Preken in de Sint Jan de Doper, Amsterdam,

c-jaar

2 december 2012-24 november 2013

zondag 09 december 2012 - 2e zondag van de Advent Sint Jan de Doper Amsterdam
Baruch 5,1-9; Lucas 3,1-6


Vier plekken lichten op, op weg naar het wonder van Betlehem. Vier sterren, vier zondagen laten licht vallen op mensen die onderweg zijn, zoekend naar de stille ingetogenheid van een optrekje waar we een moeder en haar kind zullen zien, en een Jozef die al dat gebeuren aan zich voorbij ziet trekken.
Vandaag valt het licht op iemand met naam genoemd. God is Genegenheid zou die naam in een vertaling klinken. Die naam klonk al vóór zijn tijd tot verwondering van alsmaar nog niet vader Zecharja. Negen maanden lang zal hij in stilte broeden op de naam van dat kind: God is genegen. De Eeuwige is de welwillende die het goede met je voor heeft.
Wat heeft dit toch onverwacht gekregen kind, Jochannan/Johannes, te melden wanneer het op zijn plek is aangekomen en wat mogen zijn woorden betekenen?
Baruch van de eerste lezing. Benedictus in het latijn, de Gezegende. Eindelijk heeft Baruch woorden om te troosten. Hij maakt vandaag de bijbelse traditie voor ons toegankelijk, in één woord: Jerusalem! Wat schrijft Baruch wanneer hij naar Jerusalem kijkt? Hij ziet een gestalte omfloerst van verdriet en ten einde raad, in rouw en ellende. Maar dat hoeft niet meer, kan eigenlijk ook niet meer. Want Gods heerlijke schoonheid ligt voor je klaar, zegt hij. Het woord van God zal waar en betrouwbaar blijken. Het gaat gebeuren en vindt plaats: Gods gerechtigheid.
Einde van de ballingschap, einde van de slavernij, einde van alle berusting en vergeefsheid. Je hoofd zal gekroond worden met de kroon van de Eeuwige. Geketend werden ze indertijd weggesleept door de vijand, gedragen op een koningstroon brengt God hen terug. Bergen worden geslecht en ravijnen gevuld om de weg die zich aandient mogelijk te maken. Een weg van vrede want gerechtigheid, van zinvolheid en toewijding.
Dan gaan we met Lucas naar Johannes de Doper. Sint Jan staat bij de Jordaan te dopen.
Johannes, en let wel: in de woestijn. Daarmee zitten we in het bijbelboek dat volgt op Leviticus. In de woestijn, (Numeri), het boek dat afstevent op de Jordaan, wanneer de woestijn op het punt van open bloeien staat, open voor het veelbelovende land. Op de rand van woestijn en land treffen we Johannes. Als een soort heraut doet hij bij de Jordaan zijn doopwerk, en hij heeft daar een verhaal bij: doop van omkeer met het oog op opheffing, kwijtschelding van zonden.
Als zonden zoiets betekent als “dat wat het verbond op het spel zet, wat het verbond ontkent, verbreekt”, dan is “opheffing van de zonden”: het verbond herstellen, het verbond weer als nieuw maken. Gaan leven in verbondenheid. Daar is Johannes in de Jordaanstreken op uit. De heer is genegenheid. God geeft om je, hij dringt zich niet op maar biedt zich aan, als Hij die bevrijdt. Dat is de uitleg van wat Johannes doet wanneer hij gaat dopen. En dat hele gebeuren kun je horen wanneer je in de woestijn Jesaja leest, vertolkt, stem geeft. Jesaja stemt er mee in. De weg van de Heer, zegt Jesaja.
Er is werk aan de winkel. Er moet, en naar nu ook blijkt, er kan een weg worden aangelegd door de woestijn. Die nieuwe weg is de weg van de Heer. Die weg is recht. Een rechte weg is niet een niet-kromme of niet-kronkelige weg, maar een betrouwbare weg, een weg die naar zijn doel voert, die uitkomt waar je wezen moet. Geen hoogte zal meer te hoog zijn, geen ravijn meer te diep om de mensen te laten zien waar het over gaat: God is degene die bevrijdt. Daar is het om begonnen, dat is het begin: een kind zal je aankijken en jij zult gevonden worden. Dat zou het thema kunnen zijn van deze tweede statie, op weg naar Kerstmis in 2012.
Moge God met ons zijn.


zondag 23.12. 2012 4e zondag Advent
Sint Jan de Doper Amsterdam
Micha 5,1-4a; Lucas 1,39-45
Om 9 uur begint morgen de viering van de Kerstnacht. Nog even dus. En dan horen we Micha. Micha zet ons neer in Efrata. Omdat daar tegenwoordig wachtposten staan tussen Israël en de Palestijnse gebieden valt die plaats dubbel op. Als je daar rondkijkt zie je een klein gebouw met witte hebreeuwse letters langs de dakrand. Kever imménoe Racheel (graf van onze moeder Rachel). Ware die grens er niet, je zou Efrata in het voorbijgaan niet zien. Meer dan een drempel is het niet. Ben je in Ephratha, dan ben je in Bethlehem, ook al zo’n plaatsje van bijna niks. Alhoewel. In Bethlehem is David geboren, de koning van Jerusalem. David, van Bethlehem tot Jerusalem. Zo moet je volgens Lucas en Matteüs ook over Jezus spreken. Niet “Jezus van Nazareth” maar Jezus van Bethlehem tot Jerusalem. Jezus, de messias. Als koning zal hij getrouw Jerusalem binnen trekken. Maar dat is nu nog verre toekomstmuziek. Nu spellen we alleen de naam: Efrata. En we denken aan moeder Rachel. Volgens Vondel gaat zij waeren, dwalen door de velden van Bethlehem. Waarom doet ze dat? Ze zoekt. Ze zoekt haar kinderen. Moeder Rachel is ontroostbaar, eindeloos bedroefd. Er zijn bijbelse tradities die ervan overtuigd zijn dat het leed van mensen zo groot is, dat ook de Messias je niet kan troosten. Hij zal een man van vrede zijn. Maar wat moet je met een man vrede wanneer je leven een en al wonde is.
Lucas komt erbij en plotseling komen we in tijdnood. Maria heeft Nazareth verlaten en is vertrokken naar een stad in Judea. Stad van Judea. Is dat Jerusalem? Maar het verhaal is al verder. We krijgen: twee vrouwen. Een jonge vrouw, Maria, en haar bijna stokoude nicht, Elisabeth. In haar heeft de tijd niet stil gestaan. Vruchteloos heeft ze al haar jaren geleefd en opeens is haar schoot gaan bloeien, onvoorstelbaar, terwijl haar man, Zecharja, geen woord kan uitbrengen.
Maria en Elisabeth. Deze twee vrouwen ontmoeten elkaar. En dan word je getuige van en tafereel dat zijn gelijke niet heeft. Je ziet een vertrouwdheid die je doet weten dat je buitenstaander bent. [Zoals in het fantastische schilderij in Carmignano (Toscane) van Pontermo (zie eventueel http://janengelen.nl/nancy/visitatie.htm)]. Zichtbaar wordt wat onzichtbaar blijft! Je weet het maar je hebt er nog geen woorden voor, geen gevoel. Er komt een morgen die zijn weerga niet kent. Tot morgen. Morgen zullen we het moeten hebben en mogen hebben over die zeldzame handreiking van God: wij zijn niet alleen. Hij is er ook nog. Hij is ons niet vergeten. Wij zijn Zijn kinderen. Ik hoef U dat niet te vertellen: we leven van geheimen. En ieder van ons heef zijn eigen geheimen. Maar de kerstnacht is een geheim dat we alleen maar met elkaar kunnen delen. Een geheim waar geen woorden voor zijn en dat we daarom eindeloos spelen, met licht, en groen, met hoop, en verwachting, met kou en toch thuis zijn bij elkaar. En ik weet niet of U het al gemerkt hebt, maar de boeren zijn al onderweg met de os en de ezel voor de kerststal. Die dieren zijn wel niet beschreven door Lucas, maar wist hij veel. Hoe kan een bekeerde heiden nu weten van de os en de ezel die naar hun meester luisteren. Volgens Jesaja luisteren die domme dieren wel, maar Israël niet. De os en de ezel nodigen ons uit. Willen we luisteren naar die nacht, naar die stilte, die eenvoud, dat overrompelende, morgen nacht, met een have maan wanneer er niet te veel wolken zijn .
Morgen is het de nacht van het grootste geheim dat we met elkaar delen. Ik hoop dat we elkaar dan mogen zien en mogen sterken in de viering van da onzegbare geheim.
Morgenavond hebben we het daarover. Nu delen we onze verwachting met elkaar in het heilige brood dat Hij ons geeft, die avond voor zijn lijden en dood. Morgen. Moge intussen God met ons zijn.

maandag 24 december 2012 Kerstnacht
Sint Jan de Doper, Amsterdam
Jesaja 9,1-3.5-6; psalm 96; Titus 2,11-14; Lucas 2,1-14

Deze nacht is de nacht van de grote geheimen. Het begint met een man en een hoogzwangere vrouw die in Bethlehem geen plaats kunnen vinden terwijl dat kindje geboren moet worden. Arm kind. En herders. Die hun bewaken schapen zolang de nacht duurt. Zij horen de hemel open gaan met woorden die vrede oproepen. Het is een geheim, dat radeloosheid en vrede bijeen kunnen horen. En het is ook een geheim dat wij daar oren voor hebben, nog sterker, dat wij daar broodnodig aan toe zijn. Want wij, - wie of wat zijn we eigenlijk?
Eigenlijk is het wonderlijk, dat wij onszelf graag en bijna vanzelfsprekend herkennen in het volk dat in donkerheid wandelt. Het afgelopen jaar is voor velen van ons niet zo goed geweest. Tegen de achtergrond van onze dagen is het geen wonder dat wij onszelf zien als mensen die essentieel behoefte aan licht hebben. Voor ons is deze nacht wonderlijk.
Eigenlijk is deze nacht de nacht van de grote geheimen, want het kind van Kerstmis laat ons ook zien hoe wij er aan toe zijn. In vergelijking met vele anderen ter wereld hebben wij het redelijk goed, maar dat is een algemene opmerking, goed voor statistieken en economen. Speelt ons leven zich af in statistieken en in de economie? Ik denk het niet. Elementen van de ruimte vormen wel de wereld waarin we leven, maar dat is ons leven niet. Ons leven is door en door een kwestie van tijd. Dat voel je met Kerstmis bij uitstek. Ieder heeft zijn eigen herinneringen aan kerstmis vroeger. Voor je er erg in hebt ben weer een kind en kijk je je ogen uit naar de boom en de kribbe met Maria en Jozef, en de kleine Jezus in de kribbe. Kerstmis geeft ons ook terug aan het kind dat we zijn. Leven begint simpel en weerloos, en het blijft een levenlang zo kwetsbaar als een kind. Kerstmis, zo zeiden we vroeger is het feest van de menswording. Hoe wordt je mens? Hoe kom je aan het licht? Hoe word je gevonden en kun je wat doen?
Midden in de winter spreekt Jesaja over oogst. Jesaja/Je moet maar lef hebben. Of moet je zeggen: dat is broodnodig. In de duistere dagen moet je het hebben van een vermoeden van licht, een vermoeden dat het toch goed gaat komen, een vermoeden van vrede.
Kerstmis danken we aan de evangelist Lucas. Vermoedelijk was hij een vreemdeling in Jerusalem. Vermoedelijk was hij iemand die aangesproken werd door de woorden en waarden van de bijbelse verhalen. Vermoedelijk ook is hij aangestoken door Jezus de verhalenman die droomde van vrede en van een Vader die Onze Vader wil zijn. Hij wil vertellen over Jezus, zet Hem in zijn ruimte, de schaduw van de Tempel in Jerusalem, de schaduw van Jerusalem ook. En hij zet hem neer in zijn tijd. Namen noemen die tijd: de keizer, de landvoogd. De Romeinen in het land. En dan het verhaal over de grote verlatenheid van Maria en Jozef en het kind dat komt. Het is de roerende eenvoud van een kind dat geboren is. DIT kind. Door de eeuwen bezongen. Door de eeuwen gewogen. Hij wordt straks veroordeeld, gewantrouwd en veroordeeld – maar vandaag wordt hij als nieuw geboren, als een nieuwe kans voor herders, voor mensen die van weten van “vandaag en morgen”, van “als het er op aan komt”. Er is voor ieder die dat wil een stem uit de hemel die spreekt over wat Gods eer te na komt. Daar is een Gloria voor, een wonderlijk en onwaarschijnlijk lied dat zich afspeelt tussenhemel en aarde.
God heeft iets nieuws bedacht. Hij geeft het beste wat hij heeft: een mens om mee te leven, een mens die onze broeder is. Zo leven we ook met elkaar. En samen kijken we vandaag onze ogen uit naar het kind dat als een geschenk uit de hemel naar ons toekomt met uitgestrekte armen. Wij vinden het kind, maar het kind vindt ook ons, wil er zijn voor ons, geeft zich aan ons met vlees en bloed, met huid en haar. Kunnen wij als de os en de ezel een beetje warmte geven? Want wat we aan het kind van Kerstmis zien is het grootste geheim. Je gelooft je oren niet. God veroordeelt je niet, Hij houdt van je, van ieder van ons. Jezus zal dat zijn leven lang vertellen en uitleggen. Zijn lichaam dat wij mogen delen met elkaar staat daar garant voor. Zalig Kerstfeest.
Emmanuel, imm anoe eel. Te midden van ons God. Dat is het geheim van deze nacht. Moge God met ons zijn.


dinsdag 25 december 2012
Kerstochtend Sint Jan de Doper, Amsterdam
Jesaja 52,7-10; Lucas 2,15-20
De eerste lezing begint vandaag beneden in de oude stad Jerusalem. Op die plek komen drie dalen bijeen. Waar je ook kijkt, je moet je ogen opslaan. Terwijl het licht zich aankondigt achter de Olijfberg en Oost-Jerusalem zie je op de bergen de voeten van de bode, de engel die het goede nieuws brengt. Je ziet de voeten van de eu-angelist met het goede verhaal. Wat is dat goede verhaal? Dat goede verhaal is heil, helen, genezen. Je redt het, je overleeft. Ons leven is niet verloren of tevergeefs. Redding bestaat want dat is God: redding. Dat zal ook de naam zijn van het kind wanneer straks op de achtste dag, wordt opgenomen in het verbond van Abraham zijn naam ontvangt: de Heer bevrijdt, Jesjoea, Jezus.
Zo peinzen we vandaag aan de voeten van Jerusalem over de voeten van de vreugdebode die het goede aankondigt, die Heil komt melden. Dat heil is: tegen Sion zeggen: jouw God is koning. Niet de economie, niet de heersende macht in staat of kerk, niet de grote mond of de lachers op zijn hand – die zijn geen koning. Koning is onze God. Geen koning met een gouden petje op zijn hoofd of met een grootse rijke mantel om, maar een koning die zich bukt om op te richten wie gebogen is, om slaven te bevrijden en een naam te geven aan mensen die ontkend worden. God is koning omdat Hij het niet kan laten zich te ontfermen over zijn mensen en hen mee te nemen in zijn dromen van vrede: Eer en alle achting voor God in de hoge en vrede op aarde voor alle mensen die hem uiterst dierbaar zijn. Een God die niet alsmaar anderen de les leest, maar die in mensen gelooft.
Herders voelen ’s nacht in de regel af en toe hun ogen te zwaar worden, maar daar is nu geen sprake meer van. Zij, mensen die overal nergens thuis zijn worden bij de les geroepen. Hun wordt te verstaan gegeven dat het vannacht gebeurd is, in Bethlechem, in de stad van David, een kindje, een jongetje, in doeken gewikkeld. Een bevrijder voor alle mensen. Dat willen ze wel gaan zien. Komt herders blaast op je feestschalmeien. Op naar Bethlehem om HET WOORD te zien dat daar geschied is. Terwijl die woorden van alzo hoge door hun hoofd malen gaan zij naar Bethlechem. Ze haasten zich en vinden Maria en Jozef en het kind dat in de voerbak ligt, in het kribje. Het is aardig om hier precies op de tekst te letten. Ze zien wat ze gehoord hebben. En als ze dat gezien hebben maken ze HET WOORD bekend dat hun had aangesproken. En allen die het horen staan verwonderd over wat de herders verhalen. Allen. Wie zijn dat? “Nou, eh, iedereen”, zeiden studenten wanneer ik hen met die vraag overviel, “Wie zijn dat, die allen?” Wie noemt de tekst? Dat zijn de herders, Maria en Jozef en het kindje in de kribbe. Alsof het kind het ook nog leren moet. Wat zullen we nou krijgen? En wij horen daar natuurlijk ook bij. Ook wij worden door het verhaal erbij gehaald, staan vandaag verwonderd in de tekst.
Terwijl de herders blij – het was zoals hun gezegd was – terug gaan naar hun schapen mogen wij doen wat Maria doet: al deze woorden zorgvuldig bewaren in haar hart. Haar levensweg zal bepaald worden door de woorden die zij hoort en horen blijft: een redder, een bevrijder, iemand die het voor je opneemt. Wat er ook gebeurt, en hoe je je ook voelt, na deze kerstnacht zul je nooit meer tevergeefs en alleen zijn. Imma-anoe-eel, Emanuel: te midden van ons God. Delen we dat met elkaar en moge God met ons zijn


