Corpus
Jean-Luc Nancy


Editions Métailié, Paris, (1992) 2000
www.editions-metailie.com
ISBN: 2-86424-366-0

[Vooraf:
Jacques Derrida brengt mij via Le toucher, Jean-Luc Nancy (Editions Galilee, Parijs 2000, gebaseerd op een essay uit 1992) in contact met een mij onbekend auteur en filosoof, Jean-Luc Nancy. Het lijkt de moeite waard daar tijd voor uit te trekken. Maar het is niet eenvoudig in Amsterdam iets te vinden van deze filosoof. Uiteindelijk lukt het. In 2001 kan ik Corpus kopen. Ik neem het als enig "boek" mee tijdens een korte vakantie in Tunesie.

Corpus is fascinerend en spannend, maar ik begrijp er regelmatig ook niets van. Dan maar steeds kleine stukjes lezen. Het helpt nauwelijks. Daarna stukken overschrijven, strepen zetten, meer strepen, weer andere kleuren, en de jaren verstijken. Nieuwe uitgave gekocht. In 2012 begint het boekje eindelijk iets verder open te gaan. Ik begin aan een proefvertaling. Dan moet je wel lezen, woorden zoeken en zinnen vinden.

Jean-Luc Nancy wet de taal, snijdt de beelden uit je bewustzijn. Hij dwingt zichzelf woorden te zoeken, beter te kijken, opnieuw te denken en anders op te schrijven wat hij zeggen wil. Ik wil een studievertaling op internet zetten. Dus ik ploeg de tekst weer door. Het resultaat vindt je hieronder.

Wanneer de tekst je iets doet, koop dan een exemplaar en lees de franse tekst mee. Dan lees je ook langzamer en krijgt de tekst meer ruimte.

Vind je het Frans te Frans: er is een uitgave Frans-Engels, de originele tekst links en een vertaling van Richard A.Rand ( Fordnam University Press, New York 2008) op de rechter helft van het opengeslagen boek.
Er is in 2014 ook een Duitse vertaling, uitgekomen bij Diaphanes, Zürich-Berlin. De vertaling is van Nils Hodyas en Timo Obergöker.
Jan Engelen, Amsterdam, begonnen Januari 2015]

 

Een studievertaling met summiere toelichting door Jan Engelen
Amsterdam 2015.
[...] geeft de pagina's in de oorspronkelijke uitgave aan.
(...) zijn meest
vrije, ter oriëntatie toegevoegde, verwijzingen & citaten

 

[corpus, mv. corpora, fr. Corps.
Je vertaalt als vanzelf "lichaam". Maar vergeet ook het in het Nederlands gangbare "corps" niet. Denk aan corps diplomatique, studentencorps, corpus delicti, muziekkorps. Denk ook aan hetzelfde type maar een kleinere corps (kleiner lettertype), of de body van wijn, of geen body hebben, (Van Dale: geen stevigheid of consistentie bezitten).

Denk ook aan bijv. belichamen, belichaming, hemellichamen, een lichaam in vloeistof gedompeld …, of: “… ontstaan er in je lichaam antilichamen …” Ik geef een paar citaten die de reikwijdte suggereren.

“… het bestaande corpus van klassiek Sanskriet. … het klassieke Sanskriet … slechts een eindig corpus …”
Rens Bod, De vergeten wetenschap, een geschiedenis van de humaniora, Amsterdam, Bert Baker, 2010, pp. 29-20.

“Information is the lifeblood of any criminal investigation, and if that information is contaminated then you poison the whole investigative body.”
Philip Kerr, Berlin Noir, London, Pinguin, 1993, p. 312.

"Mit jedem Traum verliert man ein Körper",
Lulu in Heimat 4.

... the Elephantine Jews were stigmatised as colonists, tools of the Persian occupiers, their social practices an anomaly, their religion a desacrating intrusion. If Persian tolleration had allowed them to flourish as their imperial stooges, the mark of native Egyptian rebellion would be to stigmatised them as occupiers, marginalise and intimidate them, to unpick and tear them out of the body of local culture.
Simon Schama, the story of the Jews, finding the words, 1000 BCA - 1492 CA, P. 24.

Mensen zijn gaan hollen, opruiend
Is het te zien hoe snel een menigte
Één enkel lichaam wordt, één brein
Dat alles haarfijn weet, het is alsof uur U ons ingeweven is,
Ons lichaam stormt al voor de bazuinen uit
Nog voor hun geschal onze oren bereikt.
Willem Jan Otten, De vlek, Amsterdam, Van Oorschot 2011, p. 24)

De postdoc onderzoeker taalkunde speelt - in nauwe samenwerking met andere onderzoekers - een belangrijke rol in de aanleg en ontsluiting van een nieuw gesproken en geschreven corpus van hedendaags Fries.
Trouw, 15 aug 2015, De verdieping, p. 20. Een advertentie van de Fryske Akademy.

Melania the Elder ... had read a body of Christian literature (mainly devoted to commentaries on the Scriptures) that was three hundred times larger than Homer's Iliad ...
Peter Brown, Through the eye of a needle, Wealth, the Fall of Rome, and the making of Christianity in the West, 350-555 AD.]

U kunt met deze stempas stemmen in al uw stemlokalen in uw gemeente of (als u in Caribisch Nederland woont) uw openbaar lichaam.
Oproep voor het raadgevend referendum op woensdag 21 maart 2018, Gemeente Amsterdam


[7]

Corpus

Hoc est enim corpus meum: wij komen uit een wereld waarin deze rituele woorden door miljoenen voorgangers in miljoenen kerkdiensten voortdurend worden uitgesproken. Mensen uit die wereld, belijdend christen of niet, (h)erkennen het. Voor katholieken heeft dit gebeuren de betekenis van consecratie – dáár is het lichaam van Christus. Anderen zien het als een symbool. Mensen die samen ook het lichaam van Christus vormen, communiceren daar mee. Tegelijkertijd is dit gebeuren ook de meest zichtbare herhaling van een hardnekkig of gesublimeerd heidendom: brood en wijn zijn als andere lichamen van andere goden, zichtbare mysteries met een zintuiglijke zekerheid. Binnen de ruimte van onze zinnen is het wellicht de herhaling bij uitstek, bijna een obsessie. Dat gaat zo ver dat "dit is mijn lichaam" ook ruimte biedt aan nogal wat grappen.

Het is ons Om mani padni …, ons Allah ill' allah …, ons Sjema Jisraeel … Maar de aanzet van deze regel geeft ook in de meest eigenlijke zin meteen al aan wat voor ons het eigenlijke verschil is: wij worden geobsedeerd door een dit. Wij willen ons ervan overtuigen dat dit, hier, is wat je niet kunt zien, wat je niet kunt aanraken, hier niet, en ergens anders ook niet – en dit is dat niet zomaar, maar als zijn lichaam. Het lichaam van dat [8] (God, zo U wilt: het absolute), en dat dit dat een lichaam heeft en een lichaam is (en daarom dat dit dat – het lichaam is, absoluut), dat houdt ons bezig. Dit is het aanwezig brengen van wat precies afwezig is: onophoudelijk hebben we het genoemd, opgeroepen, geconsacreerd, beredeneerd, genomen, gewild, absoluut gewild. Wij willen zekerheid, de volstrekte zekerheid van een KIJK HIER: kijk hier zonder meer, absoluut, kijk, hier, dit, aan de orde is hier precies hetzelfde.

Hoc est enim … is een uitdaging. Het geeft rust waar wij twijfelen over wat wij meemaken. Het geeft precies aan wat werkelijk is en geeft de werkelijkheid de waarlijk laatste touch van het pure idee: het is echt en het bestaat. We zullen we varianten blijven maken van dit soort uitspraken (zoals: ego sum, het naakt in de schilderkunst, het Sociaal Contract, de waanzin van Nietzsche, de Essays, de Zenuw-waag, "Ik ben Madame Bovary", het hoofd van Lodewijk XVI, de gravures van Vesalis of van Leonardo, de stem – castraat of sopraan, enz. – de hangende riet, de hysterica, waarlijk, dat allemaal is het weefsel waaruit wij geweven zijn … ). Hoc est enim … kan heel het corpus genereren dat wij kennen als de algemene Encyclopedie van de Westerse Wetenschappen, Kunsten en Ideeën.

Het lichaam. Kijk, dat is onze uitvinding. Wie anders ter wereld kent het?

Maar je kunt nu ook al vermoeden, welke angst hier bezworen moet worden. "Kijk hier" is dus niet zeker. Daarom moet je je er van verzekeren. Het is niet zeker of de zaak zelf daar is. Dààr, waar wij zijn, is misschien alleen maar een weerspiegeling, vliedende schaduwen. Daarom moet je er op hameren: "hoc est enim," ik zeg het je waarheidsgetrouw, en ik zeg het je: wie kan zekerder zijn over mijn aanwezigheid in vlees en bloed? Deze zekerheid zal die van jullie zijn, met dit lichaam dat jullie belichamen.” Maar de angst verdwijnt niet. Wat is dit, wie is het lichaam? Dit hier, dat ik je laat zien, is dat alles dit? heel het onbepaalde "dit" in enkelvoud en meervoud. [9] Dat allemaal? Precies, de zintuiglijke zekerheid tiert welig op de chaos en de storm waarin alle zintuigen op drift raken.

Het lichaam is de met stomheid geslagen uiteengespatte zekerheid. Niets in onze oude wereld is ons meer vertrouwd, niets is ons ook meer vreemd.

