Recente preken
Alle preken en gebeden hebben een plaats in een dienst van woord en communie.
In deze vieringen delen wij de eucharistische gaven, het lichaam van Christus, voor de gemeenschap klaargemaakt en bewaard in een eerdere eucharistieviering.
Denk eventueel aan het verhaal over de broodvermenigvuldiging en de twaal korven die over bleven.
In deze diensten van woord en communie vertel ik steeds uitdrukkelijk over "die laaste avond voor Zijn lijden en sterven".

Zondag 18 november 2018
Drieëndertigste zondag door het jaar - Vreugdehof

Daniël 12, 1-3; Marcus 13, 24-32

Ook hier in huis moet het u opgevallen zijn. Langzaam maar zeker beginnen de bomen kaal te worden. Vooral de afgelopen week was dat sterk het geval. Terwijl wij nog zo gewend zijn aan het groen: opeens waren de straten en trottoirs geel. Het is duidelijk: het jaar loopt ten einde. We eindigen het jaar in meerdere stappen. Het schooljaar begint en eindigt, u weet dat nog wel. Zo ook het kerkelijk jaar. We beginnen altijd met Kerstmis en met de voorbereiding op Kerstmis. Dus vlak daarvoor loopt het kerkelijk jaar af. Vandaag is de 33e zondag door het jaar. Dat betekent: volgende week Christus koning – Paus Franciscus zegt: koning van de armen. En de zondag daarna is de eerste zondag van de advent.
Dat betekent: vandaag lezen we de laatste keer in het evangelie van Marcus. Dat evangelie loopt ook tegen het einde. Dat wil zeggen: we zullen Jezus horen spreken over die komende laatste dagen. Het zal vreselijk zijn. Denk daarbij ook aan de beelden van de verwoesting van Jerusalem. Maar Jezus geeft bij dit drama eigen woorden. En dat evangelieverhaal leiden we ín met een lezing uit de profeet Daniël.
Op de school waar ik vroeger werkte kwam een nieuwe Gymnastiekdocent. Hij stelde zich voor. “Daniël”. En ik zei: “Wat een prachtnaam. Daar ben ik echt jaloers op!” Hij dacht dat ik een grapje maakt, dus ik legde het uit. Ik zei: Daniel is een bijbelse naam. Dan/rechter, i/mijn. Dani is mijn rechter. Emanuel, u kent die naam zeker, tmv ons God; Daniel: God is mijn rechter. En ik zei erbij: Als God je rechter is kan je niets overkomen. Als er iemand is die jou kent en die begrip voor je heeft, dan is het God wel. Als God je rechter is, zit je goed. Dat hoort U in de eerste lezing.
Het boek Daniel was vroeger een populair boek. Denk aan Daniel in de leeuwenkuil en de drie jongelingen in de brandende vuuroven. Tegenwoordig hoor je niets meer over Daniël. Maar dan klinkt zijn stem plotseling vandaag, in de eerste lezing. Een stem uit de ballingschap, van Daniel: Dan-i-eel: rechter van mij is God. God houdt Zijn hand boven je hoofd. Dat is, ondanks alles, dé zekerheid van het bijbelse Israël. God neemt het voor ons op, laat ons niet alleen en ontfermt zich over ons.
Daniel spreekt over de grote vorst Michael.
Ik heb in Herten gewoond, een dorpje onder Roermond. Herten/Merum. Direct bijna op de dijk langs de Maas, staat de parochiekerk. Het is de kerk van de Heilige Michael. Waar het gevaarlijk kan zijn wordt de aartsengel Michael aangeroepen. Hij is de grote prins die staat vóór de kinderen van Gods volk. Hij staat daar vóór die mensen in tijd van nood. Op vroeger gevaarlijke plaatsen kom je Michael tegen, Mont Saint Michel, of kerken aan Michael toegewijd. Mi-cha-eel: Wie is als God. Want Wie-Als-God kan alle gevaar bezweren. In tijden van nood beschermt hij “de kinderen van uw volk”. En die de mensen het goede hebben geleerd zullen schitteren als sterren. Ik vind dat mooi. Bemoedigend.

De laatste lezing in het Marcus-jaar uit Marcus. Dat moet dan ongeveer de tekst zijn voordat het lijdensverhaal begint. We horen de sombere beelden die het einde van alles aanduiden. In die dagen …, en “na de verschrikkingen …”. De profeet Joël wordt geciteerd. Joël: God is God betekent dat. Niet het wereldnieuws, niet alles waar mensen zich zo eindeloos druk over kunnen maken, maar God is God.
Zon en maan leggen in het verhaal hun taak neer. Sterren vallen van de hemel. De hemel wordt, zoals de oude mozaïekkunstenaars dat in Constantinopel laten zien, letterlijk als een doek opgerold. Hoog op het plafondzie je God op Zijn knieen, gebukt, de hemel, een wit doek, oprollen. Eind van het spel. Wil er nu nog licht zijn, dan zal het opnieuw geboren moeten worden. En precies daar, in dat absolute nulpunt, komt de Mensenzoon op de wolken. Is hij dan het licht der wereld omdat we hem in al die afwezigheid kunnen zien? En wie zien engelen een grote menigte lezen uit oost en west. Het is de tijd van de grote oogst.
Met hemel en aarde zijn wij weer terug bij het begin.
In moeilijke tijden, zegt Jezus, moet je je verstand en je ervaring gebruiken. Denk aan het zachter worden van de takken van de vijgenboom. Van dat uur weet niemand af. Niet alleen de tijd, maar zeker ook dat waar dat uur voor staat. Vlak voordat het winter gaat worden zegt Jezus in de lezing van vandaag: weet dat de zomer in aantocht is.
Ik knoop strakjes mijn jas dicht. Maar ik denk ook dat ik de glimlach en bemoediging uit het evangelie meeneem, de komende week. Hij is er ook nog.
Moge God met ons zijn.


 

 

Badhoevedorp, De Engelbewaarders
Dertigste zondag door het jaar

Jeremia 31, 7-9; Marcus 10, 46-52

Vandaag is het zoals het eigenlijk hoort. De teksten breken in, in onze alledaagse drukte. Ze moeten u verrassen. Jeremia, u kent hem van Jeremiëren, jammert helemaal niet. Integendeel. En de blinde van Jericho doet alsof hij wel degelijk ogen in zijn hoofd heeft, én oren op steeltjes. Hij zal ervoor zorgen van de partij te zijn als Jesus voorbijgaat. Een uitnodiging.

Je zou in Jericho moeten kunnen staan. De vlakte met de Jordaan achter je. En voor je de bergrug waar Jerusalem achter ligt. Je ziet het nog niet maar weet, vermoedt, dat het komen gaat. En je weet niet wat het is. Zoals met Kerstmis. Nu zijt wellekome. Wie of wat is er wellekome en waarom is hij wellekome? Wat hebben we dan te verwachten!
Maar, te midden van de engelen naast me, ook een grappige vraag. Want als het goed is leven we altijd van de verwachting. We willen verder. Wij, maar dat willen we ook voor de mensen die met ons leven, vaak in zoveel ellende. Verder. De wereld is nog lang niet klaar. Beginnen we deze dienst +.

verkondiging
De tekst van Jeremia begint als een inval, een overval, een donderslag bij heldere hemel, volstrekt onverwacht. Twee schoten in de lucht: Ki koh! “Want zo”, betekent dat. Daarna geeft het hebreeuws in de massoretische tekst een leesaanwijzing. Er staat een streepje. Daar is rust geboden. Na Ki ko moet je even stil zijn. Want zo! Stilte! Je moet schrik of afwachting voelen. En dan valt de tekst uit in het schallen van een uitzinnige vreugde. God bevrijdt zijn volk! God bevrijd wat er nog over is van zijn volk, zijn Israël. En daar komen ze, uit het noorden, van het einde van de aarde. Blinden, lammen. Ze gaan over wegen waarop je niet struikelt.
Ongekend, in al onze zorgen is er volgens Jeremia bevrijding op handen. Hij heeft een goed verhaal voor blinden en lammen, voor zwangere en barende vrouwen. In tranen weggevoerd keren ze vol troost terug.
Manesse en Ephraïm zijn de twee kleinkinderen van Jacob die in Egypte (het latere slavenhuis, dus in de “ballingschap”) geboren zijn. Ephraïm is de jongere van de twee. Maar hij zal een volheid van volkeren worden (Genesis 48, 19).

Kortom: al deze vreugde moet wel onze nieuwsgierigheid wekken voor wat komen gaat. Hoe nu verder?
- Jericho. Het letterlijk optrekken (van Jericho beneden naar Jerusalem boven) zal gaan beginnen. Naast de leerlingen is er een grote menigte die met Jezus optrekt. Bartimeus zit net buiten de stad langs de weg blind te wezen. Maar hij weet precies wat hij roepen moet: Jezus zoon van David. Voor hem gaat door. Jezus is voor hem een koningskind, alleen maar aardig en genegen. “Ontferm je over mij”, schreeuwt hij. “Wees betrokken op mij. Hij is de eerste die zegt wat wij in de kerken steeds zeggen wanneer de dienst begint: ontferm U over ons. Als de anderen proberen hem te dempen zet hij” uiteraard een nog grotere keel op. Zoon van David, ontferm je over mij! De evangelist schrijft dit heel slim op. De eerste keer noemde hij nog de naam Jezus. Die noemt hij nu niet. Dat is niet nodig. Die naam betekent immers: De Heer bevrijdt. Daarom roept hij tegen de verdrukking in: Heer, bevrijd! Laat zien dat je Jezus bent, nee, hoe je Jezus bent, als een bevrijder, als degene die de mens helpt om op te staan en zelf te gaan. Sinds ik doorhet aantal van mijn jaren wat moeilijkerovereind komt weet ik wat dat betekent: zelf op kunnen staan!
Hij is de eerste die ziende wordt gemaakt op de weg naar Jerusalem. Wat zal daar te zien zijn? Hij sluit zich bij Hem aan op Zijn tocht.
In het evangelie, hoofdstuk 10, komt Jerusalem dichterbij. Jezus komt alleen maar in Jericho om meteen in de volgende regel weg te gaan. Als je aan de overkant, vanuit het huidige Jordanië, de laatste bocht neemt en rechts afzwaait naar de Jordaan, naar Jericho, moeten je ogen wel even wennen. Na alle droogte van de woestijn een zee van groen. Maar Jezus kent die teksten. Jericho is gebouwd tenkost van de eerstgeborene. Jericho probeerde ook die zwervers uit de woestijn tegen te houden. Terug, de woestijn in. Niks verlossing. Niks bevrijding. Terug naar de Farao. Jezus, onderweg uit Galilea naar Jerusalem, komt Jericho binnen en gaat weg. Aan de Jerusalemse kant (“weer uit Jericho wegtrekken”) verlaat Hij Jericho. Uitgerekend daar zit als een merksteen die blinde bedelaar. Bedelaar is hij bijna van professie. Dat blind zijn is daar alleen maar bijgekomen. Zo lijkt het. Maar Bartimeüs weet als blinde bedelaar precies waarop hij moet inzetten: ”Jezus, Heer-Bevrijdt, zoon van David, heb compassie!”, laat zien wat het betekent en hoe dat gaat, dat Jij “de Heer bevrijdt” – Jezus bent.
Voor de velen in het verhaal is die roep om hulp een dissonant. Ze snauwen hem af. Maar hij herhaalt zijn variant van Uw koninkrijk kome – zoon van David! De bedelaar blijkt nu uitgebedeld te zijn. “Dat ik moge zien”. Je mag toch thuis zijn in je wereld!
De blinde wordt de eerste getuige van wat die weg betekent, de weg van de Zoon van David naar zijn koningschap.

