EXODUS

werkvertaling van de eerste hoofdstukken en toelichting [1] .
De vertaling is hebreeuws nederlands.
De eigennamen behouden hun hebreeuwse klank.

printversie pagina

© Jan.C.M.Engelen,
docent voor katechese &katechetiek,
IPABO Amsterdam/Alkmaar.

Het commentaar bestaat uit korte notities. Elke alinea geeft een afgesloten eenheid informatie. Nummers houden series aantekeningen bij elkaar.

De hebreeuwse titel van het boek is naar joods gebruik het eerste woord. Dat is: SJEMOOTH. Dat is het meervoud van sjeem: naam. Sjemooth betekent: NAMEN . De LXX heeft het boek naar grieks gebruikt genoemd naar het veronderstelde belangrijkste onderwerp. Zo is de naam Exodus gekomen, eks: uit; hodos: weg. Het boek Uitweg, uittocht.

Wanneer het verleden programmatisch wordt!

Het verhaal over ‘Wij waren slaven in Egypte en Hij heeft ons bevrijd’, blijkt volop actueel tijdens de Babylonische ballingschap. Daar wordt/blijkt het verleden programmatisch.

   Het verleden wordt programmatisch. Dat wil niet zeggen:’Het heden is afgeleid van het verle­den’, ‘Er is niets nieuws onder de zon!’, of: ‘Je draagt je verleden altijd mee: littekens blijven’. Hoe waar een en ander soms ook kan zijn, het is omgekeerd. Wie van deze verhalen houdt - n.b.: love: geloven - , voor wie dit verleden een moment van het heden wordt, zo iemand laat zich niet enkel bepalen door het verleden. De ge-love-ige leeft niet met ‘de rug naar de toekomst’ om uit te zien naar het verleden toen alles (- wat dan wel? -) “beter” (?) was. Maar het verleden wordt programma­tisch.

   ‘Dit van nu hebben we ook eerder meegemaakt.’ Situaties worden herkenbaar. Je komt in de buurt van iets dat je bekend voorkomt. Je bent niet meer onthand. Wanneer je de tijd de tijd geeft om tijd te zijn, wanneer je verleden begint te groeien, ontstaat er ruimte. Je kunt van je verleden leren. Op een instituut als de IPABO is daarom de praktijk wezenlijk. Ervaring opdoen, mee-maken. Situaties waarin de 'dingen' zomaar [2] gebeuren, worden plaatsen waar je kunt leren, oefenmomenten. Leven wordt  zoiets als learning by doing. Het verleden [3] kan verder gaan dan je herinnering.

   ‘Vrij-zijn’ is ‘bevrijd zijn’ [4]. In het beroemde verhaal van de profeet Ezechiël 16 (v.6) lezen we: En ik kom voorbij bij je en ik zie je, trappelend in je bloed [5] , en ik zeg je in je bloed: Leef, en ik zeg je in je bloed: leef!  Lees die tekst hardop. Je hoort hem iemand zeggen. Iemand presenteert zich als tekst, spreekt je aan. Dan ben je niet meer ‘alleen’ [6] .

Nu, aangesproken, begin je. Daarmee komen we in de buurt van ‘schepping’. Dat is in dit geval een oorspronkelijk, exclusief bijbels woord. Het brengt een ander woord dichterbij, een woord dat we ook uit het bijbels tegoed kennen.: verrijzenis - opnieuw en nu echt, beginnen [7] .

Motief en ‘doel [8] ‘-stelling van 'slavernij en bevrijding' is pedagogisch en didactisch, maatschap­pelijk en persoonlijk kritisch. Zo zegt de Tora: Een vreemdeling onderdruk je niet en je brengt hem niet in het nauw, want vreemdelingen waren jullie in het land Mitsraïm. (Ex 22,21 Zie ook Exodus 23,9;  Deuteronomium 16,11.) En de profeet Jesaja legt uit. Bijv.: Laat de zoon van de vreemdeling die zich verbonden heeft met de Eeuwige niet zeggen: De Heer zal mij zeker buiten zijn volk sluiten. (Jes 56,3.)

Om te proberen:

Slavernij of Bevrijding

 - is dat een vertaling van: Afgodendienst of Godsdienst?