Eigen lichaam, vreemd lichaam: het eigen lichaam laat hoc est enim zien, aanraken, geeft het te eten. Het eigen lichaam, of het Eigen zelf, het Op Zich Zijn, als lichaam. Maar op dit moment en altijd, is dat wat wij zien een vreemd lichaam, een gegeven dat je onmogelijk kunt eten. Daar kom je niet uit. Je bent verstrikt geraakt in een kluwen beelden van een Christus die boven zijn ongezuurde brood droomt tot en met een Christus die uit zichzelf een trillend, bloedend hart haalt. Dit, dit … dit is steeds te veel of niet genoeg om dat te zijn.

En alle denken over het "eigen lichaam", al die omslachtige moeite om zich "als object" of "als een iets, zoiets als een ding" opnieuw toe te eigenen, al dat denken over het eigen lichaam leidt tot een serie complicaties die met elkaar samen hangen. Maar uiteindelijk leidt dit alles er alleen maar toe, dat waar het verlangen naar uit gaat te verdrijven.

De angst, het verlangen het lichaam van God te zien, aan te raken, te eten om zelf dat lichaam te zijn, en niets anders dan dat te zijn, dat vormt de grondslag van de (niet-) rede van het Westen. Daarom heeft het lichaam als lichaam, nooit een plaats gevonden, met name niet wanneer het zo genoemd wordt en aangeroepen. Het lichaam is voor ons altijd het geofferde lichaam: de hostie.

Wanneer hoc est enim corpus meum iets zegt, dan buiten het gesproken woord om. Het wordt niet gezegd, maar het wordt uitgeschreven en uitgeschreeuwd (1) – als verloren dan wel gevonden lichaam (2).

1. excrit
2. à corps perdu – naar aanleiding van choses perdus, gevonden voorwerpen.

Vreemde vreemde lichamen

Wie anders ter wereld kent zoiets als “het lichaam”? Het is het laatst ontwikkelde product, het langst gedecanteerde, geraffineerde, uit elkaar gehaalde en in elkaar gezette product van onze oude [10] cultuur. Wanneer “Occident/het Westen” ondergang betekent zoals dat in de naam tot uiting komt (1), dan is ons lichaam het laatste gewicht. Het uiteindelijke gewicht dat de doorslag geeft is in die ondergang. Het lichaam is het gewicht. De wetten van de zwaartekracht gaan over de lichamen in de ruimte. Maar voor alles heeft het lichaam gewicht in zichzelf: het is afgedaald in zichzelf. Onder die wet van zijn eigen zwaarte is het in zichzelf afgedaald tot aan het punt waar het samensmelt met zijn eigen last. Dat wil zeggen met de dikte van een gevangenismuur, of de massa samengedrukte aarde, opgehoopt op een graf, of als de afgelegde kleren waar de vorm nog in zit, of uiteindelijk, met zijn eigen specifieke gewicht van vocht en gebeente – maar steeds en vooral, belast door het gewicht van zijn val, uit een of andere ether gevallen, van een zwart paard, een slecht paard.

Van zeer hoog door het Hoogste naar beneden gestort in de bedrieglijkheid der zinnen, in het kwaad van de zonde. Onmiskenbaar rampzalige lichamen: verduisterde, koude tombe van hemellichamen. Hebben wij de hemel alleen maar uitgevonden om daar lichamen uit te laten vallen?

Geloof vooral niet dat we daar klaar mee zijn. Wij spreken niet meer over zonde. Wij hebben het over lichamen die het gered hebben, die gezond zijn, sportief, lekker. Maar wie ziet niet dat het rampzalige alleen maar ernstiger wordt: het lichaam wordt steeds meer het gevallen lichaam, mee naar beneden. En de val van het lichaam wordt steeds dreigender, angstaanjagend. "Het lichaam" is onze blootgestelde angst.

Ja, welke beschaving heeft zoiets kunnen uitvinden? Het lichaam zo naakt: het lichaam, daarom zo …

Vreemde vreemde lichamen, met zijn Yin en Yang, zijn Derde Oog, zijn Champs de Cinabre (2), zijn Oceanische ademruimte (3). Lichamen waarin gesneden is, gegraveerd, waar tekenen op zijn aangebracht, die bewerkt zijn als een microkosmos, als de sterrenhemel die niets weet van enige rampspoed. Vreemde vreemde lichamen onderworpen aan het gewicht van de eigen naaktheid, voorbestemd om zich op zichzelf te concentreren, binnen een huid vol [10] tekenen, tot waar alle zin zich terugtrekt in een niet zintuiglijke lege zin, levend uitgeleverde lichamen, puur punten van een helemaal in zichzelf uitgestort licht.

Zeker, geen van die woorden zegt iets over ons lichaam. Het lichaam van Blanken. Zij vinden dat lichaam bleek. Voortdurend staat het op het uitbreiden in plaats van in te binden. Het kent geen merktekenen is niet besneden, heeft geen littekens – dat lichaam is hun vreemder dan iets vreemds. Het is nauwelijks iets

Wij hebben het lichaam niet bloot gelegd. Wij hebben het uitgevonden. Het lichaam is dat wat naakt is. Iets anders is er niet. Het is het vreemdste van alle vreemde vreemde lichamen.

"Het lichaam" kan absoluut een naam voor een Vreemdeling zijn. Tot die conclusie heeft het denken ons wel gebracht. Ik zeg dat zonder ironie. Ik haal het Westen niet omlaag. Eerder is het zo dat ik, gegeven haar ontwortelende kracht, nauwelijks in staat ben de uiterste consequentie van dit denken in te schatten. We moeten daar overheen zien te komen. Maar laten we zeker niet doen alsof dat allemaal niet gebeurt, alsof we het naakte en bleke lichaam van God, van de Vreemdeling, niet al heel lang over dat beeld heen geprojecteerd hebben.

(Vraag in elk geval niet waarom het lichaam zoveel haat oproept.)

(Vraag in elk geval niet waarom het zo'n stijf, eng, krenterig, afstandig, geminacht woord is – en ook nog onsmakelijk, vet, zwaar, obsceen en pornoscopisch.)

(Dat woord lijkt in het denken alleen op te kunnen komen wanneer het met mooie geometrische lijntjes getekend wordt in 3 of n dimensies, met elegante dwarsdoorsneden. Maar dan hangt alles in de lucht te zweven, terwijl het lichaam toch de grond moet te raken.) [12 ]

1. Occident, het Avondland, het land waar de zon ondergaat.
2 . Champs de Cinabre: Dantian, vrij los vertaald als “Gebied van de Elixer” (wikepedia).
3 . Océan des souffles …

Ofwel het lichaam schrijven

Laat het schrijven zijn, niet over het lichaam, maar zelf het lichaam. Niet de lichamelijkheid, maar het lichaam. Niet de tekenen, de beelden, of de aanduidingen van het lichaam, maar nog steeds het lichaam. Dat was en is ongetwijfeld niet meer een programma van de moderniteit.

Van nu af aan komt het er op aan, resoluut modern te zijn. Dat is geen programma, maar noodzaak, dwingend. Het motief? Zet de televisie maar aan dan zie je het iedere dag: in een kwart of een derde van de wereld circuleren nog maar weinig lichamen (alleen maar vlees, vellen, gezichten, spieren – die lichamen zijn min of meer verborgen, opgeborgen in ziekenhuizen, kerkhoven, fabrieken, soms in bedden), en in de rest van de wereld zie je vervolgens alleen maar steeds meer lichamen, het voortdurend vermenigvuldigde lichaam (vaak hongerig, uitgeput, vermoord, niet op zijn gemak, soms met een lach, of als iemand die danst).

Zo gezien is het lichaam ook nog steeds iets dat zich op het randje bevindt, op de uiterste grens: uit de verre verte komt het naar ons toe. De horizon is de menigte lichamen die er aan komen.

Schrijven: het uiterste aanraken. Hoe moet je het lichaam dan aanraken, niet duiden of laten duiden? Je bent geneigd snel te antwoorden dat zoiets onmogelijk is. Het lichaam is niet te beschrijven. Of het is de bedoeling het lichaam aan het schrift aan te passen, zelf schrift te laten zijn (dansen, bloeden …). Je ontkomt niet aan dergelijke antwoorden– maar ze zijn er wel vlug, conventioneel, en ontoereikend. In beide gevallen gaat het er rechtstreeks of indirect om, het lichaam een aanwezig dan wel afwezig teken te laten zijn. Schrijven is niet betekenis geven. Iemand vroeg: hoe kun je het lichaam aanraken? Misschien kun je op dit "hoe?" geen antwoord geven, zoals bij een technische vraag. [13] Maar je moet in elk geval zeker zeggen: het lichaam aanraken, aan het lichaam komen, zelf aanraken – dat gebeurt altijd in schrift/schrijven (1).

Misschien gebeurt dat niet exact (2) in het schrift zo daar al een "binnen" is. Maar aan de rand, op de grens, op het punt, op het uiterste van schrift gebeurt niets anders dan dit. Schrift speelt zich af op de grens. In het schrijven gebeurt, als daar al iets gebeurt, niets anders dan dit aanraken. Meer precies (3) : het lichaam (of liever, dit of dat bepaalde lichaam) aanraken met het onlichamelijke dat "betekenis" is. Dus het gaat er over, dat wat onlichamelijk is te maken tot iets dat raakt, of, van zin iets maken dat aanraakt.

(Ik ga ook niet proberen te protesteren. Ik ga geen pleidooi houden voor zoiets twijfelachtigs als "literatuur die je raakt". Ik kan schrijven en de bouquet-reeks wel van elkaar onderscheiden, maar ik ken geen schrijven dat niet raakt. Dan is het geen schrijven dan is het een rapport of iets dat men een exposé noemt. Schrijven raakt het lichaam, essentieel.)

