Emmanuel Levinas

Totalité et Infini – enkele hoofdlijnen.

 

Een werkvertaling en parafrase door Jan Engelen

17 augustus 2004

 

 

 

Het voorwoord tot de uitgave van de duitse vertaling van Totalité en Infini (1987) geeft een korte tekst van Levinas over “de geest in het algemeen”, kenmerkend voor het gesprek dat in Totalité et Infini (1961) begonnen is. Een franse vertaling van deze tekst is ook opgenomen in de pocketeditie ((Livre de Poche, 4120) van Totalité. Levinas heeft dit nieuwe woord vooraf ondertekend met “18 januari 1987”. De tekst biedt een terugblik, een status quo bericht uit 1987 over een denken dat in 1961 afgesloten is met de verschijning van Totalité en Infini.

 

De tekst is compact, gebonden, vol. Om een nieuwe lezer enigermate tegemoet te komen heb ik twee dingen gedaan.

a. Ik heb op een enkele plaats een eenvoudige lay-out geconstrueerd. Daarin worden woorden bijeengezet die je tegemoet kunnen komen bij het verzamelen van woorden en beelden dat lezen ook is.

b. Ik heb de tekst in kortere fragmenten verdeeld en voeg deze delen aaneen door een omspeling en omschrijving van hetgeen in de hoofdtekst aan de orde is.

Zoals zo vaak: je moet voor lief nemen dat de tekst zijn geheimen niet bij eerste lezing prijs geeft.

 

 

"Totalité et Infini legt er zich niet bij neer, dat

de synthese van het weten, de totaliteit van het zijn omvat door het transcendentale ik, de aanwezigheid zoals die verstaan wordt in de representatie, het concept en het onderzoek naar de semantiek van de gesproken vorm van het zijn niet te vermijden stations van de Rede – de laatste instanties zijn wanneer het gaat over wat zin heeft.

Brengen of stellen zij ons in staat, tot een accoord te komen over een wereld om zo de Rede ten einde toe te laten zien. De rede ten einde toe, ofwel de vrede tussen de mensen."

 

Alles wat met weten te maken heeft, wat we aantreffen, onderzoeken, wat we proberen te verwoorden, te vermoeden, af te tasten, te controleren, falsifiëren en verifiëren, alles van de wetenschap, - kennis, kennen, presenteren (representeren), - alles waarvan ik zeg dat het is, dat het er is, en wat dat er zijn betekent – Levinas zegt: al deze onvermijdelijke stadia van de Ratio zijn uiteindelijk niet beslissend. Immers: als deze zekerheid zoveel zekerheid biedt, hoe kan het dan zijn dat zo weinig vrede is? Dat de Rede zoek is? Dat onze wereld alles behalve redelijk is. Hoe kan dat zijn?

 

 

Misschien is het voor deze vrede niet voldoende alle dingen te ont-sluieren, te beamen en te bevestigen, op hun plaats en soi en pour soi in de waarheid waarin zij oorspronkelijk voordoen, bij zichzelf als garanties,

waar zij zich juist al in hun exterioriteit laten zien,

maar zodoende in handen komen, genomen worden en

begrepen, door mensen besproken worden, in bezit worden genomen om voor dezen en genen nuttig te kunnen zijn.

Maar hoe komen (alle dingen) dezen bij genen?

 

Als je iets kent dan heeft het geen geheim meer. Dan weet je het. Kennis als ontsluiering. De dingen zijn en soi, op zich, los van mij. Vervolgens komen zij mij onder ogen. Zo worden ze pour moi. Het kan dan heel goed zijn dat ik een bepaalde indruk over “het ding” heb. Dat ik meer met mijn beeld dan met de zaak zelf bezig ben. Zie ik ze buiten mij, los van mij, op zich, dan kom ik tot ware kennis, tot kennis van hoe het werkelijk is. Ik zie, ik neem, ik beproef, probeer, verander. Ik gebruik. En zo doe jij ook. De dingen, de wereld is er voor mij, eerste persoon enkelvoud, of voor ons, eerste persoon meervoud. Onze wereld, onze kennis. Zijn er dan geen anderen meer, derde persoon?