zondag 30 december 2012 Heilige Familie
1Samuel 1,20-22.24-28; Lucas 2,41-52
De heilige familie. Het is wel een beetje vreemde familie wanneer je pas de derde dag ontdekt dat je kind zoek is. Maar de mogelijkheid bestaat dat Lucas iets anders wil zeggen, dat het over met de derde dag over meer gaat dan een anekdote over ouders die in een groot gezelschap ietwat onvoorzichtig met hun kind een reisje maken. En pas op. Het gaat niet over een reisje, niet over een dagje uit. Het is de reis naar Jerusalem. Iedere jood die daartoe in staat is gaat in de bijbelse literatuur met Pesach naar Jerusalem. Dat doen ze dorpsgewijs. Het gezelschap dat op weg gaat, gaat ook namens de thuisblijvers. Het is echt liturgie, dienst in dienst van de gemeenschap. De gemeenschap opbouwend en onderhoudend. Bovendien: wat klinkt er niet allemaal mee wanneer het gaat over de reis naar Jerusalem, de stad van de Grote Koning, de stad van Uw koninkrijk kome. De stad waarvan de Psalmist zegt: Daar staan de zetels van het gericht, daar staat de koningstroon van David. Trowens, als we zeggen en lezen: Jezus gaat naar Jerusalem, dan denken we in de regel niet aan dit avontuur van Maria en Jozef met hun Jezus. En dat is dan ook nog de kern van het verhaal: hun Jezus is niet hun Jezus.
De derde dag vinden ze hem. De derde dag klinkt voor de bijbels geïnteresseerde Lucas zeker ook naar Genesis 22, wanneer Abraham met zijn zoon Isaak de berg op gaat om zijn zoon te offeren, zeggen onze vertalingen vaak. Om zijn zoon op te heffen, zegt het hebreeuws. Opheffen en binden in het verbond. Loslaten, zeggen wij. Je moet leren je kinderen los te laten. Niet MIJN zoon, maarmijn ZOON. Dat is heel iets anders. Ik kom dadelijk terug in dit verhaal.
Als eerste lezing krijgen we het ontroerende verhaal over Hannah en haar zoon. De man van Hannah heet Elkana. De tekst zegt zoon van, zoon van, zoon van. Met andere worden: hoe gaat dat verder? Wat moet er nu gebeuren? Elkana heeft twee vrouwen. De een staat sterk met haar kinderen. De ander heeft niet, heeft niet. Reizen naar de Tempel en bidden – het blijkt niet te helpen. Treurigheid troef. Geen kind. Die andere vrouw pest haar. Een beetje onhandig zegt Elkana nog: ben ik je niet meer waard dan tien zonen? Hij snapt het niet. Wonder boven wonder komt er toch een kind. Vast staat dat dit niet natuurlijk en uitzonderlijk is. En zij wijdt het kind toe aan God, aan wat de toekomst brengen mogen. De rest van het verhaal hebt U gehoord.
Voor mijn gevoel gaat het vandaag dus niet zozeer over de heilige familie als wel over wat kenmerkend is voor ieder gezin. Er zal een tijd komen dat je kind zijn eigen weg gaat, dat je nog alleen met belangstelling kunt volgen. Ieder maakt dat mee, in zijn eigen huis of in de gezinnen van mensen die je kent. Afstaan, zoals Abraham, zoals Hannah.
Na drie dagen ontdekken Maria en Jozef dat Jezus niet in het gezelschap is. Ik kan me niet vorstellen dat ze gedacht hebben: “Het komt wel goed”. Ontzet keren ze terug naar Jerusalem. Na drie dagen vinden ze hem. En we horen hoe ze hem vinden. Kijkend door hun ogen zien we hem. Daar zien ze hem zitten te midden van de leraren. Je moet dat goed horen. In de synagoge wordt iedereen rabbi genoemd. Iedere volwassen man, en dat ben je vanaf je 12e, wordt opgeroepen om voor te lezen uit de Tora en dat gaat als volgt: Rabbi Jochannan de zoon van Rabbi Sjim’on. Zoals in Midsummernightsdream. Daar noemen de handwerkslui elkaar ook master. Jezus zit dus te midden van de volwassenen, te midden van de mensen die een woordje mee mogen en kunnen spreken. Wat zit hij daar te doen? Hij doet twee dingen. Hij luistert en hij stelt vragen. Een kind dat weten wil stelt vragen. Met “kinderen die vragen” is bijbels gesproken heel iets anders aan de hand dan het al te Nederlandse “worden overgeslagen”. De grote mensen daar ter plaatse zijn verbaasd over zijn inzicht en zijn antwoorden.
Pas dan spreekt zijn moeder hem aan. Waarom doe je ons dit aan? Maar Hij, de jongen, begrijpt die vraag niet. Wisten jullie dan niet dat ik in de dingen van mijn vader moet zijn. Als Hij in de tempel is, blijkt hij in de dingen van mijn vader te zijn. Zij begrijpen dat niet. En omdat wij ons met hen identificeren mogen wij dat ook niet begrijpen. Wat is dat, zijn in de dingen van mijn vader? We zitten nog helemaal in het begin van het verhaal. Met Jezus mogen we op weg om de geheimen van het leven van een mens op aarde te gaan verkennen. Een nieuw identificatieproces, een nieuw jaar. Moge het een goed jaar voor ons worden en moge God met ons zijn.

zondag 06 januari 2013 Openbaring van de Heer
Sint Jan de Doper Amsterdam
Jesaja 60, 1-6; Matteüs 2,1-12
Je staat nooit zo maar op. Je staat altijd op om iets te doen. Wat gaat hier dan gedaan worden? Laat het licht je beschijnen. Jerusalem moet iets uitzonderlijks toestaan. Waarom moet dat? Omdat de zon over je begint te schijnen. De duisternis die de aarde bedekt, het donker over de volkeren trekt op. Langzaam gaat het doek open. Je ziet ze komen in drommen. Het lijkt er op dat ze, dat we, nu weten waar we naar toe willen. Er is een centrum, een hart, een richting gevonden. Daar komen de kamelen en de dromedarissen van heinde en ver. We horen goud en wierook. Waar is de myrre?
Met Kerstmis beginnen we altijd bij de schilderachtige evangelist Lucas. Lucas begint met het offer van Zacharias in de tempel. Daarom wordt Lucas in alle oude kerken afgebeeld als een os (denk aan het offer). Daarom ook hingen vroeger in de dorpen aan de huizen van de schilders een uithangbordje met een rund er op. Meester schilder, Lucas, de patroon van de schilders. Hij begint vanuit Jerusalem de eerste lijnen op te zetten en af te palen voor zijn goede verhaal, zijn evangelie. Van Jerusalem naar Nazaret en dan “naar een stad in Judea”(denk aan Elisabet en Maria), de geboorte van Johannes en dan eindelijk, zijn we waar we wezen moeten, in Betlehem. En het kind wordt geboren, krijgt zelfs de woorden van de eerste getuigen, die herdertjes die bij nachte in het veld lagen.
Intussen zijn de koningen van ver weg tot bij het kribje neergezet. Mattheus is aan het woord. Hij haalt de volkeren erbij. Koningen, magoi, zegt de tekst, wijzen. Astrologen golden eeuwenlang als grote geleerden. Als je de baan van de sterren kunt volgen. Bovendien hebben we die wijzen nodig. Schoenmaker, blijf bij je leest. De wijzen krijgen hun ster. En wat voor ster. Na hun hele reis vanuit het Oosten halen ze net Jerusalem en dan: weg is hun licht. Boven Jerusalem verdwenen. Welke donkere wolk hangt boven die stad dat je uitgerekend daar de ster niet ziet staan? Goede raad is blijkbaar niet duur. De wijzen gaan dus in Jerusalem de weg vragen.
Die wijzen lijken voor wie het verhaal een beetje kent niet wijs. Ze komen met “het opschrift boven het kruis” (koning van de Joden) binnen in Jerusalem om daar de weg te vragen. De geboren koning der Joden tegenover koning Herodes. Wie is de echte koning? Herodes laat de hogepriesters en schriftgeleerden voor het eerst vergaderen. De boeken gaan open. Dan moeten de heren in Bethlehem zijn. De vergadering van de Hoge Raad komt er uit. Betlehem, de stad van David, de stad ook van de onschuldige kinderen. Hun volgende vergadering zal zich afspelen in hoofdstuk 26, als het passieverhaal van Matteüs begint.
Eerst komen nu de wijzen met hun geschenken. Als kind leerde ik: goud voor de koning, wierook voor de tempel. De mirre kenden we niet. Dat bleef vaag in de wierookwolken verstopt. Een jongetje van 8 vertelde me in een kindernevendienst in Amstelveen: “Meester, mirre hadden ze vroeger nodig om iemand te begraven.” Zijn juf had hem dat verteld. “Want we moeten weten dat Jezus van Kerstmis later ook de Jezus van het kruis en van Pasen is.” Ik zei hem, dat hij een knappe juf had. Hij knikte instemmend. “De juf is heel knap.”
Met andere woorden: het verhaal van de wijzen uit het Oosten die het kind in Betlehem zullen gaan vinden, de plaats waar de ster stil blijft staan, is tegelijk ook een eye-opener voor het hele evangelie.
Met de wijzen kijken wij aan het einde van het kerstverhaal nog een keer op. Kerstmis, klein Pasen zeggen de kerken in het Oosten. Opnieuw worden we aangesproken door het verhaal van God die wil dat mensen werkelijk kunnen leven. Daar staat het kind van Betlehem voor in. Het wil een levenlang met ons meegaan. We gaan niet alleen. Moge God met ons zijn.

zondag 13 januari 2013 Doop van de Heer
Sint Jan de Doper, Amsterdam
Jesaja 40, 1-5.9-11; Lucas 3, 15-16; 21-22

Confortamini, Confortamini, zongen we op de vierde zondag van de Advent. Dat waren de eerste woorden uit de eerste lezing van vandaag. Zo begint de profeet Jesaja aan zijn tweede deel, het troostboek van Jesaja. Nachamoe – u hoort de naam van Noach, troost na de zondvloed. Want de Babylonische Ballingschap was een golf die heel de bijbelse wereld van die tijd wegsloeg. Verslagen in Babylon, een en al heimwee naar Jerusalem. Mochten zij daar ooit weer zijn - dat was een onwaarschijnlijke droom, diep verborgen in het hart. En dan komt Jesaja met zijn troost. Baant een weg door de woestijn. We kennen die teksten. Ze keren ieder jaar weer. Jesaja is een van de profeten die wij zo vaak lezen. Met zijn woorden ook staat Sint Jan te dopen bij de Jordaan. Hij heeft de kleren van Elia en de woorden van Jesaja om daarmee in het evangelie van Lucas de laatste profeet te zijn. Schipper mag ik over varen? Ieder die uit de woestijn komt, de woestenij, de verwoesting, ieder die uit de ellende komt (ellende – uit-landig) kan bij Johannes terecht. In zijn hand de schelp, zijn voeten in het water van de Jordaan.
Woestijn en water betekent land. Je moet eigenlijk kopje onder gaan en weer boven komen, aan het licht komen, als nieuw geboren. Als je Johannes gelooft bestaat zoiets: binnen gaan in het veel belovende land, beginnen aan de reis naar jouw stad van jouw vrede, jouw Jerusalem.
Als je aankomt in het land zegt Jesaja, komt God naar je toe. Hoe gaat dat? Hoe weet je dat God naar je toe komt? Heel eenvoudig: je hoort Hem spreken en spreekt hem na. Zo gaat het boek open. God zegt tot zeven keer toe niet dat het goed is, maar hoe goed!Hoe goed, Hoe zeer goed! Met Pasen gaan we dat weer vertolken – maar zover zijn we nu nog niet.

De evangeliën geven een min of meer afgerond verhaal over Jezus. Ze beginnen alle vier bij de Jordaan. Matteüs en Lukas zetten daar twee hoofdstukjes inleiding voor – alvast een beetje inzingen, oefenen, aandacht wekken – maar ook daar begint het verhaal volop, bij de Jordaan. Dat kan dus geen toeval zijn.
De Jordaan is het einde van “eigenlijk alle verhalen”, de verhalen over Abraham, Isaak en Jacob, over Jozef en zijn broers en daarna, over de bittere slavernij in Droomland Egypte, en over Mozes die met God spreekt en het volk meeneemt, de woestijn in, op weg naar het goede land. Een zware tocht. Je komt jezelf uitgebreid tegen en dat is niet altijd gemakkelijk. De verhalen ook over het sluiten van het verbond. Duidelijk mag en moet immers worden dat de mens niet alleen is en dat God niet een Hoge, Deftige Oom is, maar iemand die van mensen houdt. Ze zijn hem lief. Wij allemaal zijn voor hem als zijn kind.
Al dat wel en wee dromt uiteindelijk voor de Jordaan bijeen. Precies daar sluit het Nieuwe Testament, de verhalen over en van Jezus, op aan. De mensen vragen zich af of Johannes de Messias is. Maar hij wil die indruk niet wekken. Na mij komt iemand die meer aan kan, die voor de duvel niet bang is en waanzinnig verliefd op zijn heilige stad Jerusalem. Dat is de Messias. Ik ben het niet waard, zijn sandaalriem los te maken, dwz.: Ik kan hem niet opnemen als mijn leerling. Ik ben enkel zijn leerling en wacht op zijn Geest en vuur.
Dan komt Jezus en als een van het volk laat hij zich dopen. In zijn gebed gaat de hemel open en laat de duif zich zien als een geest. Mijn welbeminde zoon, horen we. Wat doet het verhaal hier? Het weet dat wij bij de Jordaan van verre gekomen zijn, uit de oer- en voortijd. Daarom gaat bij de Jordaan het boek weer open en horen we over hemel en aarde en hoe de Geest die twee bij elkaar houdt op hoop van zegen: opdat wij mensen, mensen kunnen zijn. Daarom komt hij en geeft hij zichzelf, bij de Jordaan. Moge God met ons zijn. J.E.


zondag 27 januari 2013 3e zondag door het jaar
Sint Jan de Doper Amsterdam

Nehemia 8,2-4a.5-6.8-10; Psalm 19; 1 Korintiërs 12, 12-30; Lucas 1,1-4; 4,14-21

Dit jaar is het jaar waarin we in de regel uit Lukas lezen. We konden dat ook een beetje merken bij de evangelielezing van vandaag. We gingen naar de synagoge in Nazareth, maar we gingen daarheen via de eerste regels van het hele evangelie. Laten we dus zeggen: vandaag horen we het liturgische begin van Lucas. De eerste klap is een daalder waard. Je zou er iets op kunnen inzetten, dat die inzet van vandaag dus ook laat horen waar het over zal gaan. Jezus leest voor uit de profeet Jesaja. Eén woord springt er uit. Vrijlating, vrijlating. Vrijlating voor de gevangenen. Vrijlating voor de verdrukten. Daar zal het dus over moeten gaan. Dat is het parool, het programma. Het woord dat ons de weg moet wijzen door het hele evangelie en dat zo in onze oren geprent moet worden dat we het meenemen, onderweg. Vrijlating.
Ik kan U vandaag niet alles vertellen over dit verhaal, omdat de lezing afbreekt, midden in het verhaal. Het verhaal dat vandaag begint in de sjoel in Nazareth gaat de volgende week verder. En het loopt niet goed af – alhoewel. Maar dat komt de volgende week. We kunnen wat beter kijken naar wat we vandaag hoorden. Inzoomen: minder zien om beter te kunnen kijken.
We begonnen vandaag bij Nehemia. Daar wordt voorgelezen uit de Tora en het volk blijkt in huilen uit te barsten. Waarom? Er zijn er die zeggen: ze huilen omdat ze heilige tekst horen die ze nog nooit gehoord hebben. Onbekend, onbemind. Ze hebben God te kort gedaan en voelen zich schuldig. Maar Nehemia wil daar niets van weten. Ga lekker eten en drink er zoete wijn bij. Dit is een dag van vreugde, vreugde over God die zijn volk onderricht, opricht.
In de Bijbelse traditie gaat het hier over een van de grote feesten in het najaar, het feest Vreugde der Wet. Voor joodse kinderen is dat een grote feestdag. Iedereen krijgt een reusachtige zak snoep, want je moet proeven, hoe heerlijk het is om weer te kunnen gaan leren.
Volgens zijn gewoonte gaat Jezus op sjabbat naar de sjoel van zijn jeugd. Het wordt dus een thuiswedstrijd. We komen daar de volgende week op terug. Want Jezus’ thuis is Nazareth, maar wisten jullie dan niet dat ik in de dingen van mijn vader moet zijn? De 12-jarige Jezus zegt dat in de Tempel als zijn ouders hem met schrik in hun hart vinden. Jerusalem is dus op een of andere manier ook zijn thuis. En we vermoeden al wel dat Hij op zijn plek nooit thuis is – dat begon al met er was voor hem geen plaats in de herberg, en Herodes die probeert de pasgeboren koning der Joden te grijpen. Volgende week komt dat terug.
Nu Jezus in de synagoge van Nazareth uit de Schrift gaat voorlezen begint het evangelie, het goede verhaal echt. We scharen ons dus bij de mensen die als het ware om het boek en de plaats van waar voorgelezen wordt heen zitten. Hem wordt gegeven de boekrol. Lucas gebruikt de lijdende vorm. Worden. Hem wordt gegeven. Daarmee wordt zonder de naam van God te noemen tussen de regels door ook gezegd: God geeft hem de profetenrol. God geeft Hem het Woord. En Hij begint voor te lezen, geeft zijn stem aan en stemt in met: de geest van de Heer op mij. Hij heeft mij gezalfd, gemessianiseerd, tot Messias, tot Koning gemaakt. Een echt bijbelse koning. Om het evangelie, het goede verhaal te brengen aan de armen. Vrijlating, bevrijding voor gevangenen. Voor blinden het gezicht. Voor verdrukten vrijlating. Het is het programma van het jubeljaar. Alles wordt weer in ere hersteld. Alle schulden vereffend. Niemand mag meer gebukt gaan. Alles begint opnieuw, als nieuw.
Dat zijn de woorden die woorden die ons vandaag in de sjoel van Nazareth mogen aanspreken, die een beroep op ons doen. Delen wij de Messias met elkaar, Zijn geheim.


