“Om te beginnen is er het Woord, het Spreken”, een studieconferentie over het evangelie van Johannes
Dr. Jan Engelen

Studiedagen in de Abdij Onze Lieve Vrouw van Koningshoeven, Berkel-Enschot.
23 tot 25 october 2018

Inleiding aan de hand van Hoofdstukken 1-3 of 4

Een goed begin is het halve werk zegt men wel. Hoe begint Johannes? Is dat een goed begin?

De vertalingen geven een variant op:

Johannes 1,1-4
1:1 In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. 1:2 Dit was in den beginne bij God. 1:3 Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is. 1:4 In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; 1:5 en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen. (NBG51)

Jean Zumstein, L’Évangile selon saint Jean, Labor et Fides, Genève 2014
1,1 Au commencement était le Logos et le Logos était auprès de Dieu, et le Logos était Dieu. 2. Celui-ci était au commencement auprès de Dieu. 3.Toutes choses sont advenues par lui et rien de ce qui fut ne fut sans lui. 4. En lui était la vie et la vie était la lumière des hommes. 5. Et la lumière brille dans les ténèbres et les ténèbres ne l’ont pas saisie.

Hartwig Thyen, Das Johannsevangelium, Mohr Siebeck Tübingen 2015 (2).
1. Im Anfang war der Logos / und der Logos war bei Gott / und Gott war der Logos / 2. Derselbe war im Anfang bei Gott. / 3. Alles ist durch ihn geworden, / und ohne ihn wurde auch nicht ein einziges der Dinge, / die geworden sind. 4. In ihm war das Leben / und das Leben war das Licht der Menschen. / Und das Licht scheint in der Finsternis, / doch die Finsternis hat es nicht überwaltigt.

Marc Girard, Évangile selon Jean, 1, 2017.
En tête était le parler, et le parler était en-vers Dieu, et [bel et bien] Dieu était le parler. 2. Celui-là était, en tête, en-vers Dieu. Tout par lui est devenu, et sans lui n’est devenu pas un [être]. 4. Ce qui a commencé-à-devenir en lui vie était. Et la vie était la lumière des hommes, et la lumière dans la ténèbre se manifeste, et la ténèbre ne l’a pas empoignée.

André Chouraqui, Les 4 annonces, Desclée de Brouwer, 1976. Yochanan 434-547.
Entête est la parole et la parole est aves Elohim : la parole est Elohim, elle est entête aves Elohim. Tout devient par elle : sans elle, rien de ce qui advient ne deviendrait. En elle est la vie : et la vie est la lumière des hommes. Et la lumière dans le ténèbre brille et la ténèbre ne la saisit pas.

In het Grieks staat:
1,1 En archei èn ho logos kai ho logos èn pros ton theon
1. In begin was/is het woord en het woord was/is naar/bij God

kai theos èn ho logos. 2. Houtos èn en archei pros ton theon. 3. Panta di’ autou
en God was het woord. 2. Hij was in het begin naar/bij God. 3. Alles is door Hem

egeneto, kai chooris autou egeneto oude hen ho gegonen. 4. En autooi
geworden, en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is. 4. In Hem

dzooè èn, kai hè dzooè èn to foos toon anthroopoon. 5. Kai to foos
was leven en het leven was/is het licht van de mensen. 5. En het licht

en tei skotiai fainei, kai hè skotia auto ou katelaben.
in het duister schijnt, en het licht (heeft) het er niet ondergekregen.

VGL Genesis 1,1v.
Hebr.
Bresjieth in den beginne om te beginnen
bara schiep schept
elohiem God God
eeth hasjamaiem we-eeth ha-arets de hemel(en) en de aarde
we-ha-arets en de aarde
hajetha was /is
thohoe wa-bohoe een puinhoop
we-chosjeck en duisternis
al peneej thehoom over het aangezicht der wateren
we-roeach elohiem en de geest van God
merachefeth zweefde /zweeft
al peneej tehhoom op het aangezicht der wateren
wa-jomer elohiem en God sprak / zegt
Jehie oor het geschiedt licht
wa-jehie oor. En het geschiedt: licht
wa-jar elohiem eeth ha-oor en God ziet het licht
ki thov hoe goed!
wa-javdeel elohiem en God maakt scheiding
bejn ha-oor oe-bejn hachosjek tussen het licht en het duister
wa-jikra elohiem en God roept
le-oor het licht
jom dag
oe-le-chosjek en het duister
kara roept hij
laila nacht
wa-jehi erev wa-jehi boker het wordt avond en het wordt ochtend.
jom echad. Dag één.


Uitgangspunt bij het lezen van een Bijbeltekst.

De tekst is er niet op uit een nageslacht te informeren over wat er gebeurd is, indertijd. De tekst vertelt wat er gebeurt. Is ahw ooggetuige, en maakt ook ons tot ooggetuigen, laat ons delen in wat hij te zeggen heeft, in zijn geheim. Hij maakt ons tot kompanen.
Anders gezegd: We lezen alsof het een verhaal is, een film bij wijze van woorden, woordvormen en samenhangen tussen woorden. Daarom: Om te beginnen schept God.
Lezen we nog eens, bijna als toneelspelers, de eerste regels. Waarom als toneelspelers? Een toneelspeler wil haarscherp weten wat er staat, waarom het er staat, hoe het er staat, waar het aan de orde zijnde gezegde over spreekt , wat het oproept, uithaalt en wat ermee gebeurt. Voor hem of haar is de tekst een levende, hier en nu aan de orde. Daarmee staat of valt de voorstelling.

Tekst/woorden Wat/hoe kun je vragen?
Om te beginnen Wat krijgen we nu? Iets nieuws? Hoezo? Wat is er aan de hand? Waar worden we bijgehaald? Er is in de tekst hier, nog nooit iets of zoiets gehoord! Wat is hier gaande? Waarom moet ik nu ‘even’ opzien ‘om te beginnen’?
God - een eindeloze stilte. Hoezo kan God een onderwerp zijn en wat is dit dan voor ‘onderwerp’? Over wie of wat gaat het eigenlijk? Wie Hij is? Voor wie verder leest of luistert, Gos is in ieder geval onderwerp bij het nu komende vreemde werkwoord.
Schept Vreemd werkwoord, want ook wanneer wij het van jongs af aan van horen zeggen ‘kennen’, wij weten niet, en kunnen niet weten, wat dit betekent. Waarom niet? Het werkwoord scheppen is een uitzonderlijk werkwoord. Alleen God is bij dit werkwoord onderwerp. In plaats van ‘scheppen’ mag je experimenteel ook vertalen ‘X-en’. Wat is X-en’? God mag het weten. Hij is de enige die het doet. Maar wat het ook moge betekenen, ‘hemel en aarde’
Hemel en Aarde horen van nu af aan als in één adem genoemd, bij elkaar. A en B, en B en A. Wie hemel zegt moet hier ook aarde zeggen. Wie aarde zegt heeft nu ook hemel gezegd. Ze zijn niet te scheiden met elkaar verbonden, één. Uw wil geschiede gelijk in de hemel, zo ook op aarde.
Zo kun je ook begrijpen waarom in Matteüs 5,4 de treurenden treuren. Ze staan letterlijk tussen hemel (5,3) en aarde/land (5,5). Het lijkt er zo weinig op dat hemel en aarde bijeen horen. Daarom: treuren. Ze zullen getroost worden. Uit Johannes 14,16 weten we dat de Geest de Trooster is. Zie ook Genesis 1,2.
De aarde nu Zonet hoorde je nog ‘hemel en aarde’. Waar is die hemel nu gebleven? Een blijvende vraag. Maar ‘aarde’ alleen is woest en leeg, een puinhoop, een verwoeste stad. Daar is geen beginnen aan!
Is woest en leeg, duisternis over de vloed Weg mooie eenheid. Zonder hemel, weg mooie aarde, een opgegeven zaak.
Ho, ho! Het verhaal is nog niet uit. Er komt nog wat!
Maar de geest van God zweeft boven de wateren. Er is iets op til, er staat iets te gebeuren. De Geest is het geheim van het begin: het is al begonnen. ‘Zweven’, het werkwoord dat gebruikt wordt voor het broeden van een duif. Engels: hovering.
En God spreekt Een groot geheim. God spreekt. In Zijn spreken, in zijn woorden maakt Hij Zich voor ons toegankelijk. Het zijn woorden waar geen antecedenten voor bestaan. Vooroorspronkelijk spreken. Zoals al het spreken dat verder gaat dan het doen van mededelingen. En de vraag is, als deze grote Onbekende, dit eerste Onderwerp als je de tekst geloven mag, als deze Noviteit gaat spreken, wat zal dan het eerste zijn waar Hij naar taalt?
Licht – moet er zijn Het eerste nog niet genoemde dat aan het woord komt is het Licht. Het eerste dat zich een weg baant naar je verstaan is ‘licht’. En het leuke is dat ‘licht’ geen ding is, niet iets wat je vast kunt pakken. Het is meer een werkwoord, iets dat stroomt, leeft, iets dat langs komt, aankomt, zichtbaarheid mogelijk maakt en zien laat.
En licht geschiedt
En God ziet het licht: hoe goed!
En God noemt het licht dag en de duisternis nacht.
Het wordt avond het wordt ochtend: dag één
Hoe goed! Immers: niet de simpele constatering dat het goed is, alsof het je niet aangaat en je zeker niet interesseert. Het licht is het eerste woord, het hoge woord dat eruit moet. Pas na het noemen en geschieden van het licht kan alles plaats vinden en worden namen genoemd: licht, dag, duister, nacht – woorden die er toe doen, die de tijd gaan markeren. Avond en ochtend. De joodse dag begint in de avond en gaat naar de dag, van het duister naar het licht.
Dag één is een uitzondering. Het is de enige dag die geteld wordt met een hoofdtelwoord. De andere dagen zijn rangtelwoorden: tweede, derde, enz.
Een eerste collecte levert op: om te beginnen, God, spreken, hemel, aarde, duisternis, licht. Het zijn de woorden die in het spreken en schrijven van Johannes een eigen leven leiden, die zijn taal bepalen. Zonder Genesis 1 geen Johannes 1.

Johannes
1.1 Om te beginnen is het Woord en het Woord is IN/NAAR/BIJ God en het Woord is God.
2 Dit is om te beginnen IN/NAAR/BIJ God.

Of
1.1 Om te beginnen is er het Spreken en het Spreken is bij God en het Spreken is God. 2 Dit is om te beginnen bij God. 3 ALLES gebeurt door Hem en zonder dit gebeurt niets van wat gebeurt.4 Daar is leven in, en het leven is het licht voor de mensen. 5 En het licht schijnt in de duisternis en de duisternis krijgt het er niet onder .


Het ligt zo te zien voor de hand, aandacht te geven aan het spreken. Spreken blijkt een religieus gebeuren. Spreken is, zo schrijft de Franse filosoof Derrida de eerste vorm van geloven. Wie spreekt heeft vertrouwen in het gehoord worden, in de hoorder, in jij die mij hoort; en in het eigen spreken – de woorden die ik zoek, probeer, in goed vertrouwen te verstaan geef; in de woorden die ik zeg en in de zaak die ik ter sprake breng.
Het lijkt ertoe te doen, ín het vertelde – de woorden van Johannes – met name stil te staan bij het ter sprake gebrachte.

Na het voor-woord (Johannes 1,1-18) situering, samenvatting op voorhand begint 1,19 plaats te maken voor het spreken. “Jij, wie ben je?” Deze (in het Grieks 3 woorden, met alle nadruk op ‘jíj, wie ben jíj’) hebben, zo te horen, een dwingende betekenis. De woorden van Johannes worden ingeleid met 3 werkwoorden: hij belijdt, hij ontkent niet, hij belijdt. Zo ligt alle nadruk op Johannes, op zijn spreken, op wat hij zegt. Waarom zegt hij dat? Waar gaat het over wanneer het over Johannes gaat – waar, op wie, is hij uit?

Ik ben de Messias niet. Wanneer priesters en levieten namens de Joden uit Jerusalem uit zijn op de identiteit van Johannes, krijgen we als antwoord een ontkenning (ik ben niet) en die ontkenning wordt gekwalificeerd als een belijdenis. Door zo te spreken komt de Messias ter sprake, een woord dat heel het komende verhaal nu al, op voorhand, profileert. Daarna komt eerst Elia. Hij is ook niet Elia. En hij is ook niet dé profeet (die Jerusalem troost toeroept).
Voor de priesters en levieten brengt dat niet de helderheid die degenen die hen sturen wensen. Hoe kwalificeer jij jezelf?
En dan komt die bijna verlegen maar zich duidelijk situerende stem: Stem van een die roept bereidt in de woestijn de weg van de Heer. Na ons geleid te hebben van Messias, via Elia en de Profeet, brengt het verhaal ons naar de mond van degene die in deze tekst ‘bijbelse woorden spreekt’ en leidt naar ‘die na mij komt’ en aan wiens gaan hij geen riem van diens schoeisel los kan maken .
Dit fragment wordt beklonken met de naam Beth-ani, huis van de arme, maar ook te lezen als Beth-anav. (De Jotha blijft hangen aan de bovenkant van de regel (?). Trek je dat rechter zijlijntje door naar beneden, dan krijg je een Wav (?). Anaw betekent zachtmoedige. Mozes was de zachtmoedigste onder de mensen (Numeri 12,3. Zachtmoedigheid is bijbels het kenmerk voor de leraar!).
De lichten gaan uit terwijl we horen dat Johannes aan het dopen is.
Het nieuwe beeld licht op, getiteld: de volgende dag.
Wat wij tot nu toe hoorden was, zo blijkt nu, de eerste dag. We beginnen aan de volgende dag. Het voorafgaande blijken we achteraf te moeten lezen als dag één. Wat krijgen we nu te zien?

De volgende dag 1,29 (tweede dag). Dezelfde info vinden we in 1,35 (derde dag) en 1,43 (vierde dag). Letten we vervolgens op 2,1: en op de derde dag, dan hebben we de mogelijkheid om de bruiloft in Kana te lezen als de 7e dag. Terug naar 1,29.

Zelfs de naam van Johannes ontbreekt in deze regel. We lezen alleen de naam Jezus. De tekst zegt niet tegen wie Johannes het komende zegt. ‘Hij’ kent Jezus die naar hem toekomt de naam lam Gods toe. Hij spoort (ons) aan Hem zo te zien, (zie het lam Gods,) en hij voegt eraan toe: dat de zonde van de wereld wegneemt . Johannes vertelt dat hij de Geest als een duif op Hem heeft zien neerdalen en blijven op Hem. Hij zal dopen met heilige Geest . En Johannes geeft nog een naam: Hij is de zoon van God. Hopelijk gaat dit nog nader toegelicht of uitgelegd worden.

De tweede ‘volgende dag’ dus dag 3 (35). Johannes heeft twee leerlingen bij zich. De ‘rondwandelende Jezus’ noemt hij tegenover hen: het lam Gods. Voor hen betekent dit in ieder geval ook dat zij Jezus volgen. En, uitzonderlijk! en minstens choreografisch interessant : Jezus draait zich om. Te zijner tijd zal bij Johannes Maria Magdalena dat ook doen. Goed. Maar waarom? Waarom draait hij zich om? Hun volgen is voor Hem een vraag. Heel exact: wat zoeken jullie. Blijkbaar doet het wat dat zij zoeken (na “lam Gods”) ertoe. Wat zoeken ze? Ze antwoorden Rabbi (twee keer gezegd), waar verblijft gij. Anders gezegd: schoenmaker, waar is je leest? Is dat een interessante vraag? Daar voor moet je het woordje blijven bij Johannes gaan volgen. Maar je moet dan ook gaan denken aan het voedsel dat hij eet, het licht of vertrouwen waarin hij gaat. Waar verblijf je, waar ga je schuil, waar ben jij mee bezig? Ze komen en zien. Het is het tiende uur (waarom dit zo precies?). En dan horen we van Andreas, Simon Petrus, Ze zeggen dat ze de Messias gevonden hebben.
Dan is er weer een volgende dag. Philippus wordt gevonden en vindt op zijn beurt Nathanael. Dan gaan de boeken weer open en vloeien de namen in de tekst om Hem te noemen. En wij worden tot Jacob gemaakt aan de voet van de ladder waar de hemel opengaat.
Dan, eindelijk – we zijn nog maar pas begonnen – op naar Kana!