Eenvoudig voorbeeld: deelt Centraal Afrika “onze wereld” met ons of wij die met hen? Als het goed zou zijn … 

Vreemd trouwens, om ratio en vrede aan elkaar te koppelen. Hebben de ratio en de vrede soms iets met elkaar? Heeft vrede iets van doen met wat redelijk is. Worden beiden – ratio en vrede – gedragen door de  taal? Door … ja, door wat eigenlijk. Wat maakt het redelijke redelijk? In het kerstspel van Martinus Nijhoff zegt Herodes: “Vrede heerst”. Ieder weet dan dat het geen vrede is. Vrede gaat niet samen met heersen. Is er een samenhang tussen ratio en vrede?

 

Vrede en Rede worden in Totalité et Infini  als probleem aan de orde gesteld binnen een andere en zonder twijfel oudere conjunctuur.

 

Een oudere conjunctuur, een complicatie die oudere papieren heeft, die vooraf gaat aan wat eerder ter sprake kwam. Wat draagt, veronderstel ratio en vrede? Het lijkt me dat je niet bedenkt met wat Levinas nu aandraagt.

 

Achter het en soi en het pour soi van het ontsluierde bevindt zich de mens in zijn naaktheid, meer exterieur dan de wereld – de landschappen, de dingen, de instituties – buiten is. Het naakte schreeuwt zijn vreemdheid uit in de wereld, zijn eenzaamheid en zijn dood die in het zijn verborgen is. Dat de mens naakt is valt mij in de rede – valt het ik dat (er) is, in de rede – valt mij in de rede omdat het zwak is, overgeleverd en weerloos. Het naakte zijn.

 

Waarom kleden wij ons? Het antwoord is simpel en fundamenteler dan wij in de regel blijken te denken. Wij kleden ons omdat we naakt zijn, overgeleverd.

Achter de dingen los van mij of de  dingen door mij gekend, bevindt zich de mens. Een wonderlijke mens. Want de mens die als een ding aangepakt wordt, blijft nergens meer. De mens, Levinas gebruikt daarvoor het woord naakt, schreeuwt om ontferming. En tegelijk is er iets zeer bijzonders.

 

Maar hij valt mij ook in de rede met een merkwaardig gezag, gebiedend en ontwapend. Woord van God en woord in het aangezicht van de mens .

 

De weerloosheid van de mens is tegelijk zijn kracht. Het verschijnen van de ander in zijn weerloosheid dwingt mij tot verantwoordelijkheid. Zijn zwakte is zijn gezag.

 

Aangezicht, reeds taal voor de woorden, oorspronkelijke taal van het aangezicht van de mens zonder de inhoud die daaraan gegeven wordt of die het draagt – denk aan de eigen namen, de titels en de soorten die de wereld kent. Oorspronkelijke taal. Het is al een vraag. Want als zodanig is het al ellende. Voor het en soi van het zijn is het al hulpbehoevend, maar die ook al gebiedend. Het dwingt mij tot verantwoordelijkheid voor het kunnen sterven, voor het naaste zijn, ondanks mijn eigen dood – een boodschap over de moeilijke heiligheid. Over het offer, oorsprong van de waarde en van het goede.  Het is de idee van het menselijk gebod (ordre) in de ordening (ordre) die aan de mens geboden is. Taal van wat onhoorbaar is, taal van het ongehoorde, taal van het niet-gezegde. Schrift!

 

Nergens wordt beweerd dat het ik gekozen zou hebben voor kracht of machtsvertoon. In Autrement quêtre ou au-delà de l’essence (1974) gaat Levinas daar zeer fundamenteel en funderend op in. Maar de kwetsbaarheid van de ander spreekt mij aan, roept mij tot de orde, maakt mij verantwoordelijk. De ander is woord, ik geef antwoord. Antwoord gevend, mij verantwoordend, word ik eerste persoon.

 

Het gebod raakt het me als individu. Het ik is nog opgesloten in de soort waar het volgens het zijn toe behoort, het is nog uitwisselbaar in de logische gemeenschap gezien de extensie van de soort,. Maar het ik is ook al ontwaakt (en komt) tot zijn eigen onvervangbare uniciteit, opgeroepen tot de uniciteit, logisch gezien niet waar te nemen, als monade, tot de uniciteit van de uitverkorene, in de niet naast zich neer te leggen verantwoordelijkheid die de liefde is, buiten ieder begeren om. Liefde die zich hecht aan de geliefde, dat wil zeggen aan degene die “uniek op de wereld” is.