zondag 03 februari 2013 4e zondag door het jaar
Sint Jan de Doper Amsterdam

Jeremia 1, 4- 5.17-19; Lucas 4,21-30


Vorige week zijn we begonnen aan de evangelielezing van vandaag. We hebben gehoord dat Jezus zoals hij dat gewoon is, op sjabbes naar de synagoge gaat. Hem wordt de boekrol gegeven en hij leest de tekst die bij het jubeljaar hoort, over vrijheid en bevrijding, vrijlating. De geest van de Heer rust op mij. Alles zal weer goed worden gemaakt. Jezus geeft de boekrol terug. Dat gebaar overbrugt de stilte. Het neerleggen van de boekrol in de handen van de dienaar is tegelijk ook het gebaar van zich neerleggen bij deze woorden en ze aannemen. Hij zegt: het woord dat jullie zojuist hoorden is in vervulling gegaan, gaat in vervulling, gebeurt nu. Niet alleen toen, in Nazaret, in de synagoge, maar evenzeer hier in onze gemeenschap. Hoe kunnen we dat verstaan? Zoiets zeggen ze ook in de synagoge. Ze vinden die woorden over vrijheid, vrijlating en bevrijding heel mooi. Dat spreekt aan. Dat klinkt vol beloften. Maar meteen is er ook de ontnuchtering. Is dat niet de zoon van Jozef? En: “Eigen volk eerst!” Laat maar eens wat zien! Jezus zet dan in met woorden die Lucas alle hoop gegeven hebben. Lucas was hoogst waarschijnlijk geen Jood. Hij hoort bij die kringen om de synagoge heen die zich in die joodse wereld en haar beloften herkenden. Dat waren woorden van hoop, van vertrouwen. Daarom zegt Jezus in het verhaal van Lucas dat je weten mag wat verteld wordt over de profeet Elia. In een tijd van hongersnood in Israël gaat hij naar de weduwe in Sarafat. Hij geeft haar voldoende, zelfs overvloed om van te eten. En wanneer haar zoon sterft, haar enige, geeft hij de jongen aan haar terug. En de profeet Elisa geneest de melaatse man Naäman de Syriër, geeft hem zijn gezondheid en leven weer terug.
Met andere woorden: het verhaal van Israël is niet alleen voor Israël. Wat goed is deelt zichzelf uit. Dat de geest op Jezus rust, om vrijheid te schenken, aan blinden het gezicht en onderdrukten bevrijding, zegt niet alleen iets over toen, maar is ook een beschrijving van ons heden, ons hier en nu. Ook op ons rust die geest en we horen hier opnieuw weer wat ons te doen staat. En dat hoeft niet perse alleen maar van harte te gaan.
We horen de boosheid van de mensen in Nazaret. Die zoon van Jozef – nergens anders in het evangelie wordt zo gesproken – die jongen hoeft ons niks te zeggen. Bewondering slaat om in woede. Ze willen hem van de berg afgooien maar hij gaat door hun midden en vertrekt.
Mozes staat in de woestijn op de berg als Amalek die pas bevrijde slaven terug het water in probeert te jagen. Want vrijheid bestaat niet. Maar Mozes staat met opgeheven handen op de berg. De geest van de Heer, vrijheid, bevrijding.
En bij de woorden door het midden mag je ook vragen: wat voor tafereel hoort daar bij? Zo wordt in de uitleg in de profeten en psalmen gesproken over de doortocht door de zee, als de wateren blijven staan als een muur. Het midden is de plaats van het bedreigde, pas bevrijde volk. Het midden in de woestijn is altijd de plaats van de verbondstent, de Tent van de Ontmoeting. In het Johannesevangelie vinden we bij de woorden in het midden altijd Jezus. Midden onder U staat Hij die gij niet kent.
De bijbelse literatuur heeft woorden en verhalen die het mogelijk maken om woorden te vinden voor wat wij niet kunnen en nooit zullen begrijpen. Want het zijn woorden die ons oproepen, overeind helpen, te doen geven. Zoals Jeremia al hoort: Voordat ik je vormde in de schoot van je moeder, kende ik je. God kent ons op een wijze die wij niet voor mogelijk houden. Hij kent ons in onze benardheid en zorgen, om naar ons op te zien. Hij blaast de geest in ons. Want wij moeten leren dat ondanks alles, vrijheid bestaat, vertrouwen, toekomst. Daartoe geeft Jezus ons zijn hand, zijn woorden, zijn brood, uiteindelijk zichzelf, om met ons te zijn. God met ons, te midden van ons. Emmanuel. Moge dat zo zijn.


zondag 10 februari 2013 5e zondag door het jaar

Sint Jan de Doper Amsterdam

Jesaja 6,2a.3-8; Lucas 5,1-11


De koning is dood. Koning Uzzijahoe. We zitten in 739 voor het begin van de gewone jaartelling. Uzz, dat woord zit ook in de naam Boaz, in hem is kracht, een van de voorvaderen van Koning David. Uzzijahoe betekent: mijn kracht is God. Het was een machtige koning. Maar nu: de koning is dood. Onzekerheid, angst. Maar al die onrust is voor Jesaja decor voor zijn grote visioen. Hij ziet de koning, de Heer, de Heerser, zitten op een hoge en verheven troon. Je ziet hoe de ogen van boven naar beneden gaan. God in de Hoge. Beneden aangekomen zie je de zomen van het gewaad van God. Die vullen de Tempel van Jerusalem. Het meest verheven bouwwerk is net de zoom van het gewaad van God. Je hoort hoe de serafijnen elkaar toeroepen: Kadoosj, kadoosj, kadoosj. Heilig, heilig, heilig. De synagoge bidt die regels ook elke sjabbath. En de mensen slaan dan beheerst op de banken om de woorden kracht bij te zetten. Wij zingen het in onze vieringen ook. Het woord betekent: Apart, heel bijzonder uitzonderlijk, volstrekt om oog voor te hebben, niet aan te ontkomen. Door en door indrukwekkend – eigenlijk ben je dan eigenlijk nergens meer. Zoals bijvoorbeeld wanneer je de eerste keer verliefd bent. Alle grond is weg onder je voeten. Alles is anders. (We horen nog: wie moet ik sturen? De profeet zegt namens allen die het woord horen: Hier ben ik. Stuur mij. De tekst maakt het onmogelijk, te doen alsof je niets gehoord hebt.)
Bij Lucas begint het verhaal op gang te komen. Hoofdstuk 5. Jezus was kort in Nazareth, heeft daar in de synagoge voorgelezen over de geest des Heren rust op mij om aan de bedrukten vrijlating te melden. Het bracht in Nazareth nogal wat onrust te weeg. Maar goed. We dalen af naar het meer van Galilea. Een prachtige wandeling. En we krijgen een dagje aan de oever van het meer. Maar Jezus is daar en dan weet je het nooit. Het volk ligt met hem aan. Zo begint het verhaal, een beetje wonderlijk. Alsof ze samen met hem eten. En dan staat hij aan het meer. Tenslotte gaat hij dan zitten. In de boor. Eerst zien we twee lege bootjes. Vissers spoelen hun netten. Daar, op het strand, een alledaags tafereel. Jezus klimt het bootje van Petrus in. Die brengt hem een eindje van de wal. En hij gaat zitten. Dat is het woord waarmee het leren begint. Na het onderricht moet Petrus zijn netten uitgooien. De visser zal met een glimlach naar Jezus gekeken hebben. Ach, die jongen. Weet zo’n jongen van het boerenland veel! Petrus weet dat uitvaren en netten uitgooien nu zinloos is. De hele nacht was het niks. Maar nu is het wel dag. Gooi het eens over een andere boeg, zegt Jezus, alsof dat de dingen anders maakt. Maar dan zijn de rapen gaar. De netten dreigen te scheuren. God betere het. We trekken het niet meer! En ze vullen de schepen tot de rand toe. En als je dan met Jezus in hetzelfde bootje zit, door Hem in de boot genomen, zie je al die vis waar je midden tussen in staat. En tussen al die vis ligt Petrus. Alsof ook hij gevangen is. Zo ligt hij tussen de vissen, en hij grijpt Jezus voeten. Het bootje, eerst hoog op het water, dreigt te zinken. We horen Petrus iets zeggen. Wat zegt hij? Hij zegt: “Ik ben een zondig man.” En dan denken wij natuurlijk weer te snel aan de zwarte vlekjes op onze ziel. Stout geweest. Snoepen uit de suikerpot, al dan niet boven de 16 jaar. Maar daar gaat het niet over. Bij een “zondig man” moet je denken aan een tevergeefse mens. Zo’n stumper van altijd hetzelfde. Petrus zegt: Laat maar, ga weg. Ik ben niks en niemand. Aan mij heb je niks. Wat zou je met mij moeten? Dat zal moeten blijken. Maar Petrus is gevonden. Het is begonnen. Zoals hij gevangen is, zo zal hij ook mensen vangen, vinden, binden in de ban die hem bindt.
De bootjes varen naar de kant. Ze laten alles achter en volgen Hem. Het evangelie begint.
Ze, we. Het verhaal van God met ons begint opnieuw. Dat mogen we delen met elkaar.


zondag 24 februari 2013 - 2e zondag van de Veertig Dagen -
Sint Jan de Doper, Amsterdam

Gen 15,5-12.17-1; Lucas 9,28b-36

De zondagen op weg naar Pasen willen ons wellicht ook voorbereiden op dit onvergankelijke en vertrouwen schenkende feest. Want je moet wel het een en ander weten wil het allemaal niet onopgemerkt aan je voorbijgaan, verleden worden nog voordat het heden geworden is. Want Pasen is toch Jezus op één lijn met Mozes en Elia. Als Mozes en Elia ons uitnodigen om in zee te gaan met God die ten diepste afdaalt in onze breekbare, zo vaak gebroken ook, wereld van mensen, als Mozes en Elia ons meenemen naar vrijheid ophanden in het nog onverkende veelbelovende land, dan komt voor ons ook Jezus aan het licht, Gods lieve mensenkind, zoals we dat hier zo vaak zeggen: “Onze broeder, onze Heer”. Met onbegrensd vertrouwen durft hij het leven aan zoals het op Hem afkomt, omdat Hij van Zijn Vader weet, “Mijn Vader en Jullie Vader”, “Onze Vader”. Wat Hem overkomt, onderweg naar en ín Jerusalem, maakt Hem tot lessen voor ons, onderweg. Kind van Abraham, kind van Adam, kind van God.
De eerste lezing bracht ons naar Abraham. Abraham onderweg. Ga weg uit je land, uit je familie, uit het huis van je vader, naar het land dat ik je zal laten zien en ik zal je maken tot een groot volk. Wat het leven ook brengen mogen: alles laat Abraham achter zich om zich met hart en ziel in te zetten voor het land dat hem gegeven zal worden en voor het kind, de toekomst die ver over zijn grenzen heen, voor hem zal open gaan. Maar is het geen vergissing? Is het geen illusie om te denken dat leven iets voorstelt, dat toekomst bestaat en aanbreekt? Is het niet dom om te denken dat je verder kunt gaan dan je eigen grenzen! Dan lokt God Abraham uit zijn tent. Zie de sterren. Zo uitbundig zal je volk zijn. “Maar hoe kan ik dat weten?”, vraag Abraham. Dat kun je niet weten. Dat is niet om te begrijpen of dóór te hebben. En we daarop dat surrealistisch tafereel zien van doorgesneden dieren waarvan de stukken tegenover elkaar liggen… Roofvogels komen er op af. Abraham jaagt dat angstaanjagende dreigbeeld weg. Angst en duisternis, diepe slaap. Abraham ziet een oven en een vurige fakkel. Voor de leraren ziet Abraham ook alle onheil dat de geschiedenis nog brengen zal. Uitverkiezing is geen gouden kroontje. Het is ook een harde confrontatie met de werkelijkheid. Denk ook aan Jezus in de Goede Week.
De Tabor is een soort Sinaï in Galilea. Indrukwekkend verheft die miniberg zich uit het nog vrij vlakke land. Boven kun je rondom het land zien, tot aan het Meer van Galilea. Een uitgelezen plaats voor Jezus en drie van zijn leerlingen – drie die straks zwijgend de berg zullen verlaten omdat ze geen woorden hebben voor wat hun boven is toevertrouwd, vlak voordat de reis van Jezus naar Jerusalem gaat beginnen. Jezus bidt. Dat beeld gaat als het ware op de loop. Naast Jezus krijgen we twee mannen te zien die met hem spreken over zijn exodus in Jerusalem. Diezelfde twee mannen komen we bij Lucas ook tegen in het graf als daar de vrouwen komen om Jezus te balsemen. Mozes en Elia, heel de Schrift vertolkt wat wij vandaag horen. Overschaduwd door een wolk. We zien dus niets meer. Maar we horen des te beter: “Mijn zoon, de geroepene, mijn alles: luister naar Hem. Dan zien we dat Hij alleen is, daar voor ons staat, tegenover ons, van aangezicht tot aangezicht. Mijn lichaam, mijn bloed, mijn hart en mijn ziel: hij wil er zijn met ons. Mogen we dat delen met elkaar.

02-03-2013 3e zondag van de Veertig Dagen

Sint Jan de Doper, Amsterdam

Bij Exodus 3 en Lucas 13.


Het beestje hoeft maar een naam te hebben, zeggen we wel. “Hoeft maar een naam te hebben”. Toch: we hebben nooit zo maar een naam. De meeste van ons zullen nog voornoemt zijn. Ik heet Jan omdat ik thuis de oudste was en de vader van mijn vader heette Jan. Mijn broer heet Wim, omdat mijn vader Wim heette. Een naam heb je nooit zo maar. Het beestje hoeft maar een naam te hebben. Tegenwoordig krijgen kinderen namen waar ouders lang over nagedacht hebben. Want je naam BEN je, daar wordt je mee geroepen. Die naam stelt iets voor, stelt jou voor. Een naam betekent wat. Ook de naam Jezus is zeer zorgvuldig door de hemel gekozen. De engel Gabriel vertelt Jozef dat het kind van Maria Jezus moet heten. Want hij zal zijn volk bevrijden, verlossen, redden van hun zonde. Jezus betekent De Heer bevrijdt, de Heer is een bevrijder. Wij zeggen ook: met Kerstmis wordt de verlosser geboren, de verlosser, de bevrijder. Zo, als bevrijder, is God vanouds in de bijbelse boeken gekend. Als er iets typisch is voor God, dan is het dat Hij de mens bevrijdt. De lezing van vandaag biedt het sleutelverhaal voor dit geheim.
Het verhaal komt uit het boek Exodus. Er is een nieuwe farao gekomen. Die heeft zijn volk opgehitst. Je moet oppassen met die vreemdelingen. Straks zijn ze ons te groot en te sterk. En daarom heeft hij hen tot slaven gemaakt. De jongetjes die geboren worden moeten in de Nijl gegooid worden. Het levenswater voor de Egyptenaren wordt de doodsrivier voor de slavenkinderen. Dan komt het verhaal van Mozes en het biezenmandje. Drie vrouwen ontfermen zich over dat kind. Zijn moeder, zijn zusje en de Egyptische prinses. Als een prins groeit Mozes op aan het hof van de Farao / totdat hij ziet hoe een kampbeul een gevangene zo maar neerslaat. Hij slaat ook en moet vluchten, de woestijn in. De woestijn, daar komt immers geen hond. Jaren later ziet Mozes in de woestijn iets / hij gelooft zijn ogen niet. Een struik in brand die niet verbrandt, als slaven, mensen die men probeert kapot te maken maar ze gaan er niet onderdoor. Een Mozes hoort mijn volk in Egypte, mijn volk uit Egypte. Hij moet het verschil maken. Hij zal naar de Farao moeten om vrijheid en bevrijding af te dwingen bij de farao. Let my people go.
Mozes ziet wel zeer op tegen die opdracht. Niet alleen omdat hij bang is voor de farao, maar ook zijn mensen. Zullen die wel meewillen? Zullen zij geloven dat het niet waar is: een keer slaaf altijd slaaf – er verandert nooit wat! Hij zegt: ik kom bij mijn mensen en zeg hun: de God van jullie vaderen stuurt mij naar jullie, als zij dan zeggen: “Wie is dat? Wat merken wij daarvan? wat moet ik dan zeggen”? En God legt uit wat zijn naam betekent: Ik zal er zijn voor jullie, je zult merken dat ik er ook nog ben en dat echt leven mogelijk is, ondanks je ongeluk en moeite, toch op een of andere manier rechtop! niet bang! Hij, onze God is er ook nog.
Zoals Lucas zegt: de boom heeft iemand die zich voor hem bukken wil. Iemand die naar hem omziet, zelfs opziet.
God is er ook nog. Hij wil er zijn voor ons. Dat is wat de naam van Jezus betekent. Daarom leert hij ons ook om samen te bidden, in vertrouwen: Onze Vader. Moge dat zo zijn.