 

Zevenentwintigste zondag door het (b) jaar (2018)

Genesis 2, 18-24; Marcus 10, 1-16

De evangelielezing van vandaag begint met de eerste regel van Marcus 10. In Markus 10 begint de reis van Jezus naar Jerusalem. Hij gaat naar het land Judea. Als de naam Judea valt gaat het vermoeden in de richting van Jerusalem en wat daar zal geschieden. Dat “God-vergeten” Jerusalem dat God niet kan vergeten. Dat betekent twee dingen: Jerusalem kan God niet vergeten, maar ook, en dat doet er veelmeer toe: God kan Jerusalem niet vergeten. En hoe de vraag: “Staat het een man vrij zijn vrouw te verstoten?” ook gesteld wordt, het antwoord is in ieder geval ook: “God zal zijn bruid nooit verstoten. Dat kan hij niet”.
Precies daarom gaat Jezus naar Jerusalem.

Maar laten we eerst naar de eerste lezing kijken. De aandoenlijke eerste lezing. We komen in het Jerusalem van voor alle tijden, in het paradijs van het scheppingsverhaal. In grote lijnen wordt alles in ogenschouw genomen, alles van het goede dat God daarover uitspreekt. Tot zeven maal toe – u weet dat – lezen of horen we daar: en God ziet hoe goed het is. Hij is als een kind zo blij met onze mensenwereld. Daarom moet het in de lezing van vandaag opvallen: niet goed. Het is de eerste en enige keer in de Schriften dat iets niet goed wordt genoemd. En wat is dan niet goed?
Het is niet goed dat een mens alleen is. Het is onmogelijk om te doen alsof je alleen bent. Dat houdt je niet. Doen alsof je alleen bent is vanuit het “verbond” gezien onmogelijk, onbestaanbaar.
Wat nu?


We weten dat al wel, maar we moeten het opnieuw weer horen. God boetseert alle dieren op het land en alle vogels van de lucht en die brengt hij naar de mens om te zien hoe hij ze noemen zal. Namen noemen is thuis zijn, is weten. De mens voelt zich thuis bij al die dieren MAAR. Maar voor zichzelf vindt hij geen hulp hem tegenover. Er wordt hier vaak vertaald: maar voor zichzelf vond hij geen hulp die hem past. Dat is niet goed. De andere mens is niet een jas die je al dan niet past. Adam vindt geen hulp hem tegenover, van aangezicht tot aangezicht. En dan verzint God wat tot nu toe ondenkbaar is. Hij blijkt een uitmuntend chirurg. Hij maakt van een rib van de mens de vrouw. Dat is de bijbelse volgorde: mens, vrouw, man. En Adam, alsof hij begint te ontwaken, stamelt zoiets als: eindelijk! Vlees van mijn vlees, been van mijn gebeente. Vlees – kwetsbaar, pijn kunnen lijden, zwak zijn; been: even sterk als ik. Daarom zijn zij zo één. Ook wanneer je partner er niet meer is, dan weet je dat nog, kun je dat nog voelen in je herinnering. Woord en wederwoord. Woorden die blijven.

In het Marcusverhaal is Jezus definitief de richting van Judea, Jerusalem ingeslagen – zijn bruid met wie Hij zich in lijden, dood en opstanding verenigen zal. Om HEM op de proef te stellen komen de farizeeën naar hem toe. Het gaat niet over zijn mening, standpunt of inzicht. Het gaat hen om Hem. Wat zal Jezus gaande deze onmogelijke weg, laten zien?

Bij Hem zal niets te merken zijn van hardheid van gemoed. De leerlingen ondervragen hem daarover. Het zou ontrouw zijn.
Zijn trouw wordt geportretteerd door de kinderen die men naar hem brengt om hen aan te raken als aanbod van genegenheid en vertrouwen. De leerlingen proberen dat te verhinderen en ontlokken zo het protest van Jezus. Wie niet wordt als deze kinderen …

Wanneer het over “Jerusalem!” gaat kan er geen sprake zijn van een scheidingsbrief. De Messias en Israël, dat gaat over een trouw, een huwelijk dat blijft en blijvend is. Het gaat in dit verhaal niet over ons en onze burgerlijke of religieuze stand, maar over Jezus en Jerusalem. Tussen die twee bestaat een band die onverbrekelijk is. Ons huwelijk kan daarvan een beeld zijn. Niets kan daar tussen komen. God laat Jerusalem nooit in de steek, en ook Jerusalem kan nooit echtbreuk plegen! Is dat een hard verhaal?
Of dit een hard verhaal is moet je aan de kinderen vragen. Jezus omarmt ze. Kinderen die vragen lijken de enigen die kunnen vragen wat het betekent wanneer het gaat over de manier waarop God koning is. Wat het betekent wanneer je bidt: uw rijk kome.

 

16e zondag door het jaar 22 juli 2018 Engelbewaarders, Badhoevedorp
Jeremia 23, 1-6; Marcus 6, 30-34

In 1978 ging ik met een groep katecheten en pastores, ten Noorden van Amman in Jordanië, de woestijn in. Voordat we in onze taxi’s van de stadse weg af zouden gaan de woestijn in, moesten we even wachten. Daar kwam een lage stofwolk aan uit de woestijn. Daar zaten pootjes onder. Het bleek een kudde schapen bijna in galop, elkaar verdringend om mee te kunnen. En vooraan liep als een vorst, rechtop, de staf steeds voor zich uit neerzettend, de herder. Een vorst, een koning, een voorman.
De profeet Jeremia heeft het vandaag niet met de herders. Hij verwijt hen dat ze het volk verloren hebben laten lopen. Ze hebben zich niet bekommerd om de gemeenschap. Ze hebben door hun ontrouw niet gelet op wat hen was toevertrouwd. Misdaden noemt de profeet dat. God zegt door de profeet: ik let wèl op jullie, op al jullie misdaden. Ik zal mijn overgebleven schapen uit alle landen bijeenbrengen. En ik stel echte herders aan.
God zal zorgen voor een goede herder. Voor mijn gevoel word ik dan altijd ook meegenomen naar “de zoon van David” die wij iedere zondag bezingen met “Hosanna”. Hosjeannah, wees toch eindelijk Hosjea, (Jezus). Die naam betekent: de Heer bevrijdt. Hosanna, Gezegend hij die komt in de naam van de Heer. Voorlopig lijkt me niet strelend voor de vele leiders groot en klein die wij hebben en kennen: Wee de herders door wie de schapen van mijn kudden omkomen, verloren gaan. De media maken ons tot getuigen van veel te veel ellende.

In het evangelie dat we de vorige week gelezen hebben vertelt Markus het onthutsende verhaal over de verjaardag van koning Herodes. Zijn dochter kiest als koninklijk geschenk het hoofd van Sint Jan de Doper. Daarna komen zijn leerlingen om hem te begraven. En direct daarop vertelt Markus het verhaal van vandaag.
De leerlingen die Jezus twee aan twee had uitgestuurd komen terug met hun verhalen over alles wat ze gedaan hebben en wat ze geleerd hebben. De dood van Johannes betekent niet het einde van wat Sint Jan heeft aangekondigd. Het lijkt er op dat dit verhaal over de moord op Johannes Jezus laat aanvoelen wat hem boven zijn hoofd hangt. Hij zegt: kom, we gaan naar een eigen plaats, een eenzame plaats. Al die mensen. Ze hebben zelfs geen tijd om te eten. – Maar dat is een opmerkelijk concrete vermelding. Geen tijd om te eten. Waarom zegt Markus dat? Waarom hier opeens praten over eten?
De behoefte van het volk blijkt ook onpeilbaar. Terwijl Jezus met zijn leerlingen in een boot oversteekt is het volk om het meer heen gelopen. Aan de overzijde wachten ze, wachten we- Hem op. In het zoeken naar de stilte blijken zij, de velen – de uittocht te herkennen. Velen, bijbels democratisch allen, voor allen die willen of zouden durven willen. Als hij vertrekt naar de woestijn, naar de overkant zorgen zij dat ze er al zijn.
Jezus is uit op rust. Toch: hij blijkt niet teleurgesteld. Hij voelt zich ook niet opgejaagd. Hij voelt medelijden. Waarom voelt hij medelijden? Markus legt dat uit. Omdat ze als schapen zijn die geen herder hebben. En dan zegt de tekst: en hij begint hen alles te leren. Polla, veel, in de zin van alles, alles wat er toe doet. Want dat leren moet U niet verstaan zoals wij dat werkwoord vroeger altijd begrepen. Je huiswerk leren, aardrijkskunde leren. Als Jezus de mensen leert, dan reikt Hij hen aan wat Hem dierbaar is, wat in Hem leeft en waar Hij van leeft, wat Hij voortdurend leert. Bijbels leren is steeds op zoek gaan naar jezelf, naar je weg, je waarheid en je leven. Hij wil hun herder zijn en begint hen dat wat ertoe doet, het vele, te leren. Dat vele is ook dat wat ieder past, wat ieder eigen is. Wat Jezus je leert is volstrekt persoonlijk – zoals ook Gods schepping aan ons heel persoonlijk is, uitzonderlijk, want ieder mens is een verhaal apart. Gods verhaal voor ons om op verhaal te komen. Het kan U niet verbazen wanneer nu het verhaal van de zogenaamde wonderlijke broodvermenigvuldiging komt. Ze zullen samen eten, maar ieder eet alleen voor zichzelf, persoonlijk.
Vat ik samen: de leerlingen die terugkomen vertellen alles wat ze geleerd hebben. Jezus heeft medelijden met de mensen want ze zijn als schapen die geen herder hebben en hij begint hen te leren. Dat wat Hij leert is voor ieder afzonderlijk en persoonlijk. Daarom het vele voor de velen. Aan de tafel van de Heer mogen wij weten dat er ruimte voor ons is gemaakt, voor ieder van ons. Daarom zeggen we straks het woord dat alles samenvat, Onze Vader. Moge God met ons zijn.
Jan Engelen

 

Badhoevedorp – Engelbewaarders
Witte Donderdag 13 april 2017
Exodus 12, 1-8.11-14; 1Korinthe 11,23-26; en Lucas 22,39-46

De lezing uit het aloude Exodus-boek snijdt werkelijk wel hout. Hij is gedetailleerd, zeer precies, alsof het eropaan komt. Waarom is deze nacht anders dan de andere nachten? Een keer per jaar komen we samen in de stilte van deze nacht om getuige te zijn van die avond voor Zijn lijden en sterven, die avond rond het paaslam. De Doper noemt Jezus het Lam Gods, het lam dat God ons geeft. Het is dé avond waarop Jezus met zijn leerlingen bijeen komt, voor het laatste, om samen de uittocht te vieren, Zijn uittocht in Jerusalem zal Lucas later zeggen, zijn dood en verrijzenis.
De familie komt die avond bijeen. Niet de families van mensen die door bloedverwantschap biologisch bijeen horen, maar de mensen die door Gods goede verhalen bijeen gebracht zijn, aan het licht gebracht. Mensen die samen Onze Vader zeggen want zij zijn broers en zussen van elkaar, aan elkaar gewaagd rond de droom van God met Zijn mensen. Vrijheid, bevrijding alsof dat bestaat. Aan de tafel van het Avondmaal moet het geoefend en geleerd worden in breken en delen – het thema dat de liturgische commissie ons mee wil geven voor deze viering. Breken en delen.
Het zijn twee beelden die ik uit mijn jeugd meegenomen heb. Dat is eerst de familie rond de joodse paasmaaltijd. Ze staan, ze hebben een touw om hun lijfrok, een staf in de hand. Op tafel het paaslam, geslacht en klaargemaakt als voedsel om het vol te kunnen houden wanneer de lange reis begint, en brood, haastbrood. Het heeft geen tijd gekregen om te reizen want de tocht van de bevrijding begint nu, zonder uitstel, onmiddellijk. Ik zag de oude mannen met hun lange baarden en de kinderen die zich verstopten in de kleren van hun moeder en een paar kinderen en dieren die nog wat rondscharrelen want ze snappen het nog niet: de bevrijding begint. Wat zij als slaven hun leven lang niet meemaakten, wat ze niet kennen, het absolute avontuur dat echt leven heet begint nu, wanneer het brood gebroken wordt en de reis begint. Vrijheid, bevrijding. God weet wat het betekent maar het is iets totaal nieuws, ongedroomd, ongekend, nooit aangedurfd maar zo reëel als de lucht die je ademt, als het brood dat je eet
Daarna de scene van het laatste avondmaal. Vermoedelijk is het getuigenis van Paulus over de Overlevering, over het brood gebroken en de beker gedeeld, het eerst schriftelijke document over Jezus die zich aan zijn leerlingen geeft als brood en de beker tot vergeving van de zonden aanreikt aan zijn leerlingen. Zo zitten ze daar samen, rond Jezus, hun paasmaal te vieren.
Waar hebben ze het die avond met elkaar over gehad, hoe keken ze elkaar aan toen ze met hun hun hand in de schotel doopten en welke stilte viel er toen Judas wegging, de deur achter zich dichttrok.
Ze hebben het over alles gehad, over alles wat er voor hen toe deed toen Hij, Jezus, hen gevonden en zij zich lieten bepraten en met hem meetrokken door Galilea en naar Jerusalem, de heilige stad, de stad van de grote koning. De stad ook waar ze hem gevangen zullen nemen en waar de Romeinen hem aan het kruis zullen hangen. Maar Hij breekt het brood dat zijn lichaam is en deelt de beker van de verzoening, van broeder en zusterschap, van dood en verrijzenis.
Kunnen wij dat overnemen, dat breken en delen, dat ruimte geven en mogelijk maken, die mededeelzaamheid van onze God?
Zo aanstonds worden de heilige oliën binnengebracht. Ze worden gebruikt om wanneer wij mensen dopen, wanneer mensen het vormsel ontvangen en wanneer de zeken het sacrament van de zieken ontvangen. Het zijn tekenen die de verhalen aanwezig brengen waar wij mee leven, over dood en verrijzenis, over dood en leven en over de de vrijheid en bevrijding die op handen is.
Na de dienst zullen we het altaar ontbloten. Dan zullende naakte feiten voor zich spreken van de verlatenheid van de Messias en zijn leerlingen. Dat alle sluiten we af met het evangelie dat Lucas ons vertelt. Zoals Jezus dat gewoon was gaat hij met zijn leerlingen naar de Olijfberg, naar de hof waar de wijnpers stond: Gatsemane. Het zal niet lang meer duren.
Moge ook in de stilte van deze nacht vol geheimen God met ons zijn.

