geen mededeling
meer een tekst om te citeren en te reciteren
om langzaam maar zeker met behulp van deze woorden
om je heen te kijken.
JE
Amsterdam, 170309

 

 “Un jour,

les dieux se retirent …”

Jean-Luc Nancy
werkvertaling en klein commentaar van Jan Engelen

ter inleiding vindt U
de eerste alinea's
weergegeven.
Voor het overige zie de
oorspronkelijke uitgave.

visitatie

Wiliam Blake & Co. Edit., 2001

Un jour les dieux se retirent. D’eux-mêmes il se retirent de leur divinité, c’est-à-dire de leur présence. Ils ne s’absentent pas simplement: ils ne vont pas ailleurs, ils se retirent de leur propre présence: ils s’absentent dedans

Op een dag trekken de goden zich terug. Uit zichzelf trekken ze zich terug uit hun goddelijkheid, dat wil zeggen uit hun present zijn, hun er zijn. Zij verwijderen zich niet eenvoudigweg: ze gaan niet ergens anders naar toe. Ze trekken zich terug uit hun eigen presentie: zij verwijderen zich naar binnen toe.

Niet: hebben of zullen. Simpel: de tegenwoordige tijd van het citaat uit “La pharmacie de Platon”. Zij trekken zich terug. Dat ze goden zijn, daaruit trekken ze zich terug. Eens zijn zij geen goden meer. Waarom niet? Omdat ze geen presentie meer hebben, geen zijn dat hun tegenwoordigheid verleent. Ze zijn niet (meer of langer). Niet dat ze ergens anders heen zouden zijn gegaan. Nergens anders heen. Ze trekken zich eenvoudigweg terug uit hun er zijn, - een soort imploderen, restloos verdwijnen. Restloos? Dat zullen we nog zien. (Zoals ze vroeger uit de schaduw of uit het niet traden, zo treden zij nu niet meer terug. Ze zijn schaduw geworden zonder schaduw. Weg. Zoals wanneer het licht uitfloept.)

Ce  qui reste de leur présence, c’est ce qui reste de toute présence lorsqu’elle s’est absentée: il reste ce qu’on peut dire. Ce qu’on peut dire est ce qui reste lorsqu’on ne peut plus s’adresser à elle: ni parler, ni la toucher, ni la regarder, ni lui faire un présent.

Van hun presentie blijft dat over wat van iedere aanwezigheid over blijft wanneer zij verdwenen is: wat je er over kunt zeggen blijft over. Dat “wat je er over (curs. JE) kunt zeggen” blijft over omdat je je daar niet meer toe kunt richten. Niet meer spreken. Niet meer aanraken, er niet meer naar kijken en er tegenwoordigheid meer aan toekennen.

Toch, dat opgeslurpt worden door het niets, vanished, stelt Nancy, is niet restloos. Er is nog iets gebleven. Wat is er dan nog van over? Over is dat wat van alles over blijft dat verdwenen is: je kunt er over spreken. Je kunt er niet meer mee spreken, niet meer tot hen. Enkel over. Ze zijn geen adres mee. Ook niets meer om naar te kijken. Er is niets te zien. Je kunt hen geen heden meer aanbieden. (Dubbelzinnig: geen presentjes meer geven, niets schenken.) Je kunt er niets meer voor doen. Je kunt er enkel OVER spreken.

(Peut-être d’ailleurs les dieux se retirent-ils parce qu’on ne ait plus de présent à leur présence : plus de sacrifice, plus d’oblation, sinon par coutume et par imitation. On a autre chose à faire : écrire par exemple, calculer, commencer, légiférer. Privée de présents, la présence se retire.)

(Trouwens, misschien trekken de goden zich terug omdat we hen tegenwoordig (de present) niet meer tegenwoordig hebben: geen offer meer, ook geen offertje tenzij uit gewoonte of om na te doen. We hebben andere dingen te doen: bijvoorbeeld schrijven,  rekenen, handel drijven, wetten uitvaardigen. Zonder present(jes)/(ten) trekt de presentie zich terug.)

