel probeert Jezus te verleiden de wetten van de zwaartekracht te negeren en godzalig uit zijn dak te gaan. Weer gaat het boek open. Weer citeert Jezus, tot klinken gebracht, het boek Deuteronomium. Je zult God niet uitdagen. Je kunt niet doen alsof hij onderdeel is van je voorraadkamer en jou ter beschikking staat.

En weer verandert het decor. We komen op de hoogste berg. We komen in het hart van het verbond, op de plaats waar Mozes met God gesproken heeft zoals een vriend spreekt met zijn vriend. Val op je knieën en aanbid mij. De duivel die zich presenteert als superego, als God zelf. Wij kennen die verleiding wanneer iets zich presenteert als dé uitkomst. Dit alles zal ik je geven! Daar moet je voor gaan. Ga weg van mij, Satan. Alleen God zul je vereren. Hem alleen dienen.

Aan het begin van de veertig dagen tijd zou dat een mogelijkheid zijn. Wat mag het betekenen om mens te zijn voor God. Hoe eren wij hem. Hoe dien je God? Hoe ga je voor het uitzonderlijke, het alles beslissende, voor wat ons stil maakt en ons leven doet.
Is dat niet het geheim van het begin, waar het om begonnen is? Gaan voor de luister en de liefde waar ons leven vol van is. God met ons. Delen we het brood dat hij ons geeft. Nemen we de beker die ons wordt aangereikt en bidden wij samen zoals hij het ons leert - opdat er ook in ons hart een beetje vertrouwen, een beetje vrede moge zijn.


vierde zondag door het jaar
(A)
3 februari 2008

Sefanja 2,3; 3,12-13
1Korintiërs 1,26-31
Matteüs 5,1-12a

Tot nu toe heeft Jezus in het evangelie van Matteüs nog maar twee zinnen gezegd. Bij de doop in de Jordaan heeft hij tegen Johannes gezegd - Johannes zei: niet ik moet jou dopen, maar jij mij - "Laat mij, aldus past het ons alle gerechtigheid te laten geschieden". Even later, wanneer hij begint rond te trekken door Galilea, herhaalt hij de korte preek van de Doper: "Keer om want de wijze waarop God koning is, Gods koningschap is dichterbij gekomen."
Vandaag begint de lange tekst bij Matteüs die wij de bergrede noemen. U hebt het gehoord. Jezus ziet de menigte. Dan gaat hij de berg op. Hij wordt beschreven als Mozes, als een leraar. Een leraar moet bijbels gesproken een zachtmoedige zijn. Geen Draufgänger, geen opjager, geen tyran, maar een zachtmoedige. Iemand die flexibel is, die zich kan verplaatsen in de leerling bijvoorbeeld. Iemand die gevoel heeft, die aanvoelt wat de ander voelt, die betrokken is. Iemand die er op de eerste plaats uit is op wat voor de leerling, voor de ander, zinvol, belangrijk, goed is.
En voor de goede verstaander: een leraar is niet op de eerste plaats of enkel iemand die je op school kunt tegen komen. Dat zijn beroepsleraren. Nee, ik spreek over mensen van wie je leert. Van hoeveel mensen leer je niet? Alles is geleerd. Iedereen is in feite leraar. Zelfs een pasgeboren kind leert zijn of haar ouders hoe je ouder moet zijn, wat dat betekent en wat van je verwacht mag worden.
Jezus als leraar. Zijn eerste les. Wat zal het eerste zijn waar hij over spreekt? Wat zal het schild worden waarachter hij schuil gaat?
"Zalig de zachtmoedigen want zij zullen de aarde beërven". Heel bijzonder. Hij legt meteen zijn geheim, wat hem op de been houdt, op tafel. Zalig de zachtmoedigen. Deze mensen, de zachtmoedigen, hebben toekomst, - want zij zullen de aarde beërven.
Hij gaat zitten. De leerlingen komen om hem heen staan. Ze weten blijkbaar van leraar, van "iemand als Mozes". Ze weten blijkbaar ook dat er nu iets komen gaat, dat ze woorden gaan horen waar je bij te rade kunt gaan, die warmte en vertrouwen geven. Woorden die je honger stillen, waar je bij kunt zijn, alleen maar hoeft te luisteren.