Pasen, 16 april 2017
Handelingen van de apostelen 10, 34a.37-43; Johannes 20, 1-9

Over Pasen zijn de laatste woorden nog niet gezegd, en misschien eigenlijk ook de eerste niet. Wij hebben over Pasen geen eerste woorden. Die woorden worden ons gezegd, woorden die ons aanspreken, die bij machte zijn, ons uit onze schulp van verloren verlatenheid halen. Het zal je maar gezegd worden. Je vriend, je leraar, voor Maria van Magdala haar alles: hij is niet in het graf waarin ze hem hebben neergelegd, hij is verrezen – maar wat moet je je daar bij voorstellen? Daar hebben we toch geen ervaring over. Wij kennen dat niet en dus komen we woorden te kort. Maar duidelijk is wel dat onze droefheid om het mateloze geweld in onze wereld, de droefheid over Goede Vrijdag niet het laatste woord is. Alles onverwacht is nog open, blijkbaar. Alles wordt opnieuw van alzo hoge ingevuld, ingefluisterd, toegezegd. De hemel neemt ons in vertrouwen. Zo horen wij het evangelie van vandaag.

Eerst dit.
Het verrijzenisverhaal staat niet los van de rest van het evangelie. Het verrijzenisverhaal is ook niet los verkrijgbaar. Dat horen we in de eerste lezing. Petrus vertelt in het kort het hele verhaal over Jezus. Wie hij is, wat hij deed en wat hem gebeurde. En toen het verhaal eigenlijk uit was begon het pas: Hij is niet dood, hij leeft.
Vandaag vertelt de evangelist Johannes ons daarover zijn verhaal. Maria van Magdala zal de eerste leerling, de eerste getuige, de eerste geliefde gelovige zijn. Als een gids gaatzij ons voor.
Vroeg, terwijl het nog donker is, gaat Maria van Magdala naar het graf. Maar zo staat het er niet. Johannes gebruikt niet het woord graf. Hij vertelt principieel over een gedenkteken. Dat woord wil hij ons inprenten. Zeven keer noemt hij dat woord: Gedenkteken. De steen is weg. Ze haast zich naar Simon Petrus en de leerling die Jezus lief had. “Ze hebben de Heer weggenomen,” zegt ze, “en we weten niet waar ze hem hebben neergezet”. We, we weten niet waar we hem zoeken mogen. Daarop volgt een soort hardloopproces naar het gedenkteken waarbij de een de ander uitdrukkelijk voor laat gaan. En we horen wat ze zien. Windsels noemt de tekst drie keer, opgerold. De zweetdoek over zijn aangezicht ligt apart. En ze krijgen vertrouwen want, zo zegt het verhaal, want ze weten het nog niet. Ze kennen de Schrift nog niet dat hij uit de doden moest opstaan.
De officiële lezing voor vandaag houdt dan om onverklaarbare redenen op. Je gaat een verhaal vertellen en je stopt na een raadselachtig begin. Het eindigt met de schrift al dan niet kennen. Tussen de woorden door lijkt het verhaal te willen vertellen, dat wat zij zien met het goede boek te maken heeft, duidelijk. Daar duiden ook die doeken op. Als in de synagoge de Boekrol op tafel wordt gelegd dan moeten de doeken er eerst afgehaald worden. Eerst de sierlijk bewerkte hoes om het geheel, dan een lange doek die om de rol heen gewikkeld is. De rol wordt opengelegd bij de te lezen tekst en er wordt een kleine doek over de tekst heen gelegd. Het gezicht van de tekst wordt bedekt. Pas als er gelezen wordt gaat die kleine doek over het aangezicht van de tekst weggehaald – u weet wel, in de synagoge mag je die tekst niet aanraken. Hij is onttrokken aan onze handen en handtastelijkheid. De heilige tekst ligt niet voor de hand. Nu weten we genoeg voor het volgende verhaal.
Ik vertel U dat vervolg, het verhaal over Maria Magdalena die Jezus die verrezen is ontmoet graag. Het zo aandoenlijk, en leerzaam. De camera van de tekst zoomt in. Maria staat alleen bij het graf. Ze huilt. Ze buigt zich voorover naar het gedenkteken en ziet dan die twee engelen, een aan het hoofd- en een aan het voeteneinde van waar Jezus gelegen heeft. Waarom huil je? vragen ze. Weer vertelt ze haar verhaal. Ze hebben mijn heer weggenomen en ik weet niet waar ze hem hebben neergezet. Dan keer ze zich om en … ze ziet Jezus staan, maar ze weet niet dat hij het is. Ze denkt dat het de tuinman is, de man van de tuin, de man van de hof staat er feitelijk. Heer Jezus heeft een hofken waar schoon bloemen staan. Ik denk nu bij de man van de tuin ook aan Adam, zo nieuw als Adam. Hij herhaalt de vraag van van de engelen en voegt er iets beslissends aan toe. Hij zegt: wat huil je, wie zoek je. Er is dus iets bijgekomen. Wie zoek je? Niet wat zoek je, maar, zoals toen Jezus gevangen genomen werd: wie zoek je? Dat voegt Jezus die verrezen is toe aan de vraag van de engelen. Wie zoek je. Hij weet het wel maar hij wil het haar horen zeggen. En zij vertelt haar angst en onzekerheid. Waar is hij, dan kan ik hem daar wegnemen. En dan zegt de onbekende Jezus “Maria”. Dan hoor je de stilte van de herkenning. Zij hoort dat zij gekend is en kent nu ook zelf: mijn meester, rabboeni. En hij: “Raak mij niet aan want ik ben nog niet naar de vader opgegaan.”
De boekrol mag je niet aanraken, maar ook niet de boom des levens die in het midden van de tuin staat. Jezus die verrezen is, is als het ware Gods Open Boek, het boek dat ons vanuit de hemel gegeven wordt en open gaat om met ons mee te gaan, onderweg. Het is het verhaal van de echte herder. Hij kent de schapen bij name en noemt hen bij hun naam. Iedere naam telt. Zo is God met ons begaan, om met ons mee te gaan. Verderop zal Johannes dan vertellen over de vrede die op ons rust en die wij door mogen geven. Wijdt mijne schapen. Zo wordt je getuige van de verrijzenis. Vrede, dat het goed is, dat er plaats voor ons is bij Jezus, onze leraar. Dat fluisteren de boeken wanneer zij open gaan.
Moge God met ons zijn.

Amsterdam, Vreugdehof, overweging 19 februari 2017
Zevende zondag door het jaar, Luthers rooster

Genesis 1,8-13; Lucas 8,4-15


“En God zegt: Het water onder d8-13e hemel moet op één plaats samenvloeien en het droge moet te voorschijn komen en het is zo.“
Dat hoef je maar te zeggen en dan zie je de mensen even denken en glimlachen - ja, het klopt. Dat is het scheppingsverhaal. Dat is het verhaal dat we van kinds af aan hoorden en dat op honderduizend manieren getekend is, door kinderen en kunstenaars, door onze fantasie. Een wit papier, een simpel poppetje met harkhandjes en een stralend gele zon die voor ons goud was. Dat was onze wereld, onze goede en fijne wereld. En toen de wetenschap wakker werd vonden we het allemaal flauwekul. De mens stamt van de apen af. Mijn dochtertje wist dat zeker toen ze 10 was. Geen zon meer op het witte blad papier, geen poppetje dat je met grote ogen glimlachend aankijkt. En nu, intussen, nu wij mensen zoveel weten dat duidelijk is dat we eigenlijk niets weten, zodra er een stem gevonden is en het boek open gaat klinken opnieuw die onschuldige woorden van toewijding en liefde die de wieg van onze wereld zijn. De bijbelse mens weet alles van slavernij en onderdrukking, van alles wat een mens belaagt en klein maakt, van de domheid of het boze dat soms bezit van ons neemt, maar als het boek dan weer open gaat open, gaat ook in ons hoofd de zon toch weer behoedzaam schijnen. Behoedzaam, want de God waar dit verhaal over vertelt is behoedzaam, heeft oog voor je, maakt plaats voor je. Van hem mag je er zijn, jij, je wereld, het licht met zijn kleuren, en de warmte van een beetje begrip, iemand die naar je kijkt, om je geeft. De aarde, het groen, de bomen die als rotsen groen op stelen op de aarde groeien om de bijbelse mens wat schaduw te geven als een hand boven je hoofd. Ja, in het bijbelse scheppingsverhaal zijn God en wereld met elkaar in overleg om voor de mens een droomtuin te maken, een lusthof van geuren en kleuren die je simpel blij maakt.
In het Goede Verhaal van Lucas horen we hoe Jezus met open ogen én bedachtzaam door het land van mensen gaat. Hij ziet de zaaier, hij ziet als dat bijna te vergeefse werk. Een deel van het zaad valt langs de weg. Het wordt vertrapt of door de vogels opgegeten. Een deel valt op de rotsbodem. Dan weet je het wel. Geen spoortje wortel vindt een weg en het wordt niks. En weer een deel tussen de dorens en wordt verstikt. Drie keer zinloos werk – maar dat lijkt maar terzijde zo. Want een deel valt op de goede aarde en dat komt omhoog, honderdvoudige vrucht geeft de goede aarde. Het verhaal is duidelijk. Zó gaat het. Maar dat duidelijke verhaal eindigt met oortjes open: wie oren om te horen heeft, hij hore. Alsof voor wil goede verstaander, goede aarde wil zijn, meer te horen is.
Dan vertelt Jezus aan zijn leerlingen dat dit verhaal over de zaaier gaat over het geheim van Gods koning-zijn. Geheim wil zeggen: je ziet het maar je ziet het niet, je vermoedt en je voelt aan, maar je hebt het niet, het spreekt je aan, ligt je voor. Gods geheim, zijn koning zijn, is een uitnodigende stem.
En Jezus vertelt over hoe het gaat en wat er aan de hand is met dat Zaad. Dat is het Woord van God, dat is zijn Ja-woord. Je kunt dat woord horen en weer over gaan tot de orde van de dag, dan gebeurt er niets en is er niets gebeurd. En het woord kan je ontroeren en dan ga je over tot de orde van de dag en er gebeurt niks en er is niets gebeurd. Tevergeefs. En je kunt het horen en er blij mee zijn, maar de dagen zijn vol en enthousiasme slijt en uiteindelijk ga je over tot de orde van de dag. Er gebeurt niks en er is niets gebeurd. Tevergeefs en vergeten. Maar dat Woord van God kan ook ontvangen worden als het geheim van het koninkrijk Gods dat komt. Dan ga je dat woord niet verstoppen. Je geeft het een plaats zodat iedereen daar plezier van heeft en alles zichtbaar wordt, “zich – zoals dat zo mooi heet, - voor je ogen ontvouwt”. Toch, met alle pijn die aan je leven kan hangen, het woord bewaren.
De laatste regels zijn heel vaak niet begrepen. Wie heeft, hem zal gegeven worden, en wie niet heeft, zelfs wat hij niet heeft, zal hem ontnomen worden. Net alsof God de armen armer en de rijken rijker maakt. Dat klinkt zo gemeen. Zo kan God niet zijn. De armen beroven!
Maar hoor die regels een beetje anders. Het gaat over het woord van God, over het geheim van het koninkrijk. Wie heeft – een beetje vertrouwen, een beetje begrip bijvoorbeeld – die zal meer vertrouwen, meer begrip krijgen. En wie zich buitensluit, wie niet meedoet, wie enkel onbegrip vertoont, ook het laatste dat hem met zichzelf, met de anderen en met God verbindt, ook dat laatste zal hem ontnomen worden.
Het woord Gods is als een vriend: jij maakt er ruimte voor en het maakt ruimte voor jou. Ons geloof, ons Godsvertrouwen – wij leren dat steeds opnieuw weer van Jezus die ons voorgaat wanneer de boeken opengaan – ons vertrouwen is een geschenk, een licht waarin we leven. Mogen God met ons zijn.