Maar het is helemaal niet de bedoeling de grenzen voortdurend te overschrijden, of een patroon op te roepen om in lichamen te schrijven, of onwaarschijnlijke lichamen zich tot letters te laten vlechten. Het schrift raakt het lichaam als de absolute grens die je kunt trekken tussen de zin van de een en de huid of de zenuwen van de ander. Niets gaat daar doorheen, niets gaat van de ene kant naar de andere kant. Bij uitstek is dit dat wat raakt. (Ik houd niet van Kafka’s Strafkolonie. Ik vind het verkeerd, gemakkelijk en van begin tot einde grootspraak.)

De “beschreven lichamen” – voorzien van sneden, krassen, tatoeages en littekens– zijn de kostbare, gepreserveerde lichamen, gereserveerd als de codes waar zij de glorieuze engrammen van zijn. Maar dat is uiteindelijk niet het lichaam van vandaag. Het is niet het lichaam dat we dáár, voor ons uit, geworpen hebben, en dat naakt tot ons komt, allen maar naakt, en van meet af aan uitgeschreven als alle schrift. [14]

Het uitschrijven van lichaam, precies daar moeten we beginnen, zijn buiten ingeschreven worden, zijn buiten de tekst gezet worden als de meest eigen beweging van deze tekst: de tekst die zelf nagelaten is, op de grens achter gelaten. Dit is geen “vallen” meer, hier vinden we geen boven of onder meer. Het lichaam is niet meer aan naar beneden gevallen maar het bevindt zich aan de uiterste grens, extreem, is ver weg, er is niets meer omheen. Ik zou zeggen: de ring van de besnijdenis is gebroken. Er is nog alleen de oneindige lijn, de trekken van een zelf uitgeschreven schrift dat zich vervolgens eindeloos vertakt, verdeeld over een menigte lichamen, een deellijn met alle plaatsen vandien: raakpunten, aangestipt, snijpunten, verplaatsingen.

Wij weten niet welke geschriften of uitschrijvingen zich opmaken om vanuit deze plaatsen te komen. Welke diagrammen, welke netwerken, welke topografische verplaatsingen, welke geografieën van menigten.

De tijd heeft zojuist dit lichaam geschreven en gedacht in de eindeloze afstand die het heeft tot ons lichaam. Dit laat ons van verder weg komen dan al ons denken: het ge-exposeerde lichaam van de bevolking van de wereld.

(Daarom is het nodig wat wij ons voorlopig nog helemaal niet kunnen voorstellen: dit lichaam vraagt een schrift, een eenvoudig denken.

1. Het woord écriture wordt in deze studievertaling steeds weergegeven met schrift/schrijven.
2. In deze studie wordt dit woord aangehouden omdat Derrida in Le toucher. Jean-Luc Nancy aangeeft dat dit een typisch woord voor Jean-Luc Nancy is.
3. Ook zo'n woord als in de voorafgaande noot.


Afallisch en acefaal

Spreken heeft volgens Plato het goed gebouwde lichaam van een groot dier: met kop, buik en staart. Daarom weten wij als echte oude Platonici wel en niet, wat een verhaal zonder kop of staart zou kunnen zijn, acefaal en afallisch. Wij weten [15] iets dergelijks non-sens is. Maar we weten dat ook niet: we weten niet wat we met “non-sens” aan moeten. Wij kunnen niet verder kijken dan het tipje van zin.

Wij moeten het altijd hebben van zin. Als het daar overheen gaat maken we dat we weg komen. (Plato laat ons in de steek, het heilig lichaam van God!)

Als het over “het lichaam” gaat zijn wij nergens meer. “Zin-loos” betekent voor ons niet zoiets als een zin die absurd is, het tegengestelde of een vertekening. (In het werk van Lewis Carrol zullen we niet aan het lichaam komen.) Maar het betekent: geen zin, of meer nog, een zin die niet als een of andere vorm van “zin” te benaderen is. Het is een zin die zin krijgt waar zin tegen een limiet aan loopt. Een stomme, gesloten, autistische zin. Meer precies gezegd: daar is geen autos, geen “zelf”. Het is het autisme zonder die lichaam van een autos dat het tot iets maakt, dat eindeloos minder is dan een onderwerp (1), maar dat ook een eindeloos andere zaak is, geworpen (2), niet “onder-worpen”, maar even hard, even intensief en onontkoombaar, even bijzonder (3) als een onderwerp (4).

Dus geen staart, en geen kop, want niets geeft steun of substantie aan deze materie. Ik zeg “afaal en acefaal”, ik zeg niet “anura” (5). Dat zou goed zijn voor batraciens (6). Het is een impotent en onintelligent lichaam. Zijn mogelijkheden, zijn krachten en zijn gedachten liggen ergens anders.

Maar “impotent” en “onintelligent” zijn hier impotente en onintelligente woorden. Het lichaam is niet stom of impotent. Daar heb je andere categorieën van kracht en denken voor nodig.

Welke krachten en gedachten zijn om te beginnen van toepassing op dit "dààr-ligt het" (7) dat een lichaam is? Dat achtergelaten zijn, uitgespreid en samengetrokken op de limiet van “daar”, van “hier en nu”, en van “dit”? Welke krachten, welke gedachten van hoc est enim? Daar is geen actie, geen passie [16], geen begrip of intuïtie. Welke krachten, welke gedachten – welke bedachte krachten misschien – kunnen de zo vertrouwde vreemdheid van dit dáár zijn en dit dát zijn, weergeven?

Je zou kunnen zeggen: om die vraag te beantwoorden zul je zo snel mogelijk deze pagina schrijven en spreken moeten verlaten. Daar vinden lichamen nooit plaats. Maar dat is een vergissing. Schrijven en de zogenoemde “ontologie” (8) vinden alleen maar plaats om plaats te maken voor wat hier geen plaats heeft. Artaud kan ons toeschreeuwen dat we hier niet zouden moeten zijn en dat we ons zouden moeten pijnigen en ons opofferen op brandstapels. Maar mijn antwoord zou dan zijn: het is niet echt iets anders wanneer je probeert in het heden en in de open lucht van het spreken en de plaats die we innemen, plaats te maken, een opening van en voor lichamen.

Lichamen zijn niet de “volle”, gevulde ruimten (de ruimte is overal gevuld). Zij zijn een open ruimte: dat wil in zekere zin zeggen, eigenlijk meer ruime ruimten dan ruimtelijk, of iets wat je nog een plaats zou kunnen noemen. Lichamen zijn ruimten van bestaan, en er is geen bestaan zonder plaats, zonder dààr, zonder “hier”, “kijk”, “dit”. Het lichaam als plaats is niet een open ruimte, niet leeg. Het kent geen buiten of binnen. Het heeft ook geen delen, geen totaliteit. Het kent geen functies of doeleinden. Zonder staart of kop kun je in elk opzicht (9) zeggen. Het is een huid die anders gevouwen is, anders geplooid, ontplooid, vermenigvuldigd, binnengedrongen, aangespannen, losgelaten, opgewonden, uitgebluste, vastgebonden, losgemaakte huid. Op deze en duizend andere manieren. (Hier zijn geen “a priori vormen van intuïtie”, geen “lijsten met categorieën”. Het transcendentale is hier te vinden in de onbepaalde modificatie en ruimtelijke modulatie van de huid). Hier biedt het lichaam plaats aan het bestaan.

En zeer precies: het biedt hier plaats aan het bestaan dat als essentie existentie is, dat geen essentie heeft. Daarom [17] is de ontologie van het lichaam juist de ontologie zelf, niet iets dat aan dit fenomeen voorafgaat of er onder ligt. Het lichaam is het zijn van het er zijn, van de existentie. Hoe kun je de dood meer serieus nemen? Maar ook: hoe kun je zeggen dat het bestaan niet “voor” de dood is, maar dat "de dood" zijn lichaam is. En dat is heel iets anders. “De dood” bestaat niet als een essentie waar wij toe veroordeeld zijn. Wat er is, is het lichaam, de sterfelijke verruimtelijking van het lichaam is, die (in-)schrijft (10) dat het lichaam geen essentie heeft (zelfs niet de “dood”). Het ex-ist (existeert) alleen maar.

Levenslang is het lichaam ook het lichaam van een dode, van de dode die ik al levend ben. Dood of levend, niet dood, niet levend ben ik: ouverture, graf of mond, het een en het andere ineen.

Het ontologische lichaam is nog niet gedacht.

De ontologie is nog niet gedacht als de fundamentele ontologie van het lichaam = de plaats van bestaan, of van het locale bestaan.

(“Lokaal” moet je hier niet verstaan in de zin van stukje grond, van het platteland of van en bepaald gebied. Maar meer in de meer schilderachtige zin van de couleur locale: het vibreren, de bijzondere intensiteit – het zichzelf veranderende, beweeglijke, veelvuldige – van iets dat als huid gebeurt, of van huid als plaats waar het existeren gebeurt.)

(Je zou hier het volgende aan kunnen toevoegen. De schilderkunst is de kunst van lichamen, want de schilderkunst kent alleen maar huid en is door en door huid. Een andere naam voor de couleur locale is carnatie (11).
Carnatie is de grote uitdaging waar die miljoenen geschilderde lichamen mee komen: niet de incarnatie, waar het lichaam ingeblazen wordt door de Geest, maar simpel de carnatie, het kloppen, de kleur, de frequentie en de genuanceerdheid van een plaats, van een gebeuren van bestaan. Daarom zegt Diderot dat hij jaloers is op de schilder. Die kan [18] in kleur dat benaderen, waar hij, als schrijver, niet dichterbij kan komen: een vrouw die geniet.)

 

Maar misschien is die ontologie ook niet meer exact te denken. Of beter: wat noem je denken wanneer denken betekent: het lichaam denken? Welke samenhang bijvoorbeeld bestaat er tussen dit denken en de schilderkunst? En het aanraken? En het genieten (en het lijden)?