4e zondag van de Veertig Dagen - zondag 10 maart 2013-

Sint Jan de Doper Amsterdam
Jozua 5,9a.10-12; Lucas 15,1-3.11-32


Bij Gilgal, in de vlakte van Jericho. Twaalf mannen, uit iedere stam één, hebben een steen meegenomen uit de bedding van de Jordaan. Bij Gilgal, dat kring betekent, moesten ze die stenen in een kring bijeen leggen. Dat waren de stenen waaruit God voor Abraham kinderen kan verwekken. Want als je met je kind daar langskwam, dan zou dat kind je vragen: “Waarom liggen die stenen hier?” Dan moet je hen vertellen dat de Ark van het Verbond hier voor jullie uitging en het water van de Jordaan tegenhield. Wij konden aan de overkant komen dank zij de Ark voor ons uit. Ongezuurd brood en geroosterd graan, afkomstig van het land zullen ons uitleggen wat het betekent, met God in zee te gaan en te leven van de bevrijding waarin Hij ons voorgaat, die Hij mogelijk maakt. De slavernij, de smaad van Egypte “heb ik van jullie afgewenteld”. Ook in onze dagen, de dagen waarin zoveel kwaad aan het licht komt: Hij gaat ons voor op weg naar bevrijding. Permanent, en zeker in onze wereld anno nu, is Pasen geboden, op handen, hoogst actueel. Bijna professioneel mag de gelovige vertrouwen op een wereld die anders, die beter kan. Die wereld daagt. Wij kunnen omkeren en meegaan. Zo sluiten wij ons aan bij Jezus op zijn weg. De dood zal Hij overwinnen op weg naar het geheim van Pasen.
– De makkelijkste manier om nergens bij aan te sluiten is “het er niet mee eens zijn”. Je hebt dan een link en blijft mooi een buitenstaander met schone handen. Dat Hij zondaars ontvangt en met hen eet! Dat vreet aan hen. Er zijn genoeg redenen, facts of life, die het zelfs de echt goedwillenden en weldenkenden mogelijk maken, anderen buiten te sluiten omwille van de nobele idealen. Veel kritiek op anderen moet illustreren dat het goed, zelfs beter is, beter dan de anderen te zijn. Kain en Abel is dan niet ver. Niet enkel in daden, ook in woorden is broedermoord mogelijk.
Die oudste zoon in het verhaal van Jezus is woedend op zijn vader. Hij had het natuurlijk al hangende pootjes braaf naar huis komen. En Pa dolgelukkig dat zijn zoon naar huis komt. Hij ziet hem van verre aankomen en laat alles aanrukken om er een gigafeest van te maken. Boos blijft hij op de drempel staan. Het verhaal vertelt niet of de Vader zijn Zoon de oudste, over de drempel heen krijgt.
Twee keer kan de vader een zoon in zijn armen sluiten, maar de tweede keer lijkt dat niet te lukken. Twee keer zegt hij: “Deze zoon van mij, je broer, was dood en is weer levend geworden.” Daarmee worden definitieve stukken op tafel gezet. De zoon die dood is en weer levend wordt moet ons te denken geven over Jezus die in de handen van zijn mensen als aan de heidenen overgeleverd is als Abel. Een blinde vlek, een blinde deur gaat open. Kunnen wij het hebben dat God er is voor de mens ten einde raad? Willen wij ons vinden laten als het er zo voor staat? Mag God voor ons goed zijn? Durven wij zo voor wat op ons toekomt, ook het leven met zijn vele zorgen en pijn, toch te kiezen voor God die als een “een en al goede vader” van ons houdt? Willen we dat meemaken, Pasen 2013?
Hij biedt zich aan in het Open Boek. Hij breekt en deelt zichzelf met ons. Moge dat zo zijn.

15 april 2012 - 2e zondag van Pasen - Beloken Pasen
Sint Jan de Doper Amsterdam

Openbaringen 1,9-11a.12-13.17-19; Johannes 20, 19-31

Het boek Openbaringen heet in het grieks waarin het geschreven is de Apocalypsis. Het woord komt van het werkwoord apocalyptoo. Calyptoo is verbergen. Apo betekent er van af. Het verbergen er van af halen. Dus openen, laten zien, onthullen, openbaren. Als ergens open huis is, dan mag je naar binnen om rond te kijken. Zo is de Apocalyps een Open Boek. We mogen er in binnen komen. En vandaag treffen we de man in de poort. Ik vind dat zelf een van de meest ontroerende teksten in de Schrift. Johannes stelt zich voor. Johannes, de geliefde leerling die ons inwijdt in zijn geheim, een evangelie lang. Drie brieven zijn er bij gekomen, rond broederschap, vriendschap, liefde en vergeving. En dan maakt hij in zijn Open Boek met zijn eigen signatuur, zijn eigen handtekening zijn Boek ten laatste open. En hoor hoe hij dat doet. Ik, Jochanan, jullie broer, jullie deelgenoot in de verdrukking, in het koningschap en in de verwachting van Jezus. Drie keer wordt de situatie aangeduid. Verdrukking: er wordt druk op hem uitgeoefend, hij staat onder druk. Maar ook het koningschap, het messias zijn van Jezus. Jezus van Nazareth, messias, koning van de mensen die in Judea en Jerusalem thuis zijn. Dat zijn niet alleen de mensen van toen en daar, maar ook de mensen van nu die opzien wanneer de Schriften open gaan. Daarbij hoort het derde woord: de verwachting van Jezus. Dat wat Jezus verwachtte – uw rijk kome, wat Uw wil goed doet moge daar plaats voor zijn op deze aarde die wij met elkaar delen. Maar ook Jezus verwachten, komen naar het uitnodigende gebaar dat zijn lichaam voor ons wil zijn. Heer ik ben niet waardig. Zoveel goedheid die ons overkomt. Mogen leven met Gods genegenheid. Johannes gaat ons voor, schaart zich bij ons, broer en deelgenoot, lotsverbondene. Op het eiland Patmos. Verbannen. Ontheemde omwille van het woord van God en zijn getuigenis over Jezus.
Dan zwaait de tekst open. Geestvervoering. Een visioen neemt hem mee. Op de dag van de Heer, naar het huis van de Heer. Het huis van de zeven lichten. Een stem als een trompet. En als je went aan dat licht ontwaar je in al die helderheid iemand als een mensenkind. Hoe gaan de ogen wanneer ze dit volgen. De zoom van zijn kleed tot aan zijn voeten, een gouden gordel. Dat kan helemaal niet! Ik viel als dood voor zijn voeten. Maar dan komt weer het lichaam van Christus. Hij legt zijn rechterhand op mij. Het onthutsende, ontstellende, de ban wordt gebroken. Ik ben de Alfa en Omega, op een of andere manier alles in allen. The whole World in his hands. Dat lijkt een van de kernen van het Open Boek te zijn. Je hoeft niet bang te zijn. Hij is er ook nog.
Het evangelie vertelt om te beginnen het verhaal waar vaak naar verwijs wanneer wij elkaar de vrede toe gaan wensen. Jezus in hun midden met die ingetogen woorden over de vrede. Thomas is er niet bij. Thomas die nadrukkelijk ook Dydimus heet, Tweeling. Ook als je het niet ziet, hij heeft altijd iemand bij zich, iemand die hij, of hij het weet of niet, mist en daarom ook een buitenstaander is, een buitenbeentje. Ze hebben de Heer gezien – alsof zijn gemis niet werkelijk is. Die pijn die nooit meer goed komt! Als ik in zijn handen niet het teken van de nagelen zie, en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken en mijn hand in zijn zijde kan leggen. Zoals hij het van zich af probeert te schuiven, zo wordt het een scenario. Kom hier met je vinger. En Thomas weet dat hij gevonden is, overrompelt door het vertrouwen van Jezus, zijn vertrouwen in Jezus. Heel lichamelijk, hand in hand. Zo gaat hij ons voor en ontvangt hij het Lichaam van Jezus de Messias.
Moge God zo met ons zijn.


14 april 2013 - 3e zondag van Pasen

Sint Jan de Doper Amsterdam
Handelingen 5,27b-32.40b-41; Johannes 21,1-19


Als je hoofd er niet naar staat, als je “eigenlijk geen zin hebt”om je preek te maken – het evangelieverhaal van vandaag haalt je over de dam, rekent je in, neemt je mee. Het is zo vertelt dat wij het meemaken, dat we meespelen in het verhaal, dat het ook ons verhaal is.
Een dagje aan het strand. Jezus laat zich zien. Niet zoals de vertalers dat graag willen. Niet Jezus verschijnt. De moderne Statenvertaling zegt zelfs:”Jezus openbaart zichzelf”. In het grieks staat simpel: Jezus laat zich zien. Is dat niet het mooiste dat bestaat, iemand zien die je mist. En zien dat iemand ziet je staan. Jezus laat zich zien. Hoe speelt dit zich af?
Als het doek open gaat zien we de leerlingen bij elkaar. Het wordt een verhaaltje over solidariteit. “Ik ga vissen.””Dan gaan wij met je mee.” Leuk. Gezellig. Ja, maar bittere noodzaak. Want het is hun levensonderhoud, dat vissen. En vis kan veranderen in brood op de plank. Maar het wordt een treurige, zinloze nacht. Ze vangen niets. Dan heb je niks en ben je niks, een zielige vertoning. Terwijl het nog vroeg is staat Jezus aan de kant. De tekst zegt dat het Jezus is. Je krijgt niet de indruk dat zij dat weten of zien. De vreemdeling vraagt of ze iets te eten hebben. Dat hebben ze niet. Alsof de beste stuurman aan wal staat zegt hij: Gooi het net over de andere kant, gooi het over een andere boeg. En het lijkt er op. Het wordt wat. Het net heeft nog niet het water geraakt of al die visjes springen er in. Zwaar, topzwaar is het net. Ze kunnen het niet slepen.
Dan ziet een van de leerlingen – zien of begrijpen – dat het de heer is. En Petrus gooit zijn gewaad om want hij was niet gekleed. Kleren zijn in die tijd iets anders dan nu. Kleding was kostbaar en schaars. Die vissers wekken de indruk arm te zijn. Ze vissen in iets wat je als adamskostuum kunt identificeren – waarmee het verhaal ook aangeeft dat we ergens bij een begin zijn.
Petrus houdt het niet. Hij trekt zijn kleren aan en springt in de zee. Aan de kant brandt al een vuurtje. “Haal wat van de vis die je net gevangen hebt”. Petrus gaat aan boord en sleept het net vol vis. Het zijn er 153, een kerk, een wereld vol van “de kinderen Gods” (Jo1,12). Jezus zegt: “Kom eten””. En interessant is: ze weten dat het Jezus is, maar niemand durft te vragen: “Wie ben jij?” Zijn ze zo bang? Of ontroert? Onder de indruk? Tegelijk: het hele evangelie is verteld en geschreven op de vraag: “Wie is Hij? “ Aan het einde van het evangelie worden we terug gebracht naar het begin. Alles begint weer opnieuw. Daartoe dient het onderhoud tussen Jezus en Petrus. En denk nu niet te vlug dat het over Petrus gaat als vertegenwoordiger van het gezag. Nee. Petrus is het model van de leerling. Als Jezus Petrus aanspreekt, spreekt hij ieder aan. Persoonlijk. Aangesproken worden is altijd persoonlijk. Het gaat jou aan. “Houd je meer van mij dan dezen hier.” Daarmee wordt Petrus niet de grootste minnaar. Nee, daarin voelt iedereen het gewicht van zijn eigen liefde voor deze leraar die uiteindelijk een herder blijkt. Het doet mij zo goed. Het geeft me zo geheel anders aan mezelf terug. Houden van betekent hier volgen, navolgen, doen als. Proberen en leren. Steeds opnieuw weer, altijd weer als nieuw – uit de tent gelokt om Zijn schapen te wijden. Geroepen tot dienst aan elkaar.


28 april 2013 - 5e zondag van Pasen
St. Jan de Doper Amsterdam
Handelingen 14,21-27; Apokalyps 21,1-5a; Johannes 13,31-33a.34-35

Wij realiseren ons nauwelijks hoe fantastisch de taal is, het kunnen spreken en luisteren. Meer dan in ons lijf lijken wij in de taal te leven. We uiten ons, we kunnen de dingen bij elkaar zetten, min of meer overzien of helder krijgen. Een goed woord is een uitkomst. Het kan wonderen doen. Door de taal wikken en wegen wij, overbruggen wij afstanden. Ik zeg dat omdat ik een bepaalde uitdrukking in de woorden van Paulus en Barnabas vandaag zo fantastisch vind. Zij vertellen over alles wat God met hun medewerking tot stand heeft gebracht en hoe hij voor de heidenen de poort van het geloof geopend heeft. Eerst die heidenen. Voor ons heeft dat woord nog steeds een negatieve of domme klank. Maar heidenen zijn in de bijbelse literatuur simpelweg de niet-Joden, zeg maar de katholieken, de mensen van over heel de wereld. Voor ons allemaal heeft God de poort van het geloof geopend. Een van mijn kleinkinderen, 10 jaar, las me deze week een gedicht voor dat ze in de klas zou voorlezen. Ze had het gekozen. Over een deur. De deur als opening biedt een onmetelijke ruimte aan, is openheid. Maar als de deur dicht is, is ze als een muur, ze sluit af, begrenst. Maar als de deur is beweging is, is ze zoals ik. Ze glimlachte. Mijn kleindochter kan nauwelijks stil zitten. Een en al beweging herkent ze zich in de deur.
De taal, ons geloof als een deur, een poort waardoor je uitgaat en binnenkomt. Een brug, een overbrugging, een dak boven ons hoofd. De poort van het geloof, van het vertrouwen, van je thuis voelen op deze aarde in deze soms zo moeilijke wereld.
Ons geloven gaat over onze zin in het heden, in het nu en in wat komen gaat. Johannes heeft het daarover in zijn Open Boek, vlak voor het einde. Hij ziet een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. En geinig: de zee zal niet meer zijn! Voor Nederlanders is dat een beetje vreemd. Hoezo, geen zee meer. Dat komt omdat in de bijbel de zee het dreigende is. Dat is een land, een plat of hellend vlak waar je niet op kunt staan. Voortdurend wordt je bestaan daar ondergraven, uitgehold.
Na alles wat gebeuren moet ziet Johannes een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. De nieuwe hemel en die nieuwe aarde is één in het visioen van het hemelse Jerusalem dat van God uit de hemel neerdaalt. God wist die zee van tranen, alle tranen, en leeft, één met zijn volk. Alles is nieuw. Zo’n beetje een beeld dat wij nu weer hebben. Onze wereld zit er zo volstrekt anders uit als vijf weken geleden. Alles is nieuw, één en al aanbod, uitnodiging.
Tenslotte de evangelielezing. Jezus aan de tafel van het laatste avondmaal, te middenvan zijn leerlingen. Nu is de mensenzoon verheerlijkt. Mensenzoon, mensenkind, zoon van de mens, zoon van Adam. Abel, de dor en door kwetsbare mens. Nu, te midden van de leerlingen, in nemen en delen, is de mensenzooon verheerlijkt.
Bij verheerlijken denken wij aan heerlijkheid, aan licht, iets om naar op en uit te zien. Maar in het bijbelse taaleigene van het Oude en altijd zo goed als Nieuwe Verbond - is verheerlijken een woord dat zoiets betekent als: gewicht toekennen aan, doorslaggevende betekenis, dat wat er wezenlijk toe doet, dat wat uiteindelijk bepalend is, wat de doorslag geeft.
Aan de tafel van het laatste avondmaal volgens Johannes weet Jezus dat de mensenzoon nu verheerlijkt wordt en dat God zich in Hem verheerlijkt. Waar God op uit is, dat wordt in volle breedte aan Hem, de zoon van Adaam, de mens uitgetekend. De luchtige taal, kindertjes, kan de zwaarte daarvan niet ontkennen, nu het te gebeuren staat. Maar er is iets dat het draagbaar maakt. Hij zegt: Jullie zijn mijn leerlingen, en dat zul je zijn als je de liefde onder elkaar bewaart. Dit is het woord. Liefde, love. Geloven in het engels is believe. Je hoort dat liefde de grondslag van geloven is. Dat is de poort die de kerk bewaart, ook vandaag. Dat mogen wij voor lief nemen. Moge dat zo zijn.