"Zalig de zachtmoedigen". Daarmee geeft Matteüs de grondtoon aan van zijn evangelie, zijn verhaal over Jezus dat ons bemoedigen zal. Daarmee geeft Matteüs Jezus het woord. Hij die ervoor moet opdraaien in het evangelie, de meest onschuldige onder de mensen, die, alsof het niets is, door heel de wereld in Jerusalem aan de kant geschoven wordt, Hij wordt door Matteüs nu op het podium gezet.
Wij horen zijn woorden. We horen hoe Jezus kijkt, wat hij ziet, hoe hij hoort, hoe hij staat en gaat in het leven van elke dag op aarde onder de hemel.

Zalig. Wat ben je er gelukkig aan toe wanneer je. In 1966, het is al heel lang geleden, zei iemand tegen me: "Wat moet jij een gelukkig mens zijn." Ik begreep daar niets van. Ik vond dat ook niet van mezelf. Ik was daar nog helemaal niet mee bezig. De ander was zeker 30 jaar ouder dan ik. "Wat moet jij een gelukkig mens zijn." Als de dag van gisteren hoor ik het nog zeggen. Dat is de betekenis van de uitdrukking zalig: "Wat ben je er gelukkig aan toe". Wanneer ben je er gelukkig aan toe? Wie is er gelukkig? Wat maakt dat je gelukkig bent? Want zegt iemand die aan de dijk geschoven wordt over gelukkig?
Dat ben je wanneer je zachtmoedig bent, wanneer je alles in je hebt wat een leraar tot een goede leraar maakt. Het gaat dan over: jezelf bij de les houden. Over doen alsof niets zo belangrijk is dan deze anderen met wie je optrekt of die met jou meegaan, die je tegenkomt in het leven van elke dag.
Wij doen zo gemakkelijk alsof het leven van elke dag niets te maken heeft met de eeuwigheid, met de hemel waar God thuis is, maar bijbels gesproken is dat volstrekt onjuist. Als je aarde zegt moet je meteen hemel zeggen, als je hemel zegt moet je meteen aarde zeggen. Er bestaat geen eer aan God in de hoge tenzij wanneer je woorden van vrede, lieve vrede, durft stamelen of neer te leggen op deze aarde. Zoals zijn wil in de hemel alle plaats vindt, zo zal hij ook op aarde geschieden. Uw wil geschiede op aarde, zoals in de hemel.
Zalig de zachtmoedigen, de mensen die letterlijk onder indruk kunnen komen, die geraakt kunnen worden, die ontvankelijk zijn. Niet zalig de rijken, zalig de hebbers, zalig de bazen, zalig de machtigen, de lefgozers, de goalgetters. Niet zalig de mensen die hun doelstellingen waar maken, zelfs niet die iets willen bereiken, maar zalig de zachtmoedigen. Daarmee is het woord, het hoge woord er uit. Zachtmoedig is die licht groene plek in het dorre hout waar leven blijkt, waar het voorjaar zich aankondigt.
Hoe kort en hoe weinig ook winter, het is toch winter. De bomen zijn toch kaal. De grond laat de duisternis zien die haar eigen is, maar er zijn breuken, er is al iets te zien dat het komende voorjaar zal kenmerken, de zachtmoedigen. Niet de dood, maar het leven zal zich doorzetten, zal zijn hand naar je uitstrekken.
Misschien kunnen we van hieruit ook beter begrijpen wie er met die armen van geest bedoeld worden. De armen van geest zijn niet de minus habentes, de have-nots. De armen van geest zijn niet de power-boosters, de patsers en de fratsers die het allemaal regelen alsof zij de wereld zelf uitgevonden hebben en graaien wat er te graaien valt, alsof alleen voor hen uiteraard de bomen aan de hemel groeien. De armen van geest zijn niet de mensen voor wie je een straatje om gaat. Het zijn de mensen die zich nergens op beroemen, die zich niet sterk maken, die weten dat zij kwetsbaar zijn en eigenlijk nergens zijn tenzij wanneer God zich over hen ontfermt. Zalig de armen van geest, want van en voor hen is Hij die naar hen omziet, die hen draagt op zijn hand, die hen bewaart in zijn schaduw.
Let eens op de woorden hemel en aarde.
Zalig de armen van geest, want van hen is het koninkrijk der hemelen.
Zalig de treurenden, want zij zullen getroost worden.
Zalig de zachtmoedigen want zij zullen de aarde beërven.
De treurenden staan tussen hemel en aarde, in het evangelie van vandaag om Jezus heen. Zij voelen in zijn woorden leven, bemoediging, een hart onder de riem. Zijn woorden strekken zich als handen over je hoofd, drukken je zachtjes tegen hem aan alsof hij weet dat je je aan hem toevertrouwt en hij met je wil zijn.
Wie hoort en meegaat in het evangelie is als de geest die hemel en aarde verbindt, die hemel en aarde tot gemeenschap, levende eenheid maakt, tot verbond. Dat reiken de woorden van vandaag ons in ieder geval aan. Dat is het brood en wijn die ons verbinden met Jezus Christus, onze broeder, onze Heer.
Moge dat zo zijn.