 

De ander maakt mij tot ik. Waar je, zeker economisch of “in het algemeen” zou kunnen spreken over mensen: het gebod, het aangezicht dat mij aanziet, schudt mij wakker. Uit wij of ze wordt ik ik, uniek. Uitverkoren in de zin die het heeft: meer verantwoordelijk. Ik, uniek. Logisch gezien is dat onzin. Ik kan hoogstens geroepen worden zoals ieder ander. Maar voor Levinas is daar geen sprake van. Hij is geen vergelijking mogelijk, enkel uitzondering. Straks zal hij ook schrijven: filosofia – liefde voor de wijsheid, maar misschien nog meer wijsheid van de liefde.

 

Het ik verantwoordelijk voor het aangezicht van de ander. Ik, niet meer bij machte machtig te zijn, buig mij voor de ander. Nu ontstaat wat werkelijk verhouding is, over de grenzen van het ik heen. Transcendentie. Het woord  dat in de traditionele klassieke filosofie werd ingezet voor wat deze wereld te boven (trans) gaat, God, wijst Levinas aan als typerend voor waarlijk menselijke verhoudingen, verhoudingen waar men verantwoordelijkheid voor elkaar neemt, over elke grens heen.

 

Het zijn dat vanzelfsprekend zijn gang gaat, de vaart der volkeren, het eigen belang, het bezig zijn met alles van en voor zichzelf (zie hoe de  klant tot koning wordt gemaakt in alles wat poogt hem of haar te werven en te binden: jij staat centraal, het gaat om jou!) – dat om zichzelf heen draaiende zijn wordt verlost van zijn herhalingsdwang omdat iemand je tot de orde roept, losmaakt. Mijn vrijheid aan banden gelegd weet van werkelijke vrijheid, van kunnen kiezen. Wat de griekse filosofie ontdekt heeft als ethiek, een onderdeel van de ontologie of metafysica, is voor Levinas de oorsprong en grondslag van de filosofie.

 

Van unieke naar unieke – transcenderen; buiten iedere bemiddeling om – buiten iedere van tevoren bestaande vorm van verwantschap en iedere synthese a-priori om, liefde van de vreemdeling voor de vreemdeling, beter dan broederschap in de schoot van de broederschap zelf. Gratuit zijn van het transcendente ten overstaan van  de ander als onderbreken van het zijn dat voortdurend bezig is met zichzelf en het volharden daarvan in het zijn. Absolute onderbreking van de ontologie, maar binnen het de een voor de ander van de heiligheid, de nabijheid, de socialiteit, de vrede. Utopische sociaal-zijn dat heel het mens zijn in ons gebiedt waarin de Grieken de ethiek bespeurd hebben. Gebod in de naaktheid en de ellende van de ander. Woord van God. Theologie die niet voortkomt uit speculeren over wat verder gaat dan de wereld en wat daarachter schuil gaat. Fenomenologie van het aangezicht: noodzakelijk omhoog verwijzen naar God die het mogelijk maakt de stem te herkennen of te weigeren die in de positieve godsdiensten spreekt tot kinderen of tot het kind zijn van iedere van ons  die al lezers van het Boek zijn en interpretatoren van de Schrift.

 

Zo is het of Zo gaat het blijkt Levinas te kwalificeren als: zo staat geschreven, of  woord van God. Hij typeert dit als een aangelegenheid voor kinderen, eventueel voor lezers of voor mensen die de Schriften willen interpreteren. De pretentie is niet groot. De onderneming is een beetje kinderlijk. Levinas is enkel uit op wat redelijk is, rechtvaardig, wat tot vrede strekt. (Ieder die met kinderen werkt weet hoe oprecht verantwoordelijk zij zich voelen wanneer het gaat over het milieu, de armen, de kwetsbaren. Het zijn problemen waar zij nooit overheen komen.)

 

Levinas is er volstrekt niet op uit de wetenschap of het zoeken naar resultaat te kritiseren. Wat is tegen ontwikkeling?

In het voorbijgaan typeert Levinas de wetenschap. Zij poogt te  begrijpen wat er is, reflecteert de werkelijkheid aan het idee dat we ervan hebben of zoeken. Steeds is er de correlatie tussen het subject en het object. Van het denken (noësis) en het gedachte (noema).  De intentionaliteit blijft een theoretisch fundament van het bewustzijn. Maar, zegt Levinas; ik kan ook niet voorbijgaan aan het gedenkwaardige gegeven dat Descartes het heeft over een idee (de/het oneindige) dat zijn inhoud niet ontleent aan de denkvaardigheid van de denker. De intuïtie is niet de oorsprong of het eerste woord.