Hier verschuift de spot even. We kijken terzijde.
Zijlings, tussen haakjes, merkt J-LN op dat hun verdwijnen ook met ons te maken kan hebben. Waren daarnet de goden nog onderwerp van zich terugtrekken, nu gaat het er even op lijken, dat wij hun geen heden, geen presentie meer toekennen. Voor ons zijn ze er niet meer. Wij hebben geen tijd meer voor hen. Wij hebben het te druk met andere dingen. Wij zijn bezig met schrijven en rekenen, met handel en wandel (wet – de joodse halacha – wet, verordening – is afgeleid van het werkwoord dat gaan betekent).
Wij zijn niet meer bezig met het dienen van de goden, die (eerdere, nu verdwenen) goden. Wij hebben tegenwoordig nieuwe goden die geen goden meer zijn maar vaardigheden. Rekenen en schrijven, handel en wandel vullen onze tijd. Zonder aandacht (present-je) geen almacht, geen vermogen meer om te zijn.

 

Ce qu’on peut dire de la présence absentée, c’est toujours de deux choses l‘une: c’est sa vérité, ou c’est son histoire. Bien entendu, il convient que ce soit son histoire vraie. Mais parce que la présence a fui, il n’est plus certaine qu’aucune histoire d’elle soit absolument véridique: car nulle présence ne vient l’attester.

Wat je over deze absente presentie kunt zeggen is altijd van tweeën één: dat is haar waarheid, of dat wat er met haar aan de hand is (haar “geschiedenis”). Het zou uiteraard prettig zijn wanneer die geschiedenis haar ware geschiedenis is. Maar omdat die presentie op de vlucht is, kan het ook niet meer zeker zijn, of er een geschiedenis over haar is, die absoluut waarheidsgetrouw is: er is immers geen presentie die dit komt bevestigen.

Is waarheid dat wat er aan de hand is, - hoe het zit, hoe het is? Het gaat er op lijken dat "wat we nog kunnen" met die verdwenen goden, namelijk "er over spreken", in feite ook niet meer kan.
Waarom zegt J-LN dat het spreken over deze absente presentie een dilemma oplevert. Van tweeën één. En die twee zijn dan: de waarheid of het verhaal. Als hij het ware verhaal prefereert, zegt hij dan niet dat het van tweeën één, het verenigde is? De keuze die je eerder moest maken hoef je dan niet te maken. En als je het ware verhaal vertelt, dan blijft nog altijd de vraag of dat het ware verhaal is. Want het ware verhaal kan enkel geschraagd worden door de waarheid, de grond van waarheid, namelijk dat het is. Maar die goden zijn er niet meer. Ze zijn er dus ook niet meer om het verhaal te bevestigen wanneer het ter sprake komt. Geen presentie kan de waarheid van het verhaal, het heden van het verhaal, staven.

 

Wat dus overblijft wordt direct verdeeld in tweeën: wat er aan de hand is (het verhaal) en de waarheid.  Beiden hebben dezelfde oorsprong en hebben met dezelfde zaak te maken: het is dezelfde aanwezigheid die zich heeft teruggetrokken. Die terugtrekking blijkt dus de trek die beiden, geschiedenis en waarheid scheidt.

Het verhaal wordt iets als een spoorbaan. De twee staven zijn “wat geschied is”, de geschiedenis, het verhaal, - én de waarheid. Tussen die twee (in het niets tussen beide) speelt het zich terugtrekken zich af. Nu die aanwezigheid verdwijnt, zitten twee roofvogels op de rand van de verdwijnput. Beiden zijn geheel en al (verleden en nu) gebonden aan het verdwijnen van de verdwenen goden. Wat er plaats vindt, de geschiedenis - én de waarheid, worden uit elkaar gehaald van elkaar gescheiden door het zich terugtrekken van de goden.