Een bijbel-verhaal is nooit ‘een ver­haaltje met een mo­raaltje’. Wat het verhaal te vertellen heeft, vertelt het zelf zodra er iemand is die vertellen wil en kan. Daar is vertel-ervaring voor nodig, oefening: meemaken en zelf proberen. Zodanig thuis zijn in ‘de tekst [9] ‘ dat je het verhaal kunt vertellen op basis van het zien van de toehoorders.

   De verteller moet bij het verhaal letten op wat er staat, meer nog op hoe het er staat. Daartoe dient hij/zij te letten op de opzet (scenario, choreografie) van het verhaal: waar komt het vandaan (‘er was eens’), waar wil het naar toe en hoe brengt het je daarheen, wat wordt onderweg en in het voorbijgaan gereleveerd, relevant gemaakt, gemobiliseerd om dat wat te vertellen is uit de doeken te doen, expliciet te maken? Vervolgens: hoe breng ik, verteller, dat over het voetlicht.

Bij de hier gegeven college-aanteke­ningen kan niet worden inge­gaan op alle de­tails van de tekst. Dat schiet niet op en is niet leerzaam. Wanneer je met ‘een verhaal in het bij­zonder’ aan het werk wilt is het van­ belang, de tekst goed voor ogen te hebben en daar­toe minstens te begin­nen met meer algemene tekst-gebonden voorbereidin­gen. Bijvoorbeeld: een ana­lyse van de tekst. Wat is de bedoeling van die ‘analyse’? Je moet de tekst eerst a.h.w. zelf alle recht van spreken geven. Anders gezegd: je moet de tekst - losmaken van de eerste greep die je min of meer 'spontaan' op de tekst hebt. Weet je nog van de middelbare school hoe moeilijk dat was, lezen wat er staat. Probeer de tekst te ontrukken aan het 'dictaat' van de lezer. Laat de tekst zichzelf articuleren. De meest eenvoudige manier is: schrijf een stukje over in een goede lay-out.

Het boek Exodus begint met de achter­grond voor het exodus-verhaal. De naam Jozef zegt niets meer. De geest van gast­vrij­heid, - zo ken­mer­kend voor Mitsraïm in Gene­sis, - verandert in onder­druk­king. (Om anachronisme te voorkomen is Mitsraïm niet vertaald met Egypte).

   Mitsraïm is de bijbelse naam voor Egypte. Er zijn leraren die zeggen: mi-tsarar, vanwaar je gejend, gesard wordt, treiterland. Mitsraïm, het sarland, treiterland.

   Op dezelfde wijze is midbar gewoon woestijn. Maar er zijn leraren die zeggen min-dabar, vanwaar het woord. Hét woord komt uit de woestijn – uit waar je zelf je eigen weg moet zoeken, uit waar je leven iets anders is dan een ouwe jas die je maar moet aantrekken. Nee, min-dabar, vanwaar het woord. En als het woord komt, wanneer je kijk begint te krijgen op [10] , dan vindt inspiratie plaats, in-spiritus, de geest van de/het andere. Dan ben je niet meer alleen.

  

Exodus begint (als de eerste beel­den van een film) nogal amorf, met vage perso­nen en motieven, anoniem, alge­meen. Plotse­ling wordt het con­creet. Personen komen in beeld. Na­men wor­den men­sen. Mosjeh. Wij zeggen in de regel (- waarom eigenlijk? Onder invloed van Grieken en Romeinen) Mozes.

 

 

1. De namen.  Exodus 1,1-7.

Begin: onderwerp.

1. En dit [11] - namen van de zonen van Jisraëel, die gekomen zijn naar Mitsraïm  met Jacob,
- ieder met zijn huis, ze zijn gekomen:
2 Ruben, Simeon, Levi en Juda;
3 Issakar, Zebulon en Benjamin;
4 Dan en Naftali, Gad en Aser.
5 En het geschiedt - alle zielen uitgaand uit de lendenen van Jakob, zeventig zielen.
Maar Joseef is in Mitsraïm.
6 Joseef nu sterft, en al zijn broers en heel dat geslacht.
7 Maar de zonen van Jisraëel -     ze zijn vruchtbaar en breiden zich uit;
zij vermenigvuldigen zich en worden talrijk, zeer zeer
en gevuld is het land, met hen.

