Maarsen 15 februari 2014-01-03 Emmaus-priorij
Een studiedag over de filosofie van Emmanuel Levinas.
Inleider: Dr. Jan Engelen

Vijf stappen vatten te kort het hele project. Het zijn vijf bewegingen die voortdurend terugkomen, die plaats bieden aan waar het denken, mijn denken, zich kan oriënteren om binnen te komen in de teksten die Levinas ons gegeven heeft.
De vijf stappen zijn intuïtief, associatief. Zij geven een volgorde die gangbaar is.

1. Het ik in zijn wereld;
2. Het verschijnen van de ander; 3. … (Eh?!)
4. Sorry; 5. En zo wordt redelijkheid geboren.

1. Het ik en zijn wereld.
Ik is altijd ergens, thuis. Ik woon, ik eet, slaap, kijk, enz. Mijn wereld is mijn wereld. Ik woon daarin, ben daarin thuis, zoals in mijn lichaam, zoals in mijn werken.
Mijn wereld is van mij. Het is mijn wereld. Ik ben gescheiden van die wereld en beleef die gescheidenheid als genieten van. In mijn wereld ben ik de koning te rijk. Alles ligt gereed, is voor mijn handen hanteerbaar. Ik kan ordenen, manipuleren, inrichten. Alles is van en voor mij. Centripetaal middelpunt ben ik mijn wereld.

2. In die wereld en als stukje van die wereld verschijnt mij de ander. Voor mij is die ander niets anders dan een onderdeel van mijn wereld. De ander valt onder mijn dictaat, is volop beschikbaar.

3. De ander is anders dan al het eerdere. Hij onttrekt zich aan mijn handen. “Eh?!”
De ander is geen deel van mijn wereld. Waar de ander blijkt, zelfs zonder woorden zoiets als “Au” zegt, houdt mijn wereld op “mijn wereld” te zijn.

4. Ik vanuit mijzelf had geen weet van die ander, zijn anders-zijn is mij wezensvreemd. De ander, onvoorzien, stelt mijn wereld en mijzelf aan de orde.
Ik wist niet dat de ander een uitzondering is, dat hij zelfs zonder iets te doen, in zijn kwetsbaarheid de tot nu toe solide bodem wegtrekt onder “mijn wereld”.
Ik wist niets van de ander. Hij komt onvoorzien. Nu merk ik dat mijn bezig zijn “te keer” gaan is. Tot de orde geroepen verontschuldig ik mij. “Neem mij niet kwalijk”.En zo word “redelijkheid” geboren.

5. Alles is anders geworden. Redelijkheid blijkt vrede.

Deze voorstelling van de motor in het denken van Levinas is even simpel als de suggestie van Monopoly dat Amsterdam bestaat uit de Kalverstraat en de Leidsestraat. Ook Amsterdam uitbreiden met Damrak, Dam, Rokin en pleinen als Leidseplein, Rembrandtplein helpt niet veel om dichter bij Amsterdam te komen. We hebben daar meer tijd voor nodig. Die woorden vragen om een situering en toelichting. De vijf zojuist genoemde punten gaan we hernemen, meer invullen en uitleggen.