 

Het onderzoek waar Totalité et Infini zich mee bezig houdt beoogt zeker niet de fenomenologie aan de orde te stellen van het object waar de wetenschap zich mee bezig houdt, de aanwezigheid die te begrijpen is, het zijn dat gereflecteerd wordt in de idee die men er van heeft – dat gedachte dat steeds  is naar de maat van degene die het gedacht heeft – correlatie en correspondentie van het rigoureuze parallellisme van noësis (denker – onderwerp) en noëma (gedachte – lijdend voorwerp) van de intentionaliteit die het transcendente bewustzijn bezielt in het bewonderdswaardig oeuvre van Husserl. En het theoretische dat in al de vormen van dit bewustzijn (gedachten, overeenkomstig het wijsgerig testament van Brentano) het onbetwiste fundament blijft, of de geprivilegieerde bestaanswijze is van ieder bewustzijn dat gericht is op voelen, waarderen of wensen, is in het betoog van Totalité et Infini niet het gedenkwaardige feit vergeten, dat in de derde Meditation de la première philosophie Descartes een gedachte, een noësis, ontmoet, die niet is overeenkomstig de maat van haar noëma, haar cogitatum. Dit idee heeft de filosoof tot het inzichten gebracht en hem niet doen verwijlen in de evidentie van de intuitie.

 

Een denken dat meer denkt – of beter denkt – dan wanneer het op de lijn van  waarheid denkt. Een denken dat ook met eerbied denkt aan de Oneindige waarvan het het denken is. Voor de auteur van Totalité et Infini was dit zeer verbazingwekkend na de les over het noetico-noematisch parallellisme in het onderwijs van zijn leraar Husserl die zich naar eigen zeggen als leerling van Descartes beschouwde.

 

Het denken kan blijkbaar meer denken dan het denkt. In Totalité en Infini werkt Levinas dit uit door de analyse van behoefte en verlangen. Blijkbaar is de waarheid niet het eerste, het funderende. Kan het denken dan uit zijn op iets anders? In Totalité…  zal Levinas aangeven, waarom de rechtvaardigheid de waarheid draagt. Waarheid is immers niet te formuleren dan in de taal en taal is enkel mogelijk wanneer er een spreker is – en een spreker kan er alleen maar zijn wanneer iemand aangesproken wordt, of zich aangesproken weet en wel antwoorden moet. De rechtvaardigheid fundeert de taal en de waarheid. Levinas vind het wonderlijk dat zijn leraar Husserl, die zich als leerling van Descartes beschouwde, aan de ontdekking van een mogelijkheid van denken voorbijgaat die niet primair gebonden is aan het vermogen van subject.

 

Daarom is hij de vraag gaan stellen of de liefde voor “de liefde voor de wijsheid”, of de liefde die de filosofie is, afkomstig van de Grieken – alleen de zekerheid dierbaar is van het weten dat het object investeert of de nog grotere zekerheid van de reflectie op dit weten; of deze beminde en te verwachten wijsheid van de filosofen, - over de wijsheid van het kennen heen, - niet de wijsheid van de liefde is of de wijsheid in de gestalte van de liefde. Filosofie als liefde voor de liefde. Wijsheid die het aangezicht van de andere mens onderricht. Is zij niet ook verkondigd door het Goede dat over het wezen heen gaat, op de ideeën van het IVe boek van de Republiek van Plato? Het Goede – in verband daarmee verschijnt verschijnt het zijn zelf. Het Goede, waarvan het zijn de verheldering van haar verschijnen ontvangt en haar ontologische kracht. Het Goede, in het zicht waarvan “iedere ziel doet wat zij doet” (De Republiek, 505 e). 

 

opening bijdragen over Levinas op de site
home

Er is een uitstekende nederlandse vertaling verschenen van Totalité.

Emmanuel Levinas, De totaliteit en het Oneindige, Essay over de exterioriteit, Ambo, Baarn 1987, Vertaald door Theo de Boer en Chris Bremmers; met aantekeningen van Theo de Boer.

 

Enige hulp kan ook te vinden zijn op http://www.capurro.de/levinas.htm

Een inleiding tot de engelse vertaling