 

2e zondag door het jaar (A)

Zie het lam dat alles van God heeft


Jesaja 49,3.5-6
1 Korintiërs 1,1-3
Johannes 1,29-34

Inleiding
Wat de zon en de maan betreft zitten we in een uitzonderlijk jaar. U kunt zeggen: gaan we het daar nu ook al over hebben, over de zon en de maan. Ja, vandaag even wel. Dit jaar is er namelijk een zeer uitzonderlijk vroege eerste volle maan in de lente. En de eerste volle maan in de lente is het Pesach/Pasen. Dit jaar is het een uitzonderlijk vroege Pasen. Op 23 maart. Het kan nog een dag vroeger, dat is in 21honderd zoveel heb ik gehoord, dus ver na onze tijd.
Een vroege Pasen, dat betekent een vroege 40-dagen tijd en dus maar weinig zondagen tussen De afsluiting van het Kerstfeest en het begin van de voorbereiding op Pasen. Na vandaag nog twee zondagen en dan is het alweer Aswoensdag.

Toch blijven we, ondanks alle paashaast, nog even hangen bij het begin van het evangelie. Sint Jan neemt ons mee naar de Jordaan. De volgende dag … U zult dat strakjes horen. We zullen op die lezing worden voorbereid door Jesaja. Hij spreekt ons op uitzonderlijke manier aan en dat heeft natuurlijk betekenis. Straks meer.

We komen samen om in de zaal van het laatste avondmaal te gast te zijn bij Jezus en zijn leerlingen. Jezus bereidt zijn leerlingen voor op de dingen die komen gaan. Maken we het stil in onszelf om getuigen te worden van de dingen die komen gaan.