EEN
Totalité et Infini begint met: La vraie vie est absente”, mais nous sommes au monde. Het echte leven is afwezig maar wij zijn in de wereld. Daarmee zijn een beetje versluierend, alle problemen tot een kern teruggebracht.
We zijn er en we zijn er op een of andere manier niet (echt). Tussen aanwezig en afwezig “hangen” we, volstrekt thuis en vreemd in “onze wereld”, “ons leven”, “ons lichaam”. Wat is dat zijn, wat betekent “er” zijn, die “wereld”- wat is dat. Om nog maar te zwijgen van wat is “wij” of “ik”! Dat laatste is het versluierende, want ik en wij zijn weliswaar eerste persoon, maar het mag niet uitgesloten worden geacht dat het meervoud (wij) problematischer is dan het “1e persoon meervoud” (ik) suggereert. Zullen we het makkelijk houden, een beetje overzichtelijk?
“Ik” en “de wereld”, is daar iets eenvoudigs over te zeggen? Het eenvoudigst is: die twee vormen geen optelling. Ik ben in de wereld. De wereld is, om en door mij heen. Ik ben een stukje van de wereld, maar dat zeggend is er meteen sprake van ik-hier en “de wereld daar”. Er is iets tussen mij en de wereld. Hier woon ik, leef ik, werk ik. De wereld is voor mij materiaal, ter beschikking, hanteerbaar. Ik maak gereedschap om wat ik niet kan hanteren toch in mijn greep te krijgen en te begrijpen. Wat zich tegen mij verzet probeer ik zo te plooien of te benaderen dat ik het naar mijn hand kan zetten. Dat is de techniek. Technè, vaardig. Hoe doe je dat? In de steeds meer andere wereld blijkt alles te variëren en te verschillen, maar in al die verschillen is er één constante en dat ben ik, steeds dezelfde. (TI 7)
In de wereld ben ik autochtoon. In de wereld vind ik plaats, een plaats, een huis. Ik handhaaf me in mijn wereld, niet als de slang die zich in zijn staart bijt, maar als een lichaam dat zich op de aarde (buiten je), ophoudt, kan! Ondanks mijn afhankelijkheid van de plaats die mij houdt ben ik los van die plaats, vrij. Ik hoef maar op weg te gaan om meer te zien, te voelen, te nemen. Zelfs op Mars kan ik mettertijd gaan wonen.

Door mijn lichaam, mijn huis, mijn plaats, mijn werk, mijn bezit en door huis te houden (economie) ben ik. Ik ben ik, steeds dezelfde. Ik – zelf. Wat mij gebeurt wordt mijn geschiedenis, mijn (al dan niet bewuste) herinnering, mijn innerlijk. Door mijn innerlijkheid onttrek ik mij aan al het andere, wordt ik de outsider die niets en niemand nodig heeft – ongebonden, ongeborgen, afgescheiden van al het andere. Zelfstandig. Zonder Grote Pappa of Mama die mij overeind houdt. Ik ben: geboren, uitgelaten, a-theïst. (Dat heeft niets te maken met enige ontkenning van God. Het betreft enkel mij zijn, mijzelf, losgemaakt/ Levinas zegt: Geschapen zijn betekent afgescheiden zijn. Eenmaal geboren, gebeuren, buiten de totaliteit van het geheel vallen. Ontsnappen. De l’evasion¬’- het eerste boekje van Levinas (1935) .
Le corps est la possession même de soi par laquelle le moi, libéré du monde par le besoin, arrive à surmonter le misère de cette libération. (TI 89).

Ik leef van het andere. Mijn behoefte wordt bevredigd zoals een leegte te vullen is. Ik consumeer, verteer, in overheerlijk Ego-isme. Alleen de verzadiging leert mij, niet verder te gaan. Genieten is gelukkig en persoonlijk.

TWEE
Il faut une lumière pour voir la lumière (TI 166) – Je hebt een licht nodig om het licht te zin. Een beetje vreemde zin. Kun je het licht zien? Maar als je denkt aan: aan het licht komen …? Licht zien alvorens aan het licht te komen. Wat mag dat zijn. Wat is het zwarte gat dat heel mijn solitaire soliditeit in het niet doet verdwijnen waardoor alles anders blijkt.
(Ik herinner mij “de honger en de dorst”, een toneelstuk van Ionesco, gespeeld door de Nederlandse Commedie in de Stadschouwburg in Amsterdam rond 1967/9. Na heel wat wederwaardigheden doofde na de pauze het licht in de zaal. Je hoort in het duister het ruisen van het gordijn. Een zwak licht scheen van achter het toneel over de voorgrond. Wanneer het voldoende licht is en je iets kunt zien springt er vooraan, midden op het toneel, een donkere gestalte de lucht in en een knallend licht laat je een soort beulsfiguur met karwats zien, een duivel die uitdagend de zaal in staart. Dat het André van den Heuvel was maakte het, ondanks de zachtmoedigheid van de man, niet minder dreigend!). Iemand kijkt je aan.
Het zelfzekere en genoegzame ik dat eindelijk op de top van zijn acte de présence staat, wordt opeens betrapt. Dat is nog niet meegemaakt. De film Alleman van Haanstra geeft een voorbeeld. In zwart wit spelen ouwelijk geklede kinderen op straat. Een kind valt. Een tweede kind komt aangelopen en zet zijn of haar voetje op … de rug van het gevallen kind. De zaal lacht verbouwereerd. De aarde is niet meer begaanbaar waar iemand ligt. Opeens is alles niet meer synchroon, present, beschikbaar, voor de hand liggend om op te rapen en me te spelen, te doen.
Iets (fase 3, “Oh?!”meldt zich) - , iets onttrekt zich. Iets/iemand – wie zal het zeggen en hoe kan het ik dit weten – valt tussen de wal en het schip. “Ook dat nog!” Onverwacht en onvoorzien heb ik meer gedaan dan ik dacht te doen.