Zeven regels aan het hoofd vormen kort en bondig de ouverture tot het hoofdverhaal van de TeNach [12] , - de kern van de Tora, - over slavernij en bevrijding, over G-d [13] die bevrijdt. Namen worden genoemd. Iedere naam is een verhaal. Al die namen brengen wie het weten wil tot degenen die de pharoa wil reduceren tot pionnen op zijn bord van willekeur.

1. Slavernij - Je hebt al wat meer kennis gemaakt met eerste hoofdlijnen in de bijbelse literatuur. Bij het woord Egypte-Mitsraïm weet je derhalve al van de dreigende slavernij. Bij ‘met Jacob naar Mits­raïm geko­men’ moet je - al enigermate betrokken - je hart vast­hou­den. Want met Mitsraïm be­gint het ver­haal over die mens­onterende slavernij - nog steeds zo herkenbaar in onze wereld. De tekst veronder­stelt je onrust. Daarop ver­volgt het verhaal: Je hoeft niet bang te zijn: Jozef is al in Mitsraïm/Egypte!

2. Zeventig volke­ren - Het aantal 70 vind je al in Genesis 46,27. Zie ook Deuteronomium 10,22. Het loopt parallel met de lijst van de volkeren in Genesis 11. Bijbels gesproken bestaan er op deze wereld 70 volkeren [14] . Als vraag kun je stellen: Heeft die overeenkomst iets te betekenen?  De twaalf zonen van Jacob (Israël) worden de zeventig (heel de wereld). Israël wordt a.h.w. ‘de wereld’. Daarmee roept de tekst een vermoeden op.

   De geschiedenis van Israël is  een particulie­re geschiede­nis, namelijk de geschiedenis van één volk, van ‘de zonen van (Abraham, Isaac en) Jacob’. Het lijkt erop, dat de geschiedenis van deze twaalf –zo je wilt - representatief wordt gemaakt voor wat er aan de hand is met ‘onze wereld’. De particuliere geschiedenis als beeld voor de algemene gang van zaken. De slavernij, het klein houden van een volk, wordt een beeld van hoe wij [15] in onze wereld met mensen omgaan, of hoe onze wereld met mensen omgaat.

Wellicht ook interessant om te weten

3. Levi­nas, Frans/Joods filosoof, zegt, dat de Israël in de Talmoed niet de aanduiding is van een volk. Israël is vaak de aanduiding voor een kwaliteit van het mens-zijn. Voor welke kwaliteit? (Qualis is latijn. Het betekent ‘hoedanig?’) Kwaliteit is "hoedanigheid". De kwaliteit van het ‘niet-natuurlij­ke’, ‘niet-vanzelfsprekende’, van ‘geroepen worden’ en ‘verantwoor­de­lijkheid’.

4. Bij Lukas vind je ‘zeventig leer­lingen’ (sommige teksten geven twee-en-zeventig - Lk 10,1.17. In de Septuaginta en Handelingen (7,14) wordt het getal vijfenze­ventig genoemd.

5. Er zijn tradities die bij Jona 1,5 zeg­gen:’Er zijn 70 beman­ningsleden aan boord, uit elk volk een. Alle goden ter wereld wor­den tij­dens die fameuze storm aange­roepen. Alleen de G-d van Isra­ël niet. Jona slaapt. Jona hoeft niet te bidden. Hij weet waar die storm vandaan komt!)

6. Exodus 1,5, zie Genesis 1. Zo ook: voor Exodus 1,8 zie Richteren 2,10.

2. De Slavernij een feit. Exodus 1,8-14.

Een nieuw onderwerp.
8 Dan staat een nieuwe koning op over Mitsraïm, die Joseef niet kent.
9 Hij zegt tot zijn volk:
Zie, - het volk van de zonen van Jisraëel is ons te veel en te sterk.
10 Welnu, laten wij vooral wat ons betreft wijs tegen hem zijn, zodat het niet veel wordt
-   en het zal geschieden:
a
ls ‘oorlog’ geroepen wordt, dat het zich ook toevoegt aan wie ons haten
en vecht tegen ons en optrekt uit het land.
11 Daarom stellen ze opzichters van herendiensten erover aan
om het te onderdrukken door dwangar­beid:
het moet bouwen voorraadsteden voor phar'o, Pitom en Raämses.
12 Maar zoals ze het onderdrukken zo groeit het en het breidt zich uit
en ze gruwen voor het gezicht van de zonen van Israël.
13 Mitsraïm doet de zonen van Jisraëel onder mishandeling dienen.
14 en zij maken bitter hun leven door harde dienst
-
met leem en met tichelstenen en met alle dienst op het veld
alle hun dienst waarmee zij hen doen dienen onder mishandeling.