Misschien kun je dit ontologische lichaam alleen maar denken waar het denken raakt aan dit vreemde lichaam, aan de niet denkende en niet te denken buitenkant van dit lichaam. Maar alleen dit aanraken, of zo’n aanraking is de voorwaarde om echt te denken.

Wat kop en staart heeft ontstaat niet op een plek, maar alleen op een plaats. Kop en staat vinden plaats in de lengte van een zin. En dit geheel vormt alles bij elkaar, een plaats die zin heeft. Alle plaatsen worden inbegrepen in het grote “van kop tot staart” van het Universele Dier. Maar wat zonder staart of kop is komt in die organisatie, in deze compacte uitgestrektheid niet binnen. Voor lichamen is geen plaats, niet in het spreken en niet in de materie. Lichamen wonen niet in de “geest” en niet in het “lichaam”. Zij vinden uiteindelijk als een einde plaats, als grens: grens – rand aan de buitenkant, als breuk met dat vreemde continuüm van de zin in het continuüm van de materie. Ouverture, discretie.

Ten slotte zijn zijn kop en staart dat ook: zij zijn precies het verdwijnen van de plaatsen die zin hebben, van de momenten van het organisme, van de elementen van de materie. Een lichaam is een plek die opent, die ruimte maakt, die ruimte geeft aan fallus en cephalus, die hen een plaats geeft om te gebeuren (te genieten, pijn te hebben, te denken, geboren te worden, te vrijen, lachen, niezen, beven, huilen, vergeten …) [19]

1. subject
2. Jeté non “sub-jeté”
3. singulier
4. sujet
5. Kikkers, amfibieën zonder staart
6. Soort amfibieën.
7. Dààr geworpen zijn.
8. De leer over het “zijn” van dat wat is.
9. Dans tous les sens
10 In-schrijft
11. Volgens Van Dale een term uit de schilderkunst, (de nabootsing van) de vleeskleur.

Met ander woorden: schrijven doet het lichaam

Ontologie blijkt dus eigenlijk schrift/schrijven. “Schrijven” betekent niet het laten zien of aanwijzen van een betekenis , maar schrift/schrijven is een gebaar dat zin (aan-) raakt. Een aanraken, een tact als adres. Wie schrijft raakt niet aan op de manier van ter hand nemen (van begreifen = pakken, zich meester maken van, het duitse woord voor “begrijpen”), maar raakt aan op de manier van zich wenden tot, zich sturen naar iets dat buiten is, verborgen is, iets dat zich onttrekt, iets dat uitgerold is.(1). Het aanraken zelf, en dat is precies het raken aan, is in principe ingehouden, het biedt ruimte, terzijde. Het is: wanneer het vreemde contact naderbij komt, in het contact blijft het het vreemde (in het contact vreemd blijven aan het contact: daar gaat het over bij tact, bij lichamen die aanraken).

Op deze wijze wordt schrijven een adres. Schrijven is het geadresseerde denken, gestuurd naar een lichaam, dat wil zeggen, naar iets dat je te buiten gaat, naar (wat) de/het vreemde (blijft).

Dat is niet alles. Want vanuit mijn lichaam wordt ik geadresseerd aan mijn lichaam. Of beter: vanuit lichamen wordt een schrijvend“ik” naar lichamen gestuurd. Want door mijn lichaam heb ik mijn lichaam alsof het mij vreemd is, onteigend. Het lichaam is die vreemdeling “daar”, (de plaats voor iedere vreemdeling), omdat hij hier is. Het hier in het “daar” van het hier, maakt het lichaam open, snijdt het die scheiding en maakt het die aparte ruimte, “daar”-ginds.

Het schrift/schrijven adresseert zich, (adresseert ons) van daar, naar daarginds, precies in het hier. Dat is ook geschreven in hoc est enim (want dit is): als dit niet de transsubstantiatie is (dat wil zeggen de algemeen gemaakte incarnatie, de immanentie van de absoluut bemiddelde transcendentie), dan is het de scheiding van [20] substanties of subjecten die dit alleen daar bij uitstek mogelijk maakt, niet immanent, en ook niet transcendent, maar in de dimensie of in het gebaar van het adres, maakt het ruimte (2). Zoals bijvoorbeeld de lichamen van geliefden: zij worden niet overgeleverd aan de transsubstantiatie, ze raken elkaar aan, maken hun ruimte weer eindeloos nieuw, zij maken zich los, zij adresseren zich tot elkaar.

("Schrift/schrijven" blijft een bedrieglijk woord. Wat zich zo op het lichaam-buiten richt (3), schrijft zich uit (4), als ik probeer te schrijven, precies naar dit buiten, of als dit buiten.)

“Het lichaam als ontologie” = het uitschrijven van het zijn. Naar buiten geadresseerde existentie (daar, waar daar geen adres is, geen bestemming. En toch (maar hoe?) is er een bestemming: ik, jij, wij, uiteindelijk lichamen). Ex-istentie: lichamen zijn het existeren, de act van de ex-istentie zelf, het zijn.

Aan lichamen schrijven (wat doet een schrijver anders?): het wordt naar het zijn gestuurd, of nog beter, naar het zich uitzendende zijn (wat denkt het denken (5) anders?).

Dat komt omdat wij lichamen hebben als waren wij vreemden voor onszelf. Dat heeft niets te maken met dualisme, monisme, of de fenomenologie van het lichaam. Maar het lichaam is geen substantie, geen fenomeen, geen vlees, geen betekenis. Het is het uitgeschreven zijn.

(Wanneer ik schrijf produceer ik effecten die zin hebben – ik maak plaats voor een kop, een buik, een staart - en daarmee verwijder ik mezelf van de lichamen. Maar let wel: we hebben dat zeker nodig, we hebben een eindeloze afstand nodig, een afstand die steeds opnieuw weer wordt vastgelegd vanuit dit zich verwijderen. De uitschrijving vindt plaats door het schrift – en zeker niet door extases van vlees of zin. Wij moeten dus schrijven vanuit dit lichaam dat we niet hebben en dat we evenmin zijn, maar waar het zijn wordt uitgeschreven. – Wanneer ik schrijf is mijn vreemde hand al in mijn schrijvende hand geglipt.) [21]

Daarom is het niet mogelijk zonder breuken“naar” het lichaam te schrijven, of “het” lichaam uit te schrijven, zonder omkeringen, discontinuïteiten (discreties), en evenmin zonder inconsequenties, tegenspraken en zich veranderende posities in het spreken zelf. We moeten onszelf door dit “onderwerp” heen werken. Wat dit “onderwerp” betreft heeft het woord lichaam op zichzelf die dorre hardheid (6) die de zinnen waarin het klinkt laat knakken.

Misschien is het woord lichaam bij uitstek een woord dat je niet moet gebruiken. Binnen alle taal is het misschien het ene woord te veel.

Maar dit “te veel” is tegelijk niets. Het wordt niet als teken gegeven van schreeuwende of zingende uitbarstingen die meer zijn dan taal, of door afgronden van stilzwijgen. Nee: het lichaam gaat taal volstrekt niet te boven, zeker niet. Het is een woord als elk ander, helemaal op zijn plaats (zelfs op veel mogelijk plaatsen) als alleen maar een lichte zwelling, een minimaal maar niet en nooit opnieuw geabsorbeerd uitgroeisel.

Door dit uitgroeisel hangt er altijd de dreiging van een mogelijke breuk, van het woord dat er zo maar uitbreekt, en circuleert buiten de aderen van zin waar het meestal met anderen verkeert. Een lichaam als een stuk bot, een kei, een brok, een steen die op zijn plaats valt.

Daarom heb je dus fragmenten nodig, hier meer dan overal elders. Want schrift/schrijven vindt plaats en waar het plaats vindt (of dat nu altijd en overal is, of overeenkomt met de eisen van het “genre”) is schrijven fragmentatie in overeenstemming met het voortdurend dringen van lichamen in – tegen – het schrift/schrijven. Intersectie en interruptie, waar taal zin raakt breekt alle taal uit. [22]

1. espacé
2. of het de ruimte krijgen
3. adresseert tot
4… s’excrit: (excrire/écrire) : uitgeschreven/uitgeschreeuwt
5. het denken of de gedachte
6. Lichaam: corps.


Psyché ist ausgedehnt

Het fascinerendste en wellicht (ik zeg dat zonder te overdrijven) meest beslissende woord van Freud is te vinden in een postume noot: “Psychè ist ausgedehnt: weiss nichts davon”. “De psyche is uitgebreid: weet daar niets van.” Dat betekent dat “psyche “ lichaam is, en precies dat ontgaat haar. Wat psychè ontgaat, precies dat ontgaan zelf, brengt “psyché” tot stand. Het is een vorm van zichzelf niet kennen (niet kunnen/willen).

Het lichaam of de lichamen die we in ons denken proberen aan te raken zijn precies dit: “psyche” als lichaam, uitgebreid en buiten zichzelf zijn als aanwezig zijn in de wereld. Geboorte: de ruimte krijgen, de punctualiteit verlaten, zich uitbreiden door netwerken van veelvuldige ectopieën (1) (niet alleen borsten), buiten/binnen, fort/da (2), een geografie van het onbewuste, zonder kaart of territorium, zones (genieten van vindt plaats door plaatsen). Niet toevallig heeft de topiek (3) Freud geobsedeerd: het “onbewuste” is het uitgebreid zijn van Psyche. Wat sommigen na Lacan subject noemen, is het eenmalige van een couleur locale ofwel een carnatie.