Kana

Wie Johannes leest kan niet om Kana heen. Het verhaal heeft zo tot de fantasie gesproken en kent zoveel hervertellingen dat het wonderlijk is, dat er zo weinig afbeeldingen van zijn in mozaïeken en fresco’s. Was het wijnwonder te banaal om daar veel drukte over te maken? Ook toeristenbussen doen zelden Kana aan. Als dit verhaal de inzet is van Johannes’ observaties! Maar misschien moet je je toegang naar dit verhaal op een andere manier vrijmaken. Het verhaaltje zelf heeft maar 10 regels. De rest is conclusie en afhechten. Maar de conclusie geeft wel: dat doet Jezus als begin van de tekenen … en hij maakt zijn doksa zichtbaar en zijn leerlingen gaan vertrouwen in Hem. Een conclusie in drieën.
Doksa, een vertaling van kabood. Heerlijkheid, maar dan niet van een straal vanuit den hoge, met licht en glans en kroon, maar in de zin van gewicht, doorslaggevend gewicht. Dat wat of Wie Hij eigenlijk voorstelt. Mozes in in Exodus 3 kabood van tong. Hij kan niet spreken. Hij stottert, kan niet uit zijn woorden komen. Verbaast het, als je zíjn verhaal over de bevrijding die komen gaat moet vertellen, als je de farao moet vertellen dat zijn tijd beperkt is. Eigenlijk is dat te veel voor woorden!

Kana van de bruiloft. Je moet dan niet meteen denken aan de burgerlijke stand of onze culturele gewoonten. Je moet dan gaan bladeren in Mozes en de profeten. Je zult blijven hangen bij de profeten voor wie het huwelijk hét beeld is van het onbestaanbare maar volstrekt realistische verbond, ook tegen beter weten in, van God en zijn mensen. Het verbond dat, zo leert de bijbelse geschiedenis, niet stuk kan. Daar zal ook Jezus voor gaan, het verbond kan niet stuk. Hij is, ongeacht wat dan ook aan tegenstand en leed, tot het laatst toe solidair met Jerusalem. En ook als die stad vogelvrijverklaard wordt door bijvoorbeeld de Romeinen, of door het gedrag van de mensen die menen dat ze daar thuis zijn en denken te weten hoe de wereld in elkaar zit. Ook als van die stad geen steen blijft op een andere: hij trekt die stad in en is haar trouw.
De bruiloft van Kana confronteert ons met een raadsel, een teken dat terdege ontcijfering en toelichting behoeft.

Na drie dagen. In het voorafgaande zijn die drie dagen voorzien van enkele "Zugaben". Het kan ook de 7e dag zijn (1,29.35.43.2,1) en de 14e/15e van de eerste maand (1,29, Exodus 12. 2,1). Het is dus te lezen als de derde dag. De dag waarop God twee keer zegt: “Hoe goed!”. Zie Genesis 1. Het kan ook de dag van de voltooiing van de eerste zes dagen zijn. Hierna begint een nieuwe tijd. Het kan Pesach zijn. De synagoge leest op Pesach het Hooglied, over bruidegom en bruid. Wanneer de verwachting hooggespannen is, dan is dat terecht.
Omdat het verhaal bekend is kan het volgende een toegang zijn. Stel je voor: je krijgt musici, componisten, cameralieden, toneelspelers, grimeurs. Je gaat een film maken over dit verhaal. De componist komt naar je toe. Hij wil weten wat het hoogtepunt is in de film over deze bruiloft. Wat is het hoogtepunt.
Ik heb deze vraag vaak voorgelegd aan mensen. Iedereen zegt: het moment dat het water in wijn verandert. En dat is interessant. Het verhaal heeft daar geen woord voor. Er is enkel de proevende tafelmeester die van niks weet. Hij krijgt zoiets gewoons als water en dat is een wijn waar je sprakeloos van wordt. Daarop begint hij te sputteren tegen de bruidegom (voor het eerst genoemd in dit verhaal. Wie is de bruidegom als je even doorprikt!) over iedereen … maar jíj. Jij die doet alsof dit moment hét moment is. (Bestaat er een ander? Ik vraag maar.)

De rest van het verhaal vertelt zich vanzelf. Toch enkele opmerkingen.
Opmerking 1. De moeder van Jezus. Dat is toch Maria? Ja, maar Maria is bij Johannes nooit de naam die genoemd wordt als het over de moeder van Jezus gaat. Zie 19,25. Naast twee Maria’s is er de moeder van Jezus. Als het stuk gespeeld wordt moet je maar raden wie Maria is.
Dat moet je niet raden. Je kunt het weten. De moeder van Jezus is degene die opmerkt, dat de wijn ontbreekt. En, zij zegt: Wat hij ook zegt, dat moet je doen. Daarnaast: de moeder van Jezus is de vrouw die met de leerling die Jezus liefhad onder het kruis staat. Wie is de leerling die Jezus liefhad? De leerling die daar onder het kruis staat. (Tussen haakjes: bij Johannes is moeder, leerling en zoon zijn geen kwestie van genetica of school- of collegegeld.)
Opmerking 2. De wijn ontbreekt. Er zijn vertalingen die het beter weten, maar Johannes heeft het over de wijn die ontbreekt. De bruiloft is dus een bruiloft die eigenlijk niet door kan gaan. Gelukkig is er de uitnodiging voor Jezus en zijn leerlingen. Hij komt als geroepen. Dat werkwoord staat er ook in het Grieks.
Opmerking 3. Jezus spreekt Maria aan als vrouw. Vrouwe wat is er tussen Jou en mij. Daarmee laat hij horen dat het gaat over het ‘tussen’, over dat wat een verbinding tot stand brengt of staande houdt. Het is de vraag naar het verbond.
Opmerking 4. Mijn uur is nog niet gekomen. Op het einde van het evangelie krijgen we te horen dat zijn uur gekomen is. Deze zinsnede verbindt Kana met Pesach, met opheffing en verheerlijking. Daarom ook: hoofd van de tekenen, ofwel hét teken. (Er is bij Johannes ondanks de commentaren geen tweede of derde teken. Alleen een teken weerom.)
Opmerking 5. Zo vanzelfsprekend als de moeder van Jezus ALDAAR is, zo vanzelfsprekend zij ALDAAR zes stenen kruiken voor de reiniging. Reiniging alleen hier en in 3,25. Daar zal het in 3,29 gaan over wie de bruid heeft is de bruidegom en de vriend van de bruidegom. Is Johannes de vriend van de bruidegom? Is Jezus dan de bruidegom? Wie is dan de bruid? Wie kan dat zijn. Johannes kent maar een huwbare dochter Dat is dochter Sion. Sion de meisjesnaam van Jerusalem. Alsof Johannes in gesloten couvert aanreikt: Jezus is de Messias, bruidegom, en Jerusalem is de bruid. Al is dat alles nu eigenlijk teveel gezegd. Het moet nog verteld en gehoord worden.
Opmerking 6. Let op de beweging van de dienaren. Ze scheppen tot boven toe. Johannes hecht blijkbaar aan dat boven. (Zie 3,3.7.31 – we komen daar nog over te spreken.)
Opmerking 7. Dat er iets aan de hand is proeft de tafelmeester. Op dat moment, hij weet niet vanwaar de dienaren weten dat wel, gaat Hem een bevreemdend licht op.
Opmerking 8 De bruiloft begint met “we hebben dorst en we krijgen niets te drinken”, en eindigt met: “zone goeie hebben we nog nooit gehad.” De vraag ligt voor de hand: wie is hij? Dat gaat het verhaal vertellen, te beginnen in de Tempel in Jerusalem.


De eerste keer: het heiligdom in Jerusalem.
2,12 is niet overbodig, is een signaal. De tekst legt hier een relatie tussen Kana en Kapernaum. Deze twee plaatsen staan óm Jerusalem (2,13-3,22) het land Juda (3,22-36 en Samaria (4,1-45) heen, hebben met elkaar te doen. Wat dan? Dat komt nog. Voorlopig is het een stelpost. De evangelist kan niet alles tegelijkertijd vertellen.
Dus we weten dat we het nog gaan krijgen over Kapernaum, het Troost-dorp.

Kapernaum en Kana hebben iets met elkaar. Kana en Kapernaum dragen het verhaal omhoog, Jerusalem in. Het verhaal in Jerusalem bestaat bij Johannes uit twee delen: de Tempel en Nicodemus. We gaan het zien. Gaandeweg geeft het verhaal ons ‘wapens’ om het verhaal te kunnen volgen.

Het evangelie is nog niet begonnen. Er is nog enkel verteld over Johannes, twee van zijn leerlingen, de leerlingen van Jezus tot en met Nathanael die al die namen voor Jezus roept: Rabbi, Zoon van God, Koning van Israël. Jezus voegde daaraan toe: de hemel geopend, Gods engelen op en afdalen op de Zoon van de Mens. (Je mag daarbij gerust ook aan de Mens, Adam, denken. Cain en Abel zijn diens zonen. We weten wie het slachtoffer wordt als een broer zijn broer doodt. Dat wordt ook het verhaal van het evangelie.)
Kana heeft met zijn oog op de bruiloft de poort geopend. Dan dalen ze af naar Kapernaum en gaan ze na niet vele dagen, óp naar Jerusalem. Evenals Kana (4,47, zie ook 3,13) is Jerusalem hooggelegen.
Opstijgen naar Jerusalem betekent bij Johannes onmiddellijk: de Tempel . Maar in plaats van heen huis van studie en gebed blijkt de Tempel een handelscentrum te zijn. Runderen, schapen, duiven en geldwisselaars. In wat hén heilig is maakt hij ruimte voor wat Hem heilig is. Maak van het huis van mijn vader geen winkel!
Twee groepen vertolken een reactie. Eerst de leerlingen die sinds 2,11 in Hem vertrouwen. Zij herinneren zich dat er geschreven staat: De ijver voor uw huis vreet mij op . De tweede reactie komt van de Joden (uit Jerusalem – 1,19). Zij lijken zich gekwetst te voelen en vragen om een teken. Welk teken laat je ons zien nu je dit doet! De teken zal worden hun “afbreken van de Tempel” zal hij in drie dagen (doen) opbreken.
En weer herinneren de leerlingen zich, bijna alsof het (geheim van) het evangelie ten einde toe verteld is, toen hij was opgewekt geworden uit de doden. Dus voor wie leerling is geldt, Hem volgen en je herinneren. Die herinnering maakt, uiteindelijk via het spreken van Jezus, de boeken open.

Maar dreiging hangt in de lucht. Velen gaan vertrouwen in zijn naam (2,23) maar voor Jezus is er een groot voorbehoud. Hij weet wat in de mens is, wat komen gaat. Toch: zijn spreken is nog niet uitgesproken.

Jezus en Nicodemus: Paasnacht in Jerusalem
Na het plaats maken in de Tempel gaat het verhaal in versnelling. Let op de tijd die nu in beeld verschijnt: In Jerusalem, in Pasen, in het feest (2,23). Het is dus Pasen in Jerusalem. En wel nacht (3,2). Nicodemus die in de nacht naar Hem toekomt doet dat niet omdat hij niet gezien wil worden, maar omdat hij met Jezus in de Paasnacht gaat leren. Hij begint ook met Rabbi. In 7,51 zal hij zich beroepen op onze Tora inzake horen van iemand en weten wat hij doet. Ook dit zijn wezenlijke werkwoorden van waaruit je volgens deze leraar in Israël (3,10) moet luisteren naar het evangelie van Johannes.

Velen interpreteren het van omhoog geboren worden zoals Nicodemus dat doet: weer opnieuw geboren worden. Nicodemus ziet dat niet voor zich bij een oudere heer. Maar bij Johannes spreekt Jezus over van omhoog (2,3.7.31) geboren worden, uit de verhalen, uit het Woord/Sp3.7.31reken/God (1,1). Vandaar komt geschieden, leven en licht als geheimen van de Geest (Genesis 1,2; Johannes 1,32; 3,8).
Het zal gaan over het aannemen van het g8etuigenis van Jezus (met zijn weten en zien). En hij zegt: als je geen vertrouwen hebt in de gewone dingen (ta epigeia, dat wat op aarde is) hoe zou je dan kunnen vertrouwen in de hemelse zaken?
Opstijgen en afdalen geven zicht op de zoon van de mens. Daarbij moet je in ieder geval ook denken aan zijn opheffing en kruisafname in Jerusalem. Zien naar de slang die Mozes heeft opgericht in de woestijn.
De mensenzoon komt niet om te oordelen, maar opdat door Hem de wereld vrijheid vindt. Het oordeel is het oplichten van het licht. Wie van het duister houdt moet niets hebben van het licht want dan zie je hoe kwalijk de daden zijn.
Wie de waarheid doet, dat wat betrouwbaar is, die komt naar het licht (vgl Johannes 1,4) zodat je kunt zien dat die daden in God zijn gedaan.

Dat is in snelle schets de hoofdlijn van de Paaskatechese van Jezus en Nicodemus in Jerusalem. Zijn het de grondcontouren van het licht dat het evangelie draagt? Ik vraag maar.


De laatste woorden van Johannes

Het “huis van mijn vader” laat de lezers peinzen over “de plaats” en “afbreken en weer opbouwen van de Tempel in drie dagen. De aandacht verschuift van het Huis (beth) naar de Zoon (ben ) en vindt een eerste afronding en duiding in het gesprek in de paasnacht dat uitloopt in de mensenzoon die als de slang die in de woestijn verhoogd wordt en het licht dat naar de wereld komt, maar dat de mensen meer houden van het duister dan van het licht omdat hun daden kwaad zijn. Ik zou zeggen: wederom, denk niet te snel aan de moraliteit maar denk aan het tafereel aan het einde, Jezus met Maria en Johannes in Jerusalem, Golgotha.

Het volgende verhaal kun je niet zien aankomen. Het overvalt je. Via een kleine aanleiding en omweg komen we bij Johannes en krijgen we zijn “testament”. Die omweg is: Jezus gaat met zijn leerlingen naar het Judese land en hij verblijft te midden van hen en doopt .

Bijbelse atlassen helpen niet als je zoekt naar Ainoon en Salim. De enige plek waar deze plaatsen genoemd worden is Johannes 3,23. Waar deze plaatsen in een kaart getekend worden, wordt dan ook een vraagteken gezet. De naam Ainoon vinden we in de Septuaginta alleen in de Codex Vaticanus, een handschrift uit de 4e eeuw. Daar staat het in Jozua 15,61. Andere uitgaven van de Septuaginta geven daar Madoon of Maddein, een weergave van het Hebreeuwse Middin, een klankaanpassing van min-din, ‘vanwaar het recht’. De Hebreeuwse naam van die stad kan verwijzen naar de plaats “waar het recht hooggehouden wordt” . Jerusalem ligt dan achter de horizon van het vermoeden (Jozua 15,63, vrij kort na het bovengenoemde 15,61). Salim versterkt dan de indruk, dat het hier over Jerusalem gaat. Denk ook aan Vidi aquam … Ik zie het water uit de Tempel komen (Ezechiël 47,1).
We zijn dus in het Judese land maar Jerusalem is vlakbij. Denk daarbij ook aan “de Joden” uit Jerusalem die in 1,18 priesters en levieten (als ging om over het Heiligdom, de Tempel) sturen om Johannes, aangekondigd in het woord getuigenis, te vragen wie hij is.

Johannes spreekt in dit verhaal onder het motto “nog niet’. Nog is hij niet in de gevangenis geworpen. Er is een discussie naar aanleiding van de reiniging . Leerlingen van Johannes komen Johannes of zichzelf “beklagen”. Velen komen naar Jezus toe en hij doopt. Daarop verwijst Johannes zonder een aarzeling naar de mens kan niets nemen tenzij wanneer het hem gegeven wordt uit de hemel. Wanneer je even hierop reflecteert klinkt de volgende zin. Johannes herinnert eraan dat hij gezegd heeft, dat hij de Messias niet is. Hij is voor Hem uit gezonden. Dan volgt de ontroerende tekst over de bruidegom en de bruid. De vriend van de bruidegom staat erbij en hoort zijn stem en verheugt zich. Voor Johannes is Jezus de bruidegom (en meisje Sion, Jerusalem is de bruid). Zijn vreugde is nu vervuld. Hij moet groter worden, ik kleiner. Met het uitzicht: die van boven komt, die uit de hemel komt. Het is het getuigenis dat niemand aanneemt, maar die het aanneemt bezegelt daarmee dat God waarachtig is, betrouwbaar. Want die God gezonden heeft, de Zoon, God geeft Hem de geest niet met mate, onbeperkt, onbegrensd, mateloos. Hij heeft Hem alles in zijn hand gegeven. Wie in vertrouwen naar de zoon gaat heeft leven naar de maat van God, eeuwig.
Dat is het uitzicht.

De vrouw uit Samaria – dorst en honger
Daarmee verlaat Jezus Judea en gaat hij weer naar Galilea. Zo moet hij door Samaria trekken en zo komt hij in de stad Sychar. De plaats wordt gedocumenteerd met Jacob en zijn zoon Jozef en daar is een bron . En als daar de vrouw uit Samaria komt om water te putten, vraagt hij haar: Geef je mij te drinken?
Het is het begin van weer een opzienbarend verhaal. Ook methodisch leerzaam, over de doelstelling van het evangelie en de weg daarnaartoe, als dat zo snel geschreven kan worden.