6e zondag van Pasen
zondag 05 mei 2013 - Sint Jan de Doper Amsterdam
Handelingen 15, 1-2.22-29; Johannes 14,23-29


Voor ons is de kerk de kerk. Van jongs af aan zijn we er in opgegroeid. De gestalte van de kerk is ons vertrouwd. Ja, vroeger was alles in het latijn en meer van die zaken. We weten allemaal van de veranderingen, nu 40 jaar geleden. Nederlands werd de taal van de liturgie. Het kerkelijk gebeuren werd wat toegankelijker dank zij het concilie. De eucharistie werd meer een zaak van de gemeenschap. De priesters werden minder de uitvoerders van de heilige geheimen maar de voorgangers van de gemeenschap die ter plaatse bij elkaar gekomen is. “Waarom we dat nu zo zien” heeft ook alles te maken met herbronning. Hoe is het gegaan, hoe is het ontstaan? We hebben daar de vorige week over gehoord. Paulus en Barnabas trekken door het tegenwoordige Centraal Turkije. Overal ontstaan geloofsgemeenschappen en zij stellen overal oudsten aan, presbyteroi. U hoort dat daar ons woord priester van afgeleid is. Als christenen samen het onze vader bidden dan is de presbyteros een soort oudere broer. Dat heeft alles van nabijheid en vertrouwdheid. Ik denk dat Hans Wilting s.j., verlegen en bescheiden, maar ook heel beslist, als pastor zo’n oudere broer voor deze gemeenschap was. Hij maakte dat woord “oudste” waar en geloofwaardig, een priester, een oudere broer. In dankbaarheid herdenken we hem regelmatig wanneer we bidden voor onze zieken. Zelf ben ik in mijn ouderlijk huis ook de oudste. In die rol herken ik me. Toen ik docent werd op de peda ervoer ik mijn lesgeven ook zo. Als oudere broer weet je wat meer en kun je beter luisteren. Anderen wil je meenemen in wat je goed vindt. In geven en nemen samen delen, samen een beetje “wij” zijn. Je oorspronkelijke eenzaamheid verlaten om je opgenomen te voelen in een “wij”, onze vader.
Maar “wij” is ook heel persoonlijk. Dat is jij en ik, en hij ook, en zij ook, en zij, die mensen daar, ook, als ze willen. Democratisch allen. Zoals het bloed dat vergoten is voor velen. “Velen” is democratisch inclusief. Als je mee wilt doen mag je mee doen. Hoe meer zielen …
Dat “wij” geeft in de eerste jaren van de messiaanse beweging (het christendom) wel een probleem. Joodse mensen denken niet anders – ja, misschien wel, maar dat vinden ze niet relevant. Denken is nogal vrijblijvend, elitair, een teruggetrokken positie waarin je na kunt denken over de volgende zet. Joodse mensen denken niet anders. Ze leven anders. Dat begint met een gebed wanneer je wakker wordt en houdt op met een gebed wanneer je slapen gaat. Daartussen ben je bezig met allerlei joodse zaken en gevoeligheden, geen varkensvlees, de sabbath, onderscheid maken tussen wat goed is en wat niet goed is, wat de gemeenschap dient of wat de gemeenschap in gevaar brengt, met rein of onrein, kosher. Joodse mensen hebben eigen tijden, eigen plaatsen, eigen gebruiken, een leven lang.
Wanneer het christendom op gang komt schiet het weldra wortel onder de niet-joden. Die bezeten rabbijn Paulus, bezeten door het gevoel dat Jezus die hij jarenlang vervolgde de Messias is – die bezeten Rabbijn Paulus reist stad en land af om te vertellen over de Messias, onze Broeder, onze Heer. Maar stad en land, al die volkeren, weten wanneer het over joodse zaken gaat van niks. Als je je verstand gebruikt is immers alles min of meer hetzelfde, of vergelijkbaar, of kun je een beetje rekening houden met elkaar. Samen leven met verschillen. Met alle respect, maar we weten dat dat heel moeilijk is. Want die verschillen komen iedere dag terug. Jij blijft begrip hebben en je ergeren. In die situatie moet U het eerste apostelconcilie verstaan. Jezus is de messias en joden blijven joden, niet joden hoeven geen jood te worden. Zo wordt de kerk, die gemeenschap van onvoorstelbare, mondiale verschillen wereld, wereldwijd en mogelijk. Ik herinner me dat een van de pastores in de Bijlmer in een kerstnachtdienst in 1973 vertelde dat we met mensen uit 53 landen bijeen waren.
Christen zijn, van overal ter wereld kath’holon ton kosmon katholiek – waar hebben die mensen, waar hebben wij het over? Wat is dat christen-zijn, dat vertrouwen ten diepste, wat we geloven noemen?
De liturgie presenteert ons Johannes aan de tafel van geven en delen, van brood en wijn en al die verhalen over uitzichtloosheid en bevrijding, aan de tafel waar ondanks alle goede woorden donkere wolken zich hebben samen getrokken. Hoe zit dat dan? Als heel de wereld over je heen zal vallen – wat wil Jezus nu nog?
We horen hem spreken. Wie mij lief heeft zal mijn woord onderhouden. Is dat zo? Als je van iemand houdt, onderhoudt je dan zijn woord? Dat lijkt toch wel wat ver gezocht. Okay. Maar is het dan toch mogelijk deze woorden toch te lezen?
Als iemand van mij houdt dan zal hij of zij mij niet of nooit vergeten, dan blijf ik voor hem of haar tegenwoordige tijd. Dan ben ik, onbegrijpelijk, ik kan daar niet bij, dan ben ik zin en betekenis voor hem of haar, woord. Hij of zij zal mijn woord bewaren. Woorden bewaren is in bijbelse taal: woorden doen, woorden (be)proeven, bewaren, in die zin: waar maken. Als wij hier samen zijn, brood delen met elkaar – wij doen wat hij ons vraagt opdat God hem zal gedenken. Op die bijbelse manier. Betekenis aandragen, koesteren. Wie mij liefheeft, mijn Vader zal hem liefhebben. Johannes kent de tekst van het Onze Vader niet, maar heel zijn evangelie lijkt daar een uitleg van. Als iemand mij liefheeft, mijn vader zal hem liefhebben. En de Vader zal de Geest sturen. Het is levend, - een en al relatie, elkaar oproepend en naar elkaar verwijzend. Alsof verbond een werkwoord is. Zich verbinden, zich verplichten en zich verplicht weten. Vrede is een geschenk waar geen dank voor bestaat. Een compleet raadsel. Ook dat geeft de liturgie, ons samenzijn hier en nu, ons vandaag. Moge God met ons zijn.
Nb.
Vrijheid en bevrijding, het thema van de Schrift, zal ik kort overwegend presenteren in de opening en sluiting van de dienst. 5 Mei vraagt daar om, nodigt daar toe uit.

Oecumenische viering
Hemelvaart van de Heer - donderdag 9 mei 2013
Handelingen 1,1-11, Lucas 24,46-53

Een ding wisten ze zeker, die twaalf rond Jezus. Het gebeurt! Nu gaat het gebeuren! Dit kan nooit meer stuk. Bijna als een stelletje kwajongens, opgetogen omdat ze eindelijk de weg weten, zijn ze met hem mee gegaan, omhoog en omlaag door het zacht glooiende heuvellandschap van Galilea en door de Jordaanvlakte, en dan omhoog, naar Jerusalem. Het was bijna Pesach, het grote feest van vrijheid en bevrijding, en zij zouden met Jezus naar Jerusalem gaan. Dromend van Gods koningschap achter hem aan, naar Jerusalem. Dit kan nooit meer stuk. En: “Eindelijk!”

In Jerusalem explodeert hun verwachting in een nachtmerrie. Hun meester, hun lieve leraar - in de klauwen van de macht. Een politiek spelletje moet hem van deze wereld verwijderen. Weg met Hem, aan het kruis met Hem! En als zij hun verbijsterde ogen opslaan zien ze het kruis. Voorbij die mooie dromen van vrede.

Dan komen drie dagen later die vrouwen met hun verhaal: Hij leeft! Alsof het onherroepelijke al niet bitter genoeg is! Maar hij komt als de boom des levens echt in hun midden staan, spreekt van vrede en vergeving en breekt het brood, eet met hen mee. De ogen worden geopend. De verwachting, als gloeiende kolen al in de as van de herinnering verborgen , gloeit op, wordt licht, al licht.

Lucas vertelt dat Jezus gedurende 40 dagen vaak te midden van de leerlingen verblijft. Ze praten met elkaar. Waar praten ze over? Lucas vat dit kort samen. Het zijn maar een paar woorden: basileia tou theoe. Basileia, u kent het woord basiliek, basilica. Basileia, koninkrijk vertalen wij. Het koninkrijk der Nederlanden. Nee, dat betekent het niet. Het gaat niet over het gebied, niet over een territorium. Het gaat meer over de manier waarop. Beatrix was anders koningin als Julia. God is koning betekent op de eerste plaats, dat de farao dat niet is, de Egyptische farao niet en al die andere farao’s die aan de farao doen denken ook niet. En God is koning, niet op de manier van de farao, de tiran, de demon, de potentaat. Tegenover al die bazen en baasjes is het visitekaartje van deze slaven-God volstrekt helder, eenvoudig en duidelijk: God is koning als Hij die bevrijdt.

Nu, in die laatste dagen, worden er nog een paar aanwijzingen gegeven. Terwijl Hij naar de vader gaat moeten zij in Jerusalem blijven. Vandáár zal het evangelie van Gods koningschap opnieuw te beginnen. Te beginnen vanuit Jerusalem zullen de leerlingen getuigen zijn. Daarom moeten zij in Jerusalem blijven wachten op de belofte die Hij hen zal geven. Hij zegent hen, en terwijl Hij hen zegent verwijdert hij zich en wordt hij opgenomen.
Het is mooi dat het zo direct en simpel beschreven is. Hij verdwijnt uit hun midden terwijl hij hen zegent. Het laatste dat zij van hem zien is dat Hij hen zegent. Deze kleine, opgetogen groep leerlingen verbindt Hij uitdrukkelijk met de naam van God. Hij en zij, er is iets tussen hen – een nieuwe band, een leven schenkende herinnering verbindt hen. En hun leren en bidden markeert de tijd voor de uitzending die over 10 dagen, wanneer het de vijftigste dag van Pasen is, Pinksteren, gaat beginnen. Op een af andere manier is alles anders geworden. Hij in ons midden als een opdracht voor en met elkaar. Dat gedenken wij, vieren wij vandaag in zijn naam. Moge God ons bewaren. Moge Hij God met ons zijn.

Zondag 12 mei 2013 - 7e zondag van Pasen
Handelingen 7,55-60; Johannes 17,20-26

Deze zondag is zoiets als een zondag van wezen. Donderdag, Hemelvaartsdag, hebben we de paaskaars van voor het altaar verplaatst naar achteren. Hij heeft ons verlaten en wat moeten of kunnen wij dan nog? Of nog korter: en wij dan? Hoe kunnen wij verder als hij er niet meer is. Ik dat kader horen we vandaag het getuigenis van Stefanus, al is zijn situatie anders dan die van ons.. Een woedende menigte stenigt hem. Stefanus, de eerste martelaar. Op de tweede kersdag vieren we zijn feest. Voor Stefanus is leven: leven in verbondenheid met.
Lucas vertelt over Stefanus. Hij is vervuld van Geest. Die Geest vinden we vanaf Genesis 1 tussen hemel en aarde. Terwijl het om zijn leven gaat ziet hij de hemel open en de mensenzoon staande aan Gods rechterhand. De mensenzoon zien betekent voor Stefanus Gods heerlijkheid zien. Mensenzoon, mensenkind, kind van Adam: Abel. Een bloedig spoor getuigt van de geschiedenis: van Abel naar Stefanus. Zijn getuigenis ten laatste luidt: Heer Jezus, ontvang mijn geest en Heer, reken hen deze zonde niet aan. Die woorden maken de gestalte aan het kruis zichtbaar. Alsof zijn dood nog alles in zich heeft van een zich onttrekkend begin waar je voor ín bent. Ontvang mijn geest. Zoiets als wanneer Jezus zijn Geest geeft – teken van een nieuw begin, teken van: nu – steeds actueel hier en nu, heden – nu begint het! Met deze woorden mogen wij leven.

De evangelielezing brengt ons weer naar de intimiteit van het laatste avondmaal in het evangelie van Johannes. Heilige Vader, niet alleen voor hen bid ik, maar ook voor hen die door hun woord in mij geloven. Wij horen Hem zoals Johannes Hem gehoord heeft. Als je een stem hoort ben je wezenlijk niet meer alleen. Dan word je aan het licht gebracht, tot getuige gemaakt. Van wat? Welke woorden reikt Johannes ons aan!
- … opdat zij die gij mij gegeven hebt, mogen zijn waar ik ben … opdat zij één mogen zijn zoals U vader in Mij en Ik in U.
Opdat. De tekst geeft vanaf het begin zijn bedoeling prijs. Opdat de liefde waarmee Gij mij lief hebt in hen moge zijn en ik in hen. Die éénheid wordt tot stand gebracht en gedragen door Zijn vragen en door allen die in Hem vertrouwen door hun woord. Het lijkt belangrijk dit woord wel te verstaan. Meer dan een natuurproduct is ons leven woord. Ik merk dat ik daar de laatste weken voortdurend op terug kom. Wij zijn meer taal dan bloedsomloop. Leven lijkt zoiets als je oriënteren, benoemen, spreken. Vraag en antwoord, dialoog. Ons leven is geen status met een statuut, maar een voortdurend zich vormende en ontwikkelende verstandhouding. Voortdurend confronteert het evangelie ons met het optreden van Jezus. We horen hoe hij hoort, we horen Hem spreken. Zijn woorden geven ons de ruimte. Zo, al horend, worden wij leerlingen van het evangelie. Leerling zijn, delen in waar hij op uit is, zich voortgaand identificeren met. Daarbij gaat het voortdurend over één zijn, één worden met. Barmhartigheid of betrokkenheid, liefde. Het zijn grote, maar in feite heel innige woorden, alsof het evangelie ons in vertrouwen neemt. Zoals die laatste woorden zeggen: Ik ken U en dezen hier kennen dat U mij gezonden hebt. En ik heb Uw naam doen kennen en zal dit blijven doen opdat de liefde waarmee U om mij geeft, mij omgeeft, in hen moge zijnen ik in hen.
In onze vertaling vindt U hier woorden als erkennen en openbaren. In het grieks staat hier het werkwoord kennen. De eenheid komt tot stand in het kennen, zich verenigen met. Zoals wanneer wij de woorden aannemen en Onze Vader zeggen, of onze hand uitstrekken wanneer hij zich aan ons geeft.

 

zondag 19 mei 2013 – Pinksteren

Amsterdam, Sint Jan de Doper:
Handelingen 2,1-11; Johannes 20, 19-23

Spiritus sancti gratia illuminet sensus et corda nostra. Wij antwoordden daarop: Amen. We maakten een kruis en begonnen onze boeken te pakken om te gaan studeren. Zo ging dat voor mij vanaf Mei 1955 elke dag. Latijn was op het seminarie en in de kerk nog vanzelfsprekend de taal. Spiritus sancti gratia illuminet sensus et corda nostra. “Moge de genade van de Heilige Geest onze zintuigen en onze harten verlichten. Mooi is dat. Zo lichamelijk als die Heilige Geest blijkbaar met ons om ging, om kan gaan - als je het gebed gelooft. De Heilige Geest zou onze zinnen, onze zintuigen en harten kunnen verlichten. Onze zinnen zetten op het studeren, op ons leven dat wij leefden en dat komen zou. Alsof God je bij de hand wil nemen wanneer het over voelen, invoelen, verstaan en zien gaat.
Vandaag Pinksteren. Het meest wonderlijke van de feesten. Tegelijk het feest waar we geen beeld, geen idee van hebben. Met Kerstmis en Pasen hebben we een vermoeden van beelden, maar met Pinksteren zijn we eigenlijk groot blanco. En toch is Pinksteren de bekroning van alle feesten die we dit jaar sinds Kerstmis al vieren. Want Pinksteren is het feest van de Geest. Dan begint het te gisten, dan zijn er woorden voor. Dan weten we eindelijk waar het over gaat, kun je het tegen elkaar zeggen of vragen. De taal, een zegen! De afgelopen honderd dagen zijn we gegaan langs de 40-dagen, de Heilige Drie Dagen met het onverwachte Pasen en die zeven zondagen daarna, met aan het einde hemelvaart. Alles is opnieuw de revue gepasseerd. Honderd dagen hebben de wereld op zijn kop gezet. En toch doen we alsof er eigenlijk niets aan de hand is!
In Jerusalem moesten de leerlingen, moeten wij blijven wachten, heeft Lucas ons de vorige week verteld. Wachten op de Geest die “alles in herinnering zal brengen wat Jezus heeft gezegd”. Door de Geest blijft Jezus één en al woord, als het ware in gesprek met ons. Hoe dik de schil om ons heen ook is, het blijft mogelijk. Je kunt door hem aangesproken worden, toegesproken, bemoedigd. Zoals God zich ontfermt over zijn volk in de slavernij van Egypte, zo laat Hij je niet alleen.
In Jerusalem, het huis waar zij gezeten zijn. Daar zitten ze bijeen, als broeders, als broeders ook één. Als die jongens en meisjes die de koppen bij elkaar steken! Toch stel ik mij voor dat ze niet vrolijk zullen zijn, zoals kinderen wanneer ze weten dat Sinterklaas komt. Ze zullen zich niet zitten verkneukelen over De Geest die komen zal. Ze hebben geen idee. Alhoewel, met de kennis van nu. – Pinksteren is in de bijbelse traditie het Wekenfeest. Zeven weken, zeven keer zeven dagen, plus één, de vijftigste dag. Met Pinksteren wordt het geheim zichtbaar van Pesach, van de bevrijding. Hoe is bevrijding en vrijheid mogelijk? Dat is omdat God degene is die bevrijdt. Dat is, omdat Hij de mens aanbiedt te leven in het verbond dat Hij met ons wil sluiten, de beloften die Hij met ons wil delen. Pinksteren is het feest van het schenken van Het Goede Boek, woorden en verhalen, beelden en verwachting komen naar beneden. Uit uw hemel zonder grenzen komt gij tastend aan het licht.
De storm en het vuur die over het huis vallen waar zij met z’n allen bijeen zijn, roepen onmiddellijk de herinnering (Exodus 19,16) op aan het sluiten van het verbond bij de Sinaï. Het geven van de Tora. De geest maakt de leerlingen tot een levend lichaam, tot zinnen en harten voor heel de wereld.
Als de boom des levens gaat hij in hun midden staan. De woorden die wij horen krijgen alle aandacht. Vrede op jullie. Wij worden uitgenodigd de vrucht van de graankorrel in de aarde gezaaid, mee te dragen en er mee, met Hem te leven.