Sloten – 5e zondag door het (A-)jaar
Jesaja 58,7-10; Matteüs 5,13-16
“Daar gaan we weer!” Ik zou me kunnen voorstellen dat u dat denkt als u de woorden van de eerste lezing hoort. We moeten ons eten weer delen met wie honger heeft, zwervers opnemen, naakten kleden. Niet dat we ertegen zijn om mensen te helpen. Integendeel, maar de noodzakelijke hulp, de vele hulp die nodig is, dat kan toch niet het enige zijn waar we het eigenlijk voortdurend over hebben, in de kranten, op de tv. Er is zoveel nood in de wereld. Wat kunnen wij doen?
Dus, terecht dat we toch een beetje met opgestoken kraag luisteren naar Jesaja. Maar U begrijpt ook wel dat deze tekst een klein stukje is uit een groter geheel. En als je een stukje tekst uit een groter geheel haalt bestaat de kans dat je toehoorders, de mensen, op het verkeerde been worden gezet.
Jesaja 58 begint met God die tegen Jesaja zegt dat hij met een stem als een toeter moet rondbazuinen dat “het huis van Jacob”, het volk, aan het werk zal moeten gaan. Je moet tot andere instellingen te komen. Je mag je arbeiders niet afbeulen, je moet stoppen met naar elkaar te wijzen en je neus op te halen. Als je vroom praat maar corrupt handelt, dan laat je niet zien waar de hemel, waar God voor staat. En dan, het wordt tegenwoordig gewoon wegvertaald, iets zo moois, zo intens diep gezegd: “Weet je dan niet dat je elkaars vlees bent”. Je kunt je niet aan elkaar onttrekken. Dan snij je in je eigen vlees. Daarom ook doet het ons pijn om te zien hoe de wreedheid en de barbarij mensen naar het leven staat.
Ja, zoals de media ons tot getuigen maken van een wrede wereld – daar is geen ontkomen aan. Het enige wat je daaraan kunt doen is in je eigen leven van elke dag gewoon een goed woord te hebben van de ander, voor de mens naast je. Want goedheid is niet vanzelfsprekend. En probeer te helpen dat je naaste de eerste dingen die nodig zijn krijgt. Want delen is vermenigvuldigen. Als je de ander geeft haal je bij jezelf de duisternis weg. Het volk dat in duister wandelt zal een groot licht zien.
Vorige week zijn we in onze kerken begonnen met de Bergrede, de grote toespraak van Jezus op de berg voor zijn leerlingen. Een wonder van een preek. Jezus’ woorden zoeken daar als het ware, hoe Hij Zijn leerlingen kan fine-tunen kan afstemmen op het verhaal waar het Evangelie van Matteüs vol van is. Vorige week hoorden we het achtvoudige Zalig ben je wanneer je … Toen ging het over de mensen die wezenlijk arm en eenvoudig zijn, die God vertrouwen, de treuren over de boosheid en de angst alom in onze wereld, over de mensen die gevoelig zijn, die je aanvoelen en met je meegaan.

Zalig de mensen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, naar het geschieden van Gods Goede Woord, naar Jezus zelf. Vandaag horen we de woorden over het licht en de stad op de berg. Licht is nodig om te zien waar je gaat. En ja, het is moeilijk je voeten toe te vertrouwen aan de grond wanneer je niets kunt zien. Dan gaan de ogen als vanzelf naar de stad je je van verre kunt zien, die Jezus ook voor zich ziet, de stad op de berg, Jerusalem. Het gaat dan niet over het Jerusalem van nu dat zijn grenzen weigert te accepteren. Het gaat over het Jerusalem waar Jezus vanaf het begin van zijn Evangelie naar op weg is. Wij weten hoe het daar zal toegaan. Wij weten en gedenken elk jaar, elke zondag en misschien zelfs dagelijks, hoe Hij ondanks alles, vertrouwt op Zijn Vader en ons uitnodigt mee te gaan in dat vertrouwen, “Onze Vader” .
In de eerste eeuwen van het christendom waren nogal wat mensen verwonderd over hoe christenen met elkaar omgingen. Die mensen vingen elkaar op, gaven om elkaar. En wie niets had kreeg, te eten, kleding, onderdak. Dat was de dienst van de diaconie. Die mensen deden wat velen in en rond de kerken nog steeds doen of proberen te doen. We bidden dat ook. Als je bidt “Onze Vader”, dan weet je dat de mensen naast je en voor je, achter je, op een of andere manier door de woorden van Jezus je broers en zussen zijn. Een stad op de berg kan niet verborgen blijven.
Moge dat zo zijn.

 

Kerstdag 2016 Engelbewaarders Badhoevedorp
Jesaja 52,7-10; Johannes 1,1-18

Waarschijnlijk zijn de meesten van jullie vannacht ook hier geweest. Kerstmis is niet alleen meer de sfeer waarmee we ons omgeven, het groen, het rood, de lichtjes, maar Kerstmis heeft ons ook een beetje bezit genomen, in dienst. Op de eerste Kerstdag is dan de evangelielezing toch een soort overval. Niks herdertjes, niks koning of schaapjes. Het evangelie van Johannes opent met een tekst die op het eerste gehoor niets van Kerstmis heeft. Hebt U het gehoord.
Johannes hamert met de woorden op ons trommelvlies door om te beginnen een paar woorden te herhalen, als het niet oneerbiedig is: “er in te rammen”: woord, woord, woord, God, God, God, geschieden, geschieden, geschieden, leven, leven, licht, licht, duisternis, duisternis. En dan begint het eeuwige verhaal: de duisternis neemt het niet aan. Hij komt bij zijn eigen mensen en ze nemen hem niet aan. En dan komt de stem van Johannes uit het dal omhoog: wel aannemen, wel aannemen.
Alsof we het maar moeten aannemen. Volgens Johannes kan dat. Hij zegt: je bent een kind van God. De burgerlijke stand, het hele administratieve systeem, alle functies en rollen die je hebt voor de mensen met wie je om gaat – naast dat alles, zelfs vóór dit alles, ben je een kind van God. Hoe ben je dat dan, kind van God? Dan begint het verhaal weer opnieuw: woord, woord, woord, God, God, God, geschiedenis, leven op “licht in de duisternis”.

Johannes zet om te beginnen alles op één kaart. Het WOORD. “Het woord” is uit de wereld van alles het eerste dat zich losmaakt, de eerste uitzondering, afzondering. Woord! Voor ons is niet zo gewoon als spreken. Spreken spreekt vanzelf. We merken zelfs niet dat spreken het gif dat onze wereld werkelijk teistert bij wijze van spreken IS. Mensen praten zichzelf en de anderen om ons heen gek en dan vallen de doden bijna zonder einde.
Maar als het woord het eerste is, dan zou een ander verhaal kunnen beginnen. Want het eerste dat bij woord hoort is HOREN, luisteren, even stil zijn, opademen, de woorden tot je laten doordringen, in je opnemen. Volgens Johannes zijn wij KIND VAN GOD. Dat gaat uiteraard niet ten koste van je vader en moeder, maar die hebben jou de verhalen verteld waar ze zelf ook in geboren zijn. Verhalen op hoop van zegen. En dat verhaal van het kind in de kerststal werd zo verteld, gevierd, dat je jezelf nog ziet zitten in de grote kerk met al die grote mensen en die liederen. Onze wereld is een wereld die ons om te beginnen in woorden, in taal, in stilte en vertrouwen gegeven is, hen en ons. Door zoveel generaties heen.
Het kind van Kerstmis is het begin van een nieuw leven. Heden is U de Heiland geboren, iemand die ons heelt, die ons op een nieuwe wijze bij de tijd brengt. Het kind dat ons leren zal: Uw koninkrijk kome. Niet het koninkrijk van haantje de voorste, niet het koninkrijk van de grootste mond, maar het koninkrijk dat begint met stilte en verwondering. Het kind dat de herders zien en de koningen komen aanbidden leert ons, op een andere manier over onszelf denken. Wij zijn kinderen van God, broers en zussen van elkaar. Wij krijgen een wereld om te delen en vrede op aarde. Door het woord delen we ook elkaar, delen we wat we leven. Het woord is licht in duisternis.

Als je niet kunt horen, - luisteren moet je ook leren!, - is God onzin. Je kunt God niet bedenken. Ik kan jou ook niet bedenken. Ik kan zelfs mezelf niet denken. In Nederland wordt dat steeds actueler. Niemand luistert, iedereen heeft gelijk, en geloof levert niets op, dus wat zou je investeren!
Er is maar één andere weg. Vandaag vertelt Johannes dat het gaat over het woord, over iets dat je hoort. Dus niet over een impuls op je trommelvlies dat door je zenuwsysteem op een of andere manier als trilling vertaald wordt en … Nee, een woord, iets dat je hoort. Ook als je nog niet weet wat horen is, je hoeft het niet eens te weten wat horen is – maar een woord om te horen, om bij op te zien en elkaar aan te kijken.
Zo staan we met Kerstmis stil bij en rond de kribbe. Ach, kind, arm kind, een hele wereld nog voor je, een wereld die hard voor hem zal zijn. Ook wij, als je niet oppast. Och God. Om bij op te zien en elkaar aan te zien. Hij geeft ons Zijn Woord, een Woord om te delen.
Jan Engelen


Om te beginnen: God schept de hemel en de aarde,
de aarde: woest en leeg – duisternis over de vloed
en geest van God over de wateren. En God spreekt: Licht … Genesis 1,1vv

Johannes 1,1-18

1. Om te beginnen is het Woord
en het Woord is bij God
en het Woord is God.
2. Dit is om te beginnen bij God.
3. Alles geschiedt door het Woord
en zonder dit geschiedt geen ding dat geschiedt.
4. Daar is leven in,
en het leven is het licht voor de mensen.
5. En het licht schijnt in de duisternis
en de duisternis neemt het niet aan.

6. En er geschiedt: een mens van God gezonden
en zijn naam Johannes.
7. Hij komt tot getuigenis om te getuigen omtrent het licht
opdat allen zullen geloven door het/hem
8. Niet hij is het licht maar opdat hij zal getuigen omtrent het licht.
9. Het licht is het waarachtige licht.
Het verlicht iedere/heel de mens die naar de wereld komt.

10. Hij is in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld kent Hem niet.
11. Hij komt tot het zijne, en de zijnen nemen Hem niet aan.