Daarom verrast het nog meer dat er psychoanalyse stromingen zijn die opstinaat, het eigen object willen ontkennen. Ze maken het lichaam “betekenend", en zien betekenis niet als iets dat overal de ruimte van lichamen afschermt. Zo’n analyse “ectopeert” (of “utopeert”) het lichaam weg van (zijn) plaats, vervluchtigt het en geeft het de waarde van een zin die niet lichamelijke is. Steeds wordt dan het voorbeeld van de hysterie opgevoerd: een van betekenis oververzadigd lichaam. Het is dan geen lichaam meer … Ik zou de hysterie eeder zien als het volstrekt parasiteren op een lichaam van een niet lichamelijke zin die zover gaat, dat het onlichamelijk verstilt. In plaats van een lichaam [22] blijkt dan een stuk(je) te zijn, een zone die geen betekenis meer heeft. (Want uiteindelijk moeten we wel weten of hysterie zich uit als een vertaling, een interpretatie, of dat hysterie zich daarentegen afspeelt op een dieper niveau, als een blokkade die bij het overdragen van zin vastzit. Een geïncarneerd spreken (4) of een lichaam dat blokkeert: wie ziet niet dat er zonder lichaam dat blokkeert zelfs geen geen sprake meer is van hysterie?)

Het hysterische lichaam is een voorbeeld in die zin, dat het op een niet houdbare limiet een puur zich op zich concentreren bevestigt, een puur op zich zijn van zijn eigen uitgebreidheid die zijn zich uitbreiden, de verruimtelijking, ontkent en verlamt. Het lichaam dat zich niet kan ontvouwen, niet kan openen. Het is subject, absolute substantie, absoluut a-signifiant (5). Deze limiet laat zien wat de waarheid van het lichaam is. Het is zijn eigen implosie. (Maar zou daartegenover dat wat zich opent en zich niet concentreert, in pijn of in genot, dat wat plaats maakt voor het passeren van de limiet en niet voor zijn eigen verharding, zou dat niet een vrolijke hysterie zijn, precies de zin als het lichaam.)

Het is niet zo dat er op de eerste plaats een betekenis, een vertaling of interpretatie is: alleen deze limiet is er, deze grens, deze contour, dit uiterste, deze eerste lijnen (schetsen), dit locale couleur-subject. Het kan zich samentrekken, zich concentreren, zich inhouden als een punt zonder uitbreiding, als centrum van zichzelf. En het kan zich ontspannen, zich uitstrekken, door passages en aanverwante zaken heen. Alleen dat kan ruimte sluiten of vrij maken voor “interpretaties”.

Ongetwijfeld zal men mij zeggen dat concentratie of extensie, en-topie of ex-topie (6) ook interpretaties zijn, en dat daarom elk lichaam al vast ligt in het netwerk van de betekenis, dat er geen “vrij lichaam” bestaat dat buiten de zin om zweeft. Mijn antwoord luidt: zin (7) gaat zelf zweven om op haar limiet te eindigen of te beginnen: [24] en deze limiet is het lichaam. Niet het lichaam als pure en eenvoudige uiterlijkheid van zin, of als iets onbekends, als intacte, onaanraakbare "materie" weggestopt in een onwaarschijnlijk gesloten transcendentie, in de meest gesloten onmiddellijkheid (dat is het karikaturaalste uiterste van wat "zintuiglijkheid” betekent in alle idealisme en alle materialisme) - dus uiteindelijk niet “het lichaam”, maar HET LICHAAM VAN DE ZIN [of DE ZIN ALS LICHAAM. (vert.)])

Het lichaam van de zin is volstrekt niet de incarnatie van de idealiteit die de “zin” zou zijn. Integendeel, het is het einde van deze idealiteit, en bijgevolg ook het einde van zin, want het keert niet langer terug naar zichzelf of slaat niet terug op zichzelf (naar een idealiteit die er “zin” aan zou geven) en zich op deze grens zou opschorten die haar meest eigenlijke "zin" schept en haar als zodanig exposeert. Het lichaam van zin of zin als lichaam exposeert deze “fundamentele” suspensie van zin (het exposeert de existentie) – die men evengoed ook het doorbreken kan noemen - de zin in precies de orde van “zin”, “betekenissen”, en “interpretaties”.

Het lichaam exposeert het doorbreken van de zin die het bestaan (de existententie) absoluut en simpel constitueert.

Daarom geven we het ook geen plaats eerder of later, niet buiten of binnen de betekenis verlenende orde – maar op de limiet. En we zullen ten slotte ook niet spreken over “het lichaam van zin”, alsof ”zin” op deze limiet nog ondersteuning of subject van wat dan ook zou kunnen zijn: maar in plaats daarvan en absoluut zullen we het noemen het lichaam als het absolute van de zin zelf, op de juiste wijze geëxposeerd (8).


Het lichaam is geen signifiant en geen signifié (9). Het is exposerend/geëxposeerd: ausgedehnt, een extensie die de doorbraak is van de existentie. Het is een extensie van het er, de plaats van een doorbreken waardoorheen het kan komen uit de wereld. Een mobiele extensie die ruimte maakt, [25] geologische en kosmologische verplaatsingen, verschuivingen, hechtingen en breuken in oercontinenten van zin, in onheuglijke tektonische platen die onder onze voeten, onze geschiedenis verschuiven. Het lichaam is het oertektonische van de zin.

(Twee soorten van “Hoc est enim …” zijn op deze wijze met elkaar verweven: het ene kent dit hoc “de zin" toe die "het lichaam” is, brengt een transsubstantiatie tot stand en maakt de zin gelijk aan de wereld als een voltooid geheel; het andere staat bloot aan de oertektonische ingraving en verplaatsing van precies dit hoc.)

1. (Ex-topos, “uit” de “plaats”, wat zich naar buiten toe verplaatst.) Dat wat naar buiten toe groeit, aangroeisel. Het woord woekering ligt voor de hand, maar iedere negatieve connotatie dient men hier te vermijden.
2. Het favoriete spel van het zeer jonge kind: koekepiet, weg …, daar is-ie weer.
3. Het vastleggen van plaatsen of instanties in het “bewustzijn”.
4. Discours incarné
5. Zonder enige betekenis te verlenen of tot stand te brengen.
6. De plaats in tegenover de plaats uit, de beweging naar binnen of de beweging naar buiten, de concentratie of de verkenning, middelpunt zoekend of middelpunt vliedend.
7. Denk eventueel ook aan “zin en zintuigen”.
8. …l’absolu du sens même proprement exposé.
9. Geen betekenis verlenende of betekenis dragende instantie.

Ego/Ik

Niet “mijn lichaam”, maar: corpus ego. “Ego” heeft enkel maar betekenis wanneer het wordt uitgesproken, tot uiting gebracht (en bij die uiting is de zin ervan precies gelijk aan de existentie: “Ego sum, ego existo”)(1). Descartes heeft scherp opgemerkt dat de waarheid van die uitspraak alles te maken heeft met de omstandigheden, met het “iedere keer weer” van dit uitspreken: “iedere keer wanneer ik het zeg of wanneer ik het merk." (Het is daarbij duidelijk dat die “conceptie” “in mijn geest” zo preciseert Descartes, gelijk staat aan dat zeggen (2). Daar is het immers een modaliteit van: het is dezelfde uitspraak.) Er kost maar een moment, een keer (3), een bescheiden hoeveelheid de ruimte de tijd geven om zich te articuleren, of daar plaats aan geven (die deze “keer”, zonder twijfel, ononderbroken plaatsvindt, alle keren, iedere tijdsruimte van het bestaan, ieder moment weer. Dat heeft niets tegenstrijdigs: het geeft eenvoudigweg aan dat bestaan bestaat op de wijze van dit zich in-houden, dit voortdurende niet-voortduren, dat wil zeggen als lichaam.) Zo zijn mond of geest in het ego van Descartes volstrekt één: altijd lichaam. Niet het lichaam van het “ego”, maar het corpus ego, “ego” dat geen “ego” is tenzij [26] wanneer het gearticuleerd wordt en zich articuleert als verruimtelijking, als de flectie dan wel de inflectie van een plaats. De uitspraak “ego” vindt niet alleen plaats. Beter is: zij is plaats. Zij bestaat alleen gelokaliseerd: ego = hier (tegelijk dislocatie: het ego wordt dáár ook neergezet, daar-ginds gedeponeerd, op afstand van de articulatie). Alle plaatsen zijn geschikt om het “ego” voor te dragen (om "zich" uit zich te stoten, opdat er een “zich” kan zijn), zolang het maar plaatsen zijn. Er bestaat niet zoiets als een atopie of utopie van het ego. Er is enkel een zich verplaatsen. Dat hoort bij het uitspreken. Dat brengt de absolute plaats te voorschijn, iedere keer absoluut ego. Hic et nunc. Hoc est enim … (4). Hier, nu, dit is de ruimte, het kloppen, het breken van de substantie van het bestaande lichaam, van het absoluut lichamelijke bestaan. Ik ben, iedere keer wanneer ik ben, de flectie van een plaats, de plooi of speling waarmee dat ik (zich) uit-spreekt. Ego sum deze ombuiging van plaats, zo en altijd zo, bijzonder (en hoevaak in "een" keer, hoeveel articulaties in “een”?), en wel dit accent, of deze toon.

Het materiële axioma, ofwel de absolute archi-tectoniek van het corpus ego houdt daarom in, dat er geen “ego” in het algemeen is. Het is er alleen maar iedere keer weer, het komt voor bij gelegenheid van een toon: een spanning, trilling, modulatie, kleur, kreet of lied. In elk geval steeds een stem. Niet een “vox significativa”, niet een betekenis verlenende orde, maar dit timbre van een plaats waar een lichaam zich exponeert, zich uit. Er is enkel een uiting nodig, niet die van twee lippen aan het einde van een reeks handelende organen, maar het zich uiten zelf, het lichaam als partes extra partes, delen buiten delen. Dat is van kop tot staart, desnoods ook als er geen staart of kop is om zich te uiten, om een ego uitgesproken te krijgen.