De synchronie waarin ik alle tijd letterlijk heb (en zo niet nu dat zo aanstonds of even later. Ik red me er uit. Zo aanstonds kan ik “mijn wereld” weer overzien) vertoont een scheur. Iets of iemand – wie zal het zeggen – ziet mij aan. Visage – celui qui vous vise. Ik word gezien. Ik word aan het licht gebracht, blijk voor het voetlicht te staan, sta te kijk. Dat is me nog nooit gebeurd.
Het verschijnen van de ander: Ik kan vanuit mijzelf niet of niets weten wanneer het over de ander gaat. Al het materiaal dat ik daarvoor kan inzetten is mijn materiaal, ben ik. En dat slaat hier letterlijk nergens op. Hier houdt mijn wereld op. Ik sta voor een raadsel, mijn mond vol tanden.
Ik kan doen alsof ik niets gezien heb. Dan is er ook niets aan de hand. Mijn naam is haas en ik ga door tot mijn orde van de dag. Maar dat is nu onmogelijk. Voor de ogen van de ander blijkt mijn doen geweld. Dat kan ik niet maken, dat wil ik niet.
De ander die mij ziet dwingt mij. Ik moet mij gaan verantwoorden, niet omdat de ander sterker is. De onontkoombare macht van de ander is precies zijn zwakte. Bij mij is hij nergens, tenzij. Ik moet wel. De vrijheid van de ander begint niet in mijn vrijheid, voltrekt zich niet in mijn heden, maar gaat er aan vooraf of valt er buiten. (AE12) De ander is niet voor mij present en niet te representeren. Mijn verantwoordelijkheid gaat vooraf aan iedere vorm van zich heugen, herinneren. Het verschijnen van de ander heft mijn archè (waar ik begin en “einde” van mijn wereld ben) op. Mijn archè maakt plaats voor de anarchie. Buiten mijzelf. “Alles is anders.” Er is een verschil. Het verschil is: ik kan niet meer onverschillig zijn. Iemand ziet mij aan.

Drie
Het subject, “ik” hanteert de objecten die de wereld zijn, steeds dezelfde manier. Alles kan het benaderen, oppakken, omvatten, zich toeëigenen. Totdat het fout gaat. “Iets – tot nu toe vanzelfsprekend (en dus stom, nog zonder taal) - knapt”. Een breuk tekent zich af, een afgrond opent zich. Ik ging waar ik niet kon gaan en ben te ver gegaan. “Eh?!” Wat zullen we nou krijgen! De ander “jaagt het ik van zijn erf”. Alles is plotseling volstrekt veranderd. Levinas noemt dat: “Tu ne tueras pas”, jij zult niet doden. Ik word gezien. Iemand ziet mij aan en zegt zonder een woord te spreken: “Jij zult niet doden.”
De ander die mij aanziet verstoort mijn orde, laat mijn totaliteit ontsporen. De wereld is niet meer enkel een wereld van fenomenen. Er is iets nieuws gekomen. Iets blijft zich onttrekken (aan mijn begrip, mijn opvatting, mijn gevoel), is transcendent. Ik ben ver-antwoordelijk. Substitutie vindt plaats. Ik vóór de ander. In Autrement “gegijzelde”.

Vier
Het verschijnen van de ander is zijn spreken, zijn woord. Ik moet mij gaan verantwoorden. Ervaring ontstaat. Mijn innerlijk wordt beroerd door iets van buiten mijn wereld. Mijn autonomie wijkt voor de ander die mij mijn willekeur duidelijk maakt. Hij transcendeert mijn wereld, mijn immanentie. Met name in zijn eerdere werken noemt Levinas de ander “de weduwe, de wees, de vreemdeling”.
Anders gezegd: de ander “valt niet” binnen mijn intentionaliteit, niet in het subject-object schema. Nu de ander verschijnt ben ik niet meer zelf het principe van mijn wereld. Daarom betekent het verschijnen van de ander anarchie. Zijn verschijnen gaat vooraf aan mijn “notie hebben van”, is niet diachroon maar anachroon. Pas in de ervaring van “jij daar” zeg ik “ik” als meewerkend voorwerp: “Neem mij niet kwalijk”.
Het verschijnen van de ander kan ik niet integreren in mijn wereld. Zo verschijnt het meerdere in het mindere. De ander is absoluut, letterlijk losgemaakt, buitenstaander, kan geen element in mijn wereld worden.

