Witte Donderdag 2 april 2015


Exodus 12 : 1 – 11; Joh. 13,1 - 15

Op deze dag zien we dat voor ons. Hoe hebben ze daar gestaan, de lendenen omgord, de staf in de hand. Met zijn allen rond de tafel, een laatste maaltijd in grote haast. Voor de grote tocht die “vrij, eindelijk vrij” betekent.
Het bloed van het lam op de deurposten is net droog, opgedroogd. De engel van de dood gaat deze nacht voorbij. De huizen van de levenslang geknechten gaat hij voorbij. Voorbijgaan, voorbijtrekken, overslaan: dat is Pesach, een vrijgeleide.
Zo staan ze daar, die nacht, de lendenen omgord, de staf in de hand. Overhaast zul je het eten. Deze nacht. Ik zal de eerstgeborene slaan.

Velen van ons weten dat het lijdensverhaal van Mattheus vrijwel begint met die vrouw die met haar kruikje balsem bij Jezus komt om hem tot haar gezalfde te maken. Marcus heeft dat ook. Lucas heeft haar al vrij vroeg in het evangelie een plaats gegeven, na de opwekking van de jongeman uit Nain en hat antwoord aan de leerlingen van Johannes: blinden kunnen zien, kreupelen kunnen lopen, tot en met doden worden opgewekt. Dan is er het pijnlijke gesprek “met wie zal ik de mensen van dit geslacht vergelijken?” Het is als bij kinderen. Iemand speelt op een fluit en ze dansen niet, of iemand zingt een klaaglied en er zijn geen tranen. Dan komt die vrouw met haar verhaal en haar breekbare kruikje. Zij zalft Jezus en Jezus gaat het Simon uitleggen. Wie veel vergeven is. Maar deze vrouw zoeken we bij Johannes tevergeefs.

Johannes heeft de naam altijd een “geheel eigen” evangelie te hebben. Geen vrouw buigt zich over hem, maar Jezus zelf. Hij trekt zijn bovenkleed uit.
Verbijsterd zien de leerlingen wat hun Meester doet. Hij legt zijn bovenkleren af en omgordt zich met een linnen schootdoek. Hij doet wat een dienaar doet. Het “welkom” waarmee de Heer de zijnen ontvangt is onbegrensd. Hij buigt zich en wast hun voeten. Hij doet wat een dienaar doet, vaak een vrouw. Alles wat door je handel en wandel aan je voeten is blijven kleven wordt afgewassen. Bij Hem zijn wordt vandaag een soort door het water gaan, en aankomen, binnen komen. Je voelt hoe welkom je bent.

Vaak, wanneer in het evangelie de leerlingen aan zet zijn, neemt Petrus het woord. Hij is degene die ons horen laat dat hij het niet begrijpt. Petrus wil de zaken recht zetten. Niet jij mij, maar ik hoor jouw voeten te wassen. “Ik zal jou de voeten wassen.” Precies dat is toch de les die wij vandaag zouden moeten leren. Hoe wij elkaar in zijn naam welkom heten in het land van de levenden.

Verbijsterd kijken wij. Jezus trekt zijn kleren uit en Jezus trekt zijn kleren aan. Daartussen zien wij in een sprekend gebaar hoe het lichaam van Jezus zich buigt over de voeten van elk van zijn leerling. “Wees welkom, ook jij! Kom mee. We beginnen opnieuw.” Alsof we, gezien wat komen gaat, nu pas beginnen. Bij Johannes komt dan dat hele, bijna bezwerende verhaal aan de tafel van het laatste avondmaal. Over de eenheid en de genegenheid die zich afspeelt tussen de Vader en de Zoon, tussen Jezus en zijn leerlingen. Alles begint.
Petrus wil daar geheel in ondergaan. “Dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd”. Steeds opnieuw weer valt mij de volgorde op. Voeten, handen, hoofd. Van gaan en staan en doen naar denken en voelen: handen en hoofd.
En dan, ontroerend. Jezus zegt dat Hij niet gekomen is om gediend te wórden, maar om te dienen. Zichzelf geeft Hij aan ons: het brood van de slavernij en bevrijding, het brood van de ellende, het brood van het koninkrijk ook dat komt.

Witte Donderdag is de eerste van de drie heilige dagen. Met alle nadruk op de passies die overal klinken en gespeeld worden denk ik, dat Johannes ons voorschrijft, vooral niet zijn genegenheid te vergeten. Zijn liefde voor ons, voor zijn leerlingen, voor allen die in vertrouwen naar Hem toekomen.

Wij willen het dezer dagen meemaken. Vandaag zien we hem voor het laatste met zijn leerlingen. Straks wordt hij gevangen genomen en overgeleverd. En na vandaag komt morgen. We voelen verbijstering over wat zich onder onze ogen afspeelt maar ook ontroering en schroom bij zoveel goedheid die zich met ons wil delen, die zich aan ons geeft en die ons welkom heet aan deze tafel waar wij vrijheid en ware vrede proberen te spellen met het brood dat ons heden gegeven wordt en de beker die wij delen tot vergeving van zonden. Het aloude verbond is zo goed als nieuw.
Moge dat zo zijn.

Jan Engelen, 2 april 2015