© Jan Engelen, Alkmaar/Herten 2003

 

 

Door Samaria: een vrouw, een stad

Johannes 4

Les 3, pinksteren 2003

1. Inleiding

Eigenlijk zou je het verhaal wat gemakkelijk willen houden. Jezus is onderweg en hij rust een beetje uit, bij een bron. Dan komt er een vrouw water putten. Jezus vraagt haar, dat ze hem te drinken geeft. Zij zegt iets als: dat jij, een Jood, met mij, een Samaritaanse praat …

Er ontstaat er een gesprek en geleidelijk aan voelt de vrouw zich zozeer begrepen door Jezus (Hij heeft mij alles verteld!) dat ze er iedereen bij haalt. En ze gaan allemaal vertrouwen in hem, want, zeggen ze, ze horen het zelf. Jezus is blijkbaar iemand die alles verteld, die een en al woord is. En blijkbaar doet dat goed, nodigt het anderen uit daarin te delen.

Maar als je het verhaal zo vertelt, weet je eigenlijk nog niets. Dan is er geen inhoud, geen geheim ook, althans niet een geheim dat je zou willen kennen. Is dat er dan?

Om dit verhaal bij de bron een plaats te geven moet je een beetje weten hoe het verhaal van Johannes in die eerste hoofdstukken in elkaar zit. Commentaar bij of inleiding tot een verhaal kan niet zonder datzelfde verhaal.

2. Context

Johannes 1 speelt zich af bij de Jordaan. Daarna wil Jezus naar Galilea (1,44) gaan. Dan is er Nathanael. Op een andere plaats zullen we over hem spreken. De bruiloft (2,1-12) speelt zich af in Kana, Galilea. Dan is er de afdaling naar Kfar Nachoem (2,13), het troostdorp. Blijkbaar is dat in het verhaal een tegoed, een “dat komt nog”. In 4,46 wordt Kana weer genoemd en komt het verhaal van Kapernaum. Kana en Kapernaum zijn bij Sint Jan blijkbaar twincities, coördinaten. Ze roepen elkaar op, horen blijkbaar bij elkaar. Het is aan de lezer om uit te zoeken of dat zo is. We gaan daar hier niet op in.

Tussen Kana en Kapernaum krijgen we een verhaal in Jerusalem (2,14 - 4,3). Aan de orde is  Pesach, de nacht waarin het grote gedenken [1] wordt geleerd en geoefend. Over leraar zijn in de paasnacht: Nicodemus.

In 4,3 verlaat Jezus Judea voor Galilea. De mensen in Galilea hebben gehoord over hoe het hem gegaan is in Jerusalem. Zij zien hem blijkbaar met vreugde komen (4,43-45). (De vaderstad van Jezus lijkt bij Johannes Jerusalem te zijn!)

Tussen 4,4 en 4,42 krijgen we een verhaal tussen Judea en Galilea in. Samaria is intermezzo.

Hoe zit het met die landstreken? Neem je de kaart van Israël, dan ligt Judea met Jerusalem in het zuiden. Galilea is het noorden. Daartussenin ligt Samaria, tegenwoordig meer bekend als de West-Bank.

Judea en Jerusalem is het joodse stad en land, het land van jehoedah. Jehoediem wordt verbasterd tot Joden.

Galilea is ontstaan als een vluchtplaats voor mensen uit Judea en Jerusalem. Daar wonen dus mensen die eigenlijk uit Judea komen, heimwee-mensen. Mensen met hoge verwachting over Jerusalem en de Tempel. Mensen voor wie telt wat in Jerusalem vanzelfsprekend is en tot het leven van elke dag hoort.

Samaria is het land van de Samaritanen. De mensen daar hebben de verwoesting van Jerusalem en de deportatie naar Babylon niet meegemaakt. Hun bijbel gaat niet verder dan het boek Jozua. [Niemand is zo erg als degene die zoveel op je lijkt. Denk aan buursteden met hun onderlinge rivaliteit. Judea en Samaria is niet synchroon, zegt de tekst in 4,9. Ze zijn niet compatible. Ze hebben niets met elkaar, leven in verschillende werelden.

