Voorwoord

In 1986 bestaat nog de R. K. Ped. Ac."De Voorzienigheid", Lauriergracht, in het hartje van Amsterdam, vlak bij de Westerkerk, op drie steenworpen afstand van de KTHA  in de Bruynvis, Keizersgracht 105. Maar de school wordt klein. Ongevraagd komt er meer vrije tijd, scholč in het grieks.

Prof. Ben Hemelsoet blijkt terstond bereid als begeleider tijd en aandacht te willen geven aan de naar mijn gevoel voor mij nog open staande verplichting, meer gedisciplineerd met een gedeelte uit de bijbelse literatuur om te gaan. Vanaf het begin van de KTHA, in oktober 1967, weet Ben Hemelsoet en weet hij in 1978 nog steeds, en voortdurend weer, te verplichten tot de mogelijkheden van de tekst. Zijn betrokkenheid blijft altijd bemoedigend en inspirerend.
In 1982 vraag ik Prof. Dr. C.J.den Heyer als co-promotor. Nauwkeurig en zorgzaam stelt hij vragen en gaf hij, behalve adviezen, veel moed.
Begin 1984 wordt het onderzoek dat leidt tot dit proefschrift afgesloten.
Mijn promotor en co-promotor dank ik voor hun inspanning en volharding. Ook dank ik mijn collegae en de studenten van wat sinds 1984 de "Katholieke Pabo Amsterdam" heet, in het gebouw van de vroegere "Magister Vocat" in de Jan Tooropstraat: “Jullie belangstelling doet goed.”

Niall O'Callaghan dank ik voor zijn hulp bij het maken van de summery.

Zonder de mensen met wie je van dag tot dag leeft kan "wat veel tijd en inspanning vraagt" niet groeien. Daarom schrijf ik hier ook jullie namen neer: Leonie, Mirjam, Ruth en David. Dat ik jullie dankbaar ben geeft volstrekt niet weer wat me aan jullie bindt.

Amstelveen, 15 februari 1986
Jan C.M. Engelen

Samenvatting
uitgedeeld ter informatie bij de verdediging)

Johannes 7 wordt veelal gezien als het resultaat van een historisch proces. Studies die zich daarop baseren, houden zich bezig met wat "mogelijke eerste contexten" genoemd wordt van de tekst. De hierna volgende dissertatie bewandelt deze weg niet. Zij wil niet, uitgaande van de tekst, komen tot iets anders dan de tekst. Zij verkent alleen de écriture, het vlak zelf van de tekst, zoals dat uitgezet is in woorden en zinnen, in grotere of kleinere delen van de tekst – steeds aanwezig en beschikbaar voor wie lezen wil, of "probeert te lezen".

Deze tekst probeert welhaast "niet wetend", al thans met zo weinig mogelijk weten bewapend, te naderen tot (het geheim) van de tekst. De tekst mag het weten, heeft en voert het woord en is, zolang de lezing duurt, autonoom. De details van de tekst zijn met al hun speelruimte "hoofdzaak". De lezer en eventueel haar of zijn begrip, zijn van ondergeschikt belang.

Het proefschrift verkent inleidend, wat het lezen van zoiets als "Johannes zeven" omvat. Doelstelling van de lezing is niet primair het verwerven van de informatie die de tekst ter beschikking stelt, maar het lezen zelf. De tekst levert daartoe zijn eigen bijdrage.

Waar te beginnen? Je kunt wijzen op het afsluitende karakter van Johannes 6,59: Dit (alles) zei hij in de synagoge lerend in Kapernaüm . Daarop volgen twee reacties:

de leerlingen (6,60-66) en
de twaalf (67-71).

Drie keer noemt de tekst hen.
De drievoudige herhaling geleedt als het ware de in 6,59 beginnende tekst in twee gedeelten.  
Ook in Johannes 7 is een dergelijk zich aldus aanbieden van de tekst herkenbaar aan het werk:

Judea en zijn bewoners (7,1bis.2),
zijn broers
(3.5.10),
opgaan
(10.11.14),
het feest
(10.11.14),
zij zeiden
(11.12bis),
leren / leer
(14.16.17),
hij is
(17.18bis),
Mozes
(19.22bis),
de mens op Sjabbaht
(22.23bis),
oordelen / oordeel
(24ter),
deze / hij
(25.26.27),
vanwaar
(27bis.28),
hij is
(27ter) en
gevangen nemen
(30-44).

Binnen dit laatste, grotere tekstgedeelte vindt men drie keer herhaald: vertrouwen (31.38.39) , Jezus (33.37.39), niet vinden (34.35.36), zeggen (40.41.44), de Christus (41bis.42), hem (43.44bis).