12. Maar allen, die Hem aannemen,
hen geeft Hij macht om kinderen Gods te worden, hen, die in zijn naam geloven;
13. die niet uit bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil een man, maar uit God geboren zijn.

14. En het woord geschiedt (als) vlees en het slaat zijn tent op in ons
en wij aanschouwen zijn glorie, glorie van bij de Vader vandaan vol genegenheid en waarheid.

15. Johannes getuigt omtrent hem, en hij roept zeggend:
Deze is het van wie ik zeg: Die na mij komt geschiedt voor mij want hij is eerder dan ik.
16. Uit zijn vol-zijn ontvangen wij allen genegenheid op genegenheid.
17. De Tora wordt door Mozes gegeven: genegenheid en waarheid geschieden door Jezus Christus.
18. Niemand heeft God ooit gezien.
De eengeborene die in de schoot van de vader is, Hij legt uit.

 

Zondag 16 oktober 2016 29e zondag door het jaar Engelbewaarders Badhoevedorp
Exodus 17,8-13; Lucas 18,1-8
Het zou mij niet verbazen wanneer U naam Amalek niet kent. Eens in de drie jaar kunt U deze naam in de kerk horen noemen en daar houd je geen herinnering of kennis aan over. Bovendien: Amalek – Nooit van gehoord. Wat moet je met een naam die je niks zegt? Maar voor bijbelse mensen roept de naam Amalek direct twee verhalen op. Amalek is als het ware een roepnaam voor alles wat laf is en gemeen. Amalek hoort bij het bijbelse grondverhaal dat steeds weer vertellen wil over de bevrijding uit de slavernij en de onwaarschijnlijk moeilijke tocht door het leven van 40 jaar woestijn, een leven lang.
Stel je voor. De bevrijding uit de slavernij is nauwelijks begonnen, de overtocht langs het water dat als een muur is blijven staan, is net voltooid, de eerste honger is bedwongen dank zij het manna dat uit de hemel valt en de eerste dorst is met water uit de rots gestild. Dan, terwijl het bijbelse volk net aan de dood ontkomen is, komt daar het volk van Amalek! De Amalekieten weten wel weg met die armoedzaaiers in de woestijn. Terug, terug de woestijn in! De zee in! De slavernij in! Terug! Dat slaven vrij worden, dat gekromde mensen geholpen worden om overeind te komen, dat kleine mensen voor vol moeten worden aangezien: NOOIT!. Wie voor een dubbeltje geboren is mag nooit een kwartje worden. Amalek is principieel tegen iedere verbetering. Daarover gaat het eerste verhaal het verhaal dat we vandaag lezen. Het tweede verhaal geeft als het ware een toelichting. We vinden we aan het einde van veertig jaar bijna. Daar duikt Amalek weer op in de woestijn. Ze vallen het volk in de woestijn aan. En hoe dan ze dat?! Ze vallen het volk van achter aan, in de rug. En U begrijpt: achteraan de karavaan lopen de oude en de zieke mensen, en de moeders met hun kinderen. Amalek, dat zijn de bijbelse Nazies, de lafaards. Als gieren vallen ze aan op wie bijna niet vooruit kan. Vandaag beweren ze: bevrijding bestaat niet! Terug het water in, terug naar de slavernij. Wat dan gebeurt is een pracht stuk toneel.
Terwijl het volk onder leiding van Jozua de strijd aangaat krijgt Mozes van God de opdracht om de berg op te gaan. Iedereen beneden kan hem boven op de uitgestoken rots zien. Mozes hij overziet wat zich beneden afspeelt. Met de staf van God in de hand moet Mozes zijn handen uitstrekken over het volk. Beneden. Die staf – dat begrijpt U wel - staat voor alles wat Mozes tot Mozes maakt. Hij is de leraar, hij geeft leiding aan de bevrijding waarvoor het volk zelf op weg moet.
Zolang Mozes zijn armen omhoog houdt heeft het volk de overhand. Maar hoe lang houd je dat vol, je armen omhoog te houden? Het is een gevecht op leven en dood. Het duurt en duurt, en Mozes met zijn handen omhoog kan niet meer. Wat nu? De twee mannen die met hem omhoog geklommen zijn dragen een rotsblok aan voor Mozes. Dan kan hij gaan zitten. (De bijbelse leraar gaat altijd zitten. Ook Jezus. Als de leraar zit komen degenen die leren willen om hem heen staan en zitten. De leraar is het midden van de kring.) Mozes gaat zitten en de twee mannen pakken elk een arm van Mozes. Zo houden zij de armen van Mozes omhoog. Ze ondersteunen de vermoeide armen van Mozes. Tot de zon onder gaat. Zo verslaat Jozua Amalek. Jozua heet in de griekse vertaling van de hebreeuwse bijbel Jèsoes, Jezus. Jozua, Jezus verslaat in de schaduw van Mozes met opgeheven armen Amalek. U mag zelfs denken aan Jezus’ houding aan het kruis. Zo verslaat Josua onder leiding van Mozes Amalek. De toekomst gaat open. De lange reis gaat verder, kan beginnen.

Leraar Jezus leert zijn vrienden in gelijkenissen. Hij vertelt hen een verhaaltje en daar kunnen ze zelf op reageren, over denken. Hij vertelt niet zo maar. Hij verhaal van vandaag vertelt met het oog op altijd bidden en niet verzaken. Eerst dat altijd van altijd bidden. Dat betekent hier niet voortdurend of continu bidden, zonder ophouden. “Altijd” betekent hier meer "op de tijden die er voor staan", de gestelde tijden. Welke tijden staan daar dan voor? Vermoedelijk betekent dit in de bijbelse traditie naar de tijden die teruggaan naar de liturgie in de Tempel, bij het openen en het sluiten van de dag. Want elke dag begon en eindigde in de Tempel. En als het licht op de zevenarmige kandelaar werd aangestoken, dan was dit licht een herinnering aan het licht van de afgelopen dag om de nacht door te komen, met het oog op de komende dag. Dat licht was een brandende pit op olijfolie. De leraren zeiden: "De zoete olie uit de bittere vrucht". De gezette tijden waren de hoogtijden in de Tempel. Jezus in het verhaal van Lucas vindt dat je je aan vastigheid moet houden, aan de gezette tijden. Waarom moet dat? Je moet niet opgeven, niet versagen. De tekst komt heeft hier een bijbels ongebruikelijk woord: enkakein. En is in, naar binnen toe. Dan komt een werkwoord waarin kakos te herkennen is, slecht, niet goed. Je moet niet enkakein, niet versomberen, niet: “het wordt nooit meer, maar altijd minder”. Je moet niet indutten, niet afwezig zijn, niet "ik ben er niet" of “geef mijn portie maar aan fikkie”.Je kunt je beter laten opladen en toerusten door op de gezette tijden te doen wat goed is om te doen. Goed.
Dan volgt de vraag: Waarom moet je niet versagen? Daarvoor heeft Lucas het verhaal over de rechter die geen rechter is. Het is een merkwaardige rechter. Hij heeft lak aan God en aan de mensen. Het doet hem niks. Maar deze flierefluiter heeft pech. Hij komt deze weduwe tegen. Weduwen en wezen zijn in de bijbel mensen die er alleen voor staan, die niemand hebben die het voor hen opneemt, zeg maar de kwetsbaren bij uitstek. Maar deze kwetsbare weduwe heeft een geheim wapen. Zij weet niet van ophouden. Ze blijft als een lastige bij gonzen rond zijn hoofd. Dat mens houdt niet op! Haar niet aflaten krijgt hem op z'n knieën. Het is een zwaktebod, dat wel. De rechter doet geen recht omwille van het recht, maar dat doet er voor haar niet toe. Het resultaat is precies wat de weduwe beoogt, dat haar recht geschiedt. Zij laat zich regelmatig horen en daarom geeft de onrechtvaardige rechter haar gehoor. Gehoord worden: tot je recht komen.
Jezus zegt: als die onrechtvaardige vader dank zij die steeds terugkerende stem gehoor geeft, hoeveel te meer dan God. Hij kan niet onbewogen blijven wanneer zijn uitverkorenen dag en nacht tot hem roepen, misschien mag je beter vertalen: hem roepen, hem noemen, hem een naam en een plaats geven in hun leven. Hij zal hun spoedig recht verschaffen. Dan komt plotseling een vreemde zin.
Hij zal hun spoedig recht verschaffen. Maar zal de mensenzoon bij zijn komst geloof op aarde vinden? Dat combineer ik niet! Wat heeft dit te maken met het voorafgaande? En waarom staat hier "de mensenzoon"? Mens, in het hebreeuws adaam, kind van Adam, kind van de mens, kind van de rekening. Alsof het risico bestaat dat naar dit kind niet omgekeken wordt.
Onze kwetsbaarheid is die van de mensenzoon, is die van de weduwe. Wij kunnen alleen de tijden in acht nemen. Dat zal God grootmoedig maken. Dan zal de mensenzoon vertrouwen vinden op aarde. Door hier samen te bidden, werken wij op onze wijze aan de weg van de Heer: "Uw rijk,moge dat komen." En mogen we dat ook een beetje zien zoals we hier samengekomen zijn om te bidden en te zingen, om Hem te gedenken die zich geeft aan ons wanneer wij het heilige brood samen delen zoals Hij ons dat gevraagd heeft en opgedragen.
Moge dat zo zijn.

Vreugdehof zondag 2 oktober 2016 - 27e zondag door het jaar
Habakuk 1, 2-3; 2,2-4; Lucas 17,5-10

Woord van welkom
Aan het evangelie van vandaag gaan een paar woorden vooraf die zeggen: geef de kleinen geen ergernis. Je moet op de kleinen letten. Het zou best kunnen zijn dat het kleine kostbaar is, omdat het zo vol groeikracht is. We zeggen ook “klein maar dapper”, of “wie het kleine niet eerst …”
Bij “het kleine” denk ik ook graag aan een paar woorden. Als je een paar woorden hebt … “Onze Vader”, een paar woorden, een hele wereld van vertrouwen. Zingen we: Het woord dat U ten leven riep …”


Na “Aanbidt en dankt” …

Openingsgebed
Heer onze God,
Zie ons hier bijeengekomen om te horen naar uw woord, om te zingenen te bidden en uw gave met elkaar te delen.
Wees Heer met ons in dit uur. Neem ons op in de Vrede van Uw Woord en geef dat wij U mogen verstaan, hier vandaag, omwille van Uw lief kind, Uw Zoon, onze ….

Lezing uit de Profeet Habakuk
Hoe lang nog Heer moet ik schreeuwen en hoort U het niet.
Ik schreeuw het uit tegen U, - geweld! - maar U bevrijdt niet.
Waarom laat U mij onrecht voelen en pijn
en vechten geweld en twist met elkaar.
En de Heer antwoord mij. Hij zegt: Schrijf het visioen op en laat het op tafelen duidelijk zien zodat hij die leest het goed kan lezen.
Dit visioen wacht op zijn vastgestelde tijd
het hunkert naar zijn vervulling en liegt niet.
Ook als het duurt en je moet erop wachten, -
het komt vast en zeker - en blijft niet uit.
Wie opgeblazen is, zijn ziel is niet recht,
maar de rechtvaardige zal door zijn vertrouwen leven.

We zingen nu “het woord des Heren is volmaakt”

Tweede lezing Lucas 17,5-10
De apostelen zeggen tegen de Heer: Geef ons vertrouwen!
De Heer antwoord: Als je het vertrouwen hebt van een mosterdzaadje
dan zul je tegen deze moerbeiboom zeggen: trek je wortels los en plant je in de zee – en hij zou naar jullie luisteren.
Wie van jullie die een knecht heeft om te ploegen en te hoeden
zal als hij van de akker komt tegen hem zeggen:
kom mee en ga aanliggen om te eten.
Zal hij niet tegen hem zeggen: maak iets klaar zodat ik kan eten
en omgord je en bedien me zodat ik kan eten en drinken.
Daarna kun je ook zelf eten en drinken.
Hij is zijn knecht niet dankbaar omdat hij gedaan heeft wat hem opgedragen was.
Zo moeten ook jullie wanneer je alles gedaan heb wat je is opgedragen,
zeggen: wij zijn gewoon maar knechten. We hebben gedaan wat we moesten doen.