---
tekst
Niets is zo gemakkelijk voor de kerk dan kerk zijn. We hebben een immense geschiedenis achter de rug. In het spoor van het evangelie zo mag je wel zeggen zijn de steden in Europa en ook Amerika uit de grond getrokken. Een hele beschaving is een christelijke beschaving. De naam avondland gebruikten we vroeger om de vrede aan te geven waar we ons in konden koesteren - ondanks alle pijn waar de mensen in alle eeuwen mee geconfronteerd werden.
Niets is zo gemakkelijk, bijna natuurlijk en vanzelfsprekend voor de kerk als kerk te zijn. Tegelijk is niets zo moeilijk. Je zult maar leven met de goede woorden die het evangelie, die het boek van alle verhalen ons geeft. Je zult maar leven met zo'n geweldige traditie die de eeuwen heeft getrotseerd, die mensen groot heeft gemaakt. Je zult maar leven met zo'n schat aan geschiedenis met musea vol schilderijen christelijke kunst, bergen christelijke, bijbelse muziek. Nederland vier. Geen dag gaat voorbij of ergens wordt gemusiceerd op bijbelse taal. En intussen blijft het moeizaam om te leven met de woorden die ons gegeven zijn. De mens een kind van God. Als je kijkt naar het journaal. De mens Gods evenbeeld op deze wereld. Zoveel droefheid. Zoveel zorg.
God is voor ons toch iets van het uitzonderlijke, het grootse, het geweldige. Hij kan alles, zeiden we vroeger. Hij heeft de wereld geschapen. Hij kan ingrijpen in de geschiedenis. Niets is onttrokken aan Zijn macht.
Ja, ik weet het niet. Maar ik denk dat we te gemakkelijk vergeten dat God alles te maken heeft met het verhaal over Jezus. En dat verhaal over Jezus is ook een verhaal dat eindigt als een dieptepunt van troosteloosheid. Gestorven aan het kruis. Vermoord als een misdadiger omdat hij enkel goede woorden had.
En dat verhaal noemen we evangelie - goed verhaal, een verhaal waar je van op kijkt, dat je stil doet staan om bij de stilte te rade te gaan. Het goede verhaal is dat Jezus weet dat God zich, hoe dan ook, over Hem ontfermt. Het goede verhaal is dat pas uit de diepte van de afgrond de zekerheid groet, zoals bij het zaad in de akker, dat het leven steeds begint - hoe dan ook.

De Heer heeft tegen mij gezegd …Zo begint de eerste lezing vandaag. Jesaja spreekt uit de Babylonische spraakverwarring tegen de mensen, tegen zijn mensen om hem heen. Omdat het Schrift geworden is en wij kunnen lezen, geven wij onze stem aan het verhaal en klinkt Jesaja ook vandaag nog, 25 eeuwen later. De Heer heeft tegen mij gezegd: mijn dienaar ben je, Israël, door jou ga ik mijn glorie vinden, door jou zal duidelijk worden wie ik ben. De tekst zegt als het ware "ik", en noemt ons Israël. Wanneer je luistert, wanneer je mee doet door te horen, heet je bijbels gesproken Israël. De franse, joodse filosoof Emmanuel Levinas schrijft: Israël is rond het boek geen aanduiding van een natie of volk. Het is een aanduiding van een kwaliteit van mens zijn. Het heeft alles te maken met "nog niet uitgehoord zijn". Nog is er iets te horen. Nog vragen wij wat er gaande is, waar het naar toe gaat. En wij gaan mee. Jesaja maakt dat ook duidelijk. Het bijbelse verhaal is niet alleen voor de kinderen van Jacob, voor de mensen van Jerusalem en omgeving. Het is ook een licht voor de heidenen lezen we dan steeds. Heidenen betekent zoiets als van God los. Denk maar aan aan de heidenen overgeleverd. Maar dat betekent heidenen in de bijbel helemaal niet. Heidenen in de bijbel zijn de mensen die niet van nature Kinderen van Jacob zijn. Dus dat zijn de volkeren, in het grieks de rest van de wereld, in feite ongeveer de hele wereld. Kath'holon ton kosmon - katholiek is daarvan afgeleid. Wij die luisteren zijn volgens Jesaja een licht voor de volkeren. Gods gave wereld zal als het kind van Kerstmis zijn handen uitstrekken naar heel de wereld.
Twee jaar geleden. Hub, een goede vriend van mij was doodziek. Achteraf weten we dat het 3 weken voor zijn overlijden was. Er was een dag dat niemand op bezoek zou kunnen komen. Ik had nog wel een mogelijkheid. Hij kon niet meer praten. Gebaren en schrift - dat was alles. Toen ik boven in zijn flat kwam maakte hij met een zwier de deur open en hij stak zijn handen uit, als het Kerstkind. Voor mij had dat alles van God. Ik was meer dan welkom bij hem. En prutsend met gebaren en korte zinnetjes op papier hebben we een warm en gezellig uur gehad waar ik dankbaar aan terugdenk. Jesaja zegt: we zijn een licht voor de volkeren. Gods genegenheid gaat tot de einden van de wereld.