7 juli 2013-07-06 Sint Jan de Doper Amsterdam
14e zondag door het jaar

Jesaja 66, 10-14c; Lucas 10, 1-12. 17-20

Groot is de oogst maar arbeiders zijn er weinig. Met die woorden stuurt Jezus zijn leerlingen het land in, twee aan twee. De zending waarmee Jezus hen stuurt is geen monoloog. De ruimte die zij scheppen door onderweg samen en ook met elkaar te spreken en naar elkaar te zoeken, is ook de ruimte van Gods koninkrijk, van God die een stad van vrede wil zijn voor zijn mensen. Enthousiast komen die leerlingen terug. Ze hebben met eigen ogen gezien hoe het kwaad zich terugtrekt uit de wereld.
Het lijkt er op dat ALLES aan de orde is. De inzet van Jezus en die hij ook van zijn leerlingen vraagt, is onvoorwaardelijk. Hoe kunnen we dit verstaan? Als een antwoord op die vraag wil ik vandaag over Isaak vertellen. Waarom is de inzet van Jezus zo radicaal?
Een van mijn leraren zei eens tijdens een college:"Als je zegt 'In de naam van de vader en de zoon', dan moet je vanzelf denken aan Abraham en Isaak." Ik was helemaal verbouwereerd. Dat had ik nog nooit gedacht. In het canongebed van de oude liturgie werd wel gesproken over "onze vader Abraham", maar dat was in het latijn en is verder nooit duidelijk geworden of doorgedrongen tot het bewustzijn. En we kennen het lied van Abraham had zeven zonen ... Maar dat klopt niet. Dé zoon van Abraham is Izaäk. Die ene! Maar Izaäk is voor Abraham alles. Zoals voor Izaäk Abraham alles was. Mijn spijs Is het de wil van de vader te doen.
Het bijbels hoofdverhaal is de uittocht uit de bittere dood van de slavernij. Maar - als ik dat zo vlug mag zeggen - die uittocht begint niet in Egypte, maar met Abraham.
Het echte verhaal over Abraham begint met: ga weg, uit je land, uit je familie, uit het huis van je vader naar het land dat ik je zal laten zien en ik zal je maken tot een groot volk ...
Abraham moet opnieuw beginnen, opnieuw en met niks. Met niks? Ja, met niks. Pardon? Abraham heeft Gods woord gehoord. Dat woord is voor hem een en al belofte. Dat woord wordt immers land en zoon. Een plek waar je kunt zijn, waar je welkom bent, thuis in een nieuwe wereld waar je getuige van mag zijn. Daar is nog heel veel over te vertellen, maar als Izaäk er eindelijk is, en zelfs als God hem zijn zoon opnieuw geeft op de berg, dan zijn we bij waar het allemaal om begonnen is, het leven dat verder gaat.
Maar wat doet dan De Zoon van de Vader?
Rond 1986 besloot ik, nog van niets wetend, eens iets te gaan schrijven over Izaäk. Er is zo weinig over Izaäk. Als Izaak de Zoon van de Vader is, dan moet daar toch meer over te vertellen zijn. Want wat je over Izaak vertelt gaat ook op een of andere manier over Jezus. Al zoekend werd mij duidelijk, dat er over Izaäk maar twee korte verhaaltjes zijn. Hij komt wel in meerdere verhalen voor, als lijdend voorwerp of meewerkend voorwerp, maar er zijn maar twee heel korte verhaaltjes waarin hij echt onderwerp is.
Het eerste verhaal vertelt: en Izaäk zaait dat jaar in het land en het land leverde honderdvoudige vrucht op. En die man werd groot en werd alsmaar groter totdat hij zeer groot geworden was - een boom van een man bij wie het goed toeven is. (Vertalers vertalen hier 'rijk', maar een groot mens is heel iets anders!)
Dan komt het tweede korte verhaal. Izaäk graaft de bronnen op die zijn vader geslagen had. De Filistijnen hadden uit jaloezie die bronnen dichtgegooid. U begrijpt het. Land zonder water is de hond in de pot. Droog, leeg verlaten. Doordat de zoon de bronnen van zijn vader opent krijgen we weer water, is er weer groei en bloei. Waar water is daar is leven, daar komen de mensen. Zo herstelt Izaäk de naam van de vader op het land. Die naam betekent leven in overvloed.
Daarmee is in een notendop alles vertelt over de zoon van de vader. Groeien en bloeien, delen en mogelijk maken. Uitnodigen.
Daarom is Jezus in het evangelie niet het middelpunt. Hij is er niet om gediend te worden maar om te dienen. De voetwassing is geen incident maar typeert het hele evangelie. Het gaat Hem om zijn leerlingen en het goede verhaal waar mensen van op mogen zie en naar uit mogen zien: uw naam worde geheiligd, uw rijk kome.
Dat delen we hier vandaag in de gaven die Hij ons geeft, waarin hij zich, zijn leven, deelt met ons.

15e zondag door het jaar 14 juli 2013

Amsterdam, Sint Jan de Doper
Deut 30,10-14; Lc 10,25-37

- Mozes, de leraar, spreekt tegen zijn mensen. Zijn mensen? Het zijn Gods mensen. Het is het volk waar God zich over ontfermt, het volk dat zijn leven lang bezig is door de woestijn van elke dag heen zijn weg te zoeken, op hoop van een veelbelovend, alles belovend land. Op zoek naar waar het leven goed is, waar je het leven aan kunt. Interessant vind ik, dat Je Mozes niet zo vaak biddend tegen komt. Meestal is hij de leraar. Zoals je ook Jezus in het evangelie niet zo vaak biddend tegen komt. Meestal praat hij tegen de mensen om hem heen, heeft hij iets te vertellen en of geeft hij iets te denken. Mozes spreekt tot het volk. De lezing komt uit Deuteronomium, het herhalingsboek. Voordat het volk onder leiding van Jozua het land zal binnentrekken herinnert Mozes nog een keer aan alle woorden en daden. Opnieuw wordt de kernles ingeprent: Wanneer je de stem van de Heer je God zult hoort om zijn geboden te bewaren,wanneer je om zult keren tot de Heer je God met heel je hart en heel je ziel.
Het hart geeft de richting aan. De ziel is hoe jij jezelf bepaalt en aantreft, zoals je doet en bent. Je ziel is waar andere je aan herkennen“Typisch jij!”
Voorzichtig maar vastberaden en precies wordt beschreven waar je dan naar zult luisteren en hoe eenvoudig dat is. Het is niet te hard voor je, niet buiten je bereik, niet in de hemel of aan de overkant van de zee. Het woord, het inzicht, is er voor iedereen. Iedereen kan zo maar kiezen voor het woord van God en er voor gaan.
- Een thorah-geleerde, een eeuwigdurende leerling die daarom ook altijd omgeven is door leraren, leerlingen en medeleerlingen. Meester, wat moet ik doen om eeuwig leven te verwerven? Eeuwig leven is niet het leven van elke dag tussen opstaan en slapen gaan. Eeuwig leven is leven naar de maat van God. Hoe kan ik goddelijk en godzalig leven. Leven zoals het bedoeld is, gedroomd. Een slimme vraag, de vraag naar wat er toe doet, wat het beslissende verschil maakt. Maak je boeken maar open, zegt Jezus. Hoe lees je dat? Hoe lees je dat God een bevrijder is, niet van de machtigen en de sterken, maar van mensen die onmondig zijn gemaakt. Jezus rekent zichzelf bij hen. En tegen de leerlingen zegt hij: gelukkig zijn de ogen die zien wat jullie zien en horen wat jullie horen. Vele profeten en koningen is dit niet overkomen.
Dan staat de wetgeleerde op. Eén vraag heeft hij. Leven overeenkomstig de maat van God, daar is hij op uit. Hoe lees je, hoe sta je in het leven met het Boek van Alle Verhalen. Het is een vraag die blijkbaar niet moeilijk is. Je moet God liefhebben, en de naaste die er aan toe is als jij.
Maar wie is, staande voor Jezus, je naaste? Blijkbaar geldt een antwoord op die vraag niet als antwoord. Blijkbaar moet je dat antwoord zelf zoeken en vinden. Daar past enkel een verhaal op. Horen wordt hier antwoorden. Wat is er aan de orde in het verhaal?
We horen over iemand die in de handen van rovers is gevallen en die ze als oud vuil langs de weg hebben laten liggen. Ze hebben dat gedaan. Ze, maar ook de priester die met zijn hoofd bij zijn heilige dienst is en het slachtoffer niet ziet liggen. Ook de leviet loopt met een boog om die gerafelde mens heen. Als het bestaat dat je niets kun zien: zij zien niks. Dan hoef je ook niets te doen. Maar een Samaritaan, eigenlijk een wildvreemde die ze in de regel ook met de nek aankijken, die kan het niet aanzien. Hij wordt een en al ontferming, buigt zich en verzorgt. Hij geeft thuis en zorgt dat er voor de man langs de weg een bed is en zorg. Wie is dan de naaste?
Daar kan niemand omheen. De naaste is degene die barmhartigheid betoont, die laat zien wat ontferming betekent. wordt een navolger gezocht. Zoals de priester zijn Leviet heeft, zo moet de Samaritaan iemand vinden die doet als hij, die barmhartigheid bewijst. Doe ook zo. Dat zijn woorden die gehoor vragen. Ze zoeken naar volgelingen, navolgers, leerlingen.

zondag 4 augustus 2013 -
18e zondag door het jaar – Sint Jan de Doper
Prediker 1,2;2,21-23; Lucas 12,13-21

De eerste lezing uit het boek Prediker hebben we gelezen omdat het romeinse leesrooster dat zo bij elkaar gezocht en gezet heeft. Die eerste lezing moet altijd aansluiten bij de evangelielezing en dat doet hij wel, als je een beetje vaag leest. Je zou immers kunnen zeggen: het evangelie vertelt dat al dat aardse gedoe niet alles is. Graaien en schrapen hoeft niet want er komt een tijd dat je leven op is en dan heb je niks meer aan alles wat je hebt. Je zou kunnen zeggen dat het evangelie daar over gaat. De eerste lezing zegt dan mooi: wat een gedoe! Al dat gedoe! Mens, wat maak je je druk en wat heeft het voor een zin! Laat toch zitten.

Maar zoals altijd: het zou ook wel eens anders kunnen zijn. De eerste lezing komt uit het boek Prediker, en het boek Prediker leest de joodse gemeenschap bij de oogst in de herfst, de laatste oogst, tijdens het Loofhuttenfeest, exact een half jaar na Pasen. Pasen tussen eind maart en eind april.
Het Loofhuttenfeest is het bijbelse feest dat gevierd wordt als de laatste oogst van het land is gehaald. De oogst is binnen. Het is het feest: “mensen wat zijn we rijk”.

Als de oogst binnen is, als je elkaar aankijkt en zegt: “Wat zijn we rijk!”Gaan Joodse mensen buiten wonen, alsof binnen zijn niet vanzelfsprekend is. Letterlijk: mens zijn op aarde onder de hemel. Zo begint het boek Prediker met de woorden die wij zojuist hoorden. Nu de oogst binnen is, nu we allemaal binnen zijn, gaan we in de liturgie oefenen om buiten te leven, want binnen zijn is niet vanzelfsprekend.

Prediker is het boek dat mensen bij elkaar brengt. Dat moge wel duidelijk zijn. Je hoort dat ook aan het begin.Prediker begint met: “IJdelheid der ijdelheden”. Alles is ijdel.
Ja, dat moge wel zo zijn, maar dat staat er natuurlijk niet want het boek is in het hebreeuws geschreven. Er staat: Aveel Aveliem, of Abel abeliem.
Hoort u het bekende woord Abel? Abel kennen we van Cain en Abel. Net buiten de tuin van het paradijs komen we Cain en Abel tegen. U weet dat de aarde dan rood wordt. Abel, het eerste slachtoffer. Als je niet oppast!
Nu begrijpt u ook beter waarom bij het Loofhuttenfeest mensen elkaar opzoeken, hun onderlinge verbondenheid vieren. Ook als je buiten bent kun je binnen zijn. Als je een beetje om elkaar geeft gaat vanzelf de hemel een beetje open, en dat is heel belangrijk. Denk aan Abel. Hij heet Abel want dat betekent damp, lucht, bijna niets, een keer blazen. Maar als je elkaar aanziet ben je wie weet samen sterk. Je leeft toch bij gratie Gods, bij geven en nemen.
Prediker een peinsboek.

“Rabbi, zeg tegen mijn broer”. Dat rijmt minstens een beetje op “Cain en Abel”. “Zeg mijn broer”. Er komt iemand bij Jezus die zijn broer aansprakelijk houdt. Zeg mijn broer … de erfenis delen. Dat gaat natuurlijk niet alleen over wat vader en of moeder hebben nagelaten. Dat gaat over alles wat we erven, onze wereld, onze cultuur, onze samenleving. Mijn broer moet de erfenis met me delen.
Uit het antwoord van Jezus blijkt dat hij heel anders kijkt. Hij wil geen rechter of verdeler zijn. Hij wil iets anders. Hij wil leven, hij wil “je leven veilig stellen”. Geen enkel bezit kan je leven veilig stellen. Wat is dan dat leven dat je blijkbaar kunt of moet veilig stellen?
Je leven veilig stellen doe je niet met het werkwoord hebben. Je leven veilig stellen heeft met zijn te maken, met zijn, er zijn, simpel ter plaatse zijn. Je hebt je leven niet. Je leven, dat ben je. Je zien en je horen, je voelen, dat ben je. Mijn leven, dat ben ik.
Het gaat over mij, over jou. Het gaat over die ene die we bij alles wat de denken en doen ook bij ons is. De mens die altijd in jouw scheepje zit, “me”, zoals ik me regelmatig voor de voeten loop, of “nu eenmaal ben”,
Bijbels gesproken ook: mens in Gods hand, schepsel Gods, mens op aarde onder de hemel. Mens die leeft van dag tot dag, iedere dag weer. In Gods hand. Mens je bent gezien. Voor God tellen je dagen, voor God ben jij er.
Leven, je leven oppakken en zoals we dat tegen elkaar zeggen “er iets van proberen te maken”, dat is rijkdom voor je leven, dat noemt het verhaal “rijk zijn voor God”.
Rond de tafel van het laatste avondmaal horen we Jezus over zijn leven, zijn lichaam, zijn bloed, zijn aanwezigheid en betrokkenheid met ons, de broeder- en zusterschap die we delen wanneer we “Onze vader” zeggen.
Delen we dat met elkaar en moge dat zo zijn.

zondag 11 augustus 2013 -
19e zondag door het jaar –
Sint Jan de Doper
Wijsheid 18,6-9; Lucas 12,32-48


- Duisternis over de vloed. U kent die tekst wel uit het scheppingsverhaal. Het is dan nog voor het begin. Alles moet nog komen.
De bijbelse dag begint in het duister. Als je de eerste drie sterren tellen kunt. De dag gaat van het duister naar het licht. De dag begint wanneer de wereld bij zichzelf te rade gaat en zint op een nieuw begin, - de dag die aan het licht komt.
De eerste lezing uit het boek Wijsheid brengt ons vandaag naar de kern van de zaak: de nacht van de Uittocht. De bevrijding is hun toegezegd. Zij hebben zich voorbereid. Ze hebben zich, zo zegt de tekst, met een heilige belofte verplicht. Waartoe hebben zij zich verplicht? Ze hebben zich verplicht het goede te delen en samen de gevaren het hoofd te bieden. Daarom hebben de vromen hun oude liederen aangeheven. Als alles anders is. Zoals wij nu gaan vermoeden wanneer we paus Franciscus zien luisteren en horen spreken. Het vertrouwen dat daaruit spreekt. Het bemoedigende ook. Wanneer de kerk zich weer om mensen bekommert.