 

Het verhaal over de acties en passies van de goden waardoorheen het ook altijd gaat over de wereld en haar gang, de mens en zijn lot, noemen we mythos. Mythos betekent iets over iets zeggen waardoor je de zaak, wat er gaande is, bekend maakt. In het latijn heet dit weten narratio. Omdat de goden teruggetrokken zijn kan hun geschiedenis niet eenvoudigweg waar zijn en kan de waarheid daarvan niet eenvoudigweg verteld worden. Wat ontbreekt is de presentie die zou kunnen getuigen voor het bestaan van wat verteld wordt, en tegelijkertijd, over de waarachtigheid van het woord dat vertelt.

Even lijkt de tekst te rusten. Een nieuw woord wordt ingevoegd. Mythos. De mythe vertelt het verhaal over het doen en de wederwaardigheid van de goden. Zo is de mythe een verhaal. In dat verhaal komen ook de wederwaardigheden van de wereld en het lot der mensen ter sprake.
De mythe is evenwel geen eenvoudig verhaal. Het getuigenis voor het verhaal en de waarheid daarvan kan niet meer gegeven worden omdat de presentie ontbreekt. Verhaal en waarheid blijven derhalve principieel ongewis.

 

Het lichaam van de goden ontbreekt: Osiris blijft in stukken gehakt, de grote Pan is dood. Het ware lichaam dat de waarheid tot uiting bracht ontbreekt: haar beeld zit onder het bloed van de offers, is doordrenkt van de wierookgeuren, of het heilige bos waarin je de bron hoorde borrelen en van waaruit ondergrondse presentie uitstroomde.

Even stokt de tekst om centraal te stellen: het lichaam, dat wat ooit was, echt was, ontbreekt. Er is geen zijn meer.

 

Het zich tot uiting brengende lichaam ontbreekt. Wat je er over kunt zeggen is wat overblijft – en wat je er over zegt (het gezegde)is onlichamelijk geworden, is de gelijke geworden van de leegte, van de plaats, van de tijd. Dat zijn de vier vormen van het onlichamelijke, dat wil zeggen van de interval waarin lichamen zich kunnen bevinden en dat dat zelf nooit een lichaam is. De interval heeft als eigenschap dat zij zich opent en zich verdeelt.

Het gezegde is niet meer gegeven, niet meer compact, (niet meer één) met het goddelijk lichaam, een gebed op zijn lippen:  het maakt zich los van zichzelf, het strekt zich uit, wordt logos (woord).

Nu het lichaam verdwenen is blijft alleen dat over wat je er over kunt zeggen, het gezegde. Waar eerst het lichaam was, is nu het gezegde: onlichamelijk. Het gezegde is gelijk aan het lege, zoals ook ruimte en tijd leegte zijn. Het niet-lichaam, de interval, de tussenrumte die gevuld was maar nu leeg, - die zelf nooit lichaam wordt, enkel woord is. De interval wordt (niet) gevuld door de ijlte van het woord.

Waar eerst de eenheid was van het lichaam (zien), de vereniging met het geziene, een gebed op de lippen, is nu niets meer dan het (uit-) gaande, ver-trekkende – woord.

 

Waarheid en vertelling gaan dus uiteen. Ze worden van elkaar gescheiden door dezelfde lijn die je ook kunt trekken naar aanleiding van het zich terugtrekken van de goden. Het lichaam van de goden blijft tussen die twee over: het blijft er als haar eigen afwezigheid. Wat blijft is het geschilderde lichaam, verbeelde lichaam, vertelde lichaam: maar het heilige van lichamen bij elkaar, lichamelijk naast en bij elkaar, is er niet meer.

Wanneer de presentie, het lichamelijk er zijn, de waarheid is, dan is de vertelling, het er over spreken, het “bij wijze van spreken”, niet waar, niet zo waar (levensecht?) als iemand die je kunt aanraken of zien. Tussen het levendig er zijn en de woorden loopt de lijn waarlangs de goden zich hebben teruggetrokken. Het afwezig zijn is over, de schildering, de poezie, het verhaal – de presentie van wat afwezig is.

 

Entre philosophie et littérature manque cet enlacement, cette embrassement, cette mêlée sacrée de l’homme au dieu, c’est à-dire à l’animal, á la plante, á la foudre et au rocher. Leur distinction en est exactement le désenlacement, le désembrassement. La mêlée ainsi démêlée est partagée par la plus tranchante des lames: mais la coupure même porte à jamais les adhérences de l’emmêlement. Entre les deux, il y a de l‘indémnable.