Het is altijd de volgende dag. Ook vandaag is de wereld weer opnieuw begonnen, als nieuw. Sint Jan - ik zeg hier Onze Sint Jan, - ziet Jezus naar zich toekomen. Zie het lam van God. Allen in het evangelie van Johannes wordt dit verteld. Zie het lam Gods. Wij zeggen dat elke keer weer wanneer wij de eucharistie vieren en ons aansluiten bij de dankzegging van Jezus, wanneer hij zijn vader dankt. Het lam van God. Alsof Pesach nabij is, alsof de bevrijding op handen is, de slavernij voorbij. Niets meer van rennen en draven, niets meer van afgejakkerd zijn maar stilte voor de storm die de bevrijding zal betekenen. Zie het lam Gods. Het verhaal neemt ons mee. Wat de dagen ook brengen mogen. Het verhaal neemt ons mee ons leven in. Dat delen we hier vandaag met elkaar en moge God met ons zijn.


Voor Sint Jan de Doper, Amsterdam
20 januari 2008

 

 

De doop van de Heer (A)
13 januari 2008

De meesten van de kerkgangers komen uit een tijd waarin de dingen waren zoals ze waren. Je moest doen wat je moest doen. Je moest denken wat je moest denken. De waarheid stond vast. Toen indertijd paus Johannes XXIII bekend maakte dat er een Concilie gehouden zou worden zei een priester tegen me: "Eigenlijk hoeft dat niet. We weten alles al."

Vandaag de dag moeten we meer zelf uitzoeken wat er gaande is, onze houding bepalen, leren te kiezen wat verstandig is. In de bijbelse traditie ligt daarom het accent op het zelf zoeken, zelf proberen. Antwoorden op vragen zijn dan vaak verhaaltjes. Een van die verhaaltjes hoort duidelijk bij de dag van vandaag.

Waarom begint het Boek van Alle Verhalen (Bijbel) met zo iets onbelangrijks als het woord "Begin". Als toch de bijbel het woord van God is, waarom dan niet beginnen met bijvoorbeeld God, of De Tempel, of De messias, of het Verbond. Een van de antwoorden is; Natuurlijk, de Tempel is belangrijk, moge hij spoedig herbouwd worden, de Messias is belangrijk, moge hij spoedig komen, het Verbond is belangrijk, mogen wij allen daarin werkelijk leven, en natuurlijk, God is heel belangrijk, zijn Naam moge een zegen zijn, maar het allerbelangrijkste is het om te beginnen. Als je alles overziet en tot de conclusie komt: Ja, zo moet het, zo kan het, vooruit - dan is alles nieuw. Dan begint je echt, opnieuw, steeds weer als nieuw.

Mijn "oma Leenhof" was een wijze vrouw. Ze verbaasde mij toen ik een jaar of tien was met de opmerking: "Een mens is nooit te oud om te leren." Blijkbaar wilde ook zij weer opnieuw beginnen.

Vandaag gaat het eindelijk beginnen. Jezus komt bij de Jordaan.

 

Jesaja 42,1-4, 6-7
Handelingen 10,34-38
Matteüs 3,13-17

Vandaag - ik zou bijna willen zeggen; "Is het eindelijk zo ver". Jezus komt uit Galilea bij de Jordaan. Hij wil zich door Johannes laten dopen.