Met het zesde uur wordt alles als het ware in de startblokken gezet, ready to take off. Want het zesde uur moet uitlopen in het zevende uur met de mogelijkheid van een zekere voltooiing zoals die ook aangeduid is bij het getal van de stenen kruiken tijdens de bruiloft in Kana. Er moet nu zoiets komen als een zucht. ‘Zo is het goed, het is goed zo’.
De leerlingen zijn weg. Daar komt de vrouw uit Samaria. Ze zal er verbaasd over zijn dat Jezus haar aanspreekt. Joden en Samaritanen zijn niet synchroon. Als straks de leerlingen terugkomen hebben ze eigenlijk geen woorden. Het gesprek past niet, blijkbaar.
Van “dorst hebben”, geef je mij te drinken? gaat het gesprek al snel over “te drinken geven” (Het is toch opvallend hoezeer veel zich afspeelt bij het water.)
Als zij ingaat op zijn aanbod, het lijkt haar wel praktisch, vraagt Jezus haar haar man te halen. Dan volgen een paar woordjes die aangeven dat het niet allemaal zo helder is, maar ook ruimte geeft om Jezus te zien als de zevende man.

Uit het verdere verloop til ik drie elementen. Op de eerste plaats: zij zegt: "Ik weet Heer dat de Messias komt en hij zal ons alles vertellen." Even later gaat zij naar haar stad waar zij haar verhaal vertelt. Hij heeft mij alles verteld.
Wat is dat alles? Het is niet wat de universiteiten, bibliotheken en beeld- en geluidarchieven kunnen bieden. “Alles” is wat voor haar alles is. Het is volstrekt persoonlijk dat wat er voor haar toe doet, waar zij aan de orde komt en mee verder kan, zal. Daarbij staat vertellen centraal. Het woord, het spreken. In het volgende verhaal komt dat weer aan de orde, zeer zelfs.
Het tweede punt: de mensen van de stad preciseren hun “roeping”. Ze hebben het niet alleen van haar gehoord, maar ze hebben Hem zelf gehoord.
De verbouwereerde leerlingen krijgen te horen: ik leef ervan de wil van mijn vader te doen. De velden staan wit. De oogst brengt zaaier en maaier bijeen.

Als een toelage, het verhaal na twee dagen, over de zoon van “iemand koninklijk” die gezond wordt, zodat de vader en heel zijn huis gaat vertrouwen.
De titel is hier wat uitgeschreven, geeft het begin van een duiding aan. Iemand koninklijk. Vertalingen hebben dan vaak iets nodig als ‘een hoveling’ of zo, iets dat buiten de tekst staat. Waarom de tekst niet aan zijn woord houden?
Van beneden komt deze koninklijke mens met in zijn hoofd zijn grootste zorg: mijn kind! Daal af voordat mijn zoon sterft! Jezus zegt: ga, je zoon leeft. En hij vertrouwt HET WOORD en gaat. Onderweg naar beneden komen zijn knechten Hem tegemoet. De zoon leeft. Een troostverhaal voordat alle ontzetting zo aanstonds definitief gaat beginnen. Een troostverhaal. Kfar-Nachoem, dorp van de troost.

1. Als we tijd hebben komen we terug op Johannes 5-11. Nu alleen maar enkele opmerkingen in telegramstijl.
2. Omdat op 7 april 2019 Johannes 8,1-11 gelezen wordt gaan we wat langer kijken naar Johannes 7 en 8,1-11.
3. Tussen 18 april en 6 juni komen delen uit Johannes 13-17 aan de orde in de reguliere lezing. Dat is voor woensdag 24 oktober de sessie 3 en 4.
4. Sessie 5 Johannes 18-19
5. Sessie 6, donderdag Johannes 19-10. Afsluiting.

Enkele opmerkingen bij Johannes 5.
Bij en naar aanleiding van de vijver: “iemand mens” die geen mens heeft en dan gevonden wordt zonder te weten door wie.
Emotioneel was de kleur nog niet duidelijk, maar zodra Johannes begint melden zich Priesters en Levieten bij Johannes, ter identificatie gestuurd door Joden uit Jerusalem.
Het evangelie speelt zich hoofdzakelijk af als een verhaal uit en over Jerusalem en wat daar in die dagen gebeurt, hoe de kaarten geschud worden en wie het spel bepaalt. Al zal uiteindelijk blijken dat eigenlijk van begin af aan het eigenlijke verhaal over een merkwaardige liefde gaat.

In Johannes 2 maakt Jezus de Tempel in Jerusalem tot zijn eigen verhaal. Hoe je niet en wel omgaat met “het huis van mijn vader”. Zij willen een teken. Dat teken zal hun en ons, hoorders en lezers gegeven worden. Binnen drie dagen. (Vgl Genesis 22!)

Johannes 5 herneemt ‘de discussie’. Een man die niet gaan kan ligt bij de vijver heeft niet een mens. Hij kan het water niet bereiken. 38 jaar verlamd, benen hebben en niet vooruit kunnen komen. Jezus zegt hem zijn verleden, zijn ligplaats op zich te nemen en naar huis te gaan. Alsof er geen probleem is: dat doet de mens. Het is de dag des Heren.
De Joden van Jerusalem (voor mij zijn dat altijd de mensen die de dienst uitmaken) zeggen dat dit niet mag of kan. De genezing interesseert hen niet. Het is sabbat. Wie heeft het gedaan? Dat weet de man niet.
Jezus vindt hem in de Tempel en zegt: je bent gezond geworden, zondig niet meer opdat je niet iets ergers overkomt. Daarop WEET de man dat het Jezus is. Dat vertelt hij de Joden van Jerusalem en die zijn meteen van plan om Hem te doden. Jezus, de Heer bevrijdt, maar geen bevrijder zijn op de dag van de Heer. Jezus zegt: mijn vader werkt tot nu toe. Ik werk ook. Dat maakt de driftige boosheid enkel groter. Niet alleen genezen op sabbat, maar ook nog God je vader noemen – een term die in de synagoge best wel gebruikelijk is.
Vertrouwen, daar zal het over gaan. Maar als je Mozes niet vertrouwt, hoe kun je dan naar mij horen, mij vertrouwen.

Hoofdstuk 6, aan de overzijde deelt Hij brood, willen ze Hem koning maken en vinden ze Zijn woord hard, gaan ze niet meer achter Hem aan.
Het verhaal in de woestijn is volop actueel. Over het brood uit de hemel. Over het vlees van de mensenzoon. Hij leert in de synagoge van Kapernaum. En men zegt: dit woord is hard.
Vanaf 6,60 krijgen we een beschrijving van de mensen om Jezus heen.
In 6,60 zijn het velen van de leerlingen.
In 6,67 de twaalf. Petrus spreekt namens de twaalf.
In 7,3 de broers.
De kring wordt kleiner, de kloof groter. Op weg naar het Loofhuttenfeest – eigenlijk skènopègia, het feest van het oprichten van de tent (denk aan Johannes 2 – en ook aan 1,14, woordelijk weergegeven, heeft in ons midden getent), het feest van broederschap en verzoening, het feest eind goed al goed, loopt behoorlijk uit de hand. “Johannes,” kun je vragen, “waarom eigenlijk?” Als je hoofdstuk 7 doorleest krijg je het vermoeden: het feest van het oprichten van de tent gebruiken “zij” om de tempel neer te halen.

Hoofdstuk 7.
Johannes zet een nieuw tableau op. Jezus trekt rond in Galilea vanwege de dreiging in Judea. De Joden zoeken hem te doden. Skènopègia is nabij, het Loofhuttenfeest of het Feest van het Oprichten van de Tent. En de broers zeggen zoiets als: als je op wilt vallen moet je naar Jerusalem gaan. Jezus zegt: mijn tijd is nog niet gekomen, jullie tijd is altijd. En we weten wat het bij Johannes betekent wanneer ‘zijn uur gekomen is’. Die broers hebben geen vertrouwen in Hem. Hij blijft in 7,9 in Galilea. De broers gaan naar het feest. Hij gaat ook op. Noteer wel dat hij niet opgaat ‘naar het feest’. Waar gaat hij dan naar op? Vers 7,14. … wanneer het feest op zijn midden is naar de tempel en hij leert er.
Ik ga nu niet in op de details. Wel een paar woorden over de discussie over een mens gezond maken op de sabbat. Een mens wordt ook besneden op sabbat. Dat is volgens Mozes en volgens de vaderen. En jullie zijn woedend op mij omdat ik op sabbat een mens gezond maak! Dan komt de steeds onderschatte zin (7,24): Oordeelt niet op zicht maar oordeelt het rechtvaardige oordeel. Ga niet af op je ogen. Ga niet af op je eigen zien. Ga met je oordeel niet uit van je eigen beperking maar oordeel rechtvaardig. Het hoeft geen betoog: in bijbelse kringen is een rechtvaardig oordeel een oordeel overeenkomstig de Tora. En hoe dat moet, een oordeel overeenkomstig de Tora zal Nicodemus dadelijk vertellen.
Met Albertus Magnus en Erasmus ben ik van mening dat je bij 7,37v niet moet zoeken naar welk citaat deze tekst verwijst. Zoals, vertrouwen geloven zoals de Schrift zegt dat je op Schriftuurlijke wijze moet geloven. Niet geloven volgens je eigen mening of oordeel, maar overeenkomstig de Tora.

Tenslotte. In 7,32 sturen de Farizeeën dienaren (uit de tempelwacht?) uit om Jezus te grijpen. In 45 komen ze terug, blijkbaar met lege handen. De overpriesters en de Farizeeën zeggen: waarom hebben jullie Hem niet opgepakt. Zij: nog nooit heeft zo een mens gesproken (vgl Johannes 1,1). Daarop de leiders: zijn jullie soms ook misleid. Toch niemand van de leidinggevenden is in Hem gaan vertrouwen. Alleen dat stomme volk dat de Tora niet kent! Daarop meldt Nicodemus zich: Onze Tora veroordeelt een mens niet tenzij wanneer men hem kent en weet wat hij doet. Dat weten zal in Johannes 9 het breekijzer zijn. Nu wimpelen ze hem weg. Weet jij soms een profeet die uit Galilea komt? (Ja, die is er. Jona die volgens joodse verhalen tijdens het Loofhuttenfeest de opdracht krijgt naar de volkeren, naar Ninevé te gaan.)
Nicodemus neemt het op voor het volk, voor Jezus en voor de Tora. Dat vinden we terug in 8,1-11.

 

Sessie 3, 24 oktober 2018

Jezus en de vrouw in het midden - Johannes 8, 1-11

In de oudste handschriften ontbreekt deze tekst. Ook het vocabulaire en de stijl zijn niet volgens Johannes. Hij verschijnt in de 3e of 4e eeuw. Het is derhalve ook een oude traditie dit verhaal hier te lezen. Daar zijn op het eerste gezicht ook redenen voor.
In het voorafgaande hebben de leidinggevenden van het volk, met uitzondering van Nicodemus, op de uitspraak van de ‘dienaren’ gezegd: Zijn jullie soms ook aan het ‘dwalen’. Niemand van de leidenden of Farizeeën vertrouwt Hem. Alleen dit stomme volk dat de Tora niet kent. Zij veroordelen Jezus en het volk in een adem door zich te beroepen op hun eigen gelijk. Lees nu eerst de dikgedrukte tekst hieronder.

In Johannes 8,3 wordt een vrouw aangevoerd die op heterdaad betrapt is. Zij is ‘verkeerd bezig’. Dit hoeft geen seksuele uitspraak te zijn. Het kan ook gaan over haar geloof, haar vertrouwen. Zij wordt in het midden gezet. In ‘het midden’ vinden we bij Johannes altijd en exclusief Jezus. Jezus en de vrouw in het midden, beiden veroordeeld/te veroordelen.
Daarbij past heel goed: Jezus vertrekt naar de Olijfberg.

Twee delen: ABA – ABA

8,1. Maar Jezus vertrekt naar de Olijfberg. 2 Vroeg in de ochtend gaat hij naar de Tempel
en het hele volk gaat naar Hem en terwijl hij zit leert hij hen. 3 Dan voeren de Schriftgeleerden en de Farizeeën een vrouw (aan) die op heterdaad betrapt is,
3b en ze zetten haar in het midden.
4 Ze zeggen Hem: leraar, deze vrouw is op heterdaad betrapt. 5 In onze Tora heeft Mozes ons bevolen dergelijke vrouwen te stenigen. Maar wat zeg jíj?
6 Dit zeggen ze om Hem te toetsen want ze willen Hem aanklagen.
.

Vroeg in de ochtend gaat Jezus naar de Tempel. Het is een ‘weg’ van oost naar west – zoals de gang van het licht. Naar de Tempel gaan is echt ‘opgaan’. Het hele volk gaat met Hem mee. Boven aangekomen, op het hoogtepunt van de heuvel/berg leert Hij. Dat is de setting, het decor. Dan action!
Als een aparte groep komen op: de Schriftgeleerden, de Farizeeën en de betrapte vrouw. De vrouw als heel het afgeschreven volk. Dat is de inzet. Nu komt de opzet: rabbi … deze vrouw … onze Tora … Mozes zegt: stenigen, wat zeg jíj.
Eventueel vraag je je af: wat moet dit. Wat is de bedoeling van dit hele optreden? Ze willen Jezus toetsen om Hem aan te klagen. Toetsen, beproeven, tot klinken brengen. Dit volk om Hem heen, deze vrouw in het midden en ´zij´ met onze Tora en het ´bevel´ van Mozes. Waar sta jij! Laat horen wie je bent. Voor de vrouw en tegen Mozes, of voor Mozes en tegen de vrouw. Er is geen alternatief.

Maar Jezus buigt zich naar beneden. Dat naar beneden is bijna tautologie. In het grieks staat het er uitdrukkelijk bij. ‘Kuptoo’ was voldoende voor bukken, zich klein maken, zich diep buigen met bijna het hoofd op de grond. Katoo staat er nadrukkelijk bij. De aangeklaagde vrouw vindt enkel door aanwezig en beschuldigd te zijn in Jezus iemand die zich voor haar diep buigt. Die diepte vloeit over in zijn vinger die kategrafen naar beneden, neerschrijven, op de aarde, grond. Dan buigt hij zich omhoog (zelfde werkwoord kuptoo, nu met ana/omhoog ervoor) en komt de verrassende tekst: wie van jullie geen zonde heeft …

7 Maar Jezus buigt zich naar beneden en schrijft met zijn vinger op de aarde. En als ze Hem blijven vragen, richt hij zich op en zegt hen: Wie van jullie geen zonde heeft moet als eerste een steen werpen.8 En zich nog eens bukkend schrijft weer op de aarde,
9 Maar als ze dat horen beginnen ze weg te gaan, te beginnen vanaf de oudsten, en hij blijft alleen, en de vrouw staat in het midden.
10. Dan richt Jezus zich op en hij zegt haar: vrouw, waar zijn ze? Heeft niemand je veroordeeld? 11. En zij antwoordt: Niemand, Heer. En Jezus zegt haar: Ik veroordeel je ook niet. Trek op, en zondig van nu af aan niet meer


De dubbele beweging van het bukken lijkt ook te preluderen op het uittrekken en aantrekken van zijn kleding in de scene van de voetwassing.
De vinger die aanwijst, aanklaagt, richt zich naar de grond waarop je staat.
De profeet Jeremia plaatst in 2,13 ‘levend water’ tegenover ‘water dat stil staat’, opgevangen en bewaard in potten en reservoirs. Want twee kwaden heeft mijn volk gedaan: Mij hebben ze verlaten, de bron van water dat leeft, om voor zich te hakken waterreservoirs, waterreservoirs vol breuken die water niet kunnen vasthouden’ (vgl Johannes 7,37v).
Voor op de grond schrijven is te lezen wat in Jeremia 17,12v staat: Zetel van gewicht (doksa-kabood), heerlijkheid, hoog vanaf het begin (denk aan 1,1 en aan ‘opgaan naar’) plaats van onze heiligheid, hoop van Israël, Heer. Allen die U verlaten zullen beschaamd worden, die weggaan worden op de aarde geschreven, want zij hebben de bron van levend water, de Heer, verlaten. De oude traditie die Johannes 7,52 - 8,11 na 7,51 gelezen heeft, wekt de indruk deze tekst van Jeremia gekend hebben.
Hij schrijft weer. Hij blijft bij wat Zijn Schrift Hem te lezen geeft. Zij gaan weg. Hij blijft alleen en de vrouw in het midden. Er zijn geen aanklagers meer.
Misschien moet je zondig niet meer niet moralistisch verstaan. Begin opnieuw, kies nu je oriëntatie. Laat niet je verleden eerste en laatste woord over je leven zijn. Maak een nieuwe keuze. Want de Tora wil een weg naar je leven zijn, is ‘je voorsprong op jezelf’, voor jezelf.