De drievoudige herhaling van een woord verleent de tekst een zekere ordening en samenhang.

Waarom is Johannes 7 een geheel? De eerste aanwijzing daartoe geeft de geografische aanduiding Galilea (niet Judea - 7,1) en Galilea (uit Galilea niet - 7,52). Daarnaast ziet men : zijnde een uit de twaalf (6,71) en zijnde een uit hen (7,50).
Het in het verborgen opgaan van Jezus heeft zoeken tot gevolg. Daarbij blijken er twee meningen te zijn: goed of misleiden. Jezus blijkt opgegaan naar het Heiligdom. Hij leert er. De mens en herkennen daarin de Schriften. Hoe is dat mogelijk? Jezus reikt als criterium aan: het zoeken van het 'gewicht' van degene die gezonden heeft. Het daarop volgend betoog blijkt uit op: Oordeelt niet op zicht maar oordeelt het rechtvaardig oordeel (7 ,24). Wat mag dat rechtvaardige oordeel zijn?  
De discussie gaat verder, blijkt oppositie tot en met een zoeken hem te grijpen (7 ,30). Dienaren worden gezonden om hem te grijpen (7,32). Zij komen terug met: Nog nooit heeft zo een mens gesproken  ( 7 , 46). Die uitspraak ondervindt scherpe afwijzing. Nicodemus, zijnde een uit hen, zegt: Onze Tora veroordeelt de mens niet, tenzij wanneer men eerst naar hem gehoord heeft en kent wat hij doet  ( 7,51). Is dat het rechtvaardige oordeel, het oordeel volgens de Tora?

 

   

Jan Engelen is geboren in 1942 te Schaesberg, studeerde filosofie en theologie bij de Carmelieten, later op de KTHA. In 1973 deed hij zijn doctoraal examen op een scriptie getiteld: Filosofie en theologische mogelijkheden rondom de eucharistie.In 1978 gaf het teruglopen van het aantal studenten op de Pedagogische Academie hem de mogelijkheid, te beginnen met de bestudering van Johannes 7-10, meer in het bijzonder Johannes 7. Intussen heeft hij meerdere publicaties doen verschijnen: Mattheüs 1-4 (1981), Johannes 1-6 (1983), Johannes 7-10 (1982), 1 Samuel 1-15 (1982) - allen uitgegeven bij Kok in Kampen;  Dag Boek! (1982), Joods-Christelijk (?) (1983), Genesis Opnieuw (1984) ,en Het gelaat, Jij die mij aanziet, Een eerste inleiding in de filosofie van Emmanuel Levinas (1985) – bij Gooi en Sticht te Hilversum.
Jan Engelen publiceert in meerdere tijdschriften en verzorgt regelmatig bijbels-katechetische programma's voor de KRO-radio. Sinds 1971 is hij verbonden aan de Katholieke Pedagogische Academie (eerst "De voorzienigheid", daarna ook "Magister Vocat", nu KPA) te Amsterdam. In 1988 werd deze opleiding samen met andere fusiepartners de Ipabo in Amsterdam.

 

A summary

Those who want to read the 7th chapter of the Gospel according to St.John can do so. Take a Bible, look up the chapter and read it. Only: the lecture itself exhibits a curious text. Christian readers find themselves confronted with the Feast of Tabernacles. Other texts of the so-called New Testament don't mention Tabernacles. It only occurs here. What is the text offering under the title of Tabernacles?

From the very beginning the text gives a highly problematic situation. The first verse notes a threat (sought to kill him). That is why Jesus is in the story here (Galilee) and not there (Jerusalem). Menace mesures distance, dissociation. The same distance is measured out in a discussion called up by those who are called his brothers (3). From the text you could not conclude that there was contact between his brothers and Jesus, for his brothers did not believe in him(5). Not believe is the reason why. As they, the brothers, are going up to the feast, he does not go up to the feast (8). He stays in Galilee.
When his brothers are gone up to the feast, Jesus also goes up.
The "feast" is not mentioned. Where is he going up to? He went up to the Temple (14). Earlier the text did mention: He went up secretely (10). In the meantime opinions over Jesus are outed in the middle of the feast. These opinions are: He is good and He decieves the people"(12). Is there a way out? What could and does decide this question?  