Tussen filosofie en literatuur vind je die verwevenheid niet, dat elkaar omarmen, dit heilig opgaan van de mens in god, dat wil zeggen in het dier, in de plant, in de bliksem en in de rots. Het onderscheiden daarvan is precies het uit elkaar halen, de omarming loslaten. Het "opgaan in" dat zo ongedaan wordt gemaakt, wordt verdeeld door het scherpst snijdende mes: maar de snede zelf draagt voortaan resten van die onderlinge verbondenheid die zijn blijven kleven. Tussen beide bestaat iets dat je niet meer beschadigen kunt.

Tussen het thematische, systematisch zich bezinnende denken, en de ambachtelijke, creatieve expressie bestaat niet de verbondenheid die je ziet tussen de mens en dat wat hem of haar heilig is, waar hij zich thuis voelt, waar hij ontzag voor heeft. Die mens is nu gesepareert van het hoe dan ook ontroerende andere, volstrekt gesepareerd. Maar aan die scheiding blijven resten kleven van de eerdere verbondenheid, resten die voortaan zullen blijven.

 

La vérité et la narration se séparent de telle sorte que c’est leur séparation qui les institue l’une et l’autre. Sans la séparation, il n’y aurait ni vérité, ni narration: il y aurait le corps divin.

Waarheid en verhaal zijn zo van elkaar gescheiden dat beiden door hun scheiding tot stand komen. Zonder scheiding zou er geen waarheid zijn, geen verhaal. Dan zou er het goddelijk lichaam zijn.

Het verdwijnen van het goddelijke creëert de taal en de waarheid. Zonder die scheiding zou er enkel de (verstrengeling met het opgaan in) het goddelijke corpus zijn. (Is het verdwijnen van de goden hetzelfde  als het verbreken van de ban, van de fascinatie? Is dat verbreken afstand nemen en zien? dus verhaal en waarheid?)

 

Het is niet enkel zo dat het verhaal bevattelijk is voor onwaarheid, of wel eens niet waar zou kunnen zijn, maar van begin af aan is het van die waarheid beroofd. Het is immers beroofd van het lichaam dat de mond is voor zijn eigen verhaal, de huid die zichzelf laat zien.

Verhaal en waarheid staan met een onverbiddelijke discrepantie tegenover elkaar. Ze kunnen niet met elkaar verzoend worden omdat het verzoenende, de mond die spreekt, de ander die je ziet, ontbreken, afwezig zijn, niet waarneembaar – onwaar.

 

Beroofd zijn (van het lichaam) is hier hetzelfde als beroofd zijn van de waarheid. De waarheid komt hier terzijde te staan, trekt zich terug, wordt iets wat niet te verbeelden is, niet te vertellen. De waarheid wordt een verdwijnpunt, een vluchtpunt, veranderdert van vorm (anamorfisch) wordt een plaats om vragen te stellen. Waarheid wordt: “Wat is waarheid?” Evenwel, het aansnijden van de vraag om zich van haar te ontdoen, blijft het vluchtpunt, het oneindige perspectief van wat van nu af aan logos, woord heet.

La narration expose des figures: elle s’invente comme la figuralité en général, ...

De vertelling brengt figuren aan het licht: ze wordt uitgevonden als de ver-beelding in het algemeen, als een tracé van lijnen waarmee je een lichaam signaleert en waarmee het zich tot een lichaam maakt, maar een tracé waarvan het niet duidelijk is of het lichaam dat het onderscheidt waar is. Het narratieve tracé laat een lichaam zien waarvan het niet duidelijk is of dit het zichtbare lichaam is.

Ou plutôt il est certain qu’il ne l’est pas: en le figurant, la narration le déclare absent. ...