Het blijkt dat de joodse bronnen geen teksten kennen waarin iemand effectief veroordeeld en gestenigd is. En de Hoge raad die een doodsvonnis uitspreekt blijkt een ‘Bloedraad’ te heten. Maar de theorie is duidelijk: De eerste getuige zal de eerste steen moeten werpen en die worp moet dodelijk zijn. Een vals getuigenis staat aldus gelijk aan moord.
Zonder zonden zijn. De leidenden van het volk en de Farizeeën blijken zich te laten gezeggen door Jezus. Zijn claim is hun voldoende. Ze gaan weg, te beginnen met de oudsten, presbyteroi, waar het Nederlandse woord priester van afgeleid is. Wie een rigoureuze uitvoering van de wet eist moet deze ook toepassen op zichzelf.

Wanneer je nu de tekst opnieuw leest, leest je wellicht een toch ander verhaal. Op 7 april 2019 staat hij ‘op de rol’.

8,1. Maar Jezus trekt op naar de Olijfberg. 2 Vroeg in de ochtend gaat hij naar de Tempel en het hele volk gaat naar Hem en terwijl hij zit leert hij hen. 3 Dan voeren de Schriftgeleerden en de Farizeeën een vrouw (aan) die op heterdaad betrapt is, en ze zetten haar in het midden.4 Ze zeggen Hem: leraar, deze vrouw is op heterdaad betrapt. 5 In onze Tora heeft Mozes ons bevolen dergelijke vrouwen te stenigen. Maar wat zeg jíj? 6 Dit zeggen ze om Hem te toetsen want ze willen hem aanklagen. 7 Maar Jezus buigt zich naar beneden en schrijft met zijn vinger op de aarde. En als ze hem blijven vragen, richt hij zich op en zegt hen: Wie van jullie geen zonde heeft moet als eerste een steen werpen. 8 En zich nog eens bukkend schrijft weer op de aarde, 9 Maar als ze dat horen beginnen ze weg te gaan, te beginnen vanaf de oudsten, en hij blijft alleen, en de vrouw staat in het midden.
Tussentijds en kort
Hoofdstuk 9 In het voorbijgaan (denk aan die nacht in Exodus: want het is pesach, d.i. het voorbijgaan van de heer) een mens uit genesis blind. Jezus geeft hem zichzelf om het werk van de vader aan hem tot voltooiing te brengen. Daarom komt hij na zich gewassen te hebben in de Gezondene (Siloam). Er staat niet dat het terugkomt. Hij komt. En dan begint het in meerdere ronden: de buren, de ouders, de Farizeeën. Zij bijten zich vast in “wij weten”. Omwille van wat zij weten kan niet gebeurd zijn wat gebeurd is, en ze gooien hem uit de synagoge. Daar ontmoet de ene buitenstaander de andere buitenstaander. Gelijken ontmoeten elkaar of toch? Geloof jij in de zoon van de mens.
Een verhaal over wat in het voorbijgaan blijft als je ervoor kiest buitenstaander te blijven. Let intussen op de rol van het werkwoord “weten” in Johannes 9 en denk aan: ”Waarom horen jullie niet?” (vgl 8,46v).
De mens blind uit geboorte gelooft in de zoon van de mens.
Hoofdstuk 10 Over de echte herder. Hij kent zijn schapen bij naam (denk aan Maria bij het graf) en zij herkennen Hem aan zijn stem (dwz niet primair aan wat hij zegt [want kunnen ze dat “begrijpen” denk aan Petrus voor wie het tot Pasen moeilijk is] maar aan zijn spreken (waar het vlees woord wordt). De herder staat in de poort. Voor hem tellen de schapen.
Hoofdstuk 11 sluit de discussie met de Overpriesters en Schriftgeleerden.
Lazarus/Eleazer – Jèsoes -LXX/Jozua. In het boek Jozua sluit Jozua met de woorden: zie: alles is gekomen (Jozua 23,14 - het antwoord op de brandende vraag in de woestijn: “Is de Heer in ons midden of is Hij dat niet. Exodus 17,7).
Hoe komen we in Johannes 13 binnen?
Het twaalfde hoofdstuk is een zware tekst. Lazarus wordt hernomen, de zalving in Bethanië, de intocht in Jerusalem (de koning van Israel en dochter Sion – 12.13.15), de Hellenen die optrekken naar de tempel om te bidden en die Jezus willen zien. Ten overstaan van hen horen we het verhaal over de graankorrel. Vader, bevrijd me uit dit uur. Maar daartoe ben ik naar dit uur gekomen. Vader, verheerlijk uw naam. En dan klinkt die stem uit de hemel: ik heb Hem verheerlijkt en ik zal Hem verheerlijken. …Wanneer ik opgeheven word uit de arde zal ik allen naar mij toe trekken. We hebben uit de Schriften gehoord dat de Messias tot in eeuwigheid zal blijven. … zolang je het licht hebt, heb vertrouwen in het licht (denk aan de eerste regels van Johannes). Jezus volgens het gebod van de Vader.
Ook al hebben velen ook uit de leidenden vertrouwen in Hem hebben (12,42), ze willen niet uit de synagoge gezet worden. Ze geven meer om de eer van mensen dan om de eer van God, schrijft Johannes.
Daarmee is een einde gekomen van de discussie, uiteindelijk met de leiders van de wereld in Jerusalem. Van nu af aan zal het gaan over woorden voor de twaalf, voor zijn leerlingen, gevolgd door Passie en Pasen.

Voor het Paasfeest
wanneer Jezus weet dat zijn uur gekomen is (Johannes 13,1).

Welk uur? Het uur, ZIJN uur (vgl 2,4). Welk uur is dat? Het is het uur waarop hij weggaat uit deze wereld naar de vader. Hij houdt van de zijnen. Hij houdt van hen ten einde toe. Gegeven ook de teksten die komen (het nieuwe gebod!) is dit wat bij Lucas ‘het opschrift boven de kribbe’ is. Houden van. Het is de sleutel voor het verhaal dat nu komen gaat, uitleg op voorhand van alles wat komen gaat.

Het is altijd de kunst de tekst te lezen als voor het eerst, onttrokken aan het begrip dat je er vanuit je verleden en vermoeden van hebt. Je moet leren, verwonderd het tafereel voor je te zien. Nu het beginnen gaat horen we allereerst dat de duivel in Juda(s) gevaren is. Alsof Juda(s) het niet doet à titre personnel maar in hem de duivel zijn gang gaat . Jezus legt zijn kleren af en doet een linnen doek om. We zien het lichaam van Jezus. Het lijkt bijna het moment voor de kruisiging.
De tekst is precies en zorgvuldig, bereidt de lezer, toehoorder voor op de details die komen gaan en die hoofdzaak zijn. Zo krijgen we de confrontatie mét Petrus, of ván Petrus, de leerling, met Jezus. Het gaat over de voet, over het lopen, over handel en wandel, en gemeenschap met Hem, elkaars voeten wassen. Als je deze dingen weet ben je een gelukkig mens wanneer je ze doet. [Het komt bij Johannes, daar lijkt het op, altijd aan op wat je doet. Geloven, in Hem vertrouwen, is geen denkproces maar is wat je doet. Zo is naar Hem horen niet ‘denken’ maar iets wat je doet.]
Raadselachtig eindigt deze scene: wie degene die ik zend ontvangt, ontvangt mij, en wie mij ontvangt, ontvangt degene die mij gestuurd heeft. Synoniemen en substituties. Waar onze identiteiten vaststaan is er in het verhaal van Jezus ontkleed en met een linnen voorschoot en een schaal water bij de voeten van zijn leerlingen enkel uitnodiging zonder limiet.
Hoe gaat dit verhaal nu aflopen?
Wanneer Jezus deze verregaande identificatie ter sprake heeft gebracht rakt zijn geest in vervoering, is hij van zijn stuk gebracht, heeft hij geen woorden meer – hoe wil je zoiets verstaan wanneer iemand eigenlijk alleen maar volstrekt radeloos is en verdwijnt in het en de Joden in Jerusalem. Die Hem zal overleveren. Juda(s) maar ook Juda en Judea. Het gaat hier volgens Johannes om en bekommernis die zich niet laat kennen door enige beperking . In het korte plot dat zich nu ontwikkelt gaat het over “wie is het?” en een stukje brood. Aan wie Hij (dat moet nu langzamerhand wel met een hoofdletter geschreven worden!) het brood geeft, die is het. Simpel gezegd: aan wie geeft hij het brood niet?
Judas neemt en gaat weg. Het lijkt er in de tekst op, dat de anderen het niet eens in de gaten hebben. Judas moeten we waarschijnlijk niet zien als de gebeten hond die wij ‘in ieder geval’ niet zijn.
Jezus geeft het stukje brood en Juda(s) gaat zonder dat iemand zich dat schijnt te realiseren. Het is nacht. Niemand lijkt dat te beseffen. Het is nacht.
Dat Juda(s) weggaat, naar buiten gaat, verbindt Johannes uitdrukkelijk met Jezus die zegt: de mensenzoon is in Hem verheerlijkt en God is in Hem verheerlijkt. Het weggaan van Juda(s) baart in de kring aan tafel eigenlijk geen opzien. Het is nacht.

Wat is nu, in deze verlatenheid, het onderwerp? (19 mei: 13,31-35 5e zdg vPasen)

13, 31 Wanneer hij dan naar buiten is gegaan zegt Jezus: Nu wordt de Zoon van de mens verheerlijkt en God wordt verheerlijkt in Hem. 32 En wanneer God in Hem wordt verheerlijkt zal God Hem ook verheerlijken in zich, en God zal Hem snel verheerlijken.
33 Kinderen, nog korte tijd ben ik bij jullie. Jullie zullen mij zoeken, en, zoals ik de Joden gezegd heb, waar ik heenga kunnen jullie niet komen, dat zeg ik jullie nu.
34 Een nieuw gebod geef ik jullie, dat jullie van elkaar houden. Zoals ik van jullie houd, zo moeten jullie van elkaar houden.
35 Zo zullen allen weten dat jullie mijn leerlingen zijn, wanneer jullie liefde voor elkaar hebben.


Wat deze drie deeltjes onderling bindt is niet op te merken . Wel zie je dat elk onderdeel intern een zekere samenhang heeft, door woorden bijeengehouden wordt.

Vv 31v. Op moet vallen verheerlijken. Vijf keer noemt de tekst dit werkwoord in vv 31v. Hierin wordt hernomen 12,23-34.
V33 geeft de aankondiging van het op handen zijnde vertrek van Jezus (v.33). Met het oog op de leerlingen zegt Jezus hier wat hij in 7,33-34 en 8,21-22 tegen de Joden gezegd heeft en wat hij in 13,36 tegen Petrus zal zeggen.
Vers 35v. sluit dit geheel af. Vier keer agapoo/agapè, houden van. De liefde van Jezus voor de zijnen is het model om van elkaar (3x) te houden.

Naar buiten gaan (vv 30 en 31) bindt 31-35 aan het voorafgaande 26-30. 31-35 worden ook met het volgende verbonden door het woord nu (31a.36b), zoiets als een inclusie.
De regels 34-35 zijn ahw een verdere uitwerking van 1bc Hij houdt van de zijnen die in de wereld zijn en hij zal van hen houden tot het einde toe. De liefde van Jezus voor zijn leerlingen die wij zien in het wassen van de voeten van de leerlingen (4b-12a) wordt in 12b-17 (jullie elkaar) omgebogen naar de liefde voor elkaar. Zo vormt 31v de liefde van Jezus voor zijn leerlingen (1bc), om tot de onderlinge liefde voor elkaar.

In deze passage komt het woord kinderen voor. Het is gekend uit de brieven van Johannes. In het evangelie is het een hapaxlegomenon.
Komen we terug op het woord verheerlijken. Het gaat daarbij niet over verlichting of ‘omhoog kijken’ van verwondering. Doksadzoo is in de LXX een vertaling van KBD, zwaar zijn. Denk daarbij aan ‘Dat wat de doorslag geeft’, iets voorstellen, dat wat gewicht heeft, wat er toe doet, het beslissende, als God zichtbaar wordt in onze geschiedenis. In 13,31 vinden we de laatste keer in Johannes de zoon van de mens. Verleden en toekomst komen samen in het heden van Jezus spreken. Het kruis is de plaats van de definitieve onthulling van God in deze wereld, de verheerlijking.


Met Pinksteren (9 juni 2019) wordt gelezen 14,14-16.23b-26. Als jullie mij iets vragen in mijn naam, ik zal het doen.
Het is de laatste regel van het fragment 14,12-14. Amen, amen … Het is waar en betrouwbaar wat ik jullie zeg.

Bedenk: in het evangelie is het kruis nog geen religieus beeld. Het kruis is nog geen teken voor “Jezus gestorven, begraven en verrezen”. Het kruis is nog enkel een beestachtige en vernederende Romeinse straf. Het is de schandelijkste vernietiging van een mens. Een Romeinse straf als een opgeheven vinger, schrikaanjagend voorbeeld voor allen die voorbijgaan.

Nadat Jezus de voeten van zijn leerlingen gewassen heeft weer aan tafel, blijkt Jezus “dooreengeschud”: één uit jullie levert mij over (13,21). Dat gaat Hem zeer aan het hart. De tafelgenoten zien elkaar aan. Zij vermoeden nog niks en weten zeker niet wie het is. Zij weten niet dat het over Juda(s) gaat. Die neemt het stukje brood en gaat vervolgens snel naar buiten, de nacht in. Niemand die Hem mist. Wij zullen Hem zo goed als niet meer zien.

Na 11,33, 12,27 en 13,21 vinden we door elkaar schudden nu in de aanhef van hoofdstuk 14. Jezus spreekt zijn leerlingen aan. De verwarring die over hen zal komen hoeft niet. Waarom niet? Omdat zij God vertrouwen, geloven, en Hem vertrouwen, geloven. Vertrouwen is het eerst en laatste woord van het zinsdeel. Daartussen staan naast elkaar God en mij. Jullie vertrouwen op God. Vertrouw zo ook op mij. Het is dezelfde beweging. Hoe kan dat?

Als je niet meer weet waar je moet blijven, als radeloosheid door Hem heen jaagt, wijst Jezus er zijn leerlingen op, te vertrouwen op God en te vertrouwen op Hem. En hij legt uit dat er in het huis van mijn Vader vele verblijven zijn, dat er ruimten zijn voor velen . Ook als je nergens meer blijft, bij de Vader, zegt Jezus nu het zover gekomen is, zal er ruimte zijn voor jou om te verblijven, ook voor jou. Hij gaat heen om die plaats voor je te maken. Als hij weggegaan is en die plaats gemaakt heeft zal hij terugkomen en zijn leerlingen opnemen in het mijne. Opdat ook jullie zullen zijn waar ik ben. (Woord, spreken, plaats maken!)

Wanneer Jezus omwille van Lazarus toch naar het dreigende Jerusalem wil gaan weet Thomas terdege waar het over gaat en wat er op het spel staat. Hij is terstond bereid om met Jezus mee te gaan en met Hem te sterven. Thomas meldt zich nu met zijn vraag naar de weg. Hij krijgt een compleet antwoord. Dat antwoord kennen wij in de vorm van ‘drie delen in een adem gezegd’: ik ben de weg, de waarheid en het leven. Je kunt deze reeks horen alsof het over een optelsom gaat. Maar let op: de woorden maken in feite plaats voor elkaar, vullen elkaar aan en in, en leggen elkaar uit. In heengaan en terugkomen, in de beweging tussen beiden, ís hij. Ik ben de weg, want hij is een begaanbare, een betrouwbare weg . Hij is degene die ons bewaart, die waarheid is, Gods genegenheid en betrouwbaarheid, leven. Vanaf het begin van het evangelie is dat de lezers meegegeven.

Misschien dit nog. Bij het heengaan, terugkomen en blijven van Jezus moeten we wellicht niet denken aan onze begrippen van tijd en ruimte. Na A komt B en vervolgens C. Het lijkt erop dat zijn heengaan, terugkomen en blijven momenten worden van nu – een ‘hier en nu leven met Hem’, alleen toegankelijk voor wie naar Hem luistert en met Hem de weg wil gaan die hij leeft, die hij is. De weg van de onvoorwaardelijke zekerheid dat God genegenheid is. De weg die leven is. Gevonden zijn en meegaan, in leren, verwondering en vertrouwen.
Anders gezegd: de weg die Jezus gaat, die Hij ís, de weg naar zijn terechtstelling en zijn dood, zal niet een weg ten dode zijn, maar is de weg van Gods genegenheid naar het leven dat blijft voor wie Hem volgt. Dit is een volzin die nog om veel verheldering vraagt. Daar zal de tekst aan werken. Niet alleen aan ‘dat’ dit helder wordt, maar aan ‘hoe die verheldering mogelijk is’.