3. Op weg naar Galilea door Samaria.

A. Diachronie

We komen in zwaar bijbels land. Dat hoor je. Namen worden genoemd, namen van streken en personen.  Judea, Galilea, Samaria, Jacob en Jozef. Samaria blijkt een landstreek die, ondanks de immense afstand, toch verbondenheid suggereert. Of is het verscheidenheid, eigenheid? Zelfs onze vader Jacob heeft uit die put gedronken! Waarom zo opgeven over onze? Wat wordt daar geclaimd, gereserveerd, afgedwongen?

Het is rond het zesde uur, in onze tijdsrekening dus rond 12 uur. De bijbelse dag wordt gerekend vanaf zonsopgang. Je vraagt je af: zou Johannes de andere evangelieverhalen kennen? Het lijkt er op dat hij met name Lukas zeker gekend heeft, al is dat elkaar kennen moeilijk te bewijzen. Toch: het zesde uur legt een onmiskenbare link met Goede Vrijdag. Alleen: Sint Jan noemt die tijd niet.

Rond de middag, bloedheet. Soli cani et Germani, zeggen de Italianen, zijn ‘s middag op straat. Het toneel is dan ook leeg. Bij de bron mag je altijd veel volk verwachten, maar als het rond de middag is, is er niemand.

Jawel. Er is toch iemand. Jezus is daar. Onderweg, moe. En daar komt die vrouw, een Samaritaanse, iemand die in dat gebied thuis is, moederziel alleen om water te putten. Waarom is zij, afgezien van Jezus, de enige? Waarom komt ze als er ogenschijnlijk niemand is? Mag ze niet gezien worden? Waarom niet? Wil ze niet meepraten? Waarom niet? Wie het weet mag het zeggen. Maar Jezus breekt de stilte. Hij blijkt bij de bron te zijn gaan zitten om haar aan te spreken. Om haar iets te vragen. De vraag is simpel. Geef me te drinken? Je hoort bijna: Ik heb dorst (Jo 19,28).

Een gewone vraag. Maar meteen is er iets als van bitterheid. Hoe vraag jij, een man uit het Joodse land, mij, een Samaritaanse, te drinken! Eerder een uitroep of een afwijzing dan een vraag. Maar zij verschuilt zich onder iets wat iedereen in de tekst blijkbaar weet: Joden en Samaritanen zijn niet synchroon (zegt het grieks), komen niet uit dezelfde wereld, delen geen beelden, herinneringen of taal met elkaar, hebben eigenlijk niets (of alles?) met elkaar, verwijten elkaar enkel afstand en onverschilligheid!

Niet-synchroom [2] zijn kan een naam wezen voor veel verloren tijd.

B. Als je wist wie je vraagt.

Het moet een onverwacht moment zijn. Alsof het permanente misverstand of “zich niet verstaan met elkaar”geen probleem is. Met als je wist draait Jezus het hele verhaal om. Als je wist zou je hem. Als je wat wist? Als je wist van gods gave en van wie het is die met je spreekt, dan zou je hem te drinken vragen.

Daar komt wat ruis in het verhaal. Daar rimpelt iets. De gave Gods. Vrijwel aan het begin van het verhaal hebben we gehoord hoe Jacob de streek gegeven heeft aan zijn zoon Jozef. Als je weet van de gave Gods en van wie het is die je vraag geef mij te drinken – je zou het hem vragen en hij zou het je geven. En zij sputtert over Jacob die de bron gegeven heeft en er uit gedronken heeft.

Intussen doet Jezus volgens Johannes alsof hij in de vreemde, niet-synchrone land, een bron is, of iemand die water schept [3] .  Maar voor de vrouw is het geenszins een diepzinnige opmerking. Het is eerder dom, of beetje vreemd. Hoe kun jij aan levend water komen als je geen emmer of kruik hebt?  

C. Vreemd

Het is trouwens vreemd. Waarom zet Sint Jan Jezus in de aanheft  tot dit verhaal zo passief neer, zo onhandig, zo “ze doen maar”? Moet je horen: Hij moest door Samaria gaan. Hoezo moest? Is dit hetzelfde moeten als dat van de mensen (jullie) die van omhoog (3,7) geboren moeten worden, van hetzelfde omhoog (3,31) als vanwaar het mensenkind komt, vanuit het gezonden (3,34) zijn, vanuit de verhalen van alzo hoge van al zo ver? Is dit het moeten (20,9) als bij de opwekking uit de doden?