Als de dag van gisteren herinner ik mij de eerste keer dat ik de Jordaan zag. Het was 1978. We kwamen van de Golanhoogte. Op een gegeven moment stopte de bus. Uitstappen. Een beekje was daar, meer niet. De gids keek ons bijna triomfantelijk aan. Dat was de Jordaan! Ik geef toe, het was midden in de zomer en dan is het water wat schaarser, maar dit pruts watertje was natuurlijk volstrekt niet wat ik me van de Jordaan voorstelde. Maar, zo verstandig als ik daarbij keek en dacht, het was toch niet goed. Voor de Jordaan moeten we niet op reis met touringcars en vliegtuigen. Voor de Jordaan moet hier, voor het open boek, het oude boek open gaan. Het is bijbelse aardrijkskunde. De Jordaan daalt dan niet omlaag uit de bronnen bij het Hermongebergte naar de Dode zee, maar de Jordaan is de laatste grens tussen de woestijn en het veelbelovende, alles belovende land.
Als je bijbels gesproken bij de Jordaan aankomt dan heb je 40 jaar zand, 40 jaar woestijn achter de rug, een leven lang. Aan het eind van die lange veertig jaren kom je uit bij de Jordaan. Schipper mag ik overvaren, is dan het bekende lied.

In de joodse bijbel komen ze twee keer aan bij de Jordaan. De eerste keer is waar ik het net over had. Dat is het einde van het boek Numeri. De reis zit er op. Schipper mag ik over varen? Met de Tora in de hand kom je aan de overkant. Daarom hoort bij de Jordaan het bijbelboek met die wat moeilijke naam Deuteronomium. Voordat je het veelbelovende, allesbelovende land binnen mag moet eerst heel de les die het leven je geleerd heeft herhaald worden. Dat doet het boek Deuteronomium. Alles wordt nog eens doorgenomen, over niks en niemand zijn in de slavernij, over onderweg zijn op hoop van zegen, over "je houden aan elkaar en aan God die je bevrijder wil zijn", overleven God-zij-dank. Daarna, als het boek Deuteronomium uit is, zal dan de beslissende stap gezet moeten worden. Door de Jordaan. Alle woorden moeten en zullen in vervulling gaan. "In vervulling gaan", dat moet U even onthouden.
Aan het einde van het boek Deuteronomium begint de Joodse gemeenschap weer vooraan in het boek Genesis. Ook dat moet U even weten. Genesis begint met het verhaal in 7 dagen, over hemel en de aarde en van de stem: God zegt: licht moet er zijn, en er is licht, en God ziet het licht dat het goed is. En dan hebben we nu voldoende klaargezet voor het feest van vandaag.

Jezus laat zich zien bij de Jordaan. Er is nog niets geen gefluister, niet van "daar heb je hem". Wíj weten misschien wel een beetje wat er gaat gebeuren maar daar is in het verhaal nog geen sprake van. Als we het verhaal horen moeten we luisteren als was het de eerste keer. We weten bij wijze van spreken nog van niets. Jezus komt bij de Jordaan. Tot nu toe kwam iedereen bij de jordaan uit de buurt van Jerusalem en omgeving. Daarom is het typische dat deze Jezus uit Galilea komt.

Ieder van ons kent de naam Galilea. Die kenden we al toen we 7 jaar waren. Maar Galilea is meer dan wat wij er van weten. Galilea is op de eerste plaats heimweeland. De mensen in Galilea zijn voor een groot deel de nakomelingen van vorige generaties die gevlucht zijn uit Jerusalem en omgeving. Daarom is Galilea dromenland. In Galilea dromen ze van het goede, het echte leven, rond de tempel in Jerusalem. Jezus uit Galilea duikt op bij de Jordaan. Hij komt naar Johannes. Om zich door Johannes te laten dopen. Johannes doet wat wij zouden doen. Johannes zegt: Je moet de rollen niet omdraaien. Niet ik moet jou dopen, maar jij moet mij dopen.
Voor Johannes is Jezus blijkbaar een bijzonder iemand. Misschien wil hij uit bescheidenheid de rollen omdraaien: niet ik jou, maar jij mij. Maar stel je voor dat hij Jezus niet doopt. Dan zal het verhaal nooit beginnen. Want bij de Jordaan vallen van oudsher alle beslissingen. We horen Jezus zeggen: Houdt me niet tegen. Zo past het ons alle gerechtigheid te vervullen.