Overweging

Ik weet niet hoe het U vergaat, maar ik erger me een beetje aan die Heer van het evangelie. Ik vind niet at hij op een leuke manier met zijn knecht omgaat. Het lijkt er bijna op dat die knecht die terug komt van het veld, nieteens even mag uitrusten. Ik zie me al in de hitte van het middenoosten. Na een dag in de zon met een doek om je hoofd tegen de stralen thuis meteen een schort om en eten maken voor die Heer. Dat kan toch ook anders. Het is bijna zo blafferig. Je hoeft je personeel toch niet af te blaffen.
Afblaffen staat niet in het verhaal. De Heer zegt alleen maar dat een dienaar een dienaar is. En dat zegt hij tegen de apostelen die bij Jezus komen en meer geloof vragen. “Heer, geef ons meer vertrouwen”. En dan krijg je ook weer zo’n vreemd antwoord waar je geen touw aan kunt vastknopen. Dat je met geloof een boom kunt verplaatsen. Zoals andere evangelisten vertellen over een geloof dat bergen verzet. Je zou met geloof je ziek-zijn te lijf willen gaan, maar je weet toch dat dat niet gaat. Wat wil het evangelie nu eigenlijk?
Komt de eerste lezing ons misschien een beetje te hulp? Die begint ook met zo’n merkwaardige toonzetting. Habakuk.
De eerste lezing begint boos, verwijtend. Waarom toch! en hoe lang nog! Zet de tv maar aan en je stelt die vragen. Waarom toch! Hoe lang nog! Bij deze woorden van Habakuk denk ik: het leven komt aan je lijf. Het doet pijn. De Naam Jezus betekent dat God voor ons bevrijding wil zijn, de heer bevrijdt – maar mag daarvan dan iets te merken zijn.
Wij weten allemaal wat er zal gaan gebeuren als Jezus naar Jerusalem gaat. Hoe lang nog! Het zal niet lang meer duren. Voor mijn gevoel geeft de profeet ons alle tijd en woorden om te zeggen wat ons pijn doet. Habakuk is maar een kleine profeet. 49 Regeltjes. Maar er is alle ruimte uitgetrokken voor de mens die zich realiseert wat er gebeurt. Waarom toch. En even beslissend zegt de tekst: schrijf het op, zorg dat wie leest er niet omheen kan. Het visioen mag en kan niet verloren gaan. Dromen van vrede is essentieel om het te kunnen volhouden. Dromen van vrede. Of gewoon adem halen, tijd nemen, wat komt proberen. Dat klinkt kwetsbaar en onzeker, maar is leven niet altijd in vertrouwen proberen wat op je afkomt.
Tegenover ons wel en wee staat een geloof dat bergen verzet.
Daar willen de leerlingen meer van hebben. Geef ons meer geloof. Alsof dat beetje dat je hebt niet voldoende zou zijn. Volgens Lucas hoef je niet groot te gaan op je groot geloof. Het is allemaal veel onopvallender, veel gewoner ook. Ogen die je aanzien. Wat is gewoner en alledaagser, maar wat kan ook tegelijk meer ontroerend zijn.
En ik denk dag die gedachte Lucas terugbrengt bij zichzelf. Als je tegen hem zegt: wat heb jij een fantastisch verhaal geschreven over Jezus, in geuren en kleuren, van Kerstmis tot Pasen en Hemelvaart, alles en alles. Lucas zal zeggen: ik heb gewoon gedaan wat ik kon doen, moest doen. Het is mijn steentje. En ik denk dat dit ook de woorden van Jezus kunnen zijn, en van God zelf. Jezus en zijn vader, zij willen er zijn voor ons. Dat is alles. Je hoeft daar geen drama over te maken. Misschien kun je er iets in zien, is het een voorbeeld voor je, een woord ter bemoediging.
Moge onze lieve Heer met ons zijn.

 

25 september 2016 – 26ste zondag door het jaar – Engelbewaarders Badhoevedorp
Amos 6,1a.4-7; Lucas 16,19-33
Tekoa is een klein dorp, een kilometer of 4 van Bethlehem. Als je in Tekoa bent zie je het Herodion boven de daken van het dorp uitsteken. Herodion, het paleis op de berg, in de berg, waar Herodes zich veilig kon wanen. Tekoa heeft naam gemaakt door de profeet Amos, als het niet al te oneerbiedig klinkt zou ik zeggen: een klein rotprofeetje. Negen kleine hoofdstukjes. Hij was eigenlijk een boer, een schapenfokker met een paar moerbeibomen, een man van het land. Maar de bliksem sloeg bij hem in. En die kleine Amos gaat te keer als een berg, tegen Jerusalem, tegen Samaria. Jerusalem en Samaria. In twee stukken was het land uiteengevallen na David en Salomo. De deuren van de paleizen moeten ver hebben opengestaan want alleen dan maak je indruk, win je de sterrenslag van het groot vertoon van de groten van de aarde. Onbekommerd voelen ze zich veilig, liggend op hun ivoren bedden. De lammeren en de kalveren vreten ze op, de toekomst gaat naar de Filistijnen, - overladen met wijn en olie - maar om Jozef bekommeren ze zich niet.
Amos was maar een eenvoudig boertje, maar zijn ogen bedrogen hem niet.
Ik denk soms dat we bijbelteksten te braaf lezen, binnen een vroom randje, eigenlijk onschuldig gemaakt. Bij Amos spat de woede eruit. Net zoals bij Jezus. Woede, of radeloos diep verdriet – de ontzetting die je overvalt als je ziet wat gaande is.
Het verhaal van Lucas zie ik altijd voor mij. Een poppenkastspeler, een verteller verdwijnt in zijn zak met poppen en tovert daar twee figuren uit. Een rijk man die blub blub blub blub. Purper, fijn linnen en elke dag feest. Hoempapa, niet te kort, het houdt niet op. De toehoorders moeten daarin ook het tempelgebeuren in gezien hebben. Elke dag een feest. En er is een bedelaar. Hij heet niet eens man of mens, zoals die rijke man of men. Die rijke is binnen en die arme ligt op de drempel. Hij telt niet mee, ligt eruit. Alleen voor een paar honden bestaat hij. Die likken zijn wonden. Maar deze twee figuren gaan dood en ze gaan ons helpen voor een kijkje achter de schermen. Het verhaal doet dat bijna humoristisch. Luister maar. De arme sterft en wordt door engelen gedragen in de schoot Abraham. Bijna een tekenfilm met heel veel sterretjes: gedragen in de schoot van Abraham. Precies 10 woorden in het Grieks. Ook de rijke stierf en werd begraven. Dat is in het grieks één woord.
”Door engelen gedragen in de schoot van Abraham” en “begraven”. Dat is dus klaar! Nee, nu begint het pas. In de diepte van het dodenrijk ziet hij van verre Abraham en Lazarus in zijn schoot. (De schoot van Abraham, wie zit daar? Isaak. De zoon van Abraham, de zoon van de vader. Als je een beetje doordenkt dan is Lazarus in het verhaal iemand als Jezus, dé zoon van de vader – en gaat dus dit verhaal over dood en verrijzenis.)
Eén druppel water zou hem de koning te rijk maken. Maar dat gaat niet. Abraham kan niet alles. Dan zijn er nog vijf broers. Vijf, zoveel als er boeken zijn van de Torah, de vijf boeken van Mozes. Met de rijke erbij waren ze met zijn zessen. Hadden ze de bedelaar opgenomen dan zouden er zeven zijn, alles rond. Waarschuw mijn broers asjeblieft. En dan geeft Abraham volgens Jezus een antwoord dat wij nooit zouden verwachten. Als je niet luistert naar Mozes en de Profeten, dan luister je ook niet als iemand uit de doden opstaat. Midden in de roos en best een beetje huiswerk voor ons. Je kunt leren luisteren. Daar is een weg. Dan moeten de boeken open. Alleen daar leer je: “Onze Vader”. Jan Engelen

 

23e zondag Sloten Sint Pancratius
zondag 04 september 2016 23e zondag door het jaar

Wijsheid 9,13-18b; Lucas 14,25-33
Zeker in het verleden is ons in de kerk vaak te verstaan gegeven dat we ons leven moesten beteren. Je best doen en je leven beteren. Bidt voor ons zondaars. Iemand vertelde me dat haar broertje altijd uit volle overtuiging bad: “Bidt voor ons ‘s zondags”. Christen zijn betekende: wij doen ons best. We gaan ervoor. Alsof het evangelie op de eerste plaats over ons gaat. Maar het Evangelie, het Goede Verhaal, dat is Jezus. Dat is: hoe hij naar ons toe komt, hoe hij hart voor ons heeft en wij hem ter harte gaan. Hij gaat, zoals we wel weten maar nog veel te weinig aanvoelen, voor ons desnoods door het stof.
Ik bedoel dit. In onze kultuur gaan we vooral voor de winnaars. We are the champions. Dat willen we weten. Alsof een winnaar niet betekent dat veel anderen verliezers zijn, losers. Maar het evangelie van vandaag lijkt vooral te willen zeggen dat je alleen maar winnaar kunt zijn als je bereid bent te verliezen. Heel veel van wat je hebt en bent zul je moeten verliezen om uiteindelijk toch een beetje terecht te komen, gevonden te worden. Dat is het verhaal van je kruis opnemen, hoe vreemd het ook klinkt: je leven voor lief nemen. Je leven, ook je moeiten en je zorgen, voor lief nemen.
Vele menigten trekken op met Jezus. Hij kijkt hij om. We horen die moeilijke woorden. We horen hoe hij kijkt. Hij draait zich om. Voor mij is dat een regel uit het verhaal over Jezus die zijn kruis draagt. Jezus draait zich om naar die vrouwen die hem beklagen. Huil niet over mij, maar huil over jezelf en je kinderen. Waar Hij mee bezig is, zijn reis naar Jerusalem, het zal alles vragen, ook van Hem. Het is blijkbaar niet eenvoudig je los te maken. Wie kan dat, leerling zijn? Want leerling zijn is blijkbaar ook je eigen kruis op je nemen? Je leven voor lief nemen, op de koop toe nemen.
Het lijkt erop dat het gaat zoals bij het bouwen van een toren of bij een koning die tegen een ander optrekt. Moet je die toren wel bouwen? Moet je die oorlog voeren of moet je vrede aanbieden, vrede vragen? Het is een zaak die om rekenen vraagt, om overleg. Alles is in het geding. In het evangelie betekent leerling zijn alles inzetten. Een kwestie van afzien. Waarom afzien?
Nu Jezus begint aan zijn weg naar Jerusalem, begint er iets dat voor de verteller van het evangelie volstrekt nieuw is. Het gaat wellicht niet zozeer over wat wij vroeger zo nadrukkelijk leerden over zelfverloochening, afzien van ons eigen comfort.
In het evangelie van vandaag is aan de orde het opgeven van de standpunten. Want het verhaal van Lucas is ondanks alle eeuwen volstrekt nieuwe dat de Messias is. Dat Jezus de Messias is, en hoe het dat is – door voor ons door het vuur te gaan, het hout van de schande te dragen – dat kun je niet beredeneren. Het messiaanse programma is niet een plannetje dat je op je vingers uit kunt tellen.