Moeten blijkt nogal eens gekoppeld aan volgens de Schriften. De mensenzoon moet worden opgeheven (3,14 en 12,34. Dat alles heeft te maken met zijn dood aan het kruis: opgeheven.

Anders gezegd: wat heeft die reis door Samaria te maken met straks het einde dat het einde niet is in Jerusalem, maar een nieuw begin vanuit Jerusalem [4] ?

Vreemd is ook die dubbele nelson waarmee deze geschiedenis begint. De Heer verneemt dat de farizeeën hebben gehoord dat Jezus meer leerlingen maakt en doopt dan Johannes, ofschoon hij zelf niet doopt maar zijn leerlingen. Waarom moet de Heer vernemen wat de farizeeën hebben gehoord over Jezus?  En waarom wel dopen [5] maar in feite niet. Hoezo wel en niet tegelijk? Het zijn vragen die gesteld mogen worden, maar waar vind je een antwoord, hoe kun je vermoeden wat een antwoord zou kunnen zijn [6] ?

Als Jezus te drinken vraagt dan zal er meer worden aangeboord dan enkel een drinkader. Bij dorsten merkt Van Dale op: meestal figuurlijk. Voorbeelden zijn: “Naar bloed dorsten, naar wraak dorsten, er sterk naar verlangen”.  Kortom: geef mij te drinken: waar dorst hij naar. Waar is hij op uit. Wordt hier, midden tussen Judea en Galilea zichtbaar gemaakt waar hij op uit is?

D. Ben jij soms meer?

Geef mij te drinken, vraagt Jezus haar. En het afwerende gebaar van de vrouw gebruikt hij om de rol om te draaien. De aandacht van de lezer zal zich concentreren: als je wist wie … Wie is deze? Waar gaat het over? Wat wil hij?

De diepzinnigheid van Jezus verrast haar niet. Je hebt niet eens een emmer en de put is diep. En ze vergelijkt hem met onze vader Jacob om alleen afwijzend te vragen ben jij soms meer?  Volgens haar dus niet. De lezer mag benieuwd zijn.

Jezus gaat niet in op haar onderling vergelijken. Na haar algemene opmerking over Joden en Samaritanen geeft hij een algemene uitspraak over ieder. En hij geeft aan hoe het volgens hem blijkbaar anders kan: maar wie.

Blijkbaar is er te ontkomen aan wat ieder overkomt, dorst krijgen. Blijkbaar is het mogelijk  een bron te ontvangen aan water dat uit is op volop leven, op leven naar de maat van God, eeuwig. [7]

De uitspraak van Jezus roept bij de vrouw geen vrome gevoelens op. Orthopraxie telt voor haar meer dan orthodoxie: Geef mij dat water! Simpel. Dan zal ik geen dorst meer hebben en dan hoef ik niet meer over te steken naar hier om te putten. Zou hij dan opeens toch meer zijn dan onze vader Jacob? Let ook op haar aanhef. Niet meer Aaltje brutaaltje maar Kyrie, Heer. Komt hij dan opeens van boven voor haar. Is hij iemand om naar op te zien?

Nu volgt een eigenaardige procedure. Zij wil dat water om praktische redenen en moet daartoe haar man halen en naar hier komen, naar waar zij niet meer hoopt te komen? Als het gaat over het huwelijk dan gaat het in de bijbelse literatuur bijna altijd over het verbond. Ik heb geen man. Daar is geen verbond, geen synchronie. Dan wordt er geteld. Vijf en die van nu. Als je wist van de gave Gods en van wie met je spreekt?

Daarin is blijkbaar meer gezegd dan een verwijt of enkel een verwijt. Daar is zoiets als Tora gehoord. Zij zegt: Ik zie dat jij profeet bent. Hoe ziet ze dat? Wat ziet ze dan? Hoor hoe zij kijkt wanneer het gaat over verbond of het ontbreken daarvan. Ze ziet aanbidden. Ze ziet: onze vaderen. Ze ziet deze berg (In Samaria). En ze ziet: Jerusalem. En bij dat alles ziet ze niet  hoe jullie kunnen zeggen wat de plaats om te aanbidden is?  