Gaan door de Jordaan is voor Jezus: alle gerechtigheid laten gebeuren. Alle woorden blijken nu waar, worden waar. Heel die levensweg komt nu waar hij wezen moet, in het land dat de beloften draagt, dat door de beloften gedragen wordt en dat zelf een en al belofte is. Vandaag komt Jezus aan in het land van alle verhalen. Het gaat over het vervullen van alle gerechtigheid. Boven Jezus gaat de hemel open en klinkt in alle vaderlijke tederheid de stem die zegt; mijn welbeminde zoon. Geen luxe. Het is geen luxe dat die stem klinkt, want het vol maken van alle gerechtigheid betekent ook het volmaken van alle ongerechtigheid. Boven hem gaat de hemel open en zal de hel losbarsten. Jerusalem en alles wat daar gebeuren zal. Daaarom nu, bij voorbaat al die stem, "Mijn Zoon, mijn welbeminde".

Johannes doopt hem en daarmee gaat nu alles beginnen. Toen wij gedoopt werden, werden wij gedoopt in de doop van Jezus, om hem achterna, in zijn spoor, om het leven op ons te nemen met al zijn onzekerheid. En wat over Jezus wordt gezegd bij zijn doop wordt ook over ons gezegd. Wij zijn kinderen van God, door hem bemind, wat er ook gebeurd is.

In de Russisch orthodoxe kerk wordt dit feest groots gevierd. Je herkent de kerkruimte niet. De vloer, de muren zo hoog als men komen kan, zijn bekleed met groen hout, dennen en sparren. En de priester heeft een kwast van palmtakjes en daarmee besprenkelt hij uitbundig de kerk, het gebouw en alle mensen. Allen worden wij vandaag in Jezus gedoopt om het avontuur te beginnen dat van nu af aan ons leven gaat worden. Wij zullen straks het Onze Vader bidden. Ook wij zijn Gods geliefde kinderen, hem dierbaar, eindeloos. Daartoe zullen we straks het brood breken en de beker delen als voedsel voor onderweg. Moge dat zo zijn.


 


 

 

Openbaring des Heren

6 januari 2008

 

Jesaja 60,1-6

Efesiërs 3,2-3a.5-6

Matteüs 2,1-12

 

6 Januari heet vanouds zondag driekoningen. Wat je als kind graag wilde, bij de kerstgroep thuis, dat die drie koningen die nog net zichtbaar verstopt waren achter het rotspapier om de onderkant van de kerstboom heen, nu eindelijk te voorschijn mochten komen – is eindelijk gelukt. Drie feestelijk uitgedoste mannen stonden daar met grote geschenken bij de krib. Ze hadden die hele reis gemaakt, waren uit het oosten gekomen om het kind te aanbidden. Als klein jongetje begreep ik dat helemaal. Dat deden wij ook. We gaapten onze ogen uit en keken vol verwondering naar dat kind dat daar met zijn handjes open in het stro lag bij de os en de ezel, vlak voor Maria. Jozef stond altijd een beetje op afstand. De drie koningen met die ene feestelijke kameel stonden nu vlak voor het kribje. We konden nog net het kleine Jezusje zelf zien.

 

Vandaag heet het officieel “de openbaring des Heren”. Let op. Des Heren. Niet der Heren. Het is niet de openbaring van de drie koningen die nu eindelijk komen en openbaar worden. Het gaat over het openbaar worden van de Heer. In meer gewoon nederlands: de heer laat zich zien. Hier is hij. Kijk maar.

 

Drie verhalen horen bij dit feest. Het eerste verhaal staat vandaag centraal. Het is het verhaal van de wijzen. Jezus laat zich aan hen zien. Ik kom daar dadelijk op terug.

Het tweede verhaal is het verhaal van de doop van Jezus in de Jordaan. Dat verhaal komt volgende week terug. Jezus komt uit Nazareth in Galilea naar de Jordaan om zich door Johannes te laten dopen. Volgende week.

Het derde verhaal is het verhaal over de bruiloft waar ze met zijn allen zingen: “We hebben dorst in we krijgen niets te drinken” – het verhaal van de bruiloft in Kana. Jezus komt daar met zijn leerlingen als geroepen. Als de kruiken dan met water gevuld worden en de bruidegom, de messias, zien, begint het te blozen. Het water wordt de wijn van de hemelse bruiloft. En allen zingen: “Zo’ne goeie hebben we nog niet gehad.”