 

Het corpus ego heeft geen eigendom, geen “ik-heid” (en dientengevolge ook geen egoïsme). Ik-zijn is de betekenis die het ego [27] (noodzakelijk) heeft: een ego dat zich bindt aan zichzelf, dat zich bindt aan de ontbinding die "zich uiten" is, dat zich bindt aan het lichaam, dat het band van het zich om zich heen aantrekt. Ik-zijn brengt een continue ruimte tot stand, het keren van een bestaan zonder scheiding (en daarmee de gruwel van de dood …), het sluiten van zin ofwel zin als sluiting.

Het corpus-ego maakt de zin los, of het maakt deze sluiting eindeloos, een onopvallend oversteken van plaats naar plaats, van alle plaatsen. Een lichaam doorkruist alle lichamen, zoals het ook door zichzelf heen bestaat. Het is het exact omgekeerde van een wereld die uit gesloten monaden bestaat, tenzij wanneer die wereld uiteindelijk de belichaming is van de waarheid, dat de monaden in totaliteit elkaar doorkruisen en doordringen.

Ego dat zichzelf alsmaar articuleert – hoc, et hoc, et hic, et illic… – , het komen en gaan van lichamen: stem, voeding, afscheiding, geslacht, kind, lucht, water, geluid, kleur, geur, warmte, gewicht, steek, streling, bewustzijn, herinnering, bewusteloosheid, oogopslag, het te voorschijn komen, tot en met alle aanrakingen, op eindeloos veel manieren, al de tonen tot uiting brengend.

De wereld van de lichamen is de niet ondoordringbare wereld, de wereld die om te beginnen niet onderworpen is aan de wereld als het compacte (een wereld die als zodanig alleen maar gevuld is, minstens virtueel), maar als de wereld waar lichamen om te beginnen de ruimte articuleren. Lichamen zijn niet in de ruimte, maar de ruimte is in lichamen. Daarom zijn zij verruimtelijking, het uitspreiden van plaats (plaats maken).

Partes extra partes, de massieve dichtheid van het deel is hier niet ondoordringbaar. Integendeel, dat is de verwijding die het gevolg is van het extra. Een lichaam “penetreert” nooit de openheid van een ander lichaam tenzij om het te doden. (Daarom is het sexueel lexicon zo armzalig; het is alleen een lexicon van moord en doodslag.) Maar een lichaam “in” een lichaam, ego “in” ego, dat “opent” niets: dat is precies het opene dat het lichaam al eindeloos is. Precies zo heeft deze oversteek zonder penetratie plaats, [28] deze vermenging zonder zich te mengen. Liefde is raken aan wat open is.

Maar het “opene” is en kan geen “substantief” zijn. Het “extra” is niet een ander “deel” te midden van de delen, maar enkel het delen van delen. Delen, verdelen, weggaan.

1. Ik ben, ik besta.
2. Het uiten, uit-spreken.
3. Une fois.
4. Hier en nu. Want dit is … (Hoc est enim is bekend uit de latijnse liturgie: Hoc est enim corpus meum: want dit is mijn lichaam.

Alter/Ander

Ego vormt voor het lichaam, voor het komen van een lichaam ook het absoluut obstakel. Het ego-punt van een lichaam dat (zich) uit, dat wil zeggen, dat (zich) uitstrekt, vormt ook identiek, niet tegenstrijdig ook al is er een tegenstelling, een punt van extreme concentratie waar degene die zich uitstrekt en zich uit, tegelijk ook het uitgestrekte, het lichaam dat hij is, verduistert. Het uitgesproken ego distantieert zich ogenblikkelijk van het zich uitsprekende ego, precies omdat het hetzelfde is, en omdat het zo ego is: gedistantieerde identiteit, gedistantieerd geïdentificeerd, identiek aan zijn distantie. Het distantieert zich, trekt zich terug op een punt, het punt waar het tegenover zichzelf staat. Waar het corpus (zich) als ”ego” uit, voegt "ego" zich in de tegenstelling, stelt het zich er tegenover, en wordt corpus het materieel-obstakel van deze tegenstelling (en de plaats waar dit tot uiting komt). Het is de object geworden materie van het subject. Daarom is er geen “eigen lichaam” en is dat een reconstructie. Het lichaam is ofwel nog enkel het “zich uitstrekken” en dan is het te vroeg voor het “eigene”, of het is al in de greep van deze tegenstelling en dan is het te laat. Maar lichaam is nooit eigenlijk mij.

Het is altijd het “object”, lichaam-object, precies een tegen-werping, opgeworpen tegen de pretentie lichaam-subject te zijn, of subject als lichaam te zijn. Descartes heeft ook op de volgende manier gelijk: ik objectiveer me [29] mijn lichaam, vreemd ding, vreemd, uiterlijk tegenover mijn uiting (“ik”) van deze uiting zelf. Of, ook, Hegel: “de geest is een bot”. Hij zei dit naar aanleiding van een confrontatie met een menselijke schedel, dat wil zeggen: het been ontsnapt aan de geest, biedt daar weerstand tegen, is de weerstand van een tegenwerping waar je niet in binnen kunt komen, een voorwerp. (Hoc est enim corpus meum: dat is een onmogelijke toeëigening, het is zelfs precies de onmogelijkheid van de toeëigening in het algemeen. Van het “me” bestaat geen uitgebreidheid. Zodra ik uitgebreidheid is, wordt het ook overgeleverd aan anderen. Ofwel: ik ben het uitgestrekte dat ik ben, als teruggetrokkene, onttrokken, verplaatst en voorwerp geworden (ob-jecté).

Een lichaam wordt voor “mij” of voor de ander steeds van buiten af tot object gemaakt. Lichamen zijn eerst en altijd anderen – zoals de anderen altijd en eerst lichaam zijn. Steeds ken ik mijn lichaam niet, nooit zal ik mezelf als lichaam precies-daar kennen waar het “corpus ego” een zekerheid is zonder voorbehoud. De anderen daarentegen ken ik altijd als lichamen. Een ander is een lichaam omdat alleen een lichaam een ander is. Hij heeft die neus, die huidskleur, die gestalte, deze diepte, dit toegespitste. Hij weegt dit gewicht. Hij ruikt naar zijn geur. Waarom is dit lichaam zo en niet anders? Omdat het anders is - en omdat het anders-zijn bestaat in het zo-zijn, in het niet ophoudende zus en zo zijn van dit lichaam, geëxposeert tot in zijn uitersten toe. Het onuitputtelijke corpus heeft trekken van een lichaam.

De ob-jectie (1), voor-werp worden, raakt. Dit lichaam, deze trek, deze zone van dit lichaam raakt me (raakt “mijn” lichaam). Dat vindt ik prettig of onprettig, dat staat me tegen of niet, dat raakt me of laat me onverschillig, dat windt me op of dat staat me tegen. Maar het zal altijd van veel verder komen dan al het andere van de ander. Dat zal precies in het komen zelf van de ander zijn gekomen [29]. De ander zal eerst zelf van veel verder zijn gekomen, van meer afgesloten, vanuit en in een lichaam van lijnen dat hem uiteindelijk voor “zich” zal omlijnen (aflijnen) – en dat toch in Zichzelf niet te identificeren blijft: want al die lijnen zijn voor elkaar vreemd, deze arm en deze onderkin, deze haren en deze heupen, en deze stem, en dit … samen vormen ze een lichaam en tegelijk halen ze het uiteen.

En dat gaat zo door totdat helder wordt, dat “ander”, “het anders zijn van de ander”, ook niet het goede woorden zijn, maar alleen“lichamen”. De wereld waarin ik geboren word, sterf, besta, is niet de wereld van “de anderen”. Dat is ook mijn wereld. Het is de wereld van de lichamen. De wereld buiten. De wereld van buitenwerelden. De wereld van binnen en buiten, van onder en boven. De wereld van de tegenstellingen. De wereld van de ontmoeting. Een immense ontmoeting zonder ophouden: ieder lichaam, iedere massa die van een lichaam weg wordt genomen is immens, dat wil zeggen: mateloos, eindeloos te doorlopen, aan te raken, te schatten, te zien, te plaatsen, uit te stralen, te infuseren, om zich te laten wegen, om in stand te houden, weerstand te bieden, om in stand te houden als gewicht, als zicht, als gewicht dat je kunt zien.

 

Waarom is het er, het zicht? Waarom is er niet veeleer iets dat zien en horen met elkaar mengt? Maar zou het ook maar enige zin hebben om over een dergelijke vermenging te spreken? En welke zin? Waarom hebben we dit zien dat niet eens infrarood ziet? Dit horen dat het ultrasonore niet hoort? Waarom heeft iedere zin drempels en staan er muren tussen de zinnen? Sterker nog: vormen de zintuigen geen gescheiden universa? Of het uiteenvallen van iedere mogelijke wereld? Wat is de afstand tussen de zintuigen? En waarom zijn er vijf vingers? Waarom dit schoonheidsvlekje? Waarom [31] die plooi aan het einde van de lippen? Waarom die diepe rimpel, daar? Waarom die houding? Die allure?, die maat, die mateloosheid? Waarom dit lichaam, waarom dit, absoluut en exclusief?

Hoc est enim: deze wereld-hier die zich hier uitstrekt met zijn chlorofyl, zijn zonnestelsel, zijn zich altijd veranderende rotsen, zijn protonen, zijn dubbele helix van deoxyribonnucleitiden (2), zijn getal van Avogadro, zijn uiteendrijvende continenten, zijn dinosaurussen, zijn ozonlaag, de strepen van de zebra’s, het menselijke beest, de neus van Cleopatra, het aantal blaadjes aan een Margriet, het spectrum van de regenboog, de stijl van Rubens, de huis van een Python, het gezicht dat André op deze foto van 16 januari trekt, dit grassprietje, deze koe die het weg graast, de kleine beweging van de iris van het oog dat deze woorden leest, hier en nu? En waarom ook niet de zinnen waar we geen namen voor hebben, de zinnen die wij niet opmerken, of die we niet als zin opmerken, een zin voor de duur, voor de tijd die vergaat? En ook de zin voor het scheppen van ruimte door de zinnen. Of de zin voor de zuivere ex-tentie? Of ex-istentie?