Tegelijk: eigenlijk is het heel simpel: als iemand van je houdt ben je niets en nergens meer. Dan is er geen houden meer aan. Dan begint een ander leven, een heel ander verhaal, een goed verhaal, een evangelie. Geloof het of niet, maar in het evangelie is het waar: voor niets gaat de zon op. Om daarvan getuige te zijn, zijn wij hier vandaag bij elkaar gekomen.
& Moge God met ons zijn.
Jan Engelen

---

Sloten – St. Pancratius zondag 28 augustus 2016 22e zondag door het jaar
Sirach 3,17-18.20.28.29; Lucas14,1-14
Bij de voorbereiding van de dienst van vandaag begon ik me direct al te ergeren aan de eerste lezing. Dan moeten we weer bescheiden zijn, alsof wij heel de dag rondlopen en alles claimen, inpikken voor onszelf. Maar, hoe voor de hand liggend het ook lijkt op het eerste gehoor, misschien gaat de lezing daar helemaal niet over. Ik herinner me als de dag van gisteren dat ik 45 jaar geleden drie wereldberoemde geleerden opzocht n Parijs. Het waren alle drie eenvoudige, vriendelijke, belangstellende mensen. Hun warmte en nabijheid ontroert me vandaag nog. Daar is de eerste lezing op uit. God zoals we Hem kennen van Jezus, is niet iemand die zich hooghartig opdringt aan de mens, niet Iemand die je wil buigen en breken. Als wij over God denken moeten we kijken naar het kind van Kerstmis, of luisteren naar Jezus, onderweg naar Jerusalem, de mensen zeer nabij, bemoedigend, vertrouwen gevend. Wie Hem wil zien, Jezus, onderweg naar Jerusalem, krijgt veel te zien.
Jezus is in het huis van een van de leiders van de Farizeeën. Denk dan niet meteen aan schijnheiligen of stiekemerds, dat beeld klopt echt niet. De Farizeeën zijn de toegewijden, mensen als U en ik die het goed bedoelen, die wat van hun leven willen maken. Het is Sabbat. Brood eten op Sabbat, op de dag van de Heer. De Sabbat laat zien hoe weldoende God koning is. De eerste taak van de bijbelse koning is: de mensen brood geven. We horen dus niet een krantenbericht uit ongeveer het jaar nul, maar we horen een verhaal over wat er toe doet op de dag van “uw koninkrijk kome”. We horen: zij blijven hem observeren. En zie: een mens, een waterzuchtige.
In de officiële lezing wordt dit stuk weggelaten. Maar dat mag niet. Dit verhaal over Jezus op de dag des Heren, op de dag dat De Heer Koning is, vertelt ons hoe Jezus koning is, en hoe zij, die hem nauwkeurig in de gaten houden, languit over hem vallen – languit, totdat hij gevallen is onder zijn kruis.
Een waterzuchtige, dat klinkt ons vreemd in de oren. Maar U weet wat er mee bedoeld wordt want U kent het beeld van de tv. Die kindertjes met hun opgezwollen buikjes, enkel ondervoed. Met bijna holle ogen kijken ze ons aan door het tv-beeld. Het is Sabbat, de dag dat de Heer koning is, en zij observeren hem – en er is deze stakker, opgezwollen. Een en al honger – denk ook aan hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, naar het geschieden van het woord, “uw wil geschiede, zoals in de hemel zo ook op aarde.”
Wat nu. Sabbat, genezen of niet! En niemand zegt wat. Alsof dat een vraag is!
Zij rustten. Voor hen is het geen vraag nu het sabbat is. Zij zwijgen, maar hij neemt hem erbij zegt de tekst, maakt hem vrij. Zo is Jezus koning op de sabbat. Als je zoon of een rund in de put valt haal je hem eruit, erbij. En zij zeggen niets. Zij zijn met iets anders bezig heeft Jezus gezien.
Hij ziet hoe druk ze bezig zijn een goede plaats te vinden. Al U auto rijdt maakt u dat vaker mee. Voordringen, de ander wegduwen. Alsof er voor die ander geen plaats mag zijn. De wereld met al het geweld van vandaag. Met moord en brand de vele verschoppelingen van deze wereld afduwen. Voor hen mag er geen plaats zijn, vindt het geweld, terwijl hij als arme voor je staat, waterzuchtig. Voor Jezus is hij kostbaar. Hij neemt hem erbij, maakt hem vrij. Steeds opnieuw weer is dat ook het verhaal van de barmhartige vader. Wij gaan Hem ter harte. Hem, onze Vader en zijn Zoon. Amen.
Jan Engelen

 

14 augustus 2016 Badhoevedorp,
HH. Engelbewaarders
Maria ten hemelopneming

Apoc 11, 19a; 12,1-6a. 10a. Lucas 1,39-56

Inleiding
naast de kruisiging is geen bijbelverhaal zo vaak geschilderd als de engel Gabriel die Maria bezoekt. Ontelbare fresco’s uit de Renaissance en vroegbarok. Er zijn afbeeldingen waarbij de vleugels van Gabriel als een groot hemelscherm uitgespreid zijn over Maria. Ingetogen, met licht gebogen hoofd en gevouwen handen, luistert zij. Soms zie je op die schilderijen een open boek. Op een bidstoeltje uiteraard of zelfs een lessenaar, haar bijbel open. Ben Hemelsoet, een van mijn leraren zei vaker: als Maria haar bijbel niet gekend had zou ze geen woord van de engel begrepen hebben. Je vraagt je af: werd Maria alleen al daardoor “in de hemel opgenomen”? Dit gebeurt naar mijn stellige overtuiging ook met ons, wanneer de boeken van alle verhalen, wanneer “het goede boek” open gaat. Laten we bidden en zingen: Maria in de hemel opgenomen, beste mensen: weest welkom. In de naam …

Meditatie
Mystieke roos, Toren van David, Ivoren toren, Gouden huis, Ark van het verbond, Deur van de hemel, Morgenster. U moet die woorden nog kennen. Als de rozenkrans gebeden was en het profiel van de kokosmat al diep in je knieën zat werd de litanie van Maria gebeden. Daar kwamen al die woorden vandaan. Gouden huis, Ark van het verbond, Deur van de hemel. En wij herhaalden zonder ophouden “ontferm U over ons”.
Ik weet dat ik als klein jongetje – ik ben altijd een beetje verslaafd geweest aan de kerk, ik kwam er graag – dat ik als klein jongetje verbaasd was over deze woorden, onze woorden. Wij zeiden ze gewoon, hoorden ze ook gewoon. Geloven is niet zoals mensen zo vaak denken, een kwestie van overtuigingen of inzichten. Geloven is leven in een wereld van woorden, van taal. Wij horen dat, wij spreken dat, wij voelen dat, zien het, zoals hier in deze kerk. Zoals U in deze kerk het lieve gebaar van de wierook kent die opstijgt - als onze gebeden. Taal, onze taal, woorden, onze woorden. Een kwestie van ons.
Afgelopen week viel het mij op in een tv-serie. In de beroemde zestiger jaren, vlak voor de zogenaamde revoluties van de zeventiger jaren, waren de meesten mensen behoorlijk arm. Het eten was in de regel wel voldoende, maar in vergelijking met nu simpel. De kleding, meisjesjurken die eindeloos vermaakt werden. Mensen hadden niks, maar ze hadden wel elkaar. Er speelden altijd kinderen op straat. Spelletjes deed je met elkaar. Dat soort spelletjes doen de mensen nu met een loops telefoontje of een tablet. Daar hebben we elkaar niet meer voor nodig. Het “ons” is ons ontvallen. Dat hart van het geloven (credo, cor dare, je hart geven) is ons ontvallen - terwijl wij in de kerk nu net leven van ons. Denk aan onze vader, broers en zussen zijn we dan, wij samen. De kerken lopen niet leeg vanwege een soort ongeloof, maar omdat we elkaar kwijt zijn. Onze woorden, onze taal, onze vader, onze moeder. Als je niet oppast slipt alles weg.
15 augustus was een groot feest. Na al die liturgisch groene zondagen is de kerk nu feestelijk wit. Meestal was de muziek uitbundig meerstemmige, en in de kerken die dat hadden, - in mijn kerk was dat zo, - had je vier misdienaars die tegelijk onder het gloria de wierooksvaten feestelijk lieten zwaaien. Mensen brachten bloemen naar de kerk. Die werden gezegend. Gekomen is de lieve Mei … de mei was Augustus geworden met een pracht van bloemen overal. Rozen zijn nog steeds met lievelingsbloemen. Maria, rozenkrans. Rozen en doornen. Maria heeft heel wat doornen gevoeld in haar leven. Veel verdriet en zorgen van mensen waren haar ook zorg en verdriet. De mensen herkenden dat, herkennen dat nog steeds Een kaarsje aansteken als een teken van hier ben ik, een teken van hoop, een bescheid vraag als “ontferm je ook over mij”.
Maria met ziel en lichaam in de hemel opgenomen. In 1950 werd dat tot dogma verklaard. Niet katholieken in Nederland dachten daar het hunne van, maar in feite was dit het gevolg van oude tradities zeker vanaf de 4e eeuw, die zeker wisten dat de moeder van Jezus in Gods verhaal met de mensen een aparte, onvergankelijke plaats moest hebben. Dat kon niet anders. Zo menselijk was God.
De eerste lezing tekent de kerk en tekent Maria als de vrouw met de zon en de maan, met het licht en de tijden, een vrouw met haar kind, barensnood en de vreugde om dit kind, haar kind, een nieuwe mens. Geen draak doet daar uiteindelijk iets aan af. Uiteindelijk zal de onmenselijkheid niet overwinnen.
Lucas tekent Maria in dat onooglijke dorpje Nazareth thuis, overvallen door een engel met de blijde boodschap. Gedragen door Gods genegenheid zou zij Zijn Zoon, het kwetsbare Kind van God, alle ruimte geven voor zijn verhaal over God en de mensen, zijn droom, zijn koninkrijk.
Eigenlijk hoef je dan niks meer te vertellen in een preek. Dus het is klaar? Ja. Maar ik wil er toch nog iets kleins aan toevoegen. De afgelopen vijftig jaar is de geschiedenis van het Westen zich heel langzaam gaan realiseren dat vrouwen eigenlijk ook mensen zijn. Dat zij iets te zeggen hebben, dat ze iets kunnen. Emancipatie heet dat. De geschiedenis blijkt steeds het verhaal van de onderdrukten die een weg naar vrijheid vinden, krijgen, zoeken, nemen. Lucas is daarmee begonnen. De engel zegt: Wees gegroet Maria, vol van genade, de Heer is met jou. En daar schrijft Lucas: Zij ontroert bij dat woord en vraagt zich af wat de betekenis van die groet mag zijn. Daarvoor heeft Lucas het alleen over mannen gehad. Maria is de eerste vrouw. Het eerste wat zij doet is nadenken, aandachtig stil staan bij. En zij zingt bij haar nicht Elisabeth haar Magnificat. Groot is voor mij de Heer. Machtigen stoot hij van hun tronen, rijken stuurt hij heen met lege handen, de armen richt hij op. Vrijheid en bevrijding.
Dat het leven uitzonderlijk is. Ik denk dat Maria dat onvoorstelbaar duidelijk maakt.
Moge dat zo zijn.



Openingsgebed
Heer onze God,
in deze dienst van woord en communie gedenken wij met vreugde dat U Maria, de Moeder van Jezus opgenomen hebt in uw droom van vrede, het hemelse Jerusalem. Laat ons leren van haar onvoorwaardelijke trouw aan haar kind, uw zoon en geef ons iets van haar vertrouwen op U onze vader. Wij wagen het u dit te vragen omwille van uw lief kind, onze broeder, Jezus Christus onze Heer, tot in alle eeuwigheid.

Gebed bij de gaven
Heer onze God,
wij zijn hier samengekomen als Uw gemeenschap hier in Badhoevedorp rond uwe gave aan ons, Jezus Christus onze Heer. Zet ons op het spoor van uw waarheid en leer ons te leven in het voetspoor van diezelfde Jezus, onze Messias tot in eeuwigheid.

Slotgebed
Heer onze God,
U nodigt ons aan uw tafel om te delen wat Uw zoon ons geeft. Dankbaar gedenken wij Maria, zijn moeder, voor altijd bij U. Wij vragen U bewaar ons en neem ook ons op in het rijk van uw vrede. Dat vragen wij u ….