In the sanctuary Jesus is teaching (14). His teaching results  in a clearcut astonishment: How does this man know Scriptures never having learned? (15). For Jesus, portrayed as he is in the text, this is an invitation to a rather long reply. Is this the answer to the question? The question cannot be answered in a short way, does not seem to fit in, cannot be answered with words only. In the text Jesus gives a series of substitutions: teaching, doctrine, seeking glory, Thora (15-18). The name of Moses is mentioned and through what seems an expatiation on Sjabbath, Circumcision and Man healtly. Moses is mentioned again, but now with the Tora. Here is the answer. It is up to them: Do not judge by the appearence but do judge the righteous judgement (24).
In what follows the menace, distance and opposition is continued, accentuated and aggravated. Words of opposition turn to deeds of aggression. They try to capture him. Servants are sent to capture Jesus (32). Again the text is interrupted by an expatiation of Jesus. The servants return at last. They are deeply impressed by Jesus'speaking: Nobody has ever spoken like that (46). This sentence inaugurates a new problem. Nicodemus makes, at first sight, a sober remark but is put aside on irrelevant grounds.  

What kind of a text is this? What is the story about? What is expounded in opposition? What is the coherence in the story? Who wants to read more and better may re-read the text. Literature on John 7 can be sought but is limited. The questions:"Where does the story begin?" and "Where is the end to be found?" are getting more important. Also:"What makes the text a unity?
The unity of the text has been discussed since Bultmann. Textcritics and Redaktionsgeschichte underlined the question. Apparently with "our logic" we cannot follow the text. The text does not fit in. It is possible that our text is not the original or has lost its proper place.
"Our logic" (called Science, Exegesis, Theology) is looking for other possibilities, trying to re-place, re-construct and re-arrange (parts of) the text. Nevertheless, al this chopping and changing around is not much help to those who want to read the text. John 7 remains an increasing problem. Is using our logic the best way to read this text?
Is it possible to read the text more objectively and unprejudiced? Is it possible to approach the text keeping distance? Is there a way to read John 7 without hanging on to current opinions, meanings and conclusions which can make (parts of) the text superfluous? Does the text indicate how it should be read?
In the end nothing else is left but the text itself: these words, arranged as they are. How are these words arranged? In giving up those current opinions, meanings and interpretations, in just paying attention to the words, the structure of the text becomes clear. A lot of words are repeated, just three times in 7,1-24: Judea/Judeans(lbis.2), his brothers (3.5.10), to go up (10.11.14), the feast (10.11.14), (they) said (11.12bis), to teach/teaching (14.16.17), (he) is (17.18bis), Moses (19.22bis), the man on Sjabbath (22.23bis), judge/judgement (24 ter). This threefold repetiition of a word/stem is also to be found after 7,24: this (one) (25.26.27), whence (27 bis. 28), (he) is (27 ter). The verses 7,30-44 are dominated by "to capture"(30.32.44). Within this frame the text presents: to believe (31.38.39), the Christ (41bis.42), not find (34.35.36), to say (40.41.44), him (43.44.44) and Jesus (33.37.39).

An arrangement, a structure becomes clear – a structure that can also be found before John 7. See: the disciples (6,60.61.66) and "the welve"(67.70.71). The threefold repetition of a word demonstrates how the text is arranged, indicates how it should be read.

Where does the story begin? The reader could see 6,59 (This things he said in the synagoge as he taught in Kapernaum) as being a summary of the foregoing. It could be said: three groups continue to react: the disciples, the twelve and the brothers. In that case, a new pericope should begin around 7,10 or 14. Verse 7,1 is than omitted as a possible beginning. In that case, the structure of the regularly iterative words should not unify the scene of the text - although this establishes the firm unity in 7,1-24. Verse 7,24 would miss the accent given by the way the text presents itself. The same verse 7,24 (the righteous judgement) in turn co-operates with 7,51 (the judgement according to the Thorah). A last argument pleading for the unity of 7,1-51/52 could be the description of Nicodemus. He is called being one of them. In 6,71, Peter being one of the twelve, has the same qualification. The literary structure divides the whole of John 7 in smaller parts. The breaking up of the text in smaller parts may be helpful to the reader. She or he is no longer bound to the text as a whole. In each part the footprints of the iterative words indicate the path to be followed by the reader. Attention is focused on details, implications and insinuations of the text, leading the reader. Continual discussion over records of other and earlier tried ways of reading John 7 justifies this procedure. The way of the words and the structure that presents them seem to indicate that they want to be read in this way.

The approach given above, draws all attention to one verse of the 7th chapter of the Gospel according to St.John. Do not judge according to the appearance but do judge the righteous judgement (7,24). This sentence stands out all the more clearly because of the fact that the literature on the Gospel according to St.John doesn’t make any comment on this sentence. Those who don't have eyes for the threefold repetition of a word, will never pay attention to this stylistic monotonous sentence. The meaning of it doesn't seem to be a problem. The meaning of "a righteous judgement" is apparently self-evident. Who of the Christian readers would as actual fact repeate what Nicodemus says: "Our Thora does not judge a man unless …"(7,51)?