1. Nieuw. - Een nieuwe koning. Hij heeft dus van Jozef ‘nooit gehoord’. Hij heeft met Jozef ‘dus ook niks te maken’. Hij is een nieuweling. Iemand die ‘pas komt kijken’ en daarom ‘van niets’ weet. Je zegt: ‘Jozef’, en hij heeft niets gehoord.

Deze nieuwe koning houdt zich aan het spreekwoord: On­bekend maakt onbemind. Hij spreekt tot zijn volk en schept afstand. Let op de woorden die hij zegt: ‘het volk van de kinderen van Israël’ en ‘wij/ons’. Zijn spreken plaatst hen tegenover ons. En over dat ‘tegenover’ is hij zeker.

2. Bedreiging en overheersing. - Het volk is groter dan wij blijkt toch een ongelukkige vertaling te zijn. Het gaat hier niet om een vergelijking, alsof de een groter is dan de ander. Veeleer is een relatie aan de orde, waar­bij de een de ander te groot is. De uitspraak van de Pharao zet de betreffende volkeren agressief tegenover elkaar. Het gevolg daarvan is nazi-taal: met beleid optreden tegen.  Hij stippelt zijn beleid uit: opzichters over slavendienst! De slavernij is een feit.

3. Onder mishandeling. - De slavernij wordt verder toegespitst met onder mishande­ling laten werken. Je vindt de uit­drukking die het hebreeuws gebruikt alleen nog in Leviticus 25,43.46 en 53. Daar gaat het over de relatie met de broer. Wanneer je onder mishandeling, als een slavendrij­ver, tegen je broer te keer gaat, dan weet je blijkbaar niet wat slavernij is. Dan leef je alsof je niets weet bij: Wij waren slaven in Mitsraïm en Hij heeft ons bevrijd. Dan wordt je iemand als de koning [16] van Exodus 1,8.

4. Niet ken­nen, bang zijn voor, onderdruk­ken. - Hoe eenvoudig en herkenbaar is het geheim van de sla­vernij

 

3. De vroedvrouwen. Exodus 1,15-22.

Een nieuwe situatie.
15 De koning van Mitsraïm nu zegt de vroedvrouwen der Hebreeuwse vrouwen,
van wie de een Sifra heet en de ander Pua.
16 Hij zegt - bij het doen baren van de Hebreeuwse vrouwen moeten jullie goed zien
naar het harde tweevoud [17]
als hij een zoon is, dan moeten jullie hem doden,
en als zij een dochter is, zij zal leven.
17 Maar de vroedvrouwen vrezen G-d en ze doen niet
wat de koning van Mitsraïm tot hen gezegd heeft, en zij laten de jongens leven.
18 De koning van Mitsraïm roept daarop de vroedvrouwen
e
n hij zegt hun: Waarom hebben jullie dit woord gedaan en laten jullie de jongens leven?
19 De vroedvrouwen zeggen tot Phar'o:
De Hebreeuwse vrouwen zijn niet als die van Mitsraïm; want sterk [18] zijn zij:
voordat een vroedvrouw bij haar komt hebben zij al gebaard.
20 En G-d doet de vroedvrouwen goed;
het volk vermenigvuldigt zich en wordt zeer talrijk.
21 En het geschiedt: omdat de vroedvrouwen G-d vrezen geeft Hij hen huizen.
22 Phar'o gebiedt aan heel zijn volk zeggend:
elke zoon geboren, - werp hem de Jeoor in,
en elke dochter laat haar leven.

De bedoeling van de slavernij wordt concreet gemaakt in het tweede agenda-punt van de pharao. Eerst stelt hij slavendrijvers aan. Vervolgens richt hij zich nu de vroed­vrou­wen. Zij moeten goed toe­zien bij de beval­ling. Waarom die toevoeging ‘goed’? Die extra aandacht blijkt gemotiveerd. De jongetjes moeten gedood worden.

1. Het is de vraag of de vroedvrouwen Joodse vrouwen zijn. Het kunnen ook Egyptische vrouwen. Dergelijke tradities geven aan dat er algemeen verzet is tegen de arrogantie van de pharao.

