E.Levinas, La trace de l'Autre (§1)


Het spoor van de ander

De ander : een spoor.

Het spoor : de ander

The Cambridge Companion to Levinas Edited by Simon Critchley, Robert Bernasconi, 2002.

 

Werkvertaling en toelichting door Jan Engelen

Begonnen in mei 2004
revisie 13 juni 2004

1.    L’être et le même
1. Het zijn en het zelf

 

Le Moi est l'identification par excellence, l'origine du phénomène même de l'identité. L'identité du Moi n'est pas, en effet, la permanence d'une qualité inaltérable. Je suis moi-même non pas à cause de tel ou tel trait de caractère que j'identifie au préalable pour me retrouver le même. C'est parce que je suis d'emblée le même ‑ me ipseune ipséitéque je peux identifier tout objet, tout trait de caractère et tout être.

Het Ik is bij uitstek identificatie. Het is zelfs de oorsprong van het verschijnsel identiteit. De identiteit van het Ik is inderdaad niet een niet veranderende hoedanigheid die voortduurt. Ik ben niet mezelf dank zij een of andere kenmerk dat mij op voorhand met mijzelf identificeert ik waardoor ik mij als dezelfde terug kan vinden. Omdat ik van begin af aan het zelf ben – me ipse (ik in eigen persoon) – een « ipseïteit », daarom kan ik ieder object identificeren, ieder kenmerk, ieder zijn.

De tekst moet onschuldig beginnen: Er is om te beginnen niets bijzonders aan de hand. Om mezelf te herkennen heb ik niet iets van buiten mezelf nodig. Ik hoef me niet aan de hand van een of ander kenmerk met mezelf te identificeren. Ik identificeer me met mezelf. Zó bén ik. Zo, mezelf zijnd, on-middel-lijk, identificeer ik ieder ding, ieder object, alles wat anders is

Mijn me identificeren met mezelf betekent automatisch, natuurlijk, dat alles, het andere er is. Ik beschik over wat voorhanden is, mijn wereld en alles daarin - voor zover ik weet of kan. De wereld als maakbaar. Ik ben centrum en spil van mijn universum.
Maar is dat niet de wereld van een zwaar verwend of bijna autistisch kind? Alvorens daarop in te gaan wil Levinas eerst het identificeren meer aanscherpen, vullen, profileren. Wat is dat zich identificeren met zichzelf? Hoe voltrekt het zich?

Cette identification n'est pas une simple « redite » de soi: le « A est A » du Moi, c'est le « A anxieux pour A » ou le « A jouissant de A », toujours le « A tendu sur A ». Le hors du moi le sollicite dans le besoin: le hors du moi est pour moi. La tautologie de l'ipséité est un égoïsme.  Deze identificatie is niet een simpele "heruitgave" van zichzelf: Het "A is A" van mij. Het is: "A dat bezorgd is voor A", of het " A dat van A geniet". Het is. Altijd "A gericht op A". Het buiten mij zoekt het in de behoefte: wat buiten mij is is voor mij. De tautologie van de ipséïteit is een egoïsme.

 

Met andere woorden: zich identificeren met zichzelf is niet neutraal, niet on-betrokken, onpartijdig, objectief als zoiets bestaat. Het ik is altijd op zichzelf betrokken, emotioneel en affectief ingekleurd door wat aan mijn behoefte tegemoet komt, appetijtelijk is, - subjectief. Dat wil niet zeggen dat het ik niet objectief zou zijn in de zin van "gericht op een object". Een uitspraak als: “Ik zie een fiets” kan best een objectieve uitspraak zijn. De fiets kan best  een objectief gegeven zijn. Levinas zegt in de tweede alinea enkel: wanneer ik een fiets zie, dan zie ik die. Terwijl ik “dat  daar” zie, zie ik "hier". Ook al laat iets me verder koud: het speelt zich voor mijn ogen af. Levinas zal daar nu op in gaan.
( Misschien moet je iedere zin twee keer lezen. De woorden kunnen dan meer hun eigenzinnige richting gaan.)