De Vader zien
Het wordt een huiselijk verhaal, gemoedelijk maar ook met de daarbij horende feeling voor gevoeligheden. In de tekst vraagt de leerling Thomas meer verheldering. Filippus neemt het vragen over. De weg die Jezus gaat, de weg naar de Vader – laat ons de Vader zien, vraagt Filippus. Filippus, zelf gevonden in 2,43, vindt in 1,44 Nathanael met de woorden over wie Mozes geschreven heeft en de Profeten. Filippus lijkt de man met het boek in zijn handen: Laat ons de Vader zien. En we herinneren ons: Niemand heeft ooit God gezien, alleen de eengeboren Zoon die in de schoot van de Vader is (1,18).
Laat ons de Vader zien vraagt om de ontsluiting van het geheim dat Jezus – het woord dat als vlees met al zijn kwetsbaarheid geschiedt – voortdurend in zijn schild voert. Weer opnieuw wil Filippus namens de leerlingen en derhalve ook namens ons, horen dat de Vader alleen bereikt wordt in de Zoon die hij zendt en dat de Zoon het Woord van de Vader is, diens aangezicht. Dat hij doet wat hij de Vader ziet doen, dat hij het woord en de daad, de gave van de Vader is.
Niets kan de eenheid van de Vader in mij en van mij in de Vader verbreken. Dat kun je zien aan wat hij doet (de werken). Woord en daad zijn één.
Die werken blijven in de volgende verzen nog even hangen. Vertrouwen in Jezus betekent zijn werken doen, zelfs werken die groter zijn namelijk niet onderworpen aan de grenzen van tijd en ruimte, kenmerkend voor de voorwaarden en beperkingen in het leven van een mens. Wat onze menselijke mogelijkheden te boven gaat. De leerling kan leven en derhalve de werken doen die voortvloeien uit het vertrouwen, in het vertrouwen ván Jezus, in de Geest die hij geeft vanaf het kruis dat opheffing en verheerlijking is. Vertrouwen in Hem, paaswerken doen.

In mijn naam, Hem vragen en de Vader vragen. Dit gaat natuurlijk niet over ‘vraagt u maar’. In zijn naam vragen betekent ‘door Hem gemotiveerd, vanuit Hem, in Hem gegrond, in Hem zijn oorsprong vindend. Een soort werkelijk alternatieve dag – en levensordening wordt mogelijk wanneer je leert te gaan Hem achterna, in Zijn spoor.

Hoofdstuk 14 begint met schrik niet en een nieuw gebod. Dat gebod wordt hier hernomen door de geboden (v.15.21). Gaan doen zoals hij het gezegd heeft, zoals hij doet. Dat alles loopt uit in houden van. Houden van Hem. Als je dat doet zal de Vader houden van jou, en je zult Hem zien. Maar blijkbaar is dat nog niet voldoende en vraagt het om nadere verduidelijking. Want Judas, niet Iskariot, vraagt hoe dat kan. Hoe kan hij zich wel laten zien aan de leerlingen maar niet aan de wereld? Het antwoord is toegankelijk. Het heeft te maken met de Geest, die andere helper die Hij zal sturen. Die geeft je de mogelijkheid, zijn woorden te bewaren. Door van Hem te houden, d.w.z. door Jezus’ woorden te bewaren zal de Vader van jou houden en in jou zijn verblijf nemen.


Zondag Trinitatis, 6 juni 2019: Johannes 16,12-15

Voor Johannes is het heengaan van Jezus belangrijker dan hun droefheid. Waarom is dat belangrijker dan hun droefheid? Omdat wij, zijn leerlingen goed moeten weten dat zijn heengaan niet het einde is. Dat is niet het laatste dat blijft. Jezus gaat naar de Vader én hij zal de Geest sturen. Zijn weggaan is daardoor niet een afsluiting maar een voortgaande opening. Op welke wijze kan dit plaats vinden? De weg daarnaartoe wordt mogelijk gemaakt wanneer zij zich nu zijn uur komt, zullen gaan herinneren. Daarmee komt het werkwoord zich herinneren terug in het verhaal. Denk aan de rol die de leerlingen krijgen in Kana!
Zich herinneren is het eigenlijk eerste werkwoord dat de leerlingen typeert na volgen (1,37). Nu het zover gekomen is staat Jezus stil bij het gegeven dat hij zo niet vanaf het begin gesproken heeft. Nu hij heengaat gebruikt hij die klare taal wel. Hun droefheid mag niet overheersen. Belangrijker is de vraag, waar hij heengaat. Die vraag doet ertoe want wanneer hij weggegaan is zullen zij niet als wezen achterblijven. Er zal een andere helper komen die assistentie zal geven bij woord en gebeuren. Jezus zal die andere helper sturen.

Gerechtigheid is dat het Woord (toch) geschiedt. In het verhaal over Jezus en het verhaal van Jezus gaan de boeken volgens Johannes in woord en daad open. Dat begint met stem van een die roept (1,23). Het keert weer in Jezus die in de woorden van Johannes als lam Gods (1,29.37) gezien moet worden dat de zonde van de wereld (die duister is en Hem niet aanneemt – 1,5.11) op zich neemt zodat wij mogen horen over de kinderen Gods die in Hem vertrouwen.
Kijken we verder terug in het Goede Boek: hoe scherp en vernietigend de farao zich ook opstelt, God zal laten zien dat Hij er ook nog is (Exodus 3,14), dat bevrijding mogelijk is, desnoods tegen alles (water, honger, dorst) plaats zal vinden.
Gerechtigheid is het geschieden van Zijn Wil, vrijheid en bevrijding voor iedereen.

Het oordeel over de vorst van deze wereld is daarmee aangegeven. De Geest zal laten zien dat onrecht en onheil uiteindelijk toch de wacht wordt aangezegd. Het kwaad wordt een grens gesteld.
De geest zal de leerlingen gidsen door alle waarheid, door alle daden van genegenheid waar het evangelie van wil overlopen. (Zie voor geest ook het behoorlijk concrete 6,63: De woorden die ik jullie spreek zijn geest en leven. (Geef daarbij alle aandacht aan ‘de woorden’.)

12 Nog veel heb ik jullie te zeggen maar dat kunnen jullie nu niet dragen. 13 Maar wanneer hij komt, de geest die de waarheid is, hij zal jullie de weg wijzen door de hele waarheid. Want hij spreekt niet uit zichzelf maar hij spreekt wat hij hoort en hij zal jullie geheel en al verkondigen wat komen gaat. 14 Hij zal mij verheerlijken omdat hij alles uit het mijne zal nemen en jullie geheel en al zal verkondigen. 15 Alles wat de Vader heeft is het mijne. Daarom zeg ik dat hij neemt uit wat van mij is en het jullie geheel en al verkondigt.
16 Nog een korte tijd …

Van 13-15 geeft de tekst drie keer anaggelloo, door en door, uit en te na, geheel en al verkondigen- een commentaar op of uitleg van ‘de weg wijzen door de gehele waarheid. Door alles wat door en door betrouwbaar is en ‘ons’ bewaart. De Samaritaanse vrouw spreekt er in 4,25 over. Zij weet daar dat de Messias komt en hij zal ons alles door en door, geheel en al, verkondigen. Daarna horen we het woord in Jerusalem klinken, wanneer de man die 38 jaar verlamt bij de vijver ligt te horen heeft gekregen: zondig niet meer. Deze mens gaat daarop aan de Joden geheel en al verkondigen dat Jezus degene is die Hem gezond gemaakt heeft. Nu geeft de tekst: de geest zal alles wat de Vader heeft en wat het mijne is geheel en al verkondigen. Alles , wat gebeurd is en wat nog zal gebeuren.

Op het punt van "sta op en laten we naar buiten gaan" (14,31) wil de tekst alsnog of alweer een brug slaan tussen Jezus aanwezig te midden van de leerlingen en het komende proces tégen Hem met alle gevolgen vandien voor de kleine groep volgelingen. De leerlingen lijken ín het verhaal als het ware nog helemaal buiten het verhaal te staan. Wat er gebeuren gaat ontgaat hen. Ze begrijpen er niets van. En Jezus spreekt over de pijn die zij zullen gaan voelen maar die hen ook tot een moederlijke gemeenschap rond de geboorte van een kind kan en zal maken . Die tekst, hij valt buiten de lezing voor Trinitatis, wordt ingeleid met nog korte tijd.


Johannes 18-19
De auteur, uit de traditie kennen we hem als Johannes, heeft iets meegemaakt. Hij ziet iets en vertelt/schrijft daarover. Wat ziet hij en hoe schrijft hij op wat hij ziet, denkt, voelt? Welke ruimte biedt hem datgene waar hij getuige van is geworden?
Anders gezegd: lees de tekst als wat hij is. Een flard papier, behoedzaam bewaard en leesbaar gehouden, zonder dat iemand ons kende ook voor ons als wij dat willen. Het Schrift, het is testamentair! - een hand(schrift)reiking om ons bij de tijd van het verhaal te brengen.
Wat maak je dankzij het getuigenis van de verteller, geschreven op de adem van Johannes, mee? Wat gebeurtis eigenlijk verbijsterend en onmogelijk. Zo beleeft de verteller het na al die jaren vermoedelijk ook.

Beginnen we nu met Johannes 18.
Jezus gaat met zijn leerlingen naar buiten, Hij steekt de Kedron over en gaat de tuin in.
Het begint als een gewoon onopvallend en alledaags verhaal. Wat is er nog genoeglijker na de maaltijd dan het maken van een wandeling in de avondkoelte ? De leerlingen lijken de voor hen toch zeker ook dreigende taal over het op handen zijnde afscheid nauwelijks gehoord te hebben. Met zijn twaalven zijn ze ook Judas vergeten. Niet zíj, maar wij, de lezers en hoorders van het verhaal weten dat in hem de duivel gevaren is. Wat dat ook moge betekenen, het spelt niet veel goeds.

Simpel wandelen, de beek over, de tuin in. ‘Jezus met zijn leerlingen’. Dat woordje sun/met valt plotseling op. Het blijkt dat Johannes dit sun/met maar drie keer gebruikt. Het is een vrij zeldzaam woordje. Bij Johannes is dit de enige keer dat hij spreekt over Jezus met zijn leerlingen. Alsof alleen dit verhaal zijn verhaal met hen is.

Met zijn leerlingen gaat Jezus naar de tuin. Tussen neus en lippen wordt ook gezegd dat Judas die plaats kent – alsof hij de adder is die onder het gras ligt, de ingewijde die op een andere wijze gaat, die iets anders voor zich ziet. Deze plaats, ongeveer aan de voet van de zuidoostkant van de Tempelberg, is volgens Johannes een vertrouwde plek. Daarom kan hij ook misbruikt worden.
Judas gaat nu ‘zijn’(?) rol spelen, wordt in ieder geval even de hoofdrolspeler in het door hem aangedreven verhaal. Alsof er iemand is die geeft, neemt hij de club soldaten en dienaren van de hogepriester. Hij voert zijn hem gegeven manschappen aan nu zij uittrekken tegen de als misdadiger geframe-de Jezus. Nergens geeft Johannes aan wat zijn motief zou kunnen zijn. Behalve de ergernis over de verkwisting van Maria geeft de tekst daar niets over. Wat hij doet is volgens Johannes misschien ook eigenlijk niet ‘van hem’, niet zijn daad. Johannes vertelde al eerder dat de duivel in hem gevaren is, dat hij obsessioneel gedreven wordt. Doe wat je doen moet (13,27). Zo, doende wat hij doen moet, komt hij nu, aan het hoofd van een groep soldaten en wat dienaren van de overpriesters en de Farizeeën wellicht, aanzetten in zijn strijd tegen het kwaad dat ‘volgens de hogepriester’ Jerusalem en het volk bedreigt (11,48v).
Ze hebben wapens bij zich. Ze hebben immers een gevaarlijke opdracht. De lezers volgen intussen de lantaarns en fakkels. Zo komen we waar de tekst ons hebben wil voor de zich nu openende geschiedenis.

Niet ‘zij zien’ of ‘zij zoeken en vinden’ Jezus. Bij Johannes zijn de rollen, consequent, blijkbaar principieel, omgekeerd. Jezus ziet alles wat op Hem afkomt. ‘Alles!’ ook met iets van finally wellicht: het is zover, eindelijk. En let wel: op Hem afkomt, tegen Hem. En híj stapt naar voren . Bij Johannes zien we dus geen Judas die Hem aanwijst en er is geen kus . Judas staat nu ‘de agenda’ acta worden, eenvoudig tussen hen in. Hij is deel van een zoekplaatje geworden. Het initiatief ligt bij Jezus.
Wie zoeken jullie? Het werkwoord zoeken begint bij Johannes met wat zoeken jullie (1,38). Hier vraagt Jezus wie zoeken jullie, zoals hij dat ook straks bij het graf zal doen als Maria daar staat en zich omkeert .
Hun antwoord laat geen moment wachten. De instructies waren wellicht duidelijk: Jezus de Nazarener. Drie keer zegt Jezus: ik ben. Voor een kind is volstrekt verrassend wat dan volgens het verhaal gebeurt. Jezus zegt Ik ben. Een gevaarlijke tekst voor Farao’s en hun gelijken. En zij doen een stap terug, vallen ter aarde. Jezus geeft aan dat hij die gezochte Jezus de Nazarener is, maar Johannes tekent drie keer de woorden Ik ben op, met alle echo’s die daarin klinken uit Exodus 3,14 en context. Door hun terug stappen en vallen laat Johannes zien wie volgens hem de situatie meester is .
Bij het derde ik ben zegt hij: laat deze hier dan weggaan, zodat, voegt Johannes eraan toe, zodat niemand van hen die je mij gegeven hebt verloren gaat. Het wordt gezegd alsof zijn zorg en inzet ook Judas geldt. Misschien staat daarom zo nadrukkelijk geschreven dat de duivel in hem gaat en is deze het eigenlijke begin is van de overlevering . En Jezus zegt: laat dezen hier dan weggaan. 6,39! Niemand van hen die jij mij geeft laat ik verloren gaan.
Petrus toont zich vervolgens als eerste actief. Handvaardig treft zijn zwaard het rechteroor van Malkus. De toevoeging van de naam en het ‘rechter’-oor zou kunnen aangeven, zoals commentaren dat noteren, dat Johannes vaker van kleine details houdt. Het kan ook zijn dat die knecht zijn hoofd wegdraait en daarom rechts getroffen wordt. Maar misschien verdient het meer aandacht dat hier, zoals in 6,68-71, Petrus en Judas in de tekst samen om het eufemistisch te zeggen mal-à-droit, nauwelijks ter zake, of zeer ter zake optreden.
Ze pakken Jezus en brengen Hem naar Annas, de schoonvader van Hogepriester Kajafas. In 11,47vv. treedt hij al op, als profeet. Hij zit voortdurend achter het decor om in beslissende flitsen zijn orde op zaken te stellen.
Na Annas met een herinnering aan zijn eerdere uitspraak, verschijnt vervolgens Petrus ten tonele nu met een andere leerling. De tekst stelt hem aan ons voor als een kennis van de hogepriester. Een kennis van de Hogepriester suggereert dat volgens Johannes, die andere leerling, enigermate vertrouwd kan zijn met de hogere kringen in Jerusalem. Sinds Johannes 2,18 en zeker 5,18 lijken die hogere kringen geobsedeerd door Jezus’ woorden en daden. Zíj willen vooral hún gezag en aanzien en macht veiligstellen. (12,43). Daarmee wordt het evangelie van Johannes meer zoiets als ‘inside’ informatie van en voor mensen die in het Jerusalem van die dagen verkeren.
Is deze bekende van de hogepriester de beminde leerling ? Hij brengt in elk geval Petrus na een gesprekje met de deurwachter naar binnen, ook al blijft Petrus bij de deur staan. Petrus staat dus binnen buiten, of omgekeerd. Nu zal hij zich zo aanstonds moeten gaan uitspreken. Zijn woorden zullen hem buiten zetten.
Geboeid wordt Jezus afgevoerd. Naar Annas, de schoonvader van Kajafas. Petrus is intussen begonnen aan zijn litanie van de ontkenning.