   (Er zijn ook tradities die in deze vrouwen Jochebed en Mirjam zien (volgens de mondelinge traditie de moeder en zus van Mozes – Ginzberg, Legends of the Jews, III, 252). Zij zouden dezelfde zijn als Siphra (vogel?) en Pua (rood?). Weer anderen zeggen dat Pua dezelfde is als Elisjeva, de vrouw van Aäron, de schoondochter van Jochebed. Mirjam zou gehuwd zijn met Kaleb. Samen met Jozua is hij een van de twee goede getuigen voor het land in het verhaal van de verspieders – Numeri 13. Uit de verbinding van Mirjam met Kaleb zou het koninklijke geslacht van David stammen. Daarmee is ze ook een van de stammoeders van de Messiach. Tegelijk is aangegeven waar de legende zich op baseert die zegt dat Jezus van een priesterfamilie afstamt. [19] )

2. Van vroedvrouwen naar heel het volk. - De vroedvrouwen voeren de opdracht van de pharao niet uit. Hun solidariteit met de slachtoffers resul­teert in een op­dracht aan het hele volk. De onder­drukking - eerst nog bijna clandestien, onttrokken aan het oog van de wereld - wordt uitgebreid, een publieke zaak, voor heel het volk!

   Tegelijkertijd krijgen de vroedvrou­wen hui­zen. Vroedvrouwen waren in die tijd meestal vrouwen  die zelf geen kinderen had­den. Zij krij­gen nu ‘plaat­sen’ waar ze zelf thuis zijn. Voor huizen zie ook Ruth 4,12 en 2Samuel 7,11.

3. De Jeoor, in de regel weergegeven met ‘Nijl’, betekent leven en vruchtbaarheid voor Egyp­te. De rivier die leven geeft wordt een rivier des doods dank­zij de hogere macht van de pharao. Waarom de jongetjes? Zie Exodus 1,10. Zij zouden zich later kunnen aansluiten bij de tegenstanders en tegen Mitsraïem ten strijde trekken om uit te kunnen trekken. 

   (Een verhaal vertelt dat de droom van de pharao plaats vindt in het 113e jaar nadat Israël in Egypte gekomen is. In de droom ziet hij een oud man met een weegschaal in de hand. In de ene schaal ligt een kind. In de andere schaal legt hij al de ouderen, de edelen en de wijzen van Egypte. Het kind geeft de doorslag. Een kind legt meer gewicht in de schaal dan alles wat aanzien en betekenis heeft. De wijzen leggen de droom uit. Een groot kwaad zal over Egypte komen. Een zoon zal geboren worden voor Israël en dat zal het einde betekenen voor heel Egypte. Daarom besluit de pharao alle jongetjes te willen doden. Daarop protesteren de Egyptenaren. Geen Egyptenaar zal zijn hand opheffen tegen Egypte. Daarop besluit de pharao alle Hebreeuwse jongetjes te doden. (Ginzberg, II, p.254; V, p.393, n.21.

4. Let op de betekenis: G-d vrezen is niet doden, laten leven. Zij vergrijpen zich niet aan de weerlozen. Zo kom je bij de fundamentele mensenrechten. G-d vrezen betekent iets doen.

4. Rondom een kind. Ex 2,1-4.

Een nieuw onderwerp.
1. Een man uit het huis van Levi gaat en hij neemt een dochter van Levi.
2. Zwanger baart de vrouw een zoon.
Zij ziet dat hij goed is,  en ze verbergt hem drie maanden.
3 Ze kan niet langer hem verborgen houden en ze neemt voor hem een biezen kistje,
asfalteert het met asfalt en pek, zet het kind erin
en zet het in het riet aan de oever van de Nijl.
4 Zijn zus gaat op enige afstand staan om te weten wat er met hem zou gebeuren.

Na Exodus 1 is de slavernij een feit. De Je-oor/Nijl is een open mond. In die omstandigheden begint een nieuw verhaal: een man, een vrouw, een kind. Zie ook Mattheüs 1,18 en Lukas 1-2.

1. Het kind is - in weerwil van de vertalin­gen - tob, goed. Zie daartoe Genesis 1. Het eerste dat Genesis 1 goed noemt is het licht. Is dit kind licht in de duisternis? Is Pasen nabij?