Liever gezegd: het is zeker dat dit het niet (niet het lichaam) is. Door het lichaam te verbeelden verklaart het verhaal dit afwezig. De god zelf heeft hetzelfde tracé gemaakt – door dienst te doen met het masker van een jakhals, of als een druppel hars aan de zijkant van een boom – die haar gestalte tegenwoordig brengen. Maar dit tracé maakt zich los van zichzelf: het lichaam van de godheid wordt er gemis.

La  perspective de la vérité vise donc ce défaut comme le lieu de ce qu’elle désire aussi bien, mais dont elle s’emploit à montrer le défaut. ... Mais le discours de la vérité profère que cette présence est au-delà de l’être. Ce discours lui-même pousse jusqu’à cet au-delà, où il s’abîme dans une lumière excessive, éblouissement au milieu duquel s’abolit tout possible figuralité.

Het perspectief van de waarheid beoogt dus dit gebrek als de plaats van dat waar het in verlangen op uit is, maar wil daarvan laten zien dat het een gebrek is. Door te laten zien wat er aan mankeert – de figuur zelf, de imitatie, representatie, allegorie, mythologie, literatuur – zegt ze de waarheid (vergissing, illusie, droom, bedrog). Maar door zo de waarheid te zeggen zegt ze evenwel maar de halve waarheid: wat ontbreekt is de presentie achter of precies in deze figuur. Maar het spreken over de waarheid zegt dat deze aanwezigheid achter het zijn ligt. Precies dit spreken duwt door in dit achter waar het verdwijnt in de bodemloosheid van het excessieve licht, verblinding waarin iedere mogelijke figuurlijkheid verloren gaat.

 

Tussen figuur en verblinding blijft het goddelijk lichaam afwezig. Over blijft een enkel lichaam dat er niet is en waar verhaal en uitzicht op de waarheid van alle kanten aan proberen te komen. Het een beschrijft de vormen van het lichaam, de ander de inscriptie van zijn uitgraving. Tussen beschrijving en inschrijving, steeds tussen beiden uitgetrokken, heen en weer getrokken, is er enkel het geschrift, de eindeloze gravure afgedrukt in het lood van een zegel, aangebracht op de plaats van de terugtrekking. De scène speelt zich af rond een leeg graf, een loze mummie, een portret dat op niemand lijkt: rond een lichaam dat voortaan gemaakt wordt, aangedragen als een “lichaam”, dat wil zeggen als een buiten dat afwezig is.

 

Maar het is een scène en zij wordt zeer effectief gespeeld. Het is een scène van rouw en verlangen tegelijkertijd: filosofie en literatuur zijn beiden in rouw en verlangen naar de ander (de ander zelf) maar elk van beide zijn ze elkaars rivalen in het verwerkingsproces van rouw en verlangen.

 

Wanneer de rouw de overhand krijgt en zich in eindeloze verlatenheid afsluit, dan versomberen beiden in melancholie, de keel gesnoerd door het verloren lichaam. Maar dit laatste is voor de een ook en steeds weer het beeld van de ander: de filosofie wordt verstikt door onmogelijke literatuur – door een literatuur die haar eigen onmogelijkheid is. Maar ook het omgekeerde kan het geval zijn.

 

Soms begeleidt de literatuur de rouw die de filosofie ondergaat of ontkent. Soms bewaart de filosofie de rouw die de literatuur probeert weg te werken. Het gebaar van de een kan het gebeuren van de ander zijn. Ook kan een filosofisch gedicht uiting geven aan het verlangen naar de ander en gedicht worden. Zarathoustra roept uiteindelijk uit:

“Zoek ik een weg naar het geluk? Ik zoek mijn weg naar mijn werk.”