De vragen van de Hogepriester
De ondervraging door de hogepriester stelt niet veel voor. Hij stelt volgens Johannes wat wij zouden noemen meer algemene vragen ‘over zijn leerlingen en zijn leer’. Jezus zegt dat niets daarvan geheim is. Openlijk heeft hij geleerd in de synagoge en de tempel waar Joden altijd samenkomen. Er is geen enkel geheim. Een dienaar van de hogepriester vindt dat je zo niet spreken mag. Gezagsgetrouw vertolkt hij de hardheid die van vrijwel van begin af aan de inzet van het conflict is. Een kaakslag onderstreept zijn inzicht. Jezus heeft daarover evenwel een duidelijke mening. Is het goed of verkeerd wat ik zeg. En als het goed is, waarom sla je me dan? Zijn vraag blijft onbeantwoord. Niet luisteren, niet horen. Geen verantwoording, dat zeker niet.

Petrus zegt zijn laatste woorden in dit verhaal van verlatenheid. Het ‘roepen’ van de haan heeft hier de laatste stem. Bij Johannes roept hij, ook al wordt dit graag vertaald met ‘kraaien’. Hier kraait letterlijk geen haan naar.
Petrus ontkent elke vertrouwdheid met Jezus en verdwijnt in de richting van de deur.
Daarna brengen ze ‘Hem’, Jezus, naar Kajafas, maar dat blijkt enkel een doorvoering ter zake te zijn, op weg naar.
Pilatus maakt zich intussen op (bijna letterlijk ‘staat zich te grimeren’) voor zijn glansrol. Hij gaat zonder daarop uit te zijn, als het wettelijk gezag beslissen. Bij Johannes zal hij zijn handen niet wassen in onschuld (Matteüs 27,24).


Oriënteren we ons op de kern van het verhaal, Pilatus en Jezus.
Ruimte
18,1-13a arrestatie tuin
18,13b-27 Hannas paleis van de Hogepriester \\ binnen/buiten
18,28-19,16,a Pilatus pretorium \\Gabatha
19,16b-37 Soldaten – Maria en de leerling Golgotha
19,38-42 Jozef, Nicodemus, graf/tuin

Tijd
18,1vv (nacht: lantaarns/fakkels)
18,27 haan
18,28 ochtend
19,14 6e uur
19,42 suggereert de vooravond
De joodse dag gaat van de avond naar de dag. De maaltijd ’s avonds is het begin van de volgende dag. Het lijdensverhaal duurt nog geen dag. Binnen dat geheel neemt de middelste tekst, de ontmoeting tussen Pilatus en Jezus, het grootste deel in beslag. Daar gaat het blijkbaar over waar het voorafgaande een aanloop, en de rest een verwerking van is.

De veranderingen van plaats (binnen/buiten/binnen/buiten) structureren de tekst van 18,18 tot 19,16. Het begint met de eerste regieaanwijzing: “zij” blijven buiten om zich niet te verontreinigen en het paaslam te kunnen eten. Binnen blijkt de plaats van Pilatus te zijn. Hij gaat van binnen naar buiten en omgekeerd.
De buitenwereld is de vijandige wereld.
De binnenwereld is de “plaats van de waarheid” of niet.
Jean Zumstein (L ’Évangile selon Saint Jean, Labor et Fides, Geneve 2007) geeft het volgende schema.

Inleiding, 18,28
Jezus wordt voorgeleid Slot: 19,16
Pilatus levert Jezus over
aan zijn beulen
A. 18,29-32 Buiten
De Joden eisen dat Pilatus Jezus veroordeelt A’. 19,13-15 Buiten
Pilatus veroordeeld Jezus
B. 18,33-38a Binnen
Pilatus/Jezus B’. 19,8-12 Binnen
Pilatus/Jezus
C. 18,38b-40 Buiten
Pilatus: Jezus onschuldig C’. 19,4-7 Buiten
Pilatus: Jezus onschuldig
D 19,1-3: Bespotting

Ook al is Pilatus overtuigd van Jezus’ onschuld, de weg van de “waarheid” kan hij niet vinden. Het lijkt erop dat het hem uiteindelijk geen probleem is, Jezus te veroordelen. Om Kajafas te citeren: het is beter dat één man sterft dan het volk.

18, 28 Ze brengen Jezus dan van Kaiafas naar het pretorium. Het is vroeg in de morgen. Ze gaan het pretorium niet binnen om zich niet te verontreinigen maar het paasmaal te kunnen eten.

Het is de dag van de voorbereiding. Zij willen zich niet verontreinigen. Op de dag van de voorbereiding zullen de paaslammeren geslacht worden. Denk aan 1,29. 36.
In het getuigenis van Johannes (i.t.t de synoptici) is het verhaal over Jezus uiteindelijk het Pesachverhaal van Johannes over Jezus. Johannes blijkt niet over Jezus te kunnen vertellen dan binnen de lijst van Pasen.
Als de soldaten meegekomen zijn om Jezus te arresteren, moeten de militaire autoriteiten daarvan geweten hebben. Maar het lijkt erop dat Pilatus niet erg overtuigd is van schuld. Daarom: “Wat is de beschuldiging?”
Volgens THYEN (Das Johannes-evangelium, Mohr-Siebeck Tübingen 2015 (2), p. 715) moet je, gegeven het feit dat dit de eerste keer is dat Johannes de naam Pilatus noemt, ervan uitgaan dat Johannes (vertrouwd is met en) steunt op het getuigenis van de synoptici.
De Joden noemen Jezus is een boosdoener. Daarmee blijven ze nog op de vlakte.

A
29 Pilatus gaat naar buiten, naar hen toe en zegt: Welke aanklacht brengen jullie in tegen deze mens? 30 Ze antwoorden en zeggen hem: Als hij niet iemand was die kwaad deed, wij zouden Hem niet aan je overleveren. 31 Daarop zegt Pilatus: Nemen jullie Hem en oordelen jullie Hem overeenkomstig jullie wet. De Joden antwoorden: Het is ons niet toegestaan iemand te doden, 32 om het woord in vervulling te laten gaan dat hij zei,
aangevend welke dood hij zou sterven.

Pilatus blijkt wel ingewerkt. “Oordeel Hem volgens je eigen Tora. Daarop komt de aap uit de mouw. Wij mogen niemand ter dood brengen. Ze hebben Pilatus Jezus voorgeschoteld om Hem ter dood te brengen.
Jezus volgens Johannes is bekend met dit plan. Zie 2,19; Meerdere keren horen we dat het uur nog niet gekomen is (2,4; 7,6.30; 8,20) totdat Hij weet dat zijn uur gekomen is (13,1). Het is het uur om terug te keren naar de Vader. Ook het “opgeheven worden” spreekt daarover in 3,14; 8,28; 12,32-34. Het is het uur van zijn “verheerlijking” (7,39; 8,54; 11,4; 12,16.23.28).
Het opgeheven worden aan het kruis en de verheerlijking bij de Vader gaan samen. (JZ 191)
Het expliciete commentaar over Jezus tmv de zijnen rept regelmatig van zijn dood: 2,21v; 7,39; 11,51v; 12,33. Het verhaal over zijn dood, verrijzenis en verheerlijking leidt tot de meeste misverstanden : 2,19-21; 6,51-53; 7,33-36; 8,21v; 12,32-34; 13,36-38; 14,4-6; 16,16-19.
Veroordeling door Pilatus is voor Johannes (12,33v) de kruisiging. Jezus weet dat. Hij gaat dit niet uit de weg nu zijn uur gekomen is.
Het lijkt erop dat tegen deze gevangene alleen een veroordeling is wanneer hij de troon van de koning ambieert. Dat zou een soort majesteitsschennis zijn. Pilatus kiest die tour. Jezus vraagt hem of dit uit hemzelf komt. Of dat er souffleurs zijn.
Jezus, de gevangene, blijkt de situatie meester. Hij stelt de vragen.
Jezus ontkent zijn koningschap niet. Maar zijn koningschap staat in geen enkele relatie tot “deze wereld”.

B.
33 Pilatus gaat dan weer het pretorium binnen. Hij roept Jezus en zegt Hem:
Ben jíj de koning van de Joden? 34 Jezus antwoordt: Zeg je dit uit jezelf of hebben anderen je dat gezegd omtrent mij? 35 Pilatus antwoordt: Ik ben toch geen Jood!
Je eigen volk en je overpriesters leveren je aan mij over. Wat heb je gedaan?
36. Jezus antwoordt: Mijn koningschap is niet van deze wereld. Als mijn koningschap van deze wereld zou zijn zouden mijn dienaren gevochten hebben dat ik niet zou worden overgeleverd aan de Joden. Maar nu, mijn koningschap is niet van deze wereld. 37 Pilatus zegt Hem: Ben jij dan toch niet koning? Jezus antwoordt: Jíj zegt dat ik koning ben. Ík ben hiertoe geboren en naar deze wereld gekomen. Opdat ik zal getuigen voor de waarheid. Iedereen die uit de waarheid is luistert naar mijn stem. 38 Pilatus zegt Hem: Wat is waarheid!

Als Pilatus Jezus koning noemt is dat zijn zaak. Jezus stemt daarmee in. Alleen: zijn koningschap betekent “getuigen voor de waarheid”. Daar kan Pilatus niks mee. Waarheid! Voor hem lijkt waarheid een ding. Waarheid gaat voor hem niet over de man die voor hem staat en die hij “behandelt” als een “in zijn ogen onschuldige”. Thyen (719): De waarheid dat Jezus een koning is die zijn koning-zijn niet ontleent aan (de gang van zaken van) de wereld maar aan de liefde (zie 13,1; 15,13).
Met zijn diplomatieke (?) scepsis over “waarheid” gaat Pilatus weer naar buiten. Daar doen ze ook aan waarheidsvinding. Het argument van Nicodemus in 7,51 betekent voor hen niets.
Pilatus heeft nog, naïef en wel, een gelegenheidsoplossing. “Wie willen jullie”. Het is kolen op het vuur. Ze hebben liever een rover dan Jezus – al is het dubieus geschreven. Want ook als ze Barabbas kiezen, kiezen ze voor de Zoon van de Vader.


C.
Als hij dat gezegd heeft gaat hij weer naar buiten naar de Joden en hij zegt hen:
Ik vind volstrekt geen schuld in Hem. 39 Maar het is een gewoonte dat ik voor jullie iemand loslaat vanwege Pasen. Willen jullie dan dat ik voor jullie de koning van de Joden vrij laat? 40 Zij schreeuwen dan weer en zeggen: Niet hij maar Barabbas. En Barabbas is een rover. (naar “binnen”?!)

Het commentaar van Johannes (“een rover”) last een moment stilte in het verhaal. Op datzelfde moment blijkt Pilatus te besluiten, Jezus te geselen. Waarom? Bij Matteüs en Marcus volgt de geseling naar Romeins gebruik na de veroordeling. Zinspeelt Johannes erop dat Pilatus al lang weet dat Jezus een veroordeelde is. In ieder geval: hij schrijft het zo pp dat het erop lijkt, dat Pilatus degene is die geselt en vervolgens de soldaten hun spel laat spelen. Zumstein 230: een vernederd mens, een belachelijke koning.

D.
19,1 Dan neemt Pilatus Jezus en hij geselt hem. 2 En de soldaten vlechten een kroon van dorens En zetten (die) op zijn hoofd. Ze gooien een purperen mantel om Hem heen.
3 En ze gaan naar Hem toe en zeggen: Gegroet, Jodenkoning. En ze geven Hem gezichtsslagen.

Ze slaan Hem in zijn gezicht, maken Hem onherkenbaar. Aan dat gezicht hebben zij geen boodschap. Daarop gaat Pilatus weer naar buiten met de uitslag van zijn beraad. Geen schuld. Daarop komt de onschuldige naar buiten. “Zie de mens”. Wil Pilatus medelijden opwekken zoals zo vaak door commentaren wordt bepleit. Dan zou ergens uit het gedrag dat motief moeten blijken. En let op! Jezus wordt niet naar buiten gebracht. Hij komt naar buiten, alsof hij zelf nog degene is die de situatie leidt. (Het woord dat vlees wordt, door en door kwetsbaar.)
Bij Johannes gaat Jezus ook in purperen kleed en met doornenkroon naar Golgotha.

C’
4 En Pilatus gaat weer naar buiten en hij zegt hen: Zie, ik breng Hem jullie naar buiten Zodat jullie weten dat ik geen enkele schuld in Hem vind. 5 Dan komt Jezus naar buiten de doornenkroon op en de purperen mantel. En hij zegt: Zie de mens. 6 Als de overpriesters en de dienaren Hem zien schreeuwen ze het uit en zeggen: Kruisig Hem, kruisig Hem. Pilatus zegt hen: Nemen jullie Hem en kruisig Hem want ik vind in Hem geen schuld. 7 De Joden antwoorden hem: Wij hebben een wet en volgens de wet moet hij sterven Want hij maakt zichzelf tot Gods zoon.

Pilatus: nemen jullie Hem … ik vind geen schuld in Hem. Daarop zeggen zij wat hen drijft: Wij hebben een wet … hij moet sterven want hij maakt zich tot zoon van God. (Zie 5,18; 10,33vv. en ook Kajafas in 11,46vv.)
Pilatus weer naar binnen. Waarvandaan ben jij. (Het koningschap niet van deze wereld. Waar dan wel vandaan? Zie 3,3vv; 8,23.) Maar Jezus geeft hem geen antwoord. In zijn zwijgen verbergt hij het geheim, dat hij van boven geboren is. Zie ook 10,24v.

Maar Pilatus trekt het op zichzelf en heeft een heel eigen beeld van zichzelf. Hij heeft de macht… Jezus: alleen wanneer die jou gegeven is. En daarom treft degenen die Hem overleveren (de leidinggevenden in Jerusalem) grotere schuld. Pilatus treft wel schuld, maar groter is die van Kajafas (18,28) en Judas (6,64.71; 12,4; 13,2.11.21 en 18,2.5.)

Die in zekere zin (?) vrijspraak van Pilatus door Jezus brengt Pilatus ertoe Jezus weer vrij te willen laten. Maar, zo dreigen zij, dan collaboreer je met de vijanden van de Keizer.

B’
8 Als Pilatus dat woord hoort vreest hij zeer. 9 En hij gaat het pretorium weer binnen en zegt tegen Jezus: Waar ben jij vandaan? Maar Jezus geeft hem geen antwoord. 10 Dan zegt Pilatus Hem: Praat je niet met mij? Weet je niet dat ik de macht heb je los te laten en de macht heb je te laten kruisigen! 11 Jezus antwoordt hem: Jij hebt geen enkele macht over mij tenzij wanneer dat jou van boven is gegeven. Daarom heeft hij die mij aan je overlevert grotere zonde. 12 Van dan af aan zoekt Pilatus Hem vrij te laten. Maar de Joden schreeuwen en zeggen: Als je Hem los laat ben je geen vriend van de keizer. Ieder die zichzelf tot koning maakt verzet zich tegen de keizer.

Alles is nu gereed gemaakt voor de definitieve uitspraak. Wie is de rechter? Wie de berechte? Johannes zet dat precies in scene. Hij gaat op de rechterstoel zitten. Grammaticaal kan Jezus plaats nemen op de rechterstoel. Het slachtoffer heeft het woord.
Intussen speelt Pilatus zijn spel met “jullie koning”. Zodoende weet hij de overpriesters hun belijdenis (geen andere koning dan de keizer) te ontlokken.

A’
13 Als Pilatus deze woorden hoort brengt hij Jezus naar buiten en hij gaat zitten op de rechterstoel, op de plaats die litostrotos heet, in het hebreeuws Gabbatha. 14 Het is de voorbereiding voor het Paasfeest, het zesde uur. En hij zegt de Joden: Zie jullie koning. 15 En die schreeuwen: Weg, weg. Aan het kruis met Hem. Pilatus zegt hen: Zal ik jullie koning kruisigen? De overpriesters antwoorden: Wij hebben geen andere koning dan de Keizer. Uiteindelijk levert Pilatus Hem over aan hen om gekruisigd te worden.

Slot
16 Daarop levert hij Hem over aan hen om gekruisigd te worden. En ze nemen Jezus. 17 Terwijl hij het kruis draagt gaat hij naar buiten.

Jezus draagt zijn kruis en gaat de weg die hij te gaan heeft, waar hij voor gekozen heeft.

Zorgvuldig wordt de plaats van het kruis aangegeven. Eén links en één rechts en Hij in het midden. In het evangelie van Johannes is het midden steeds de plek van Jezus. Zoals de tent die in de woestijn in het midden staat.
Pilatus geeft het kruis een titel mee, een verklaring en rechtvaardiging. Wij vertalen in de regel opschrift. Dat is dan goed voor het plaatje. Maar wellicht is titel ook juridisch meer relevant. Op welke titel is Hij eigenlijk veroordeeld? Als je hiernaar kijkt, wat zie je dan? Wie zie je dan? Dat heeft Pilatus, die vreemde Romein, volgens Johannes zorgvuldig geboekstaafd. Wat hij geschreven heeft zijn volgens hem de goede notulen: Jezus de Nazarener koning van de Joden. En als zij protesteren blijft hij daarbij. Schrift is Schrift. Schrift blijft.