2. Licht - De taal van ‘het licht in de duisternis’ ken je wellicht van Kerstmis. Maar kerstmis is bijbels gesproken een relatief laat feest, ontstaan midden vierde eeuw. In die tijd ontstaat de behoefte om alles te dateren (:’Hier is het gebeurd’; ‘Toen en toen is het gebeurd’). Uit dezelfde tijd dateren ook de meeste historische of heilige plaatsen in Israël. Waarom de 4e eeuw? In die tijd wordt het christendom de officiële staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk. De hoofdsteden van dat Romeinse Rijk zijn Constanti­no­pel en Rome.

   ‘Licht in het duister’ hoort bij het exodus-­verhaal. Daarom ook vind je het in de liturgie van de paasnacht in de katholieke kerken van het Oosten en het Westen. Denk aan het Paasvuur, de Paaskaars, het Paaslicht - met alle daarbij horende vreugde. (Ook de doopkaars krijgt zijn licht van de paaskaars.)

3. Van meewerkend voorwerp naar onderwerp - Nadat de namen van de zonen van Jacob genoemd zijn laat de nieuwe ko­ning de nachtmerrie van de sla­vernij los. Daarop volgt de beraamde moordaanslag. Vrouwen worden (als meewerkend voor­werp) erbij gehaald. De vroedvrouwen zullen de hebreeuwse jongetjes moeten doden. Maar vrouwen worden op een geheel andere wijze onderwerp in Exo­dus. Zie daartoe de vroed­vrouwen, de moe­der, de zus. Zie ver­derop ook de dochter van Pha­rao en de doch­ters van Jethro.

4. Namen en Naam - Behalve de naam van de stam, Levi, worden er geen namen genoemd. Voort­durend zal men vra­gen naar de naam. Wanneer dan eindelijk een naam genoemd wordt krijgt die alle nadruk: Mo­sjeh! Mozes.

5. Het biezen kistje. - Het woord (tevah in het hebreeuws) vindt je alleen hier en in het verhaal over de ‘sont-’ of oer­vloed.

   Je moet je een gevlochten, rieten tas voorstellen, wat te kort gevlochten zodat de randen omhoog gaan staan. Het matje wordt dan een mandje. In zo'n rieten mat werden de doden gerold voor hun begrafenis. Ze strijkt pek aan de binnenkant om de zaak wat langer te laten drijven. Zo werden langs de Nijl en op de Eufraat en de Tigris bootjes gemaakt, rieten tobben die we kennen uit de reliëfs bijvoorbeeld van Ninivé in het British Museum in Londen. Blijkbaar heeft dit kistje te maken met die drijvende doodskist waarin rechtvaardige Noach zijn woord aan het bewaren is.

5. Uit het water getrokken. Ex 2,5-10.

Nieuw onderwerp.
5 De dochter van Phar'o daalt af om te baden in de Je-oor,
en haar meisjes aan aan de rand van de Je-oor.
Ze ziet het kistje te midden van het riet, zendt haar dienares en ze neemt het.
6 Zij maakt het open en ziet hem, het kind, en zie: een huilend jongetje,
Ze krijgt medelijden met hem en zegt: uit de Hebreeuwse kinderen is deze.
7 Dan zegt zijn zus tot de dochter van Phar'o:
Zal ik voor jou een voedster uit de Hebreeuwse vrouwen gaan roepen.
Zij zal voor jou het kind zogen?
8 Tot haar zegt de dochter van Phar'o: Ga.
Het meisje gaat en roept de moeder van het kind.
9 En de dochter van Phar'o zegt tot haar:
Neem dit kind mee en zoog het voor mij, en ik, ik zal je geven je loon.
De vrouw neemt het kind en zoogt het.
10 Het kind wordt groot en zij brengt het naar de dochter van Phar'o;
hij is voor haar als zoon.
Zij roept zijn naam Mosjeh, en ze zegt: want ik heb hem uit het water getrokken.

1. Zie de bedrijvigheid langs het water. Alsof er geen vuiltje aan de lucht is: het hof gaat uit. De prinses en haar dames maken een bescheiden uitje om te gaan baden. Het kistje wordt opgemerkt. Een dienstmeisje wordt gestuurd.

2. Hoe weet men dat het een joods kind is? Je moet dan niet nadenken, maar letten op wat de tekst noemt voor­dat het kind een ‘hebreeuws kind’ ge­noemd wordt. Het huilt. Ieder kind huilt! ‘Zo is de wereld. Ieder kind moet ge­vonden worden, ontferming vinden.’