La connaissance vraie le Moi « laisse faire » et laisse luire un être étranger, n'interrompt pas cette identification originelle, n'attire pas sans retour le Moi hors de lui‑même. L'être entre dans la sphère de la connaissance vraie. En devenant thème, il conserve certes une étrangeté à l'égard du penseur qui l'embrasse. Mais il cesse aussitôt de heurter la pensée. Cet étranger se naturalise, en quelque façon, dès qu'il se commet avec la connaissance. En soi ‑et, par conséquent, ailleurs que dans la pensée, autre qu'elleil n'a pas la (262) barbarie sauvage de l'altérité. Il a un sens. L'être se propage en images infinies qui en émanent, se dilatant ainsi par une espèce d'ubiquité pour pénétrer dans les intérieurs des hommes. Il se montre et rayonne, comme si la plénitude même de son altérité débordait le mystère qui le recèle, pour se produire. Pour avoir étonné le Moi, l'être dans la vérité n'altère pas l'identité du Moi. L'abscondité dont il vient se promet à la recherche. Elle s'ouvre ainsi comme un avenir dont la nuit n'est que l'opacité produite par l'épaisseur des transparences superposées. La mémoire replace le passé lui‑même dans cet avenir s'aventure la recherche et l'interprétation historique. Les traces du passé irréversible sont prises pour des signes qui assurent la découverte et l'unité d'un Monde. La priorité de l'avenir parmi les « extases » du temps constitue la connaissance en tant que compréhension de l'être. Cette priorité atteste l'adéquation de l'Être à la Pensée. L'idée de l'être par laquelle les philosophes interprètent l'étrangeté irréductible du Non‑Moi, est ainsi à la mesure du Même. C'est l'idée, de soi, adéquate. 

Het ware kennen, wanneer ik het andere kan zijn “gang" kan "laten gaan”, waarin het vreemde mag op kan lichten, betekent niet een onderbreking van dit oorspronkelijke zich identificeren met zichzelf. Het ware kennen trekt het ik niet buiten zichzelf zonder het terug te laten keren tot zichzelf. Het zijn komt binnen in de sfeer van het ware kennen. Terwijl het een thema wordt, bewaart het zeker zijn vreemdheid tegenover de denker die het omarmt, het terstond is. Het niet meer aanstootgevend voor het denken. Op een of andere manier wordt dit vreemde genaturaliseerd zodra het opgaat in het kennen. Op zich – en bijgevolg elders dan in het denken dat anders is dan dit denken - bestaat de wilde barbarij van het anders zijn niet. Het heeft een zin. Het zijn verspreidt zich in een niet eindigende serie beelden die er uit oprijzen. Met een soort alomtegenwoordigheid penetreert het zijn het interieur van de mensen. Het laat zich zien en straalt alsof precies dat bovenmatige dat het anders is, het geheim dat iets zich zou onttrekken, ter zijde geschoven dient te worden om te voorschijn te kunnen komen. Om Mij te verwonderen verandert het het in de waarheid zijn, het ik als identiteit niet. De verborgenheid waaruit het voorschijn komt is alleen maar een belofte. Dat kunnen we gaan onderzoeken. Het verborgene opent dus de toekomst. De nacht is alleen maar niet transparant omdat wat helder en voor de hand liggend, nog niet is ontward. Het geheugen vervangt het verleden door een toekomst waarin onderzoek en historische interpretatie zich aftekenen als een avontuur. Sporen van een onomkeerbaar verleden worden beschouwd als tekenen die zeker zullen leiden tot de ontdekking en de eenheid van een Wereld. In de “extasen” van de tijd heeft de toekomst voorrang. Zij leidt tot kennis als begrip van het zijn. Deze voorrang laat zien dat Zijn en Denken hetzelfde zijn. De idee "zijn" waarmee filosofen de onherleidbare vreemdheid van het Niet-Ik interpreteren, wordt derhalve gemeten met de maat van het zelf. Dat is de idee, zelf, adequaat.