Na de ‘inhoudelijke’ discussie krijgen we vervolgens de feitelijke afwerking van de scene.
De soldaten hebben krachtens de gewoonte nog recht op extra loon voor hun toch steeds weer onfrisse beulswerk. Kleding is in die dagen een kostbaar goed. Ze verdelen dus de kleren van de veroordeelde in vieren. Voor elk een deel . En dan blijft er nog iets over. De lijfrok. Kleren maken de man. Een man uit één stuk. Om de profeten te vervullen krijgen we een potje dobbelen. Dat hebben de soldaten dus gedaan.

Alsof de camera nu naar achteren gaat. We kijken, nu alles gebeurd is, nog even terug naar de scene van de kruisiging en we zien bij het kruis een groepje mensen staan.
Gegeven de verdeling in vieren zijn het vier soldaten die Jezus kruisigen. Behalve deze vier soldaten staan er ook vier vrouwen onder het kruis. De moeder van Jezus zagen we ook in Kana. Opmerkelijk: ook daar wordt zij aangesproken als vrouw. Nu staat zij hier . Er is dus alle reden toe om Kana met het archè (hoofd, begin, principe) van de tekenen te zien in het perspectief van dit verhaal over de veroordeling en de kruisiging.
En de bekende van de hogepriester neemt de moeder van Jezus op in zijn huis. Dit wederzijds elkaar opnemen en het voor elkaar opnemen blijkt bij Johannes niet zo toevallig als een feit te zijn, of iets eventueels. Het lijkt meer programmatisch, iets van ‘waar het uiteindelijk op aan komt, op uitloopt. Wat gevraagd is.’ Petrus zal als vertegenwoordiger van de leerlingen daar in het laatste hoofdstuk ook over te horen krijgen.
Jezus weet dat alles voltooid is . ‘Voltooien’ vinden we twee keer, in vers 28 en in vers 30. Het alles voltooien is ook het voltooien van de Schrift. Dit voltooien vinden we ook in 4,34, waar hij tegen de leerlingen zegt: Mijn voedsel is de wil van de Vader te doen en zijn werk te voltooien. In dat verhaal zegt hij eerder tegen de Samaritaanse: Geef mij te drinken. Nu, onder het kruis, vertelt Johannes dat Jezus weet dat alles voltooid is (v.28 2x). Datzelfde werkwoord staat in v.30) Dat werkwoord voltooien omgeeft en initieert de laatste daden van Jezus: Ik heb dorst. In psalm 68,22 LXX geven zij mij zure wijn te drinken. Zo vervult hij de Schrift, de wil van de Vader. De tekst kiest zorgvuldig zijn woorden . Als hij van de zure wijn genomen heeft zegt hij: Het is voltooid. Hij buigt hij het hoofd en geeft de Geest. Zo loopt de kruisiging bij Johannes uit op Pinksteren .

Hoe verlaat Johannes deze scene? Hij staat stil bij de tijd. Voorbereidingsdag. De dag is voor het eerst genoemd in 19,14. Hij gaat nu min of meer afgesloten worden . Wat wordt op deze dag voorbereid? Eerst moeten de gedane zaken afgewerkt worden. Johannes doet dat op een geheel eigen manier.

De drie kruisen mogen op Pesach volgens degenen die dit alles in elkaar gestoken hebben zich niet aftekenen aan de horizon van Jerusalem. Zij namen het initiatief tot de veroordeling en nemen nu het initiatief hun werk af te ronden. Daartoe wenden ze zich tot Pilatus. Het breken van de beenderen brengt de dood sneller nabij. Pilatus gaat daarmee in zee. Zo komen de soldaten.
Johannes beschrijft hun beweging als ware het een choreografie zeer exact. Van de eerste breken ze de benen en ook die van de ander die met Hem gekruisigd is. Ze slaan Jezus even over. Waarom doen ze dat? Als ze naar Hem toe komen zien ze dat hij al gestorven is. Zij breken zijn beenderen niet. Zoals bij het Paaslam!
Wat zij zien motiveert een van de soldaten tot het gebruik van zijn speer. Hij steekt Hem in zijn zijde. Terstond komt er water en bloed uit de verse wonde van dat dode lichaam. Daarmee zoomt de tekst opnieuw in op 7,38. Wie gelooft, wie vertrouwen heeft overeenkomstig de Schriften, uit zijn binnenste vloeien stromen van levend water. Dit zegt hij van de Geest die zij die in Hem zouden vertrouwen zouden ontvangen want nog was de Geest er niet want Jezus was nog niet verheerlijkt.

Getuigenis en betrouwbaarheid. Met grote toeleg signeert Johannes zijn getuigenis opdat ook jullie vertrouwen mogen. Dat alles onderstreept hij door twee citaten uit de schrift, namelijk over het paaslam en de slang in de woestijn, de herinnering aan het gesprek in de nacht met Nicodemus . Intussen maakt het laatste citaat het mogelijk, het doorsteken van Jezus’ zijde niet als de daad van een enkeling te zien. Ze zullen opzien naar wie ze doorstoken hebben. ‘Ze’, wellicht ook inclusief te lezen. We.

De eerste twee die zullen opzien zijn Jozef van Arimatea en Nicodemus. Maar het is te snel, te gemakkelijk om te zeggen: Jozef en Nicodemus. Johannes neemt de moeite hun aanwezigheid gedifferentieerd in te kleuren. Zij zijn anders aanwezig.
Jozef is een leerling van Jezus, maar dat is hij in het verborgene. Johannes heeft al eerder geschreven dat de mensen bang zijn uit de synagoge, uit de gemeenschap verstoten te worden. Maar nu het uur gekomen is komt Jozef úit zijn angst. Hij gaat het Pilatus het lichaam van Jezus vragen.
Nicodemus heeft vaak ook de naam gehad, iemand te zijn die in het verborgene komt. Als alle katjes grauw zijn komt hij bij Jezus, in de nacht, dan durft hij wel, lijkt de redenering. Bij de beschrijving van Johannes 3 (hierboven) is vermoedelijk genoegzaam aangegeven, dat die nacht de (eerste) Paasnacht in Jerusalem is. In die nacht krijgt Nicodemus ook te horen dat, zoals de slang in de woestijn, de mensenzoon opgeheven dient te worden opdat ieder die in Hem vertrouwen heeft eeuwig leven krijgt. Wij kunnen dus nu al weten wat Nicodemus ziet en krijgt.

Terwijl we in het verhaal opzien naar wie ze doorstoken hebben gaat het verhaal over naar de orde van de dag. Jozef van Arimathea komt met een mengsel van mirre en aloë, ongeveer honderd liter. Alsof een koning de laatste eer bewezen wordt. Zij nemen het Lichaam van Jezus en wikkelen Het in met de kruiden. Daarna richt de verteller zich op. De tuin, een nieuw graf dat nog nooit een graf geweest is. De Griekse tekst spreekt zelfs over gedenkteken, alsof deze plek meer is om ‘te gedenken’ dan om te ‘begraven’. Jezus was met zijn leerlingen naar tuin (18,1) gegaan. Jozef en Nicodemus doen als leerlingen de laatste dingen (19,41). Een droeve plicht.
Nog steeds is het de voorbereidingsdag voor het feest (19, 14.31).

Johannes 20
De terechtstelling is voorbij. Heel het gebeuren loopt uit in de graflegging. Johannes sluit het graf zelfs niet af. In het volgende verhaal blijkt dat wel gebeurd te zijn, in de stilte voor het open, lege graf.
In het Nederlands taalgebied is het gangbaar te spreken over Jezus in het graf. Maar Johannes gebruikt het woord mnémeion, afgeleid van een werkwoord waar herinneren de juiste weergave van is. Je moet in de vertaling dus eigenlijk het wat omstandige woord graf/gedenkteken gebruiken. Plaats van herinnering.

Het verhaal is simpel. Het is nog donker. Maria gaat naar het gedenkteken. Ze ziet dat de steen weggenomen is. Alsof het niet aan haar is verder onderzoek te doen, snel gaat ze naar Petrus en de andere leerling met haar verontrusting. Blijkbaar is dat de routine of de methode. Ze gaat naar de leerlingen. Duidelijk wordt dat ze meer (niet) gezien heeft. Ze zegt: ze hebben de Heer weggenomen en we weten niet waar ze Hem hebben neergelegd. Niet het verschrikkelijke ‘wij weten’ dat vooral van ‘niet’ wil weten, maar de onschuld van het simpele niet weten. Daarop gaan twee van de leerlingen het bekijken.

Het wordt een merkwaardig soort hardloopwedstrijd. De ‘andere leerling’ is duidelijk eerder, ziet de doeken liggen maar hij laat, blijkbaar bewust, Petrus voorgaan, het graf ingaan. Wij, buiten maar binnen in het verhaal, krijgen te horen wat Petrus ziet. Dat alles om ons gevoelig te maken voor binnen en buiten, voor zien en niet zien, en voor de doeken en de zweetdoek, zo expressis verbis terzijde. Aandacht wordt gevraagd.

De doeken en de doek op het aangezicht
Petrus komt niet verder dan het blijkbaar verlaten gedenkteken. Niets wijst op de verplaatsing van de dode. Hij ziet enkel tekenen van afwezigheid. Hij ziet de doeken waar het lichaam in gewikkeld was en de doek op het hoofd, apart liggend. Van engelen (v. 12) spreekt de tekst nog niet.
Het apart neerleggen van de verschillende doeken kun je in iedere synagoge zien. De doek om de Tora-rol wordt opgerold en terzijde gelegd. De doek op het aangezicht, de opengerolde pagina zal dadelijk over de te lezen tekst heen gelegd worden totdat de lezing begint. Na de lezing wordt hij weer over de tekst gelegd. Alsof de tekst onttrokken dient te worden aan wat zichtbaar is of voor de hand liggend.

Na Petrus gaat die andere leerling naar binnen. Hij ziet het en gaat vertrouwen want, merkwaardig, ze weten nog niet uit de Schrift dat hij uit de doden op moet staan. Niet ‘is opgestaan’, maar op moet staan, alsof dat nog gebeuren moet. Daar, ter plaatse, volgt geen onderling beraad of gesprek. De leerlingen gaan simpel naar de orde van de dag, naar huis. Het vertrouwen van de andere leerling wordt nog verzwegen of sluimert nog. Blijkbaar is daar meer nodig dan dat wat ogen kunnen zien. Hoe kan dit verhaal verder komen?
Johannes heeft daar een uitzonderlijk klein verhaal over. Het verhaal eindigt eigenlijk niet.

Zoals het begint, zo staat daar Maria. Zij huilt. De leerlingen gaan naar huis. Wat overblijft na het eerste verhaal is een huilende vrouw. Aan het begin van het tweede verhaal staat zij daar nog steeds. Haar aanwezigheid krijgt nu meer kleur. Zij staat buiten het graf te huilen. Ze bukt zich. Zij ziet iets anders dan Petrus en die andere leerling. Zij ziet twee engelen in het wit die de ruimte afbakenen waar het lichaam van Jezus gelegen heeft. Die twee spreken haar aan.

Bij Matteüs en Lucas laten engelen (wel beslist beperkt) van zich hóren. Ze zijn hun boodschap. Maar nu zijn ze er wellicht om de weg open te houden voor het buitengewone dat nu komen gaat en dat ons ook nu te lezen gegeven wordt .
Engelen zijn als acteurs nog niet voorgekomen bij Johannes. Hier krijgen zij een plaats toegewezen en wel zeer exact, namelijk bij het hoofd- en bij het voeteneinde. Wanneer je deze plaatsen met je handen aangeeft moet je een ruimte creëren. In diezelfde ruimte kun je ook een open boekrol neerleggen, tussen begin en einde open. Daar lag het lichaam van Jezus. Het is er niet meer. Enkel het verhaal is overgebleven.

Nadat wij de situatie mede hebben opgenomen horen we: vrouw, waarom huil je? Met hun hemelse vraag sluiten ze perfect aan bij de vrouw en haar treurigheid. Alsof ze het niet begrijpen vragen ze: waarom huil je? Alsof voor haar die lege plaats niet om te huilen is. Zij heeft in Johannes 11,32 wel gezegd: Heer, als jij hier was geweest zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar die stelligheid van toen helpt haar hier niet. Zij zal eerst moeten omkijken en in haar droefheid de man van de tuin moeten aanspreken. Die zal dan de vraag van de engelen in v.15 hernemen en toespitsen.

Omkijken en zien dat je gezien wordt
Maria heeft wel degelijk woorden voor haar verdriet, haar zorg. Volgens haar hebben ze Jezus verplaatst en zij weet niet waar hij nu gebleven is. Ze draait zich om. Ze doet wat Jezus in Johannes 1,38 ook doet. Omkeren zorgt voor een ander perspectief, het perspectief van een ander.
Maria denkt dat het de man van de tuin is. Nee, dat staat er niet! Er staat: Maria weet niet dat het Jezus is. Weer weet de lezer meer dan degene over wie hij of zij leest. Zij weet niet dat het Jezus is. Hoe komt zij erachter dat het Jezus is? Bovendien, hoezo Jezus, welke Jezus? Jezus is toch een dode geworden.

Wat wij ook menen te weten of welk inzicht wij ook hebben in ‘Jezus die verrezen is’, duidelijk is: we hebben niet te maken met een dode die simpelweg doet alsof er niets gebeurd is, alsof zijn overlijden niet bestaat en zijn leven in feite, ietsjes anders, gewoon verder gaat.
Eerst horen we Jezus de vraag van de engelen herhalen. Wat huil je? Daar komt er een vraag bij: wie zoek je? Zij herhaalt haar vraag. Dan zegt Jezus: Maria. En zij draait zich weer om en zegt in het Hebreeuws Rabboeni wat wil zeggen leraar.
Zij hoort haar naam, weet zichzelf herkend en dus ook begrepen. En zij kent die stem. Welk beeld heeft zij voor deze stem die haar noemt? Als zij zou weten dat zij Jezus zou zien, wat of wie zou zij dan zien? De man van de tuin is ook het beeld in Genesis 1 en 2, puur natuur dus. Maar het gaat niet over bloemetjes die in het voorjaar tevoorschijn komen, hun schoonheid laten zien en daarna weer verleppen om het volgend jaar weer opnieuw te beginnen alsof er niets gebeurd is en geschiedenis niet bestaat. De situatie die Johannes hier beschrijft is nogal ongewoon, doorbreekt enigermate onze denkruimten. Maar misschien is er iets te proberen.

Er wordt nog niet gesproken, geen woord gewisseld zelfs, tenzij door God in het verborgene. Maria denkt, dat de man van de tuin de dode misschien of wellicht, een andere plek gegeven heeft?
Precies zoals Johannes het vertelt in zijn verhaal over de echte herder (Johannes 10,3), hij kent zijn schapen bij name, en zijn schapen herkennen zijn stem. Jezus heeft nog niet Maria gezegd of zij reageert met haar rabboeni, meester van mij. Aan wat Hij zegt en wellicht ook, zoals Hij het zegt, Johannes scherpt dat aan door het woord in het hebreeuws en in een vertaling te geven. Dan komt wat het beroemde ‘noli me tangere’ thema, raak mij niet aan. Beroemd, want graag door de schilders in beeld gebracht . Niet aanraken wat je niet kunt aanraken, hoe doe je dat? Raak mij niet aan, want …

Raak me niet aan
De situatie is voor de lezer minstens zeer verwarrend. Maria mag Jezus niet aanraken. Thomas zal in de volgende fragment luid hoorbaar verkondigen wat hij wil met zijn vinger en zijn hand. Hij wil daar zelfs verder dan simpel aanraken, Als ik mijn vingers niet steek in de plaats van de nagels en mijn hand niet leg in zijn zijde (20,25). Welke reden geeft Johannes opdat Maria Hem niet aanraakt? We horen alleen want ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Peinzend over Genesis 2 en 3 misschien het volgende: ook daar mag je niet aanraken. De Boom van het Leven, midden in de tuin. Door de synagoge wordt deze boom steeds weer bezongen als de Boom die Leven geeft (zie Spreuken 3,18), die zij aanraken door Hem niet aan te raken. Het tissue van de gebedsmantel bedekt hun vingertoppen. Hun verlangen uiten zij in de aanraking die geen aanraking is. Het lijkt een missen van wat je niet meer mist en waar je toch op uit bent.
Raak mij niet aan. Het kan simpelweg betekenen dat je dat niet moet doen, Hem aanraken. Het kan ook betekenen: wat je wilt, mij aanraken, moet je niet willen. Alsof zijn aanwezigheid tegelijk zijn afwezigheid is.