1. ob-jection: tot object worden, maken
2. De dubbele streng van het DeoxiriboNucleic Acid (DNA).

 

Expeausitie / Expositie als een huid(peau)

Lichamen altijd op het punt van vertrek, altijd op het punt van bewegen, vallen, zich los maken, van plaats veranderen. (Dat is zelfs het meest simpele vertrek: het moment waarop een bepaald lichaam niet meer daar is, precies hier waar het was. Dat moment waarop het plaats maakt voor de gapende, juist ontstane lege ruimte die het zelf is. Het lichaam dat weg gaat neemt zijn eigen verruimtelijking mee, het draagt zichzelf verruimtelijkt weg. Op een of andere manier zet het zichzelf apart, verschanst het zich in zichzelf – maar tegelijkertijd laat het precies deze verruimtelijking “achter zich” – [32] zoals men dat zegt –, dat wil zeggen, op zijn plaats laat, en deze plaats blijft de zijne, absoluut intact en absoluut prijsgegeven tegelijkertijd. Hoc est enim absentia corporis et tamen corpus ipse.)

Deze verruimtelijking, dit vertrekken, is precies zijn intimiteit, het uiterste zich terugtrekken (je kunt ook zeggen: van dit onderscheid, dan wel zijn subjectiviteit). Het lichaam is zich in het weggaan als dat wat weg gaat – dat wat zich precies hier los maakt van dit hier. De intimiteit van het lichaam exposeert de zuivere aséiteit als het loslaten en weggaan van wat het is. Op zich zijn - (aséité) het op zich, het door-zich van het Subject - bestaat alleen maar in het zich los maken en weggaan van dit op (van dit a parte zich) van de plaats, van precies de instantie, het moment en de plaats zelf, van waar je aanwezig bent, je authenticiteit, je zin. Het weg van zich, juist dat wordt geëxposeerd.

“Expositie” betekent hier niet dat intimiteit losgemaakt wordt van zijn teruggetrokkenheid en naar buiten wordt gebracht, te kijk gezet. Dan zou het lichaam een expositie zijn van “zichzelf” in de zin van een vertaling, interpretatie of mise en scene. De “expositie” betekent integendeel dat de uitdrukking precies de intimiteit is en zich terug trekt. Het weg van zich is niet te vertalen, incarneert zich niet, het is wat het is: dit duizelingwekkend zich onttrekken van het zelf, dat noodzakelijk is om het oneindige zich onttrekken open te maken tot aan het zichzelf. Lichaam is dit van zichzelf weggaan naar zichzelf.

Geëxposeerd dus: maar dat is niet zichtbaar maken wat eerst onzichtbaar is, verborgen, opgesloten. Expositie is hier het zijn zelf (dat existeren wordt genoemd). Of misschien nog beter: wanneer het subject zijn de autopositie als essentie heeft, dan is dit poneren van zichzelf als zodanig hier essentieel en structureel de expositie. Auto = ex = lichaam. Lichaam is het "geëxposeerd zijn" van het zijn. [33]

Daarom vindt de expositie volstrekt niet enkel plaats als zich uitspreiden van een oppervlak. Dit uitspreiden laat zelf andere exposities zien – bijvoorbeeld de manier van partes extra partes die op bijzondere wijze aan het licht komt in de des-assemblage over “vijf zintuigen”. Een lichaam kan alleen maar zin voelen door zo uiteen te gaan, door zich zo te delen. Dat is niet het verschijnsel en ook geen rest van een “waarneming van een diep in zichzelf” verborgen ik, maar het is precies het eigene van het lichaam dat waarneemt, - een uitdrukking die in feite een tautologie is.

De een na de ander, in de ander, zelf de ander. Zo exposeren alle waarnemingen zich. Het lichaam is daarvan de discrete, veelzijdige en zich opeenstapelende verzameling. Zijn ledematen, phallus en cephalus –, zijn delen – cellen, vliezen, weefsels, uitstulpingen, woekeringen –, zijn haar, zijn zweten, zijn plooien, zijn kleur, al die plaatselijk verschillende kleuren (we zullen nooit over het racisme heen komen wanneer we niet ophouden een algemeen menselijke broederschap aan te prijzen in plaats van een verbinding te maken een het vaststellen en bevestigen van de dis-locatie (het zich uitbreiden) van onze rassen en kenmerken, zwart, geel, wit, met kroeshaar en een platte neus, met dikke onderlippen, dik, behaard, meer vettig, spits, krom, hoekig, knokig, vooruitstekend, met een haviksneus, of met opgetrokken wenkbrauwen, met iets van muskus). Overal, van lichamen naar lichamen, van plaats naar plaats, van plaatsen waar lichamen zich ophouden in zones en gebieden van het lichaam, overal zien we dat grillige zich ontbinden van dat wat je een lichaam meent te kunnen noemen. Overal zie je decompositie. Dat kun je niet beperken tot een puur en niet geëxponeerd zelf (dood), tot in de uiterste verrotting, ja die ook dáár nog – hoezeer dat ook niet te verdragen is – maakt het duidelijk hoe onwaarschijnlijk een materiële vrijheid is die geen ruimte laat voor een continuüm aan tinten, uitingen, klanken en lijnen, die integendeel een zich uitzaaiend en zich eindeloos vernieuwend uitbreken is van elke oorspronkelijk verzameling en een ontkoppeling van cellen waardoor juist "een lichaam” geboren wordt.

Alle lichamen nemen deel aan dit doorbreken, aan dit uit elkaar gaan van lichamen in alle lichamen, en de materiële vrijheid – de materie als vrijheid – is niet die van een gebaar, en nog minder die van een vrijwillige daad. Zij is ook de vrijheid van de twee nuances die mica heeft of van de miljoenen schelpen die allemaal verschillend zijn, en het niet eindigende zich uitbreiden van een principium individuationis waardoor individuen zichzelf alsmaar blijven individueren, uit zichzelf altijd weer meer anders zijn, en dus altijd weer meer op elkaar gaan lijken en door elkaar te vervangen zijn, maar nooit tot substanties bijeenbrengt, zonder dat die substanties, voor zij iets draagt (sub-stare, er onder staan) - noch een zich, noch een ander, - hier ge-exposeerd te zijn, in de wereld.

(Toegegeven: de hele “filosofie van de natuur” moet overgedaan worden wanneer we “natuur” moeten gaan denken als de expositie van lichamen).

(Dat betekent: vrijheid.)

 

Denken

In het denken over het lichaam dwingt het lichaam het denken altijd verder, altijd te ver: te ver om nog denken te zijn, maar nooit ver genoeg om lichaam te worden.
Daarom heeft het ook geen zin om los van elkaar over lichaam en denken te spreken, alsof ze voor zichzelf een eigen substantie zouden hebben: ze zijn enkel hun elkaar aanraken, een aanraken dat bij elkaar en in elkaar inbreken is. Dit aanraken is de grens, daar krijgt het bestaan de ruimte. Dit aanraken heeft ook een naam. Het heet “genieten” en “pijn” of “moeite”. Deze naam geeft waarschijnlijk alleen de rand aan van ieder betekenis – [35] grens en beginpunt van de ruimte. Het heeft geen betekenis. Het laat de combinatie zien van deze vier woorden: lichaam-denken-genieten-pijn. Deze figuren raken allemaal die ene en zelfde plek aan die deze vier distribueren.

Deze combinatie of distributie heeft ook nog een naam: “sex". Dat is geen naam voor iets, wat dan ook, dat geëxponeerd wordt: het is de naam voor het aanraken aan de expositie zelf.

“Sex" raakt aan wat niet aan te raken is. Het is de naam die oplicht (1) voor het lichaam, een naam die om te beginnen lichamen alleen maar benoemt door lichamen de ruimte te geven die overeenkomt met het oplichten van deze toegevoegde esthesie (2): de seksen. Deze seksen zelf zijn niet te tellen of te benoemen. “Twee” is hier alleen maar een aanduiding voor wat op vele manieren uiteengaat en plaats vindt. “Mijn” sekse is niet een deel buiten andere delen. Het is het discrete, toevallige, eventuele contact van zones van “mijn” lichaam als lichaam naast andere lichamen – terwijl mijn lichaam de ander wordt, om het aan te raken en om aangeraakt te worden, dus hetzelfde wordt, absoluter en meer apart dan ooit, steeds meer geïdentificeerd als een plaats van aanraken (van wat uitgestrekt is), van (a)fallus tot (a)cephalos, een uitgestrekt lichaam, gelijk, veelvormig, met gebieden, schaduw en aanraking. "Vrouw" of “man” kunnen we dit niet noemen. Wat we ook van deze namen vinden, ze houden zich te veel op tussen fantasieën en functies, terwijl het hier precies niet over deze zaken gaat. Het is dus beter om te zeggen: een onderscheiden/niet te onderscheiden lichaam, indiscreet/discreet, een geslachtelijk lichaam dat oplicht, en van het ene lichaam naar het andere glijdt, tot aan het intieme toe, werkelijk oplichtend waar zij hun afstaan van elkaar aanraken.