Nawoord van Ben Hemelsoet

Afgelopen tweede Pinksterdag mocht Kees Fens zijn muziekkeuze toelichten in het KRO programma “daar word ik stil van”. Hij deed de luisteraar versteld staan van een uitvoering van de kleine doxologie, die traditioneel de zang van een psalm besluit: "Eer aan de vader en de zoon en de heilige geest, zoals het was in den beginne, nu en altijd, tot in de eeuwen der eeuwen." Hij maakte opmerkzaam op de passus: sicut erat in principio … In die passus verwees de muzikant weer naar het begin van zijn toonzetting van de psalm, uitgerekend als hij laat zingen: sicut erat in principio! Kees Fens voegde daaraan toe: dat is het mooiste wat er voor een muzikant kan bestaan.  

Vergelijken wij dit in dit uur met de literatuur. Is dat ook niet het mooiste wat er voor een schrijver kan bestaan: zo de woorden te kunnen laten klinken dat aan het eind het begin kan worden gehoord, en dat in het geschrift een en ander op elkander rijmt? Maar nog groter vreugde mag het heten als een lezer dit weet bloot te leggen, bijeen weet te lezen, weet te verzamelen? En als hij daarenboven daar nog verslag van doet om zo andere lezers binnen te voeren in het geheim van de tekst?  

Zo heb jij, Jan, de poging gewaagd Jan, Sint Jan, te lezen, te zeven, zo te lezen en te zeven dat er meer tot klinken komen kan, dan in veel leesverslagen doorgaans, let wel: doorgaans te lezen is. Jij bent doorgegaan, soms tegen veel doorgaande lezingen in. Dat heeft misverstanden gewekt, en Didymus werd in den beginne niet als tweelingbroeder ontdekt, men wilde slechts naar de blinde zien verwezen!
Alles wat blinkt is nog geen goud, maar ook alle goud blinkt nog niet immer. Maar jij hebt, schering en inslag, de text, de texture, onvermoeid, niet uit het veld te slaan, ter hand genomen, met de eigen zin, de eigenzinnigheid van de tekst voor ogen. Text en texture. Het werkwoord kon niet uitblijven: texturiser, volumineus, en niet al te fijnzinnig, om een bepaalde volumineusiteit en (let wel) ook elasticiteit aan filementsgarens te geven. II y an des mots qui sont des coquilles de parole. Coquille kan ook vertaald worden met het welluidende: trompetgewelf.  

Er bestaat een ontroerend miniatuur uit het begin van de 16e eeuw. Het wordt toegeschreven aan de school van Jean Colombe, nee geen adelaar, en het wordt bewaard in Lyon. Moeder Maria zit achter het weefgetouw, en rechts van haar staat Jesus achter een lezenaar. Jesus leest in het boek, maar zijn linkerhand verwijlt nog bij de vorige bladzijden, waarvan die hand nog geen afscheid kan nemen, en zijn rechterhand beroert reeds de bladzijden die nog komen gaan. Het is een afbeelding in het klein van hetgeen er geschiedt als de schriften in beweging worden gezet.  

Op dat moment wordt ook het weefgetouw in beweging gebracht, zo wordt het weefsel zichtbaar gemaakt. Terecht: een huiselijk tafereel voor wie het heiligdom van de schriften is binnengegaan, voor iemand die thuis is in de schriften.  

In je proefschrift heb je duidelijk willen aantonen, – met de schriften op je lezenaar, – je linker- en je rechterhand vele andere bladzijden markerend, dat het Loofhuttenfeest “als vanzelf” de broeders te voorschijn roept. Die broeders zijn juist niet te meten in vermoedelijke bloed- en verwantschapsgraden. Het zijn de broeders die in het vizier komen als het rechtvaardige oordeel wordt geoordeeld, niet eerder, Jood en heiden tevens. Daarom heb je ook geweten dat de psalm van het samenwonen van broeders  daarom Jerusalem als wenkend perspectief heeft, want daar gebiedt de Heer zijn zegen.  

In de loop van de vele jaren heb ik jou als broeder ontdekt, herkent, ook degenen die je zo met tederheid met name noemt in je woord vooraf Leonie, Mirjam, Ruth en David. Hen wil ik in die broederschap van je huis hartelijk betrekken evenals je ouders en schoonouders bij mijn oprechte gelukwensen, die jou vandaag toch het allermeest gelden.  

Amsterdam 22 mei 1986,

Ben Hemelsoet

 

Hoofdstuk 1