Het vertrouwen van Jezus in een goede God, samengevat in woorden als “Onze Vader”, dat vertrouwen is onuitputtelijk inspirerend. Je hoeft niet bang te zijn, kleine kudde, want het doet jullie vader goed, jullie het koningschap(Gods) te geven. Je hoort hoe in zijn woorden Zijn intimiteit met de Vader schuil gaat. Laat wat je dierbaar is de je wegen bepalen. Waar je schat is …
Het meest belangrijk, zo blijkt in de evangelie-lezing van vandaag, is het om klaar te zijn wanneer het zover is, om letterlijk bij de tijd te zijn, te (ont-)waken. Als een Martha zal die Heer Zijn dienaren die waken doen aanliggen om hen te bedienen! Daar moet je inderdaad wakker voor zijn, je ogen uitgewreven hebben. Je gelooft immers je ogen niet! Alsmaar willen wij God op een verhevenheid plaatsen. Maar Jezus laat hem zien als een God die dienen wil, die uit is op ons welzijn, zijn broeders en zusters hoeder, het koninkrijk dat komt, de belofte die wij breken en delen met elkaar.
Op het Sierplein hier in Amsterdam staan wat rijtjes taxussen als scheiding tussen trottoir en plein. Ik ging naar de markt en wilde mijn fiets neerzette. Terwijl ik afstapte zag ik op de grond een witzwarte vogel liggen. Een vleugel bewoog. Een andere vogel stond er naast, bewoog met zijn snavel regelmatig over de nek van de vogel die daar lag. Alsof ik medelijden zag, en zorg. Zo ongeveer gaat God met ons om wanneer ik Jezus goed begrijp die ons het brood geeft dat Hij zelf voor ons wil zijn, God met ons in geven en delen.
Het vertrouwen van Jezus in de goedheid van God moet aanstekelijk zijn. Dat merk je aan hem en dat moet ook aan ons te merken zijn. In een oogopslag, met iets van een glimlach of met mededogen.
Niet dat alles koek en ei is. Wij weten wel beter. Maar vertrouwen bestaat, ook als de dagen moeilijk zijn en pijn doen. Uit het duister komt de dag aan het licht. Dat hebben we vaker meegemaakt. Daar mogen we op vertrouwen.
Petrus, de leerling, begrijpt dat. Hij ziet hoe volop leven op hem af komt. Is deze gelijkenis voor ons of voor iedereen. Zoals zo vaak: het antwoord is niet of, of, maar en, en. Zoals Jezus beheert wat de Vader hem geeft, zo zal de leerling dat ook doen. Als een goede beheerder. Als iemand die even betrouwbaar is als zijn Leraar en Heer.
Moge dat zo zijn

zondag 25 augustus 2013
21e zondag door het jaar
Sint Jan de Doper, Amsterdam
Jesaja 66,18-21, Psalm 117, Hebreeën 12,5-7.11-13, Lucas 13,22-30

Die “enge poort” maakte mij als opgroeiend jongeman eigenlijk wel ongerust. Als die poort zo eng is heb je geluk wanneer je er doorheen kunt. Misschien dacht ik iets van: iedereen staat daar te dringen, als je er maar doorheen kunt, als ze je maar een beetje ruimte geven. Toch, nu ik wat ouder geworden ben heeft die enge poort niets beangstigends meer. Het geeft mij nu meer het gevoel van “het komt er op aan”.
Maar dan nog blijft het verhaal van vandaag bedenkelijk, dreigend. Het is alsof er gewaarschuwd wordt. “… want velen zullen proberen binnen te komen maar ze zullen daar niet in slagen. Als de huisvader is opgestaan en de deur gesloten heeft”, dan roep je tevergeefs om binnengelaten te worden. Hij zal zeggen: Ik weet niet waar jullie vandaan komen”. Korzelig gaat de tekst dan door. Ze komen er niet in. Huilend zullen ze Abraham, Isaak en Jacob zien aanliggen terwijl zij zelf buitengesloten zijn. Luister nu scherp. Zijn zien de vaderen vanouds, Abraham, Isaak en Jacob. Zij zien hun verleden waar ze zelf buiten staan. Die onbekenden, de mensen die de vader niet kent, dat zijn degenen die niet meegegaan zijn in het verhaal van de vader, die niet gekozen hebben voor de beperking en toespitsing van de poort die eng heet.
In het voorafgaande regel vertelt Lucas dat Jezus door de steden en dorpen trek t, lerend gaat hij naar Jerusalem gaat. En hierna komt een tekst die we in de liturgie ook overslaan. Daar zegt Jezus: Het past niet dat een profeet verloren gaat buiten Jerusalem. Jerusalem, Jerusalem, zij die de profeten doodt en stenigt wie tot haar gezonden werden. Drie keer Jerusalem, als met tranen in de ogen. De poort is eng.
Pasen is niet enkel het Halleluja van Händel. Het is ook het verhaal van ternauwernood en beklemming. Slaaf zijn in Egypte, gisteren slaaf, vandaag slaaf en morgen slaaf. Dat wordt nooit meer wat … totdat blijkt dat die ellende, uitlandigheid, niet het einde is, maar het begin markeert. Eng is de poort. Het komt er op aan. Stem je goed af, kies voor de richting die naar zijn doel voert. En dat kiezen voor vrijheid en bevrijding, kiezen voor Pasen en heel de menswording waar dat voor staat, dat blijkt besmettelijk. Ze komen van de opgang en de ondergang, van het Morgenland en het Avondland, uit het oosten en uit het westen, en van de noordenwind en de zuidenwind. Heel de wereld in rep en roer, overal vandaan – om aan te liggen. Simpel gezegd: het wordt heel druk in de hemel, als die volkeren.
De eerste lezing vertelt daar over. Het zijn bijna de laatste regels van Jesaja.
Die gespaard zijn zal hij uitzenden naar de volkeren, zelfs naar de ver verwijderde kusten. En met alle denkbare middelen (paarden, wagens, karossen, muildieren en dromedarissen) komen ze bijeen op de heilige berg in Jerusalem.
Ook de priesters en levieten zal de Heer uit de volkeren zal nemen. Het wordt een vergadering van mensen uit alle volkeren en talen. Ze zullen komen en ze zullen zien. Waar gaat het over? Over de kabood van de Heer, over zijn glorie, over de wijze waarop hij zijn gewicht in de schaal legt. Dat klinkt veelbelovend.
Er zit dus in de teksten van vandaag veel onrust, veel spanning en verwachting. Maar ik denk dat je het ook anders kunt zeggen. Vandaag wil Jezus ons in het evangelie, in de woorden van Lucas uitleggen, hoe bijzonder dit moment is. Wij leven, hier en nu. Wij kunnen kiezen. Kies niet waar de straten mee vol hangen, maar kies voor de poort waar het er op aan komt. Dat “Uw koninkrijk komen. Dat wat U wel behaagt plaats mag vinden, zoals in de hemel, zo ook op aarde.”Moge dat zo zijn.


zondag 08 september 2013
23e zondag door het jaar
Wijsheid 9,13-18bLucas 14,25-33

Is dat waar? Kunnen wij Gods plan niet doorgronden, en kunnen we niet ontdekken wat de Heer wil? Omdat – zoals de eerste lezing zegt, onze gedachten als gedachten van de stervelingen onzeker zijn? Eerlijk gezegd, tenminste dat denk ik, precies omdat wij zo onzeker zijn moeten we wel denken. We denken al voordat we weten dat er zoiets als “denken” bestaat. Honger brengt de baby als het nog zo kleine kind een beetje gezond is, aan het huilen. Bij zijn noodkreten komt er als het goed gaat, steevast hulp. Het gebrek levert impulsen tot redelijkheid op, tot verbeteren.
En is het zo gek dat we het goede, dat wat God wil, niet kunnen doorgronden. We doorgronden onszelf niet eens. We vissen altijd of vaak, achter het net. Wij mensen zijn zo wispelturig – maar ook voor God moet dat een deel van onze charme zijn.
Misschien gaat het in die eerste lezing vooral hierover, dat begrijpen en inzicht, dat samenhang verstaan iets is dat je steeds opnieuw weer aanspreekt, je uit je huisje haalt. Wat God wil is uiteindelijk even raadselachtig als het goede waar we van leven en dat ons na al die jaren nog steeds goed doet, liefde waarin je gevonden wordt, genegenheid die je opbeurt en soms die momenten dat je echt zeker weet dat jij voor God telt en dat voor Hem jouw dagen tellen.

Gaan we naar het evangelie, ook al niet zo eenvoudig vandaag. Je vader en moeder, je echtgenoot, je kinderen, ja, zelfs je eigen leven haten – dat mag minstens merkwaardig gevonden worden. Je vader en moeder moet je in ere houden, hebben we geleerd in de 10 woorden, het tienvoudige aanbod, de gouden handdruk van God. Het gaat hier dus niet over een aansporing om wie je dierbaar zijn te gaan haten. Zullen we gaan zien, wat er onder deze woorden verborgen is? U zult zien: dat we uitkomen bij het geheim dat het evangelie is, het geheim ook dat ons leven is.
Vele menigten trekken op met Jezus. Hij kijkt hij om. We horen die moeilijke woorden. We horen hoe hij kijkt. Hij draait zich om. Voor mij is dat een regel uit het verhaal over Jezus die zijn kruis draagt. Jezus draait zich om naar die vrouwen die hem beklagen. Huil niet over mij, maar huil over jezelf en je kinderen. Waar Hij mee bezig is, zijn reis naar Jerusalem, het zal alles vragen, ook van Hem. Het is blijkbaar niet eenvoudig je los te maken. Wie kan dat, leerling zijn? Want leerling zijn is blijkbaar ook je eigen kruis op je nemen? Vreemd klinkt dat: je leven voor lief nemen, op de koop toe nemen.
Het lijkt er op dat het gaat zoals bij het bouwen van een toren of bij een koning die tegen een ander optrekt. Moet je die toren wel bouwen? Moet je die oorlog voeren of moet je vrede aanbieden, vrede vragen? Het is een zaak die om rekenen vraagt, om overleg. Alles is in het geding. In het evangelie betekent leerling zijn alles inzetten. Een kwestie van afzien. Waarom afzien?
Nu Jezus begint aan zijn weg naar Jerusalem, begint er iets dat voor de verteller van het evangelie volstrekt nieuw is. Het gaat wellicht niet zozeer over wat wij leerden over zelfverloochening, afzien van eigen luxe en comfort in de sfeer der dingen.
De context van het verhaal van vandaag is een discussie met de Farizeeën en de Herodianen. Aan de orde is het opgeven van de standpunten voor het volstrekt nieuwe dat de Messias is. Dat Jezus de Messias is, en hoe het dat is – door voor ons door het vuur te gaan, het hout van de schande – dat kun je niet beredeneren. Het is geen plannetje dat je op je vingers uit kunt tellen. Eigenlijk is het simpel: als iemand van je houdt ben je niets en nergens meer. Dan is er geen houden meer aan. Dan begint een heel ander verhaal, een goed verhaal, een evangelie. Om daarvan getuige te zijn, zijn wij hier vandaag bij elkaar gekomen.
Moge God met ons zijn.

zondag 29 september 2013
26e zondag door het jaar
Sint Jan de Doper-Amsterdam
Amos 6,1a.4-7; Lucas 16,19-33
Vermoedelijk hebben de deuren wijd open gestaan. Als niemand je ziet heeft pronken immers geen zin. Op de berg van Samaria. Op ivoren bedden. De profeet Amos neemt geen blad voor zijn mond.
De lammeren van de kudden en de kalveren uit de stal zuigen ze leeg. En dan maar gezangen kwelen en tokkelen op de harp. Wijn en olie. Dat Jozef, de jongere, de zwakkere omkomt bekommert hen volstrekt niet. Als God het opneemt voor de weduwe en de wees, dan speelt de hemel een ander spel dan dat van groten die menen deze aarde in pacht te hebben voor eigen vermaak. Onverbiddelijk zullen zij afgeschreven worden, de ballingschap in en nog verder. De tien stammen met de hoofdstad Samaria zijn de tien verloren stammen. Zij zijn opgegaan in de volkeren. Diaspora, uitgezaaid in de menigten. Het zal duren voordat er weer sprake zal zijn van Jozef en zijn broers.
-De rijke man, met purper en met linnen . En dan feesten elke dag, alsof de wereld niet omkomt in de problemen. Wie is dat, die rijke man? Het verhaal vertelt het niet. Alsof hij geen naam mag hebben. Hij is enkel druk met zijn feesten, zijn goede sier. Hij heeft het gered, is binnen.
Intussen ligt buiten op de stoep de verschoppeling – nee: ligt Lazarus. Hij is in ieder geval iemand met een naam. Buiten ligt hij. Hij hoort er evident niet bij, mag niet meedoen. De honden, ook buitenstaanders, eigenlijk onrein, likken zijn zweren. Dat is de uitgangspositie. Nu ontwikkelt zich het drama. Hoor hoe de tekst het zegt. Heel kort. De arme sterft en wordt door engelen gedragen in de schoot van Abraham. Ook de rijke sterft en wordt begraven. Het verhaal is met hem nog niet klaar. Hij zal nog moeten leren ho ver hij uit beeld verdwenen is.
In de bijbelse landen is men er vertrouwd mee dat het heel warm kan zijn. Maar heel warm is nog iets anders dan spaans benauwd. In de onderwereld, eindelijk, kijkt hij verder dan zijn neus lang is. Hij slaat zijn ogen op en ziet van verre Abraham en Lazarus in zijn schoot. De top van een vinger in water gedoopt zou hem kunnen troosten. Maar dat gaat niet meer. De rollen zijn omgekeerd. De kloof is onoverbrugbaar. Zijn levenheeft hem onbereikbaar gemaakt. Enkel tegenover.
Tegenover Vader Abraham met de arme Lazarus als kind op zijn schoot, bijna een Pieta, maar nu vader en zoon. Tegenover vader Abraham herinnert hij zich honkvast zijn vader met zijn handvol broers. Vijf broers en hij. Stuur iemand om hen te waarschuwen! Maar Abraham wijst op Mozes en de Profeten. Die waren al gestuurd. Hadden ze zich bekommerd over Lazarus, dan was hij de zevende geweest met alle mogelijkheden die dit getal heeft. Maar daar hebben de broers volgens de rijke geen boodschap aan. Als iemand uit de doden opstaat, dan zullen ze zich omkeren. Maar daarvoor is Abraham teveel een realist.
Als je niet luistert naar Mozes en de Profeten, dan zul je ook niet overtuigd worden door iemand die uit de doden opstaat. Daarmee eindigt het verhaal voor ons in stilte. Je vraagt je af: Zouden wij om adequaat te kunnen geloven, niet ook minstens een beetje in de leer moeten bij Mozes en de Profeten? In feite doen we dat ook. Van week tot week lezen we hier uit het Goede Boek, proberen wij te leren anders te gaan denken, met oog voor de realiteit wanneer hulp geboden is. Van week tot week trekken we met Jezus mee naar Jerusalem, naar het huis van zijn en onze vader. Van week tot week gaan we hier anders weg dan we gekomen zijn, weer even een beetje toegespitst.
Abraham met de arme Lazarus op zijn schoot. Alsof Lazarus ook Izaak is, de zoon van de vader, het kind van de belofte.
Voor ons is er geen linnen, geen purper, niet elke dag feest. Paus Franciscus schijnt daar ook niet voor te voelen. Wij kunnen als hij proberen de mensen nabij te zijn, want waar anders kom je het leven, kom je God tegen?
Moge God met ons zijn.

27e zondag door het jaar
zondag 06 oktober 2013
Sint Jan de Doper, Amsterdam
Habakuk 1,2-3;2,2-4; Lucas 17,5-10

Nog heel precies herinner ik mij wat ik dacht toen ik deze lezing voor het eerst hoorde. Ik dacht: “Dat geloof ik niet”, en: “of mijn geloof is niet goed. Als ik tegen een boom zeg: ‘Trek je wortels uit de grond en ga in de zee staan’, dan zie ik dat niet gebeuren.” Eigenlijk heb ik nooit raad geweten met deze woorden. Maar nu opeens, begint het te komen.

Jezus was geen goochelaar, geen marskramer die suggereert dat er voor elke kwaal een middeltje is, en hij heeft dat goede tovermiddel. Strakjes, aan het einde van de dienst zingen we een heel kort lied. “De kinderen van Jerusalem”. Als Jezus met een paar woorden getypeerd moet worden, dan moet je zeggen, denk ik: “Hij is een kind van Jerusalem.” En dan moet je niet op de eerste plaats denken aan een stad die je in een Atlas op moet zoeken, maar je moet denken aan die stad van David waar Het Goede Boek van droomt: de stad van de vrede, de Heilige stad, de stad van de Grote Koning, de stad van God. Daarmee hebben we het niet over het paradijs, maar over de heilige ruimte die God ons geeft om te leven. De heilige ruimte – jouw plek, een plaats voor jou, op aarde onder de hemel.

Ook Franciscus is zeker een kind van Jerusalem. Hij laat zijn vrienden het kerstspel spelen om dichter bij het goede verhaal te komen, dat God van de mensen houdt. Dat ze hem lief zijn, even lief als het kind van Bethlehem – zo’n kind waar nergens plaats voor is maar over wie we ons willen ontfermen, telkens weer.

Afgelopen paar dagen heb ik me lopen afvragen: wat is nou het eigene van Franciscus, van broeder Frans. We kennen hem als de man die voor zijn vader, een rijke koopman staat, zijn kleren uittrekt, en zegt: dat hoef ik niet meer, dat wil ik niet meer. Ik kies voor wat God wil. Ik hoef de rijkdom niet, ik kies voor de armoede.
We kennen Franciscus als de man die, als niemand meer naar hem luistert, voor de dieren gaat preken. De vissen, de vogels, en alles wat op aarde leef komt naar hem luisteren. Een boosaardige wolf laat zich door hem bekeren, wordt mak als een lammetje. Een melaatse omarmt hij. Maar wie is hij nou eigenlijk? Wat is zijn geheim. Met welk recept gaat hij zijn leven tegemoet?

Dat moet iets eenvoudigs zijn. Zijn directheid is niet het gevolg van gecompliceerd en diepzinnig denkproces. Voor Jezus is dat ook niet zo. Hij gaat niet zitten peinzen en peinzen en peinzen om dn met het ei van Columbus te komen. Wat is het geheim van Franciscus? Dat is niet zo moeilijk, denk ik. Franciscus vertrouwt op zijn intuïtie, op zijn simpele en directe aanvoelen. Kies wat je goed lijkt – goed, zoals God dat zo vaak zegt als hij kijkt in het scheppingsverhaal. Het goede is niet wat je hebben wil. Het goede krijg je. Zoals je leven, ook als dat soms moeilijk is. Het goede zie je in een oogopslag, in iemand die je ziet of die naar je omkijkt.
Afgelopen week had mijn familie reünie. De kleinkinderen van de diverse broers en zussen zaten intens met elkaar te spelen zoals alleen kinderen dat kunnen. Met niks. Met elkaar. Wat blokjes en autootjes. Als je niet wordt als kinderen, zegt Jezus. En ik zag het voor me gebeuren. De kinderen hadden genoeg aan elkaar en aan de dingetjes die ze deelden met elkaar.
Ik denk dat dát typerend is voor “de kinderen van Jerusalem”.