Met andere woorden: op 6 januari begint het echt te beginnen. Zes januari is ook minstens een eeuw ouder feest dan kerstmis. Jezus over de drempel. Als een schaap over de dam is volgen er meer. Eindelijk.

 

In de kerstnacht lezen we uit het evangelie van Lucas. Dan horen over de herdertjes die bij nachte lagen. Dan horen we de woorden van de engel van al zo hoge die spreekt over een bevrijder en over vrede op aarde als eerbewijs aan God in den hoge. Dat is de kerstnacht, schoner dan de dagen. Maar u weet hoe dat gedicht van de Amsterdamse poëet Joost van den Vondel dat U in de Gijsbrecht van Amstel vindt, verdere gaat: O kerstnacht, schoner  dan de dagen, hoe kan Herodes het licht verdragen. Dat verhaal over Herodes en het licht begint vandaag, in het evangelie van Matteüs. Hoezo, waarom is dat? Waarom doet Matteüs dat  zo.

Kort gezegd: het evangelie begint met de doop in de Jordaan. Daar gaat het doek open. De hemel opent zich en we horen de stem die zegt: deze is mijn beminde zoon. De vier evangelisten hebben alle vier dat verhaal. Maar twee van de vier laten er een inleiding aan vooraf gaan. Ik beperk me vandaag tot Matteüs. Als u het evangelie opent maakt en hardop begint de lezen dan breekt u binnen de kortste keren uw tong over de vreemde woorden. Matteüs begint met een lijst van namen, allemaal joodse namen. Namen van mensen die de joodse geschiedenis in het kort laten horen. Het zijn de namen bij wie Jezus thuis hoort, zijn volk. Matteüs begint dus aan een verhaal over alles joodse mensen. Wij zijn daar vreemdelingen.

 

Nee, dat vindt Matteüs niet. Daarvoor is het verhaal dat wij vandaag horen. Matteüs neemt vreemdelingen in dienst. Die komen van buiten Israël vragen naar de koning der joden die geboren is. Aan de naam “koning der Joden” kunt u horen dat het geen joden zijn. Wij spreken ook niet over Beatrix als de koningin van Nederland. We zeggen wel: Elisabeth is de koningin van Engeland. Koning der Joden: dus het zijn vreemdelingen. Zij zijn in Israël en Jerusalem niet thuis. Daarom neemt ook een ster hen bij de neus. Die voert hen tot Jerusalem en daar moeten ze vragen naar de weg die hen onbekend is. “Waar is de koning der Joden geboren? “ Die vraag klinkt aan het hof. Herodes schrikt en heel Jerusalem met hem, zegt Matteüs. HEEL Jerusalem. De koning valt zijn kunstgebit uit en dat levert een immens geroffel op. Iedereen houdt zijn adem in. Goede raad is duur. Dus gaan de boeken open. BETH-LEHEM, dáár moeten ze zijn. Bethlehem, de stad van de grote koning David. “En komt terug als je het kind vindt”, zegt Herodes IN HET GEHEIM. Dan kan ook ik het kind gaan aanbidden. En U weet hoe een Herodes kinderen aanbidt – door de kindermoord in Bethlehem. Hoe kan Herodes het licht verdragen.

 

Vandaag laat de Heer zich zien, door dit verhaal van Matteüs ook aan ons. Kunnen wij het behoedzame licht verdragen dat zich als ons midden aftekent. Drie koningen zagen een sterre om ons voor te gaan naar Bethlehem. Daar vinden we het kind. De wijze gaan langs een andere weg terug. Er is een oude uitleg die zegt:als je dit kind gezien hebt kun je niet gewoon verder. Je gaat anders dan je gekomen bent. Ik heb dat ook bijna altijd wanneer ik op zondag hier weg ga. Er gebeurt iets met je wanneer we hier samen bijeen zijn, rond de tafel van de Heer. Moge dat zo zijn.