Een beetje pittige alinea. Toch is de kern tamelijk eenvoudig. Het andere is. Dat de/het andere er is, maakt het mij wezenlijk vertrouwd. Omdat het is zoals ik ben, herken ik het. Het anders zijn van het andere, dat het vreemd is, onbekend, dat is maar voorlopig, even. Ik zal het gaan kennen. Ik zal het binnen brengen in mijn wereld, mijn denken. Daar krijgt het (als zijnde) een plaats.
Mijn gang van zaken is daarom een optimistische geschiedenis. Wat ik nog niet weet of ken (de nacht), de tijd zal het  MIJ leren. Het  licht zal opgaan. Het nog onbekende wordt mij vertrouwd, wordt een deel van HET IK, van mij.
Het ZIJN, even naïef als mijn zijn is de alles omvattende koepel, de algemene noemer en maat voor alles wat anders is. Fundamenteel zijn kennen en zijn identiek, niet “aan elkaar gewaagd” maar volstrekt toegankelijk voor elkaar, beschikbaar, open. Problemen zijn er om opgelost te worden. Zo naief is het vooruitgangsgeloof. Wij mogen rustig gaan slapen. Het komt zeker goed. Alles wat zich aan mijn onttrekt, eens zal ik het kennen, zala het voor mij beschikbaar zijn. Al sluipt er toch ook een enige onrust in wanneer een tekst ons gerust probeert te stellen.

 

L'Être de l'étantDifférence en soi, et par conséquent, Altéritééclaire, d'après Heidegger, en tant qu'enfoui et toujours déjà oublié. Mais les poètes et les philosophes forcent, pour un instant, son indicible essence ‑ car c'est encore en termes de lumière et d'obscurité, de dévoilement et de voilement, de vérité et de non‑véritéc'est‑à‑dire dans la priorité de l'avenirque l'Être de l'étant est approché.

 

  Het Zijn van het zijnde – een Verschil in zich, bijgevolg, een Andersheid – licht volgens Heidegger verdwenen op, altijd al vergeten. Maar dichters en filosofen brengen voorlopig de onzegbare essentie van het zijn dwingend te voorschijn – want het Zijn van het zijnde wordt met een prioriteit voor de toekomst, nog steeds benaderd in termen van licht en duister, van ontsluiering en versluiering, van waarheid en niet-waarheid.

Dat lijkt goed aan te sluiten bij wat Heidegger in Sein und Zeit beschrijft. De mens leeft in de Vergessenheit des Seins. Heidegger heeft oog voor het Zijn van alles wat is. Dat zijn is oneigenlijk. De mensen lijken het zijn vergeten te hebben. Heidegger wil dat Zijn uit de vergetenheid aan het licht brengen. Het Zijn van het zijnde is blijkbaar iets anders, iets dat principeel anders is. Maar Levinas zegt : door zo te spreken over verholen en onverholen, over licht en duister, over vergeten en weer aan het licht brengen, handhaaf je het primaatschap van de toekomst en verandert er niets. Alles blijft uiteindelijk vallen onder de noemer, het dictaat van het Ik.

 

L'intentionalité aperçue au fond de la pratique et de l'affectivité par le mouvement phénoménologique, confirme le fait que la conscience de soiou l'identification de soi n'est pas incompatible avec la conscience de... ou la conscience de l'être. Et inversement, toute la gravité de l'être peut se résoudre en jeux de l'intériorité et se tenir au bord de l'illusion, tant est rigoureuse l'adéquation. L'apparition de l'être est possiblement apparence. L'ombre est prise pour une (263) proie, la proie est lâchée pour l'ombre. Descartes a pensé que par moi‑même, j'aurais pu rendre compte du ciel et du soleil malgré toute leur magnificence. Toute expérience, si passive qu'elle soit, si accueillante qu'elle soit, se convertit aussitôt en « constitution de l'être » qu'elle reçoit, comme si le donné était tiré de soi, comme si le sens qu'il apporte était prêté par moi. L'être porte en lui la possibilité de l'idéalisme. 