Jerusalem is intussen nog steeds, zoals altijd, een zwaar bevochten stad, bedreigd door de Assyriërs, de Babyloniërs, de Egyptenaren. Op het randje van de woestijnen maar toevallig op het kruispunt van de wegen, midden in het leven met zijn vele wel en wee. Maar “de kinderen van Jerusalem” zijn wát dan ook en hóe dan ook, er van overtuigd, dat God van zijn mensen houdt. Ook als je het niet meer ziet zitten, en bijna snikt van “ik…, ik…” - de kinderen van Jerusalem komen dan uiteindelijk tot “wij”, en tot “onze”, Onze Vader. Geef ons heden ons brood dat wij vandaag zo broodnodig hebben om een beetje te kunnen leven.
Dat hoor je ook in de woorden van Jezus. “Geef ons meer geloof”, geef ons meer vertrouwen. Jezus zegt: “Je hoeft maar een beetje vertrouwen te hebben en wat onmogelijk is, wat jij onmogelijk acht, gebeurt.
Onze nieuwe paus lijkt ook zoiets te hebben, ook een Frans..Als je bedenkt hoe heel een moeilijke wereld vol zorgen op hem af komt. Hij kijkt, bijna verwonderd. Je ziet een glimlach opkomen en hoort hem zeggen: “Buona sera”. Goede avond. Alsof in al zijn ouderdom toch de wereld opnieuw kan beginnen.
Franciscus en Jezus nodigen ons uit. Loven wij de heer om moeder aarde, danken we hem voor het leven van iedere dag en dat we delen mogen, met elkaar. Zijn niet wij ook een beetje “kinderen van Jerusalem”?
Moge God met ons zijn.

zondag 13 oktober 2013
28e zondag door het jaar
Sint Jan de Doper, Amsterdam
2Koningen 5,14-17; Lucas 17,11-19

Naäman is een Syrische legeraanvoerder, zeg maar een bobo in de High Society van Syrië, een van de groten van zijn aarde. Naäman is overkomen wat een mens niet verdragen kan. Hij is melaats. Zijn lichaam, dat wat voor een mens essentieel is in de strijd om het bestaan, is door en door aangetast. Als hij in contact komt met anderen lopen die anderen onmiddellijk gevaar. Hij is de dood voor de samenleving, een levende dode.
Als iemand een melaatse te eten geeft, zet hij of zij het bordje voedsel op de grond. Als die ander dan weg is komt de melaatse te voorschijn om het voedsel te nemen. Een melaatse is een levende dode.
Naäman evenwel heeft een geheime troef in zijn huis. Een joods meisje, oorlogsslachtoffer, slavin in zijn huis. Zij heeft haar meester verteld over de profeet in Israel.
Naäman heeft Elisa opgezocht. Die zegt hem dat hij zich zeven keer moest baden in de Jordaan.
De Jordaan is de rivier die er toe doet, de waterstroom die het verschil maakt tussen de woestijn en het veelbelovende land. Ga je zeven keer baden in de Jordaan. Naäman vindt dat een beetje onzin. Maar zijn mannen om hem heen zeggen: als hij iets moeilijks gevraagd had, je zou het geprobeerd hebben. Maar nu hij iets makkelijks vraagt vind je het onzin, terwijl je niets te verliezen hebt. Dus Naäman gaat zich baden. Zeven keer kopje onder en weer boven komen, je adem inhouden en weer opademen. En het onmogelijke gebeurt. Zijn huid wordt als de zachtheid van een klein kind. Dankbaarheid overvloeit hem. Hij wil iets terug doen. Maar hij mag niets terug doen. Uiteindelijk zal hij een vracht aarde meenemen. De grond waarop hij zijn eredienst brengt zal niet meer die van vreemde goden zijn. Het is alsof, hoe je dat ook verder inkleedt en weergeeft, genezen worden van melaatsheid betekent: kiezen voor de God die er toe doet, die je vrij maakt, als nieuw.
Jezus trekt op naar Jerusalem. Op die tocht komt hij door een deel van Galilea vlak bij Samaria. Tien mannen uit die wereld komen naar hem toe, dreigend en hopeloos melaats. Tien mannen zijn in de joodse wereld nodig om de gemeenschap te kunnen vertegenwoordigen. De tien vragen van verre - om ontferming. Met hetzelfde werkwoord waarmee hij optrekt naar Jerusalem moeten zij optrekken en zich aan de priesters laten zien. De bijbelse priester staat in dienst van de gemeenschap, moet de beschermen en mogelijk maken. Wat de gemeenschap bedreigt moet hij afweren. Daarom, wanneer het onmogelijke gebeurt, wanneer een melaatse geneest, moet hij zich tonen aan de priester. Dit is een regel in de Tora.
Zij slaan de goede weg in. Zij gaan op weg naar de priester en worden onderweg genezen. Maar alleen de Samaritaan komt terug om te danken.
Samaritanen zijn mensen die op je lijken maar daarom ook in feite totaal anders zijn. Ze horen er eigenlijk niet bij. “Waar zijn die anderen?” vraagt Jezus. Moeten zij niet “eer geven aan God”? Is Jezus danken dan “eer geven aan God”?
Met de lezing van vandaag zoals die in uw boekje staat komt u daar niet uit. Daarom heb ik ook de volgende regel voorgelezen. De farizeeën ondervragen hem. Ze vragen hem: “Wanneer komt het koningschap van God? Wanneer is God koning? Wanneer is het eindelijk zo ver. En Jezus antwoordt daarop: Het komt niet door observantie. Het komt niet wanneer je “je best doet en je aan de regels houdt”, want het koninkrijk Gods is midden onder je: het is te midden van jullie. Het is er al. Vroeger werd hier vertaald: het is binnen handbereik. Maar dat is verkeerd. Want dan zou je het kunnen pakken en dat is een vorm van observantie. Hier staat: het is te midden van jullie, te midden dus van ons. Iemm-anoe-eel, Emmanuel.
Die Samaritaan, buitenstaan, die weet daarvan, is insider. Hij komt terug en maakt daarmee de weg vrij voor uw koninkrijk kome. Alsof met God eer geven het koninkrijk Gods komt.
Moge dat zo zijn.

30e zondag door het jaar, 2013
Sint Jan de Doper Amsterdam

Wijsh. van Jezus Sirach 35,12-14. 16-18; Lucas 18,9-14

Op 6 oktober zaten we naar aanleiding van Franciscus de dierenvriend te peinzen over: Wat is de grondintuitie van Franciscus? Wat is de grondintuitie van Jezus? Ik zei toen: dat kan niet iets moeilijks zijn. De levenshouding van Franciscus en ook de manier waarop Jezus in het leven staat, kan niet het gevolg zijn van lang en diep nadenken. Dat moet veel intuïtiever, iets dat je zo maar, direct kunt aanvoelen, meevoelen. En we kwamen toen uit bij het voor de hand liggende, het spontane, rechtstreekse, directe. De kinderen van Jerusalem weten dat onze mensenaarde ook gewijde aarde is, dat een ander mens een kind van God is. Dat een mens hoge messiaanse ogen gooit. Alle verwachting heeft bij het zien van de ander recht van spreken. Het goede, vriendschap, solidariteit - het ligt bijna zo voor de hand. Alsof de rivaliteit, de afgunst, de jaloezie, het willen hebben, je toe-eigenen, alsof die themata waar de media alsmaar beelden over verzamelen en teksten over schrijven, alsof dat allemaal onzin is en eigenlijk NIET voorkomt in onze wereld.
Je merkt hoe wereldvreemd gelovigen kunnen zijn. Blij zijn met een glimlacht of door en door je levenspijn voelen en toch even kunnen op zien, een hand uitsteken voor zover dat nog kan.

Van de profeet Elia is de tekst bekend: ik heb me helemaal ingezet voor onze God voor wiens aangezicht ik sta. Weten, of je af en toe realiseren, dat mens zijn betekent: leven voor Gods aangezicht. Ten diepste aanvoelen, d.w.z. voor Gods aanschijn staan en tenoverstaan van hem.
Als ik dat zo zeg, is dan niet de vraag terecht: wie is die God dan? Wie of wat moet ik me dan voorstellen?
Wikkend en wegend merk je dan al snel dat dit een vreemde, een eigenlijk moeilijke vraag is. Vreemd, omdat je hem gewoonlijk niet stelt. Een vraag ook waar je geen woorden voor hebt. En het klopt, je mag je God ook niet voorstellen. Dat valt een beetje onder "geen gesneden beelden" of "geen beelden" maken van God. Want wat je je ook voorstelt, dat is jouw beeld. Het zijn jouw motieven, - trekken die met jouw karakter en geschiedenis verbonden zijn. De God die je je voorstelt ligt in het verlengde van jezelf.
Zo peinzend, wel en niet willend aanloopjes nemend in je hoofd omdat het moeilijk is het over God te hebben - is de eerste lezing van vandaag een verademing, een welkome hulp. God is een rechter, zonder aanzien des persoons. Hij is niet gevoelig voor steekpenningen ten koste van de armen. Hij blijkt een en al oor voor de verdrukte, voor de wees die zucht en voor de weduwe die klaagt omdat niemand het voor haar opneemt. En help jij een ander, dan heeft Hij oor voor jou. Je gebed reikt tot de wolken. Het gebed van de arme breekt daar zelfs doorheen. Want de allerhoogste is erbarmend en vol ontferming. Zo spreekt hij recht: bevrijdend, oprichtend.
Ik ben geneigd dan het scheppingsverhaal te citeren. Zo geeft hij de mens die hij als stof van de aarde vormt zijn levensadem zo komt het schepsel tot zichzelf en kan hij of zij gaan staan, gesterkt door God die wezenlijk vrijspraak is.

Dit allemaal overwegend zijn we hoog genoeg geklommen om de open deur binnen te gaan die leidt tot het verhaal dat Jezus ons vandaag vertelt in het evangelie van Sint Lucas. Lucas, de patroon van de schilders, schildert ons met een paar woorden een compleet tafereel. Ook wanneer je nauwelijks weet van hoe het er in die dagen uitzag in de tempel of in de synagoge, je krijgt er terstond beelden bij.
Het gaat over twee mensen. Die gaan dus hetzelfde doen of meemaken. Maar als dat verteld wordt over twee, dan zullen het toch twee verhalen worden. Een en een levert altijd een verschil op. Daar zal een speelruimte vrij komen, daar is plek voor ons, om ín te stappen, om mee te doen.

Ze gaan naar de Tempel om te bidden. Ad te levavi animam meam - tot u verhef ik mijn hart, wij zijn met ons hart bij de Heer. De vrome Farizeeër staat te fabulariseren: ik, ik, ik, ik, ik, ik. Alleen al de lengte van zijn opsomming maakt hem verdacht. En typisch, hij is zo vol van zichzelf dat hij in zijn gebed aan God niet toekomt. Daar heeft hij geen goed woord voor over. En vergelijk dat met die tollenaar.
De tollenaar begint meteen met een gevoel voor het heilige. Hij blijft op afstand staan en weet blijkbaar dat je in deze situatie je ogen opslaat naar de hemel. Maar dat doet hij niet. Hij zit niet voor een dubbeltje op de eerste rij. Hij stelt zich op afstand door zich te openen, op de borst te kloppen. En je moet scherp opletten om die paar woordjes op te vangen die hij zegt. Genegenheid voor mij Heer want ik ben een zondaar. God wees mij genadig. Mij, zondaar.

Persoonlijk vind ik het jammer, verdrietig zelfs, dat onze kultuur ons geleerd heeft, dat "zonde" te maken heeft met stout, of met wat niet mag. Dat zonde bepalend is voor wat onze moraal zou dienen te zijn, voor ons “niet voldoen aan wat eigenlijk onze idealen zouden moeten zijn”, wat we, als we groot en sterk waren als ons ideaal zouden beschouwen. Zoiets als een perfect mens, een IJzeren Hein of Jan met de Goede Bedoelingen.
Het woord zondaar is veel simpeler. Het heeft meer te maken met ik op mijn eentje, ik afgescheiden, ik alleen. Ik Buitenstaander. Precies zoals die tollenaar hier voor ons tekent. Hij keert binnen in zichzelf, wetend van die Ander, van God boven hem en voor hem, God de Gangmaker, de wegbereider voor ons uit.

Zich vernederende niet zichzelf klein maken of zichzelf beschuldigen. Het is meer je plaats weten, voor wiens Aangezicht ik sta.

Anders gezegd: onze wereld, de media, de tv, de roddel en de grootspraak maken ons wijs dat vergeving, dat accepteren dat barmhartigheid iets is dat niet bestaat. Daarom beginnen wij iedere keer weer met een gebed om ontferming om daarna als de engelen van de kerststal Gloria te zingen. Eer aan God in de hoge die zo van mensen houdt, die tijd voor ons heeft, voor wiens aangezicht wij mogen staan.
Zo 'n verhaal van Jezus laat je beseffen, dat dit het brood is waar Hij van leeft. Moge God, Onze Vader, met ons zijn.
Jan Engelen


zondag 10 november 2013
32e zondag door het jaar
Sint Jan de Doper, Amsterdam
2Makkabeën 7,1-2.9-14; Lucas 20,27-38

In de eerste lezing van vandaag is het de tijd van de Makkabeeën. Op onze kalenders is dat de tijd van 180-160 voor het begin van de christelijke jaarteling. De Seleuciden (van Syrië tot Egypte,) de machthebbers in de wereld van die tijd, willen dat heel de wereld beschaafd zal zijn, let wel: op dezelfde wijze beschaafd als zij. Het eten van varkensvlees, wat joodse mensen niet doen, hoort daarbij. Zeven broeders weigeren dat, de een na de ander. Het heden verdrinkt voor hen niet in het nu. De zeven broers staan voor het volk. Ze weigeren afstand te doen van de tradities van hun vaderen. We hebben hun argumenten gehoord. Uiteindelijk is het laatste argument de samenvatting: voor God gaat een mens, ook wanneer hij sterft of gestorven is, niet verloren. De dood is niet onze vader, heeft het laatste woord niet. Wat zij zeggen is een gevoel, een overtuiging die wij nog steeds hebben. Het evangelie van vandaag fundeert die zekerheid nog sterker op bijbelse gronden.
De Farizeeën zijn naast Jezus en zijn leerlingen, en de menigten om hem heen een bekende groep in de mensen die wij in het evangelie tegenkomen. De Farizeeën zijn bijna de professionele tegenstanders van Jezus. Bekend zijn de teksten uit het Mattheus-evangelie waar Jezus vaker zegt: Farizeeën hypocrieten. Wie schijnheilig is noemen wij een Farizeeër. Toch is deze suggestie niet correct. Je ziet dat in het begin van het Johannes-evangelie. U kent de tekst: “Midden onder U staat Hij die gij niet kent.”De mensen die daar U genoemd worden zijn Farizeeën. Jezus te midden van de farizeeën, alsof hij eigenlijk bij die mensen hoort. Farizeeën waren de vromen uit het volk. En natuurlijk waren zij niet alleen maar heilig. Farizeeën hadden ook kritiek op Farizeeën, zoals Nederlanders ook kritiek hebben op Nederlanders.. Zo’n kritiek van binnen uit horen we in het evangelie.
De Sadduceeën zijn nooit zover gekomen. Wij kennen hen alleen maar als een vreemd woord. De Sadduceeën vormen een groep zonderlingen die er te nuchter voor zijn om te geloven dat er zoiets als de opstanding uit de doden bestaat. Dood is dood, zeggen ze, weg, uit, af, klaar. Dat de dood het laatste woord niet heeft kan er bij hen niet in.
In feite waren de Sadduceeën degene die de status quo verdedigden. Zij waren actief in de tempel, maakten daar de dienst uit, en zij wilden van profeten en hun visionair spreken, hun alternatief niet weten. Wat er was wilden zij bewaren, de rest was onzin.
Nu komen ze met een prachtverhaal. Dat ze daarmee het verdriet en de pijn rond het sterven van mensen uitbuiten doet er “even niet” toe. Hoe zal het zijn wanneer het sterven voorbij is? Kun je nog spreken over de wereld wanneer de wereld geen rol meer speelt? Jezus wijst hen op de vaderen vanouds. Abraham is niet dood. Izaak is een overlevende en Jacob/Israël is enkel leven. Voor God sterft de mens niet bij zijn dood. Hij is een God van levenden. Voor wat begonnen is, is bij Hem alle plaats.
Het staat niet meer in de lezing die de liturgie voorleest vandaag, maar Lucas verteld dat de schriftgeleerden, de geleerde schrijvers de boeken en hun hart open voelen gaan: “Je hebt goed gesproken”. God is een god van de levenden. Ook wanneer je gestorven bent, voor God leef je. Dat is een zekerheid die Jezus meeneemt op zijn weg naar Jerusalem. Een God van de levenden, ook voor ons, Moge dat zo zijn.

website

plattegrond

a-jaar
b-jaar