In plaats van Hem aan te raken moet Maria naar de broeders gaan. Nog spreekt Jezus over mijn Vader en jullie Vader, mijn God en jullie God. Maar we horen wel: ga heen naar mijn broers. Dat leerlingen broers worden is een van de geheimen van de verrijzenis.
Maria ziet Hem en gaat weer. Zij gaat haar verhaal naar de leerlingen brengen. Zij doet wat Hij haar zegt. Haar taak is de uitvoering van zijn laatste woorden tegen haar. We horen daarop geen reactie . De ochtend wordt al snel de avond van de eerste dag van de week.
De avond van die eerste dag
De leerlingen zijn bij elkaar op een gesloten plaats. Ze zijn bang voor de autoriteiten. Maar voor Jezus is er van die angst geen sprake. Eerder niet en nu ook niet. Hij wordt niet belemmerd door wat dan ook, ook niet door het feit dat zij zich bang hebben opgesloten. Jezus gaat staan op de plaats waar Johannes enkel Hem neerzet: in het midden. Waarom gaat hij daar staan? Klaarblijkelijk heeft hij na alles wat zich voltrokken heeft, hen nog iets te zeggen. Weinig woorden zijn het. In het Grieks twee woorden. Vrede op jullie. Het moet een vertaling zijn voor sjalom aleichem, letterlijk, vrede op jullie. Het betekent twee zaken. Het eerste is: de vrede rust óp jullie. Het is jullie opdracht om waar jullie zijn de vrede te dragen, te zorgen voor vrede. Een toespitsing van het nieuwe gebod (13,34). De tweede betekenis is: dan zullen ook jullie zelf in vrede zijn.
Misschien moet de betekenis van die vrede verder overdacht worden. Vrede is in ieder geval de ervaring ‘dat het goed is’. Denk aan het Nederlandse ‘tevreden’. Hier is de vrede op jullie het eerste woord tegen de leerlingen. Dat zij Hem verlaten hebben blijkt er niet meer toe te doen. Jezus die zij nu zien (20,20 vgl 20,18), uit de doden opgestaan (20,9) is simpel een uitnodiging om met Hem mee te gaan in zijn nieuwe verhaal en in de woorden die hij gaat geven.

Na die woorden laat hij hun zijn wonden zien aan zijn handen en zijn zijde. Het zal een identificatie zijn. Maar waarom worden de voeten niet genoemd? Doet voor Hem het gaan er niet meer toe? Zonder moeite is Hij de gesloten ruimte van de leerlingen binnengegaan. Blijkbaar wil hij hen nog een woord geven. Over vrede. Alsof zij zijn voeten moeten worden: zoals de Vader mij gestuurd heeft, zo stuur ik jullie. Alleen, zo staat het er niet.
Johannes beschrijft Jezus’ gezonden zijn met het werkwoord apostelloo . Hij stuurt de leerlingen met het werkwoord pempoo . De concordantie laat zien dat Jezus zich met hetzelfde werkwoord ziet als iemand die gestuurd, gezonden is.
Na alles wat gebeurd is volgt hier de voortzetting. Zoals de vader mij stuurt, zo zend ik jullie. Daartoe dient het blazen of ademen over hen met de woorden: ontvang de Heilige Geest, de geest van het begin als nieuw, het verbond als nieuw. Alsof de boeken weer open zullen gaan bij het begin.
Zondenvergeving is het herstellen van het verbond, het verbond als nieuw. Het blijkt voor Jezus die zij zien een urgente taak, want als je de zonden niet vergeeft blijven ze. Blijkbaar wil Hij dat niet. Alsof dan in zekere zin Zijn zending op niets uitgelopen zou zijn.
Het vergeven van zonden is een praktische aangelegenheid, het nieuwe gebod in praktijk. Een leerschool ook. Daartoe staat hij als de Boom des Levens, als de Tora in hun midden, als hun midden.

Zo helder als het verhaal is, zo onwaarschijnlijk is het ook. Thomas is er niet bij en wat de leerlingen Hem vertellen lijkt Hem geen bijdrage tot enige zin of helderheid in het gebeuren. Ook voor Hem is vertrouwen/geloven een zaak voor handen en ogen. Een week lang blijft zijn dwingende uitspraak staan als een huis. Dan wordt ook daar ingebroken. De deuren zijn gesloten en Jezus komt en gaat in het midden staan. Weer zijn we in het Paradijs waar de Boom des Levens in het Midden staat.
Thomas is er ook. Nu wordt hij ook genoemd met zijn andere naam die ruimte aangeeft, die vraagt naar. Dydimus, tweeling.

Voor de derde keer horen we Jezus die verrezen is zeggen: vrede op jullie. Het lijkt zijn vertaling van zoals de Vader mij zendt zo stuur ik jullie. Voor Hem hoort daar van nu af aan bij dat hij zich rechtstreeks met zijn uitnodiging richt tot Thomas: kom met je vinger en leg je hand. En voor de omstanders, ook voor ons zegt hij erbij: wordt niet iemand die er geen vertrouwen in heeft, maar wordt iemand met vertrouwen.
We weten hoe Thomas daarna door zijn knieën gaat. Wat Jezus nooit over zichzelf zegt, geeft Thomas als iemand die gaat vertrouwen nu aan wie meeluistert en Hem hoort zeggen: Mijn Heer en mijn God.

Voor Johannes lijkt dat zo goed als een laatste woord. Hij sluit af met die woorden en terwijl het boek dicht gaat horen wij de sleutel voor zijn toewijding. Opdat ook jullie!


Johannes 21

Vissen. Wat heet vissen als je niets vangt?
Alsof we zojuist niets gehoord hebben over iets wat toch de afsluiting van het verhaal lijkt te zijn, zo vervolgt de tekst met de volgende dag. Daar is door commentaren over gepeinsd en er zijn uitspraken gedaan.

Voor mij (JE) is de nu volgende tekst geen toeval. Hij is hoogstens een toegift die de lezer onverhoeds toevalt.
We krijgen iets te horen dat zich aansluit bij de drie voorafgaande verhalen. Blijkbaar wil Johannes nu terug naar de vertrekplaats voor Jezus’ definitieve optreden in Jerusalem, het verhaal waarin HIJ de menigte brood geeft en over het manna spreekt dat de Vader geeft. Dat woord werd toen al het harde woord genoemd waarop velen, ook van zijn leerlingen, afhaken en enkel bij monde van Petrus de twaalf blijven.

Hij laat zich zien. Hun ‘te goed’ betaalt zich uit. Hoe gaat dat? Het begint uiterst nuchter met nauwelijks voor de hand liggend sociaal gedrag van de leerlingen. We horen eerst wie daar bij elkaar zijn. Sinds Johannes 1 zijn dat vertrouwde namen. Het is een soort kerngroep. Namen die doen denken aan de verhalen aan het begin.

Petrus bevindt zich in goed gezelschap Petrus nu hij zich opmaakt. Ik ga vissen. Alsof hij in het spoor van Pasen niets anders te doen heeft dan te gaan vissen. Blijken zal evenwel dat hij een wijze en leerrijke keuze maakt voor zichzelf en voor de anderen, in en buiten het verhaal.
Vissen doe je in die kringen blijkbaar in goed gezelschap. De anderen gaan vanzelf solidair mee. Maar op hoop van zegen blijven zij mooi alleen op het water. Geen vis te bekennen in hun bootje die nacht. Maar uiteraard is die laatste uitspraak enkel zinvol als het verhaal daar iets mee gaat doen. Zo dadelijk zal de boot dus volop gevuld zijn. Hoe kan dat gebeuren? Wat verklaart het verschil? Johannes vertelt het kort en bondig.

Hoe kan een lege boot vol raken.
Terwijl het duister net opgetrokken is staat daar Jezus aan de oever. Zij weten het niet. Zoals zo vaak, de lezer weet meer dan degene over wie hij of zij leest. En deze Jezus die uit de doden is opgestaan komt met een onschuldig vraagje. Het leidt direct tot de kern van de zaak. Hebben jullie iets te eten? Dat hebben ze niet. Werp het net over de andere boeg. Dat doen ze. Dat hebben de leerlingen van Jezus bij Johannes wellicht geleerd van de dienaren in Kana. Die houden zich aan het advies van de moeder van Jezus en doen zoals hij zegt. Zo schikken de leerlingen in het bootje zich nu overeenkomstig het vertrouwen van de dienaren in Kana, naar de man langs het water van 38 jaar woestijn, en de mens blind uit geboorte, of de vrouw van Samaria. Zo doen eenvoudig wat hij hen zegt. En het net is niet te tillen.

Dat net, zwaar van vissen, is verdacht.
De ‘intimus’ van Jezus, dat kan Johannes, maar ook de lezer zijn, zegt tegen Petrus, zoals altijd model van de leerling: Het is de Heer. Petrus blijkt nu Adam-eske trekken te hebben. Hij gooit zijn kleren om zich heen en springt in het water. Als kleren de man maken neemt hij zichzelf dus ook mee en dat is altijd ook een extra belasting. De andere leerlingen blijven aan boord. Ze voelen zich thuis bij al die vis. Ze zien – goede ogen! - aan de kant ook een kolenvuurtje branden met daarop vis en brood. Dat trekt. Het bepaalt hun koers. Van het net dat zij meebrengen moeten ze wat vis brengen. Petrus zal dat doen. Hij sleept het net aan land, hij is de voorman van die grote oogst.
Honderd drie en vijftig vissen. Waarom moet dat aantal zo precies geteld worden? In het Hebreeuws kent men geen cijfers. Zoals bij een opsomming in ons taalgebied: a, b en c kunnen ook 1, 2 of 3 betekenen. Het Hebreeuws kent alleen letters als cijfers. Wanneer je beneej ha-elohiem (kinderen van God) leest als cijfers en die je bij elkaar optelt, krijg je 153.De beneej ha-elohiem zijn de kinderen Gods. Daarmee wordt het evangelie een grote inclusie. De kinderen Gods omsluiten 1,12 tot 21,11. De kinderen Gods. Alsof dat bestaat, dat wij, als Petrus gevangen en wel, Gods kinderen kunnen zijn . Je boot, de kerk raakt dus vol wanneer je gehoor geeft, wanneer je je raden laat en doet zoals gezegd is, wanneer je weet dat in de oogst (4,35), de gever en de gave uitwisselbaar kunnen zijn.

Hij is het geheim van het begin. Het vuur smeult, de vis en het brood liggen op het vuur. Het herinnert als een soort van samenvatting van het evangelie voor de kinderen Gods aan Johannes 6.

Met al die grote vissen scheurt het net niet. Het blijft dus stil. De spanning vertaalt zich hier in niet durven. Niemand durft te vragen wie hij is. Ook als ze dat weten, ze weten het niet. Wat betekent het, iemand kennen? Wat ken je dan? Maar hoe je hier ook peinst, hij is degene die het brood neemt en het geeft. Zo ook de vis. Er zijn er die ervan overtuigd zijn dat vis deel uitmaakte van de reguliere viering van het avondmaal.
De vraag die zij niet durven stellen is de eerste vraag die priesters en levieten uit Jerusalem aan Johannes stellen (2,19). Johannes antwoordde daar: Ik ben de Christus niet. Het antwoord op de niet gestelde vraag is dat hij brood neemt en deelt en zo ook de vis. Dat is de derde keer. Alsof dat de manier is waarop de Heer de klaargemaakt weg van de Heer (1,22) gaat.

Het gesprek tenslotte, met Petrus
We horen geen woord over hoe de maaltijd verloopt. Wel komt er een verhaal over als ze de maaltijd gehouden hebben. Wat gebeurt er wanneer je zo met Hem en hen gegeten hebt, wanneer je weer recht gaat zitten, ademhaalt en elkaar aanziet.
Na het initiatief tot de wonderlijke vangst neemt Jezus nu het woord voor een gesprek met Petrus. Het gaat over houd jij meer van mij dan de anderen? Welke anderen wordt niet genuanceerd. Gaat het hier over Petrus tegenover de andere 10 (Judas is er niet meer). Of gaat het hier over ‘de leerling’ tegenover de anderen die geen leerling zijn. Hoe dat ook zij, het blijkt vooral ook een pijnlijke vraag.

Petrus wil in de hoofdstukken 6 en 13 zo graag de beste of gewoon goede leerling zijn en weet dan ondanks zijn stelligheid (ik …nooit) wanneer het uur gekomen is, enkel te beweren dat hij Jezus niet kent. Nu hij met zijn kleren van elke dag het water ingegaan is en daarna het net vol grote vissen aan land gesleept heeft en mee gegeten heeft, ligt er tenslotte voor hem Jezus’ vraag gereed: Jij? Meer dan dezen? Het is een vraag die niet van voorbijgaande aard is. Drie keer wordt hij gesteld. Hoe kan Petrus zich verduidelijken? Hij beroept zich er op dat Jezus weet, met alle nadruk op jíj weet.

Het Griekse werkwoord hier ingezet voor weiden (boskoo) is de eerste en de derde keer hetzelfde werkwoord. Het wordt alleen hier gebruikt. Tussen 1 en 2 maken de lammeren plaats voor de schapen en het werkwoord wordt poimainoo. Ook een ander werkwoord, ook alleen maar hier gebruikt. Het werkwoord leest het zelfstandig naamwoord voor poimèn/herder uit het verhaal over de echte herder in hoofdstuk 10, nu als werkwoord ingezet. In het midden krijgt Petrus te horen: Herder mijn schapen. Wees als een herder voor mijn schapen.

Het nieuwe gebod van Johannes 13 wordt hier het navolgen van de goede, de echte herder uit Johannes 10. Daarop volgt, met het is waar en betrouwbaar wat ik je zeg sterk aangezet: nu je ouder geworden bent, de spreuk over het je omgorden/ dzoonnumi. Vroeger en nu je ouder aan het worden bent. In de evangeliën wordt het werkwoord omgorden alleen hier gebruikt. Het erbij horende zelfstandige naamwoord dzoonè is bekend als de gordel van Johannes de Doper in Matteüs 3,4. Heeft het je omgorden ook een betekenis als ‘je klaarmaken voor de dag die wacht’? In ieder geval Johannes zet het in om de afloop van het leven van Petrus aan te duiden. Niet meer kiezen voor de ontkenning. Volg mij!
Jezus zegt in 13,36: waar Ik heenga kun je mij niet volgen. Maar je zult mij later volgen. En het uitstrekken van de handen kan ook betekenen dat het lichaam zich klaar maakt om de houten balk te gaan dragen waaraan de tot de kruisiging de veroordeelde wordt vastgebonden, vastgemaakt om die te dragen tot de plaats van de executie.

In Johannes 1 draait Jezus zich om. Hij ziet de leerlingen van Johannes en vraagt hen: wat zoeken jullie? Zij, die leerlingen van Johannes, willen zien waar hij verblijft. Het hele evangelie vertelt het verhaal waar Jezus bij Johannes verblijft.
In hoofdstuk 20 is voor Maria alles voorbij. Zij huilt bij het graf. Zij hoort de stem en draait zich om. Zij ziet de man van de tuin en stelt Hem haar vraag: Waar?
Nu in hoofdstuk 21 draait Petrus zich om. Hij ziet de ‘intimus’ van Jezus, de leerling die Hij liefheeft. Het beeld van het laatste maaltijd met die geliefde leerling, komt terug wanneer Juda(s) daar weg zal gaan om Hem over te leveren. De beminde leerling aan de borst van de beminde leraar.
Petrus vraagt nu aan Jezus: Heer, hoe zal het hem gaan? In zekere zin is dat ook een ‘waar? ‘-vraag. Waar zal Johannes blijven? Volgens Jezus onttrekt dat zich aan Petrus’ waarneming. Daarop denken de andere leerlingen dat Johannes nooit zal sterven, maar dat is niet gezegd, corrigeert de tekst.
Johannes lezend mag misschien geprobeerd worden: dat is de manier waarop de geliefde leerling blijft. Jezus, het Woord aan het Woord in de tekst die Johannes geworden is. Hij blijft zolang hij gelezen wordt. Zo kan hij telkens weer nieuw zijn.
En Johannes, deze tekst, voegt er aan toe, dat dit getuigenis niet alles bevat wat Jezus doet. Alles zou meer boeken bevatten dan de wereld bergen kan.


De laatste woorden van Johannes ta grafomena biblia, de geschreven boeken. Het Woord geschiedt in dit verhaal kwetsbaar als vlees, en dat vlees wordt een geschreven boek. Want alles kan volgens Johannes niet geschreven en dan in deze wereld bewaard worden. Voor Johannes verhaal over het Woord hebben we geen andere woorden dan deze.