De weerstand van de ander is de ethische weerstand. Zijn spreken maakt mij aansprakelijk. Mijn verantwoordelijkheid is absoluut, begint voor ik mij verantwoordelijk stel. “Na U”, en “Tot uw dienst”. Met het verschijnen van de ander komt het on-eindige (wat ik niet kan “overzien”) binnen in mijn wereld om zich daar terstond uit terug te trekken. De aanwezigheid van de ander is het spoor, geen eigenschap van de weg maar teken van iemand die voorbijgegaan is, oninhaalbeer heden. In het latere werk durft Levinas hier te spreken over het brandende braambos, deze God die er alleen kan zijn wanneer men hem toestaat, christelijk gezegd: wanneer er voor Hem een plaats is in de herberg.
De ander is weerloos, naakt, openbaring, spoor, eigenlijk nauwelijks. De ander is niet solidair met mij, maar met de anderen. De ander spreekt mij vrij van mijn eerdere (ik-)bevangenheid. Ik, autoriteit, sta bij het verschijnen van de ander “met lege handen”.

vijf
Alles begint opnieuw. Door het verschijnen van de ander ben ik tot verantwoordelijkheid en vrijheid in staat. Bewustzijn van wordt nabijheid.
In een wereld die vastligt, een wereld van opvattingen en meningen, van gezegdes (Dits) komt een nieuw spreken tot stand: Na U. (Il faut Dédire le Dire.)
Être toujours au commencement ou libre (AE 210) Het verschijnen van de ander, het zien van de ander zien, is inspiratie
Dans l’accueil du visage la volonté s’ouvre à la raison. (AE 195)
“Heer, wanneer zagen wij U hongerig en hebben wij U te eten gegeven? Of dorstig en gaven U te drinken?”(Matteüs 25,37vv)
De normale gang van zaken (de orde van “het zijn”) wordt nu omgekeerd. Het gaat er nu niet meer om geheel en al baatzuchtig gehecht te zijn aan het eigen zijn. Levinas zegt: c’est pour moi, là, le moment où par l’humain, l’au-delà de l’être – Dieu – me vient à l’idée … Si vous voulez, la situation où Dieu vient à l’idée ne serait pas le miracle, ni le souci de comprendre le mystère de la création. Est-elle première, l’idée de la création? Le choc du divin, la rupture de l’ordre immanent,… c’est le visage d’autrui. (F.Poiré, E.L. 92)

La vie spirituelle n’est pas dans les responses; elle est dans les questions. Il faut que s’éveille à l’echellon le plus élevé de l’intelligence, la soif de vérités et non pas un goût d’archéologie.”(D.L. 305)
Où est mon unicité? Au moment où je suis responsable de l’autre, je suis unique. Je suis unique en tant qu’irremplaçable, en tant qu’élu pour répondre de lui. Responsabilité vécue comme élection. Le responsable ne pouvant passer l’appel reçu et son rôle à quelquún d’autre …
(F.Poiré, E.L.116)

Snippers
Schepping, een realiteit die zich niet sluit boven zichzelf, die niet sluitend te maken is maar altijd open, offerte. Je kunt de wereld alleen maar als schepping zien vanuit “de boeken”.

Het kunnen zeggen van een tekst gaat altijd veel verder dan zijn willen zeggen.

De ratio is altijd egologisch, verantwoordelijkheid begint bij de ander.

Omdat je spijt kunt hebben, een message magnifique, is het menselijk bestaan nooit definitief, onherroepelijk.

Bewustzijn is niet primair nadenken, bij zichzelf terugkeren, maar omkeren, niet uit de vergissing maar uit het ronddwalen op zoek naar de belofte die zin geeft aan het goede.

 

   
   
   

 

home