Sloten Sint Pancratius,
zondag 7 augustus 2016
19e zondag door het jaar

Wijsheid 18,6-9; Lucas 12,32-48


Inleiding
De eerste lezing van vandaag moet om te beginnen een beetje verwarrend zijn. Zo van: waar gaat het eigenlijk over? Maar dat komt omdat wij ons liever door ons zogenoemde verstand laten leiden dan door de herinnering.
Het scheppingsverhaal is voor ons het grote geheim van hoe onze geschiedenis begonnen is. We zeggen ook: ik geloof in God de almachtige vader, schepper van hemel en aarde. Onze verstand wil het begrijpen.
Maar Jezus heeft als kind van zijn tijd en zijn wereld ongetwijfeld God elke dag gedankt voor de uittocht uit de slavernij en de bevrijding uit de dood, de herinnering die ons levend houdt en die wij levend moeten houden. Over die bevrijding gaat het in de eerste lezing, de herinnering aan het paasfeest, het feest van de uittocht.
Het evangelie lijkt vandaag een makkie, maar daar ligt ook vertelstof, gedachten die we met elkaar mogen delen.
Openen we onze dienst met het teken dat ons dierbaar is. In de naam …

overweging

Beste mensen,
Als je paus Franciscus hoort praten, als je ziet hoe hij spreekt, dan merk je dat hij een mensenmens is, iemand die graag en goed naar mensen kijk en luistert. Hij is letterlijk een tijdgenoot, iemand die een eind met je oploopt, die leven met je deelt. De communie gaat ook over zoiets: Zijn leven delen. Dat begint al wanneer je in Zijn naam gedoopt wordt. Gaan delen in Zijn leven, Zijn droom, Zijn vertrouwen op God die Onze Vader is. Vrees niet, kleine kudde, want je vader heeft welbehagen jou het koninkrijk te geven. Typisch woord, typisch maar zo vertrouwd. We horen het bij Lucas voor het eerst in de Kerstnacht. Eer aan God in de hoge en vrede op aarde voor de mensen van zijn welbehagen, vrede voor de mensen want hij houdt van hen. Dat zijn woorden over de Kerststal, woorden voor ons om te bewaren, om je te herinneren.
Jezus is, en was zeker een tijdgenoot. Hij zag wat mensen zich zo druk kunnen maken over, ... ja, over wat eigenlijk. Hij noemt dat “je druk maken om beurzen die slijten”. Je druk maken voor wat door de motten aangevreten wordt of waar grijpgrage vingers op uit zijn. Maak je beurzen die niet verslijten, in schat in de hemel. Met andere woorden, een schat bij de Vader, een schat in het verborgene. Daarom, waar komt het volgens Jezus op aan: houd je lenden omgord, je lampen brandend. Maak je klaar om op weg te gaan en geef je ogen de kans om te zien, leer kijken, houdt je lampen brandend.
“Je lendenen omgord” – dat zijn woorden die direct verwijzen naar de uittocht uit de slavernij, die nacht, dat uur van waken. En die lampen, die steken we aan wanneer het duister wordt. En moet je horen hoe Jezus dat zegt in het evangelie van vandaag: “Wanneer de Heer zich losgemaakt heeft van de bruiloft en naar huis komt”, dan moet je klaar staan om hem te ontvangen. Bijna vanzelf denk ik aan het verhaal van de 5 wijze en de 5 dwaze bruidsmeisjes. De wijzen zijn voorbereid en de dwazen weten van niks, missen de bruiloft. Maar vandaag leest het evangelie dit bekende verhaal anders. Als de Heer terugkomt van zijn bruiloft dan moet je klaar staan om hem te ontvangen. Niet omdat je de boot mist, of misschien wel de boot missen, maar die boot is in het evangelie van vandaag iets waar je je ogen bij uit moet wrijven want het is alsof je droomt. Wat gebeurt er wanneer die Heer zich heeft losgemaakt van de bruiloft? De Heer zal zich omgorden, hij zal de zijnen doen aanliggen en hen bedienen. Dit is heel bijzonder om naar te horen: De Heer zal zich omgorden. Hij zal de zijnen doen aanliggen. Hij zal hen bedienen. Een Heer die de zijnen als zijn gasten ziet.
Ik denk vaker dat Lucas het evangelie van Johannes gekend heeft. Want de heer die zich omgordt en hen bedient, die de voeten van zijn leerlingen wast. Wij kennen het verhaal, we horen het elk jaar op Witte Donderdag. Het evangelie neemt ons in vertrouwen. Jezus spreekt dat uit in het evangelie van vandaag. We moeten klaar staan en onze ogen de kans geven. Het is een oud verhaal, maar het is elke dag nieuw. We kunnen attent zijn, we mogen leren hoe dat gaat, je ogen en oren gebruiken, aandacht moeten hebben voor.
Die knecht uit het tweede verhaal denkt dat het duister vooral duister moet blijven. Dan kan hij zijn gang gaan en mensen gebruiken naar zijn willekeur. Slaan, ruzie maken, gelijk hebben. Je hoeft mij niets te vertellen. Het zijn gewone woorden, het is de taal die onze tv-beelden terroriseert met het meest weerzinwekkende geweld. Laat mij mijn gang maar gaan. Ik zet de wereld wel naar mijn hand.
Het evangelie vertelt een ander verhaal. Ergens in ons leven speelt bij ons een Heer mee. Een vreemde Heer. Een Heer die zich bukt voor zijn mensen. Een Heer die laat zien dat er een ander leven mogelijk is dan ik, ikke, enz. U kent het wel. Er bestaat een leven van aandacht. Zoals Paus Franciscus blijft zeggen: een mens is een schepsel Gods, is heilig in Gods ogen, is een uitzondering, een wonder. Verkoop wat je opvreet en maak barmhartigheid. Ga niet op je strepen staan maar zet een paar stapjes terug en bekijk het eens. Zíe hoe het leven gaat dat je meemaakt. Hoe kun je in een situatie die moeilijk is een beetje hart inbrengen, een beetje doen zoals Hij zou doen van wie het evangelie over loopt.
Het is in feite leren léven met de herinnering. Als je “onze Vader” bidt, dan herinner je je zeker ook dat vader met broers en zussen te maken heeft. En: “U wil geschiede” – dat is het hartgeheim van het “onze vader”, uw welbehagen (ddar is dat woord weer uit de kerstnacht!) dat er vrede zal zijn, zoals in de hemel zo ook op aarde. Geen grote daden maar simpele dingen. Leer met Hem een beetje om je heen te zien en leer te delen met wie je tegen komt. Zoals ik dat vaak zie na de kerkdienst, dat mensen blijven staan en met elkaar praten, leven delen. Barmhartigheid, betrokkenheid, deelzaamheid moet je leren, of liever, mag je leren. Daar wil het evangelie van Lucas vandaag (in onze herberg) plaats voor maken en wij die het horen, mogen dat delen met elkaar.
Jan Engelen

Vreugdehof Amsterdam
Zondag 12 juni 2016
11e zondag door het jaar

2Samuel 12,7-10.13; Lucas 7,36-8

De eeuwen na koning David hebben altijd vol verlangen uitgezien naar een koning als David, de zoon van David. Vandaag hoorden we het laatste stukje uit een heel uitgewerkt verhaal over David. Ik vertel het U kort. Het begint onschuldig.
Koning David woont in Jerusalem, heeft een paleis en wandelt in de avondschemering op het dak van zijn paleis. Zijn ogen gaan rond en hij schrikt. Hij ziet een schoonheid zo zeldzaam dat zijn hart stilstaat of harder begint te slaan. Hij moet haar hebben en dat gebeurt.
De vrouw laat de koning later weten dat zij in verwachting is. Haar man was met het leger uitgetrokken, komt nu terug. David wil zijn gezicht redden en probeert iets te regelen zodat die man van haar gaat denken dat het zijn kind is, maar dat lukt niet. Daarom geeft hij de man, Uria, een brief mee voor de legeraanvoerder. Daarin staat: zet hem vooraan in de slag zodat hij zeker omkomt. En dat gebeurt.

Nu kan David die vrouw opnemen in het paleis.
Maar – en hier begint de lezing van vandaag – dan komt Nathan de profeet. Nathan vertelt een onschuldig verhaaltje, over een rijke man met een grote kudde en een arme man met een schaap dat alles voor hem is. Die rijke krijgt bezoek, hij pikt het schaap van de arme en zet dat zijn gast voor. Daarop schiet David uit zijn sloffen. “Wat een goorlap! Wat een gemene kerel!” En Nathan zegt: “Die kerel ben jij, koning!” En David begrijpt het meteen. Hij, de koning van Israël, maakt zich tot moordenaar van zijn trouwste onderdanen. Hij bekent schuld en gaat onmiddellijk boeten voor het kwaad dat hij gedaan heeft. Het is een geliefd verhaal. Ook in het op je nemen van het kwaad dat je doet kan een mens groot zijn. Verantwoordelijkheid nemen, dragen.

Lucas komt met een verhaal dat erop lijkt maar ook geheel anders is. Want Lucas brengt ons naar de Messias. Hij neemt ons mee aan de hand van een vrouw die iedereen kent. De gastheer betweter zegt: “Als hij een profeet is, dan moet hij toch weten wat dit voor vrouw is! Daar laat je je toch niet mee in!” Allemaal uitroeptekens. De brave burger wast zijn handen in onschuld en nodigt de Messias aan tafel. Maar weet je wat je in huis haalt als je Jezus uitnodigt om te komen eten?
Daar komt die vrouw, met haar breekbare albasten kruikje. Dat is zo’n vaasje dat licht doorlaat, transparant is. Als je een beetje beter kijkt zie je de vloeistof meebewegen met haar stappen. Ze gaat direct naar Jezus. Ik hoef het niet te herhalen. Haar tranen, haar haren, haar handen die zijn voeten zalven. En dan die veroordelende stem. Maar ook Jezus. Ook hij heeft een verhaal, blijkbaar Zijn verhaal over schuld en dát gaat over vergeven. Wie veel vergeven wordt…. Als iemand van je houd, dan weet je dat je volledig geaccepteerd wordt. “Ga in vrede”, zegt hij tegen haar. Als wij straks ook weggaan klinken die woorden na: ga in vrede.
Dat is Jezus die ons, op weg naar Jerusalem, toespreekt, die het niet laten kan en vol is van het koningschap van de hemelen, van de heel eigen manier waarop God koning is. “Uw koninkrijk kome, moge het ervan komen.” Ga in vrede. Moge dat zo zijn.
Jan Engelen

Gebed

Heer onze God, u kent ons, u komt onze zwakheid tegemoet. Help ons op te stanne wanneer dit nodig is en leer ons te gaan in het voetspoor van Uw lief kind, Uw Zoon, onze broeder onze Heer, tot in eeuwigheid.

Voorbeden
Bidden wij voor onze grote en kleine wereld.
Bidden we voor de volkeren en de mensen is al die situaties die onze wereld vormen.
Maak ons gevoelig Heer voor het licht van Uw aanwezigheid,
voor de liefde die wij met U mogen beleven.
Laat ons bidden …

Bidden we voor Uw Huis in onze wereld, de Kerk en de kerken. Maak ons gevoelig Heer voor het licht van uw aanwezigheid en voor de openheid en zorg waarmee U ons begeleid. En geef Uw kerk mensen die in de kerk uw woorden, uw vertrouwen in ons, aan ons willen doorgeven, klinken laten. Laat ons bidden …

Bidden voor de mensen met wie wij leven en met wie wij ons steeds weer verbonden voelen. Bidden we voor de mensen die ouder zijn, die jonger zijn, voor groot en klein, om levensmoed.
Bidden we voor de zieken. En geef uw vrede aan mensen die ons gedragen hebben of die ons gevormd hebben en er niet meer en die wij met eerbied gedenken.
Laat ons bidden …

Meer dan wij het kunnen zeggen bent U onze God. U troost en bemoedigt ons met het licht van uw betrokkenheid. Laat uw aandacht ons sterken van het leven van iedere dag. Dat vragen wij U omwille van Uw lief kind, Uw Zoon, onze Broeder onze Heer tot in eeuwigheid. Amen

Gebed bij de gaven
Heer onze God,
Uw gaven hier op deze altaartafel, uw zoon, het brood gebroken voor ons, toons ons uw barmhartigheid en doe ons leven in Jezus Christus, onze Heer. Amen

Slotgebed
Heer, wij mochten de heilige communie ontvangen. Wij danken U voor Uw lief Kind, Jezus Christus, onze broeder onze Heer, tot in eeuwigheid. Amen