Amsterdam - Paasnacht, 4 april 2015
Parochie Sint Jan de Doper – Ark/Jacobusgemeente

Droefheid, intense droefheid en wanhoop maakt je moe. Doodmoe. Je kunt met je verdriet geen kant uit en het blijft maar bonzen door je hoofd. De leiders van de gemeenschap die wel gek geworden lijken, nemen de Romeinen in dienst. Een pover zootje stoer uitziende mannen spelen als soldaat de baas en jagen de veroordeelde naar de plaats van de executie. En dat terwijl het Pesach is. Geen huis in de stad of het droomt over vrijheid en bevrijding. Verhalen gaan rond aan de tafel. Kinderen vragen en ouderen vertellen maar al te graag over die momenten dat God goed voor hen was en dat zij vrijheid met volle teugen als genade genoten. Opgetogen. Eindelijk vrij. Zo ging het in Egypte in de dagen van de farao. Zo zullen ook hier de Romeinen verdwijnen, ooit, eens, als de bazuinen klinken. Maar al dat dromen van vrede is aan flarden gescheurd en vertrapt. Als een crimineel is Jezus, hun Jezus, afgevoerd, als een lam naar de slachtbank. Doodmoe word je er van. Droefheid en wanhoop maakt je doodmoe.

Ik kan me niet herinneren dat ik ooit een preek heb gehoord in de Paasnacht waarin de predikant het had over de dodelijke vermoeidheid. Ik geef toe, er staat geen woord over in het evangelie van Marcus en ook niet in de andere evangeliën. Bij Johannes, als Maria Magdalena buiten het graf staat te huilen, vermoed je het. Het staat er niet. Maar in een tekst staat ook wat er niet staat. Na iedere regel van dit verhaal moet de verteller en de schrijver diep ademen, even wachten en dan verder met het verhaal over dit alles wat in die dagen in Jerusalem gebeurt. Als een levensgevaarlijk man is Jezus afgevoerd, terwijl elk van zijn woorden brood brak voor de levenden, een handdruk was, een pakketje goede moed, want je moet je leven lang verder en dat kán heel lang zijn. Goede moed, bemoediging, nabijheid en betrokkenheid. Jezus, hun rabbi, was niet allemansvriend, maar wel een mensenvriend. En dan dat kruis!

Maria van Magdala, Maria de moeder van Jacobus, en Salome kopen specerijen om hun lieve dode te gaan zalven. De eerste dag van de week is net aan het beginnen. Je ziet de eerste strepen licht wanneer de zon ook over hen opgaat. Maar hun goede bedoelingen verraden ook een beetje hun moeilijke onderneming. Wie zal de steen voor het graf wegrollen? Maar die is al weg. Gelukkig. Want hij is nogal zwaar. Die zware steen moet de wilde dieren tegenhouden.

De vrouwen kunnen naar binnen. Jezus, op Goede Vrijdag begraven in grote haast, even, voorlopig, omdat het de grote sabbath van Pesach is – die begrafenis moet nu netjes afgemaakt worden. Daarom komen ze voor dag en dauw met hun specerijen.

Wat ze zien stelt hen niet gerust. Als je een dode verwacht! Ze schrikken van die jonge mens. Zijn witte gewaad weerspiegelt en verdeelt het licht van de opgaande zon. En hij vertelt dat hij weet wat ze komen doen – nee, hij vertelt hen dat hij weet wat of wie ze zoeken, Jezus de man uit Nazarenet die gekruisigd is. Met die woorden kun je het hele evangelie samen -vatten. Jezus van Nazareth die gekruisigd is. Hij die er niet meer is komen ze zoeken. Zie zien waar ze hem hebben neergelegd. Hem – lijdend voorwerp. Maar zij moeten naar de leerlingen gaan en vertellen, dat hun lijdend voorwerp onderwerp geworden is. Onderwerp? Ja, onderwerp. Onderwerp en tegenwoordige tijd. Hij, ja Hij, gaat jullie voor. Zij, gekomen om de dode te zalven, moeten de leerlingen gaat vertellen dat Jezus nog altijd of weer opnieuw onderwerp geworden is. Hij gaat jullie voor naar Galilea.

Het is een complete overval. Hij gaat voor naar Galilea. De zekere dood op losse schroeven gezet voor een totaal nieuw verhaal waar geen touw aan vast te knopen is. Geen wonder dat ze bevend en bang wegrennen en niemand wat zeggen. “Hij gaat jullie voor naar Galilea! Dat is toch uitgesloten! Alsof je vermoeidheid niet meer telt. Alsof alles anders is en nieuw, ontwapenend nieuw.

Het heeft wel even geduurd voordat Matteüs zijn verhaal vertelt en woorden geeft voor waar wij geen woorden voor hebben. Hij vertelt over de zekerheid en de twijfel waarmee de elf op een berg in Galilea Jezus ontmoeten en woorden horen die nog altijd klinken. “Ik zal met jullie zijn tot het einde van de wereld.” Of in de woorden van Lukas: Hij zal voor ons de boeken open blijven maken en ons vertellen over zijn droom, over “het koningschap van God dat komt” wanneer wij het met elkaar delen, dat koningschap van vrijheid en bevrijding die mensen mogen delen met elkaar. Delen in Gods naam. Maar bij Marcus rennen de vrouwen bang en ontzet weg, doodstil. Nu de dode leeft vertellen ze niemand iets. Zij niet. Marcus wel.Marcus bouwt daar zijn evangelie op, zijn goede verhaal voor ons.

Als we met Marcus naar zijn Galilea gaan komen we in het eerste hoofdstuk Jezus tegen. Hij gaat van Galilea naar de Jordaan om zich te laten dopen en ons te dopen in zijn dood. Dan gaat hij naar “Galilea van de volkeren”, naar heel de wereld. Hij roept allen die zijn leerling willen worden: wij mogen zijn vrede verder dragen en delen. De Heer bevrijdt. In de naam van de Vader zijn wij niet meer een wereld van mensen die elkaar onderdrukken en klein maken, maar een wereld van broers en zussen die de vrede bewaren, schenken en doen. God met ons. Moge dat zo zijn.