Het lijkt een kwestie van uit lokken, uit de tent lokken. Van jij (profeet) naar jullie (in Jerusalem).  Maar Jezus trekt haar spreken door naar de vader. Ér komt een uur, en dat is nu (de lezer mag vragend hernemen “nu?”) dat degen die echt aanbidden de vader zullen aanbidden in geest en in waarheid. Het is een antwoord dat je een beetje van de wijs brengt. Maar als we het nu een langzaam hernemen. Echt bidden is geen kwestie van hier of daar, het is een zaak van en voor de vader en het heeft te maken met geest en met waarheid.

Geest en waarheid  zijn plaatsbepalingen. Als elementen van het bijbels spreken vragen zij om een nadere situering. Geest zien we altijd tussen hemel en aarde. Vanaf Genesis 1,1-2 vinden we die leesaanwijzing. Gij komt van alzo hoge wordt gezongen vanaf de aarde, denkend aan alles wat ons nog onttrokken is, wat ons te goed is. Denkend aan God die naar deze wereld kijkt [8] , voor wie wij er zijn.

En waarheid is niet het tegenovergestelde van leugen, of bedrog. Waarheid is bijbels gesproken een daad van genegenheid. Genegenheid (genade) is de binnenkant, wat zich binnen, in een mens, of onzichtbaar tussen mensen of tussen de mens en God afspeelt. Dat kun je verifiëren aan wat er concreet gebeurt, aan wat zichtbaar is, om zo te zeggen “buitenkant”.

De tekst herhaalt dat. Over de vader, over geest en waarheid. Wat zou die waarheid, die daad van genegenheid kunnen zijn? Voor de vrouw is dat geen vraag. Onmiddellijk zegt ze: ik weet heer dat de messias komt! En zij weet ook wat de messias zal doen: hij zal ons ALLES vertellen, uitleggen, berichten. Dat maakt de Messias niet tot een internationaal of mondiaal persbureau. Alles is niet een verzameling van alle mogelijke ditten en datten, niet de super superlatief van veel, meer, meest, bijna alles en alles. “Jij bent voor mij alles” snijdt heel iets anders aan. Alles wijst op waar je blijkbaar ten diepste mee verbonden bent, de bron van je bestaan, je verwondering.

Intussen weet de lezer of toehoorder van dit verhaal wie (of hoe) voor de vrouw die Johannes beschrijft de messias is: hij zal alles ana-angelloo. Angelloo ken je uit evangelie of engel, boodschappen, vertellen en verteller. Ana is de beweging naar omhoog. Misschien ken je de titel anabasis, een klassieker van Xenophon. Landinwaarts trekken – rond de middellandse zee is dat altijd omhoog. Ana gaat ook vanuit Egypte naar hét Land. Zoals een tuinliefhebber de plantjes uit de grond praat. Alles!

En Jezus geeft een opmerkelijk antwoord. Je kunt het lezen en horen alsof het geen geheim is. Ik ben de sprekende met jou. Jezus zegt dan simpel met evenveel woorden in bedekte termen dat hij de messias is. Maar het Johannesevangelie is altijd in de weer met ik ben. Laat dat even raadselachtig zijn.

Met ik ben gaat meteen het boek open in Exodus 3. De struik in de woestijn staat in brand. Het gaat daarmee over God bij wijze van spreken. Evenmin als een ander mens is God een onderdeel, een element van mijn wereld. Blijkbaar staat degene die met je spreekt,  die je dus niet alleen laat, die je van ver over de grenzen van je wereld heen aanspreekt, in het spoor van de messias, in het spoor van God. Wanneer je dat vaag vindt dan doe je alsof de wereld en de samenleving hanteerbaar en maakbaar is, jouw bezit. Dan is de wereld en de samenleving geen geschenk, geen opdracht, niet om te doen.

Ik stel voor om ik ben, de sprekende met jou niet te lezen als “Ik ben de messias”, maar als

uitleg van de naam van God als element van het heden, die met je spreekt. Denk aan : het uur komt en het is nu [9] (4,23).