Zo kan er ook een denken zijn dat in zijn verzen zonder religie verbonden is met Venus, dat aldus, buiten de woorden om uitgeschreven is, zoals zijn lied over de natuur:

“Op de brandstapels voor anderen opgericht
legden de mensen schreeuwend die van hun eigen bloed neer, hielden de toorts er onder, bleven zij liever hun bloedige gevechten strijden dan de lijken te verlaten.” [1]

 

Het is taak de lijken (de lichamen) niet te verlaten ondanks het werk dat het misschien kost. De lichamen van de goden niet verlaten, zonder echter het verlangen terug te roepen dat zij er zouden zijn. De instantie van de waarheid niet verlaten, die van de verbeelding (figuraliteit) evenmin , zonder de afstand die je van hen scheidt met zin te vullen. De wereld niet verlaten die steeds meer wereld wordt, steeds meer trekken vertoont van afwezigheid, steeds meer tussenruimte, onlichamelijk, zonder deze te verzadigen met betekenis, openbaring, boodschap of apocalyps. De afwezigheid der goden is voorwaarde tot beiden, literatuur en filosofie, het tussen beide dat elk van beiden legitimeert, onomkeerbaar atheologisch. Maar beiden hebben de taak zorg te dragen voor het tussen beiden: het lichaam daarvan moeten zij open bewaren, zij moeten het de kans van deze opening bieden.

 

 

Pièce jointe [2]

“À votre guise”me dit La quinzaine littéraire: immédiatement je suis paralysé. Comment choisir? Rien ne s’impose à moi: aucun “sujet”. ...

“Op uw manier”, zei La quinzaine littéraire. Ik was onmiddellijk verlamd. Wat te kiezen? Niets drong zich aan me op, geen enkel onderwerp. Wat is mijn “manier”? Naar de zin van het woord betekent het: zoals ik het doe, op mijn wijze. Maar dat is niet: mijn vrije wil. De “manier” is niet de “wil”. Het verzoek of de vraag die ze aan mij voorleggen, om “op mijn manier” te schrijven, vermengt beide ideeën wellicht. Strikt genomen gaat het over een onderwerp dat ik op “mijn manier” moet behandelen. Maar als men het mij niet geeft, vind ik er geen. Mijn leven lang  weet ik niet wat willen is. Dat is min of meer een zin van Nietzsche. Jarenlang bewaar ik op mijn bureau en blad met de tekst van Seneca: Neminem mihi dabis qui sciat quomodo, quod vult, coeperit velle: non consilio adductus illo, sed impetu impactus est.”(Je kunt me niemand laten zien die weet hoe hij is begonnen te willen wat hij wil. Hij werd niet geleid door overleg maar was in de greep van iets dat hem daartoe aanzette.) In een andere brief aan Lucilius kwalificeert Seneca filosofie als bonum concilium: goed nadenken, overleg, advies. Filosofie is een goede raadgeester, maar zij geeft geen impetus, geen aanzet. Zonder aanzet kom ik tot geen onderwerp. Dat voert mij op dit moment tot het besluit, hier verder te gaan “op mijn manier”:

“Filosofie” is tegenwoordig een modewoord, koopwaar waar mensen dol op zijn. Ze zeggen dat dit komt door het gebrek aan zin dat de wereld zou hebben. Daarvandaan de zin aan concilium. Het lijkt er inderdaad op dat mensen voor alles de filosofie van de goede raad zoeken – en te koop aanbieden. Denk aan lessen, bemoediging, deugdenleer,  aanreikster van beelden, bron van oosterse of oriënterende wijsheden, altijd met de dialoog op de lippen (in de gangbare taal) en de ethiek in de hand, een krachtige verschaffer van waarden en zin.

Mais philosopher n’est en aucun façon puiser dans un réservoir de sens. Ce n’est pas combler un déficit, c’est remuer la vérité de fond en comble. Philosopher commence exactement là où le sens est interrompu. ...

Maar filosoferen is op geen enkele wijze putten uit een reservoir van zin. Het is geen aanvullen van wat ontbreekt, maar het geheel en al in beweging brengen van de waarheid. Filosoferen begint precies daar waar de zin afgebroken is. Daarmee is de zaak 27 eeuwen geleden begnnen: door een grote onderbreking van beschikbare betekenissen op de kusten van de Middellandse Zee (die betekenissen die de satus van “mythen” zouden krijgen). Dat wij vandaag de dag een nieuwe opschorting van zin kennen (denk aan signifianten als “geschiedenis”, “mens”, “gemeenschap”, “kunst”), daar is niets nieuws aan – het is enkel de opening van nieuwe mogelijkheden voor het denken, voor het woord en voor het script van het denken.