De intentionaliteit die de fenomenologie als grondslag ziet voor de praktijk en de affectiviteit, bevestigt het feit dat het zelfbewustzijn – of de zelfidentificatie, niet zou kunnen samengaan met het bewustzijn van … of het bewustzijn van het zijn. En omgekeerd kan men heel de zwaarte van het zijn oplossen in spellen van het innerlijk die zich in de buurt van illusies afspelen, zo sterk zijn die twee aan elkaar gelijk. Het verschijnen van het zijn zou schijn kunnen zijn. De schaduw wordt voor aangezien voor prooi, de buit laat men liggen alsof het een schaduw is. Descartes dacht dat ik uit mezelf in staat zou zijn, mij rekenschap te geven van de hemel en de zon, ondanks het gegeven dat hun grootheid mij te boven gaat. Iedere ervaring, passief of actief en ontvangend, gaat terstond over tot een « constitutie van het zijn », alsof het gegeven zijn afkomstig is uit het zich, alsof de zin die het (object) aandraagt door mij wordt toegekend. Het zijn draagt in zich de mogelijkheid van het idealisme.

De filosofie wil zich als fenomenologie laten leiden door het verschijnen van dat wat zich laat zien. Ik ga niet meer uit van wat iets is (de essentie). Wat iets is zet ik tussen haakjes. De epochè, de opschorting van het wezen. Ik laat het andere, dat wat zich te kennen geeft, op mij af komen. Terug naar de zaken zelf. Niet meer de essentie maar de existentie beslist. Het andere mag zelf laten zien wat het is. Het laat zich zien. Hoe laat het zich zien.
Beroemd is het voorbeeld van de schoenen van Van Gogh. Daaraan kun je de boer zelfs door de klei zien soppen. Als je het schilderij op je laat inwerken zie je meer dan je ziet. Levinas zal op dat « meer » zien ingaan.
De fenomenologie heeft van Von  Brentano het begrip intentionaliteit overgenomen. Het bewustzijn is intentioneel. Dat wil zeggen: het bewustzijn is altijd bewustzijn van … Ik neem waar door iets waar te nemen. Ik hoor door iets te horen. Levinas zegt: ook die intentionaliteit die het anders zijn van het andere tot zijn recht wil laten komen, maakt het andere toch tot gevangene van het ik dat zich daarover ontfermt of buigt.
Zich bewust zijn van iets betekent zijn toekennen aan het andere, het onder mijn noemer brengen. Het andere is zoals ik het zie, denk dat het is. Zijn is gedacht worden.
Een beetje simpel gezegd: in mijn denken blijkt de werkelijkheid pas echt werkelijkheid. De werkelijkheid die ik zie houdt ik voor de werkelijkheid zoals deze echt, waar en werkelijk, is.

La philosophie occidentale coïncide avec le dévoilement de l'Autre où l'Autre, en se manifestant comme être, perd son altérité. La philosophie est atteinte, depuis son enfance, d'une horreur de l'Autre qui demeure Autre, d'une insurmontable allergie. C'est pour cela qu'elle est essentiellement une philosophie de l'être, que la compréhension de l'être est son dernier mot et la structure fondamentale de l'homme. C'est pour cela aussi qu'elle devient philosophie de l'immanence et de l'autonomie, ou athéisme. Le Dieu des philosophes, d'Aristote à Leibnitz, à travers le Dieu des scolastiques ‑ est un dieu adéquat à la raison, un dieu compris qui ne saurait troubler l'autonomie de la conscience, se retrouvant ellemême à travers toutes ses aventures, retournant chez soi comme Ulysse qui, à travers toutes ses pérégrinations, ne va que vers son île natale. 