Hieruit volgen enkele konsekwenties: de wet van de minste aanraking of oogopslag als de maximale intensiteit van genieten; de wet van de grootste oppervlakkigheid, waar namelijk het lichaam absoluut de waarde heeft van huid, [36] zonder iets dat ruimte biedt aan organen of penetratie (geslachtelijke lichamen zijn onkwetsbaar, zijn eeuwig); de wet die daarmee samenhangt, die zegt dat er geen sexe is (wanneer we doelgerichte operaties in een laboratorium buiten beschouwing laten) zonder een minimum aan liefde, ook al is dat maar oneindig weinig (en wordt het vrijwillig ontkend), en dat er geen liefde is zonder geslachtelijkheid, ook al kan men dit niet waarnemen; en te slotte sexualiteit als wet, waar de gebiedende wijs van aanraken, vrijen, – instinct of “libido” geen rekenschap over af kan leggen. Want deze imperatief is niet uit op een object, noch groot, noch klein, noch op zichzelf, noch op een kind. Het is enkel uit op de vreugde of de pijn van een zich(zelf) raken. (Misschien beter: van een zich-blijven, of van een zich worden zonder weer bij zichzelf uit te komen. In het hart van deze dialectiek is het orgasme een diastole zonder systole: dat hart is het lichaam.

Zich jou (en niet “zich”) voelen raken – of, wat hetzelfde is, zich huid (en niet een “zich”) voelen raken: dat denken dwingt het lichaam steeds verder, steeds te ver. In waarheid dwingt het denken hier zichzelf, het maakt zich los van waar het was: want alle gewicht, heel de zwaarte van het denken – dat zelf wegen is, is uit op niets anders dan instemmen met en opgaan in het lichaam zijn. (Instemmen buiten adem.)

(1) le nom-éclat.
(2) waarneming, wijze van zien.


Wat komt, een wereld van lichamen

Er was cosmos, de wereld van dplaatsen die verdeeld waren en aan of door de goden gegeven waren. Er was res extensa, een natuurlijke cartografie van plaatsen zonder einde en degene die daarover meester was, ingenieur, conquistador, luitenant, plaatsbekleder en plaatsvervanger van goeden die verdwenen waren. Wat nu komt is de mundus corpus, een wereld als het voortwoekerend bevolken van de plaatsen (van) het lichaam.

Wat komt is volstrekt niet het kleine verhaal van wat schijnbaar is of van een spektakel (een wereld van verschijningen, [37] offers en fantasieën, zonder vlees, zonder presentie). Dit zwakke verhaal is niets anders dan het christelijk spreken over de transsubstantiatie waar de substantie (en ongetwijfeld ook het christelijke…) alleen maar uit weggehaald is. Een vervallen taal: lichamen beginnen daar overheen te gaan. Er komt een heel andere versie, een volstrekt andere articulatie van hoc est enim …

Het is op de eerste plaats niets anders zijn, niets meer dan dit: dat wat beelden ons laten zien komt. Miljarden beelden laten ons miljarden lichamen zien – nooit eerder zijn beelden zo vertoond. Menigten, massa’s, vermengingen, pakketten, colonnes, troepen, woekeringen, legers, benden, kluwen, paniek, rijen, optochten, botsingen, massamoorden, massagraven, gemeenschappen, verstrooiingen, een te veel, een stortvloed aan lichamen die allemaal tegelijk op dezelfde plaats zijn en versplinterd uiteen gaan, altijd te hoop lopen (in straten, bouwprojecten, megapolen, voorsteden, kruispunten, plaatsen die bewaakt worden, plaatsen waar gehandeld wordt, zorg verleend, waar men kan vergeten), altijd prijsgegeven aan de stochastische (1) verwarring van dezelfde plaatsen, aan het structurerende ageren van een onophoudelijk algemeen weggaan. Het is de wereld van een mondiaal vertrekken, de ruimte van partes extra partes zonder dat iets daarboven of daaronder, zonder Subject als bestemming vindt het enkel plaats geweldige druk van lichamen.

Deze wereld die al onze wereld is, is een wereld van lichamen, want zij heeft en ze is precies de densiteit van de ruimte, oftewel, de densiteit en intensiteit van de plaats. Die densiteit onderscheidt haar van een opeengestapeld universum (met z’n atomen, structuren, platen, publieke ruimten zonder publiek), en van een uiteenspattende economie (met z’n zielen, bestemmingen, behoeften, publieke ruimten zonder ruimte). Opeenstapelen en uiteenspatten lijken de erkende vormen van het menselijk bedrijf in het algemeen (of van de “mens” in het algemeen, als soort). Het zijn de vormen die de wereld, de verdichting van lichamen, afgrenzen en doorkruisen. In zekere zin horen zij bij die wereld. Tegelijkertijd blijven zij niet-eigen, onttrekken zij zich aan de greep, aan het zicht, aan de pijn. Zij, de wereld, is de wereld van de toe-eigening van het eigene: een wereld die niet algemeen is, een wereld die niet ter beschikking van de “mensheid” staat maar van ieder van haar lichamen afzonderlijk. Niet generaal maar mondiaal.

De wereld die op ons af komt is de dichte en zware wereld, een wereld die wereldwijd niet meer naar een andere wereld verwijst of naar een buitenwereld, die ook niet meer “internationaal” is maar al iets anders, die ook geen wereld van verschijnselen of van verwachtingen is. Uiteindelijk is zij wereld, dat wil zeggen: een eigen plaats voor reële extensies, voor de (ver)ruimte(lijking) van onze lichamen, voor alles waarin ons bestaan zich verdeelt en voor al het onverzettelijke waar het zich tegen verzet. Een eigen plaats, of beter, een eigenheid van plaats die uiteindelijk het uitgebreid zijn van het lichaam toekomt. Misschien waren er tot nu toe nog geen lichamen, of misschien werd hen het eigendom van een plaats nog nooit toegekend (het zijn als eigendom, absoluut. Het plaats vinden van het bestaan). En misschien moest men wel dit uiterste van het Avondland bereiken, deze uiterste spanning en uitstrekking – planetair, galactisch, kosmisch: onze verruimtelijking heeft de kosmos bereikt, doorkruist – om zo uit te komen bij de plaats/plek. (Opdat de niet-plaats, of de onderwereld, de grot van Plato, zich het locale karakter toe-eigent, en zich dat absoluut toe-eigent.)

(Ik zeg: "uiteindelijk”, “tot nu toe” en “misschien was het wel nodig" en daarmee doe ik een beroep of geschiedenis, op een proces en zelfs op een [39] doelgerichtheid. Maar dat moeten we vermijden. We moeten alleen maar zeggen: nu, zo is het, kijk naar hier en nu. Dit klemt te meer omdat een doel (-einde) een punctuele concentratie is – en in die zin kan de verruimtelijking van lichamen geen doel zijn. Het is een doel op een andere manier: als een grens, als het traceren en uittekenen van lichamen. Maar het blijft waar dat er ook iets gebeurt: want het blijft waar dat de grot van Plato waar het Avondland geboren wordt, ook een unieke en exclusieve locatie – of dislocatie – is van de wereld. Wij kunnen niet niet denken, niet ervaren, dat wij ons hebben bestemd tot de plaats. Maar we kunnen evenmin ontkennen dat de op handen zijnde geschiedenis die aan het komen is, - want zij is komende - ook bedoelingen en doelstellingen uit elkaar speelt en uitdaagt. Zoals ze komt, zo maakt ze ook plaats. We zullen de tijd moeten gaan denken als verruimtelijking, dat wil zeggen: de tijd als een lichaam …).

(1) Een stochastisch proces is een opeenvolging van toevallige uitkomsten. In tegenstelling tot een deterministisch proces zijn de uitkomsten niet van tevoren bekend. (Wikipedia)

Arealiteit.

“Arealiteit” is een verouderd woord. Het betekent de natuur, of dat wat aan een omgeving (area) eigen is. Toevallig kan het woord ook dienen om een “gebrek aan realiteit” aan te geven, een ingehouden, zwakke, uitgestelde realiteit: uitsparing als aanduiding van de plaats waar een lichaam is, of een deel van het lichaam. Zo gezien is de arealiteit uiteindelijk een gebrek aan fundering, aan substantie, aan materie of subject. Maar dit gebrek aan realiteit is precies het reële areaal waar zich wat we eerder het architectonische van het lichaam noemden articuleert en zich voltrekt. In die zin is arealiteit het ens realissimum, het maximale vermogen om te bestaan in de totale extensie van zijn horizon, Eenvoudig gezegd: het reële als areaal verenigt het oneindige van het maximale bestaan (“quo magis cogitari non potest” (1)) met het absoluut eindige van de areale horizon. [40]

Deze “vereniging” is geen middeling: wat lichaam betekent, of wat lichaam wil zeggen en te denken geeft, is precies dit dat hier geen bemiddeling bestaat. Het eindige en het oneindige gaan niet over in elkaar, ze gaan geen dialectiek aan met elkaar, sublimeren de plaats niet tot een punt en concentreren de arealiteit niet tot een substraat. Dat is wat lichaam hier betekent, maar dit betekenen is van nu af aan onttrokken aan een betekenis verlenende dialectiek: een lichaam kan geen reële zin hebben buiten zijn areale horizon om. “Lichaam”moet hier daarom precies de zin hebben van uitgestrekt, uitgebreid. De uitbreiding van het woord lichaam is daarbij zelfs mede inbegrepen. … Deze betekenis verlenende situatie (als je dit zo nog kunt noemen) is niet te accepteren en helpt ons gesprek niet verder. Maar dit is de reële/areale voorwaarde van elke mogelijke zin voor een wereld die uit lichamen bestaat.

Daarom moet het lichaam zijn als een “denken” met of zonder etymologie (2), een reëel gewicht zijn, dat wil zeggen een raken dat geplooid of ontplooid is als arealiteit.

(1) En het is niet mogelijk iets te denken dat groter is
(2) pensée, pesée

vervolg

home