Dan komen de leerlingen, een intermezzo, (een herhaling met andere of evenveel woorden, of verdere uitleg: na het drinken nu het eten). Waar gaan daar nu niet op in. We wachten even en volgen de vrouw.

Zij laat haar kruik achter. Alles wat haar motiveerde blijkt van geen belang. Zij verdwijnt naar de stad en wordt een communicatieproces, vertelt de mensen ziet de mens die mij vertelt heeft alles wat ik gedaan heb. Voor haar is hij de messias, dat legt ze de mensen, ook ons uit. Daarmee wordt de vraag voor ons neergelegd – als je wilt. Als het een vraag is mag je antwoord proberen. Dat antwoord is geen verbaliteit. Het heeft te maken met genegenheid en daden [10] van genegenheid.

les 1. Vrede
les 2. Bruiloft
les 3. De Samaritaanse
les 4. De blindgeborene een twee drie
les 5. Een echte herder
les 6. Nog eens: vrede


[1] Wij waren slaven in Egypte en hij heeft ons bevrijd. In de nacht van Pesach wordt de reikwijdte van dit vast punt steeds opnieuw weer verkend, updated.

[2] Verderop in het verhaal, wanneer het gaat over zaaiers en maaiers, komt wat beiden synchroom maakt. Wanneer het gaat over de oogst zijn beiden synchroon, zoals beginsituatie en doelstelling met elkaar communiceren.

[3] In hoofdstuk 4 ben je nog niet in Johannes 7. Wanneer iemand dorst heeft, dan moet hij naar mij komen en drinken. Wie op de manier van de Schrift, vertrouwen heeft in mij, rivieren zullen uit zijn schoot stromen van water dat leeft. Voor de lezer van nu gaan beelden wellicht door elkaar lopen, maar voor een bijbels lezer kan Zech 14,8 meeklinken: water dat leeft zal stromen uit Jerusalem.

[4] Lukas geeft aan zijn verhaal dezelfde oriëntatiepunten mee. De leerlingen moeten blijven in Jerusalem, totdat .. Dat blijkt dan Pasen te worden en Hemelvaart en Pinksteren.

[5] Zie 3,22. Hier is Jezus ook aan het dopen.

[6] Het is een van de motieven die verwantschap doen vermoeden met Lukas. Zie Luk 12,50. De doop die hem te wachten staat kan alleen maar in Jerusalem zijn, zijn dood. En het is niet enkel een typisch eigenaardigheidje van Lukas. Blijkbaar denkt de bijbelse literatuur niet over dopen zoals wij dat doen. “Door de doop wordt je lid van de kerk, wordt je een gelovige.” Blijkbaar staat die doop als een markering van het hele verhaal, over dood en opstanding, een flash forward die straks altijd ook een samenvatting van het hele verhaal is. Paulus zegt dat bijna vanzelfsprekend: Weten jullie niet dat wij die naar Jezus toe gedoopt zijn, dat wij naar zijn dood toe gedoopt zijn. Wij zijn met hem mee begraven door de doop naar de dood, opdat, zoals Christus opgewekt is geworden uit de doden … zo ook wij. (Rom 6,3v). Zo ook: met hem mee begraven in de doop, ook met hem mede opgewekt uit de doden … (Kol 2,12). Vat de doop ook niet de uittocht uit de slavernij en het aankomen in het land samen?, in ieder geval dat leven niet enkel eiwitten en koolhydraten, maar ook verhalen en herinneringen is, voorbij alle grenzen.

[7] Het bijbelse begrip eeuwig moet je niet meten naar ons begrip van tijd. Het onderscheid ligt daarvoor. De bijbelse mens leeft van dag tot dag, zoveel dagen. Als je x jaar bent dan ben je x keer vele dagen oud. Maar God leeft voor mijn tijd en na mijn tijd, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Eeuwig is de maat van God.

[8] Zie Psalm 51,13: Verwerp me niet van voor je aangezicht en neem je heilige geest niet van mij.

[9] De messianiteit lijkt een element van of in het heden te zijn, namelijk dat wat zich aandient, het nieuwe (niet het verlengde van het voorafgaande).

[10] Voor studerenden op een pabo heeft dat antwoord dus te maken met bijvoorbeeld de competenties, met doen en kunnen doen.

home