De Westerse filosofie valt samen met de ontsluiering van de Ander. Door zich als zijn te laten zien verliest de Ander zijn Andersheid. Van kinds af aan is de filosofie besmet door de angst dat de Ander Ander blijft. Onoverwinlijk allergisch. Zodoende is het begrijpen van het zijn essentieel een filosofie van het zijn. Het begrip is het laatste woord, de fundamentele structuur van de mens. Daarom ook wordt de filosofie een filosofie van de immanentie, van de autonomie of het atheïsme. De God van de filosofen, van Aristoteles tot Leibnitz, met inbegrip van de God van de scholastiek, - is een god die overeen stemt met de rede, een begrepen god. Hij zal de autonomie van het bewustzijn niet verstoren. Het bewustzijn vindt zichzelf door al zijn avonturen heen terug. Het keert bij al zijn omzwervingen als Odysseus alleen maar terug op zijn geboorte-eiland.

Het bewustzijn, het ik, laat alles vallen onder zijn eigen noemer. Wat ik ook zie of tegen kom, het is. Door alles te benaderen onder de noemer van het zijn, schakel ik alles met mij gelijk, maak ik het in feite aan mij ondergeschikt.
Het ik lijkt wel allergisch voor het anders zijn van het andere. Dat moet weggepoetst worden. Mijn begrip is mijn eerste en laatste woord, beslist hoe mijn wereld er uit ziet, wat ik logisch of redelijk vind.
De wereld waarin het ik het hoogste woord voert is een autoritaire wereld. Ik heb niets en niemand nodig. Daarom noemt Levinas het ik atheïstisch, grenzeloos, ongebonden, in feite eigenlijk alles. Het typische gegeven dat alles onder mijn noemer valt, uiteindelijk voor mij bestaat wanneer het voor mij, bestaat,betekent uiteindelijk dat het door mij bestaat (idealisme). Zo is het ik een Odysseus. Alle omzwervingen brengen hem terug waar hij begon.

La philosophie qui nous est transmise ramène à ce retour non seulement la pensée théorétique, mais tout mouvement spontané de la conscience. Non seulement le monde compris par la raison cesse d'être autre car la conscience s'y retrouve, mais tout ce qui est attitude de la conscience, c'est‑à‑dire valorisation, sentiment, action, travail et, d'une façon plus générale engagement, est en dernière analyse conscience de soi, c'est‑à‑dire identité et autonomie. La philosophie de Hegel représente l'aboutissement logique de cette allergie foncière de la philosophie. L'un des plus profonds interprètes modernes de l'hegelianisme, Eric Weil, l'a admirablement (264) exprimé dans sa Logique de la Philosophie (Paris, Vrin, 1950,1996(5)) en montrant comment chaque attitude de l'être raisonnable se mue en catégorie, c'est‑à‑dire se saisit dans une nouvelle attitude. Mais il pense, conformément à la tradition philosophique, que l'aboutissement est une catégorie résorbant toutes les attitudes.  De filosofie die ons is overgeleverd reduceert niet alleen het theoretisch denken, maar iedere spontane beweging van het bewustzijn tot deze terugkeer. Niet alleen de door de rede begrepen wereld houdt op anders te zijn, maar het het bewustzijn vindt zichzelf daarin terug, maar iedere attitude van het bewustzijn, denk aan waardering, gevoel, actie, werk, en op een meer algemene manier aan engagement is uiteindelijk zelf-bewustzijn, dat wil zeggen identiteit (« zelfheid ») en autonomie. De filosofie van Hegel staat voor de logische voltooiïng van deze door en door allergische filosofie. Eric Weil, een van de grondigste hedendaagse vertolkers van de filosofie van Hegel, heeft dat uitstekend verwoord in zijn Logique de la Philosophie (Parijs, Vrin 1950). Hij laat zien hoe iedere houding van het redelijke zijn verandert in een categorie, dat wil zeggen, begrepen wordt in een nieuwe houding. Overeenkomstig de filosofische traditie is hij van mening, dat het uiteindelijke resultaat een categorie zal zijn die alle houdingen in zich opneemt.