... La pensée ne s’achève pas seulement dans un éclat aveuglant, elle commence aussi par là. Entre les deux, c’est le lent crépuscule où l’effraie soulève, jusqu’à l’ aurore, ses puissantes ailes hégéliennes.

Dit nu heeft om te beginnen of om opnieuw te beginnen – wat het ononderbroken doet, steeds wezenlijk in statu nascendi (steeds op het punt om geboren te worden) - dit heeft een impetus (aanzet) nodig. Filosofie kan niet zonder élan, zelfs niet zonder een élan met geweld, dat naar voren stoot en dat ook ontwortelt: dat losrukt van de zin die zich gevestigd heeft, gesedentariseerd is, ten dele vergaan en dat je lanceert naar mogelijke zin, vooral niet gegeven, niet beschikbaar, die je moet vermoeden, verrassen door de niet vermoede maar altijd eenvoudige manier waarop zij zich aandient, nooit eenzinnig. Voordat een gevangene de grot van Plato verlaat is er enig geweld nodig: men dwingt hem zich om te keren, het licht zegent hem. Denken voltrekt zich niet enkel in een verblindende flits. Daar begint het ook. Tussen beiden is er de aarzelende schemering waar het pogen begint, tot de dagenraad komt met de machtige vleugels van Hegel.

    

Het staat vast dat we moeten denken. Niet alleen is alles het waard om opnieuw gedacht te worden, maar ook is er de pijn die dwingt te denken. Het kapitaal bijvoorbeeld. Daar kun je niet met exorcismen tegen ageren en ook geen compromissen aanreiken. Identiteit schijnt niet meer in staat te zijn om je los te maken van jezelf, om weer een verhouding tot jezelf te vinden. Of de souvereiniteit waar men niets meer van weet, behalve dan dat zij, wanneer men zich er van los maakt, een theologisch-politieke orde verschaft waar men van losgeslagen is. Zo kan ik nog een tijdje doorgaan en het lijstje van de filosofie zodanig aanvullen dat door zijn mateloos gebruik betekenisloos wordt. (En hoe gaat dit samen met de literatuur? maar – de poëzie verzet zich.)

 

Dat vraagt een elan: het is zeker niet de beweging die er op uit is zekerheid te verschaffen. Het vraagt een zich opheffen en opstaan van het denken. Dat betekent een risico en gedrang. Je kunt niet wijs genoeg zijn om te filosoferen, je moet er zelfs een beetje gek voor zijn. Niets komt dichter in de buurt van gekte als de daad “zichzelf te scheppen en zich aan zichzelf als object te geven”. Voor Hegel is dat “de vrije daad van het denken”. 

          

Concepten scheppen, de taal toetakelen, stijlen toespitsen, gaten maken in het denken, om te beginnen dat is het werk. Het is ook een feest, vergeet dat niet: niet een zaak van lampionnen maar veeleer een zaak van drift en van buiten zichzelf geslingerd worden. Het is de koorts die je buiten opdoet waar het denken zich laat belichten. Waar het niet belicht wordt verduistert het. Dat moet zonder pathos gezegd worden , sober, maar met een laatste inspanning. Uiteindelijk kan het niet zo zijn dat, om het met Artaud te zeggen, het ronken van de filsofie van het zijn het leven weer opnieuw te grazen neemt.  

 

Een werkvertaling van Jan Engelen

Amsterdam,
17 maart 2009

 



[1]

namque suos consanguineos aliena rogorum
insuper extructa ingenti clamore locabant
subdebantque faces, multo cum sanguine saepe
rixantes, potius quam corpora desererentur,…
Titus Lucretius Carus, De Rerum natura, VI, 1283-1286.  Het zesde boek eindigt plotseling met een beschrijving van de pest in Athene. De dood heeft Lucretius verhinderd een laatste hand aan het werk te leggen. (Wikepedia)

[2] Een toevoeging als antwoord op een voorstel, te schrijven “zoals U wilt”.