Bij een serie vragen of bij een tekst begint menigeen achteraan. Het staartstuk lijkt hier moeilijk te zijn, trekt alle aandacht naar zich toe. Maar first things first. Levinas zegt: ons denken, ons kennen, blijkt uiteindelijk niets nieuws op te leveren. We wisten het al lang. In feite blijkt hieruit, dat ons denken en doen een vorm van zelfhandhaving is.
Steeds neemt het ik het andere op in het eigene. Het ik kent niets anders dan de wet van het eigen zelf, is allergisch voor alles wat anders is. Redelijk en al wordt ik voor-waarde voor al het andere. Mijn benadering wordt een imperatief, een categorie, een denken dat zijn eigen denken denkt. (Probeer dit eenvoudig te denken. Het ik in confrontatie met het niet-ik levert een verrrijkt ik op. In dat verrijkte ik zit het eerdere ik en het eerdere niet-ik. Iedere volgende fase neemt de voorafgaande mee. Zo is het hoogste moment tegelijk een samen vatten van alles, het absolute begrip.

Même si la vie précède la philosophie, même si la philosophie contemporaine qui se veut anti‑intellectualiste, insiste sur cette antériorité de l'existence par rapport à l'essence, de la vie par rapport à l'intelligence, même si Heidegger pose la compréhension de l'être comme gratitude et obéissance, la complaisance de la philosophie moderne pour la multiplicité des significations culturelles et les jeux de l'art, allège l'Être de son altérité et représente la forme sous laquelle la philosophie préfère l'attente à l'action, pour rester indifférente à l'Autre et aux Autres, pour refuser tout mouvement sans retour. Elle se méfie de tout geste inconsidéré, comme si une lucidité de vieillesse devait réparer toutes les imprudences de la jeunesse. L'action à l'avance récupérée dans la lumière qui devait la guider, c'est peut‑être la définition même de la philosophie.  Ook al gaat het leven vooraf aan de filosofie, ook al insisteert de hedendaagse filosofie met haar bewering anti-intellectualistisch te zijn, er op, dat existentie voorafgaat aan essentie, ook al stelt Heidegger dat het begrijpen van het zijn genade en gehoorzaamheid is, de ruimte die de hedendaagse filosofie maakt voor het veelvoud van betekenissen in de cultuur en het spel van de kunst, ontdoet het Zijn van zijn anders-zijn om opnieuw die vorm aanwezig te brengen waarin de filosofie bij voorkeur actie-bereid is, namelijk door onverschillig te blijven voor de Ander en de Anderen, door iedere beweging die niet terug keert tot zichzelf te weigeren. Tegenover ieder onbewaakt gebaar koestert de filosofie wantrouwen alsof de helderheid van de oude dag alle onvoorzichtige daden uit de jeugd moet herstellen. Daad die op voorhand al ingehaald is door het licht dat haar zou moeten leiden, misschien is precies dat de definitie van de filosofie.

.

« Er is niets nieuws onder de zon. » Als je « alles al gezien »  hebt. De filosofie – daaronder dien je ook de wetenschappelijkheid van de zogenoemde wetenschappen te verstaan - stelt zich mild op tegenover het veelvoud dat zich aandient in de kultuur en de kunst. Alles komt uiteindelijk toch ongenuanceerd op hetzelfde neer. Als je weet hoe het werkt kun je de problemen oplossen, zijn het eigenlijk geen problemen meer. Met het woord « eigenlijk » neem het ik het andere de maat. Het moet uiteindelijk hetzelfde zijn, onder de dictatuur, de noemer van het « alles overziende » en boven alles staande ik vallen. Of is er een andere mogelijkheid ?

La trace de l'autre, inleiding