3. Tegenover ‘niet kennen, bang zijn voor, onderdrukken’ staat zoiets als medelijden hebben met, herkennen. Daarop volgt concreet een daad.

4. Mosjeh: uit het water getrokken. De naam Mosjeh is etymolo­gisch een Egyp­tische naam. MSS betekent ‘zoon van’. Denk aan Ramses, Thutmozes. Toch geeft de Schrift een eigen woord­verkla­ring: ik heb hem uit het water getrokken. Zijn naam is een programma: wat dit kind overkomen is zal hij anderen doen over­komen. Daarmee prelu­deert de tekst al op de doortocht door de Rietzee (Schelf­zee, ‘Rode Zee’). (Je kunt ook denken aan een zin als:’The only purpose of freedom is to create it for others’.)                       

           

6. Drie portretten van Mosjeh. Ex 2,11-23.

Een nieuw onderwerp.
11 En het geschiedt [20] -- in die dagen -
Mosjeh is groot geworden was en hij gaat uit [21] naar zijn broers
en hij ziet hun dwangar­beid [22] .                 (vgl 2,25; 3,7.9)
Hij ziet een Mitsraïm-man slaand een Hebreeer-man van zijn broers.
12 Hij kijkt naar alle kanten, en hij ziet dat er niemand is.
Hij slaat hij de Mitsri en verbergt hem in het zand.
13 Op de tweede dag gaat hij uit, zie, twee Hebreeuwse mannen vechten.
Hij zegt tot de afbreker: Waarom sla jij je naaste?
14 Hij zegt: Wie heeft jou gesteld tot overste en rechter over ons?
Spreek je soms om mij om te brengen zoals gij de Mitsri omgebracht hebt?
Dan vreest Mosjeh, zeggend: Jazeker, bekend geworden is het woord [23] .
15 Phar'o hoort dit woord en zoekt Mosjeh om te brengen.
Mosjeh vlucht van voor het aangezicht van Phar'o. Hij gaat zitten in het land Midjan
en gaat zitten bij de bron.
16 De priester van Midjan nu heeft zeven dochters.
Zij komen en ze putten en vullen de drinkbakken  om de kudde van hun vader te laten drinken.
17 Dan komen herders en jagen hen weg.
Mosjeh staat dan op en helpt hen. Hij laat hun kudde drinken.
18 Zij komen bij hun vader Reüel,
en hij zegt: Waarom komen jullie vandaag zo gehaast terug?
19 Zij zeggen: Een Mitsri heeft ons geholpen uit de hand van de herders.
Puttend heeft hij voor ons geput en de kudde te drinken gegeven.
20 Hij zegt tot zijn dochters: En waar is hij?
Waarom heb je die man achtergelaten? Roep hem om brood te eten.
21 Mosjeh stemt daarop toe bij de man te verblijven.
Deze geeft zijn dochter Sippora aan Mosjeh.
22 Zij baart een zoon en hij roept zijn naam Gersom,
want, zegt hij: ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land.

Van Ex 2,13-22 geeft de tekst drie por­tretten van Mosjeh. Wie is hij? Wat is het voor mens? Waaraan is hij te herkennen?

1. De tekst neemt de lezer/toehoorder mee naar een Mosjeh die groot geworden is. We horen hoe hij uitgaat naar zijn broers om te zien naar hun dwangarbeid. Let op die woorden. ‘Uitgaan’ en ‘zien’ zullen in exodus nog furore maken.

Terstond aan het begin, wanneer Mosjeh zelf na zijn huilen als drie maanden oud kindje onderwerp wordt, gebruikt de tekst rond Mosjeh het woord broers, en wel ‘zijn broers’. De toevoeging ‘zijn’ geeft een relatie aan. Duiden relaties consequenties aan?

2. Let op de situatie. Wat krijgt Mosjeh te zien? Een Egypte­naar slaat een Hebreeër, een van zijn broers. Let op de aard van die verhouding. Het is geen verhou­ding tussen gelijken. Hier is sprake van ‘cipier en gevan­ge­ne’, beul en slachtoffer. Het is een verhouding waarin woorden niet helpen. Praten heeft geen zin. (In het volgende verhaal, bij de onenigheid tussen twee He­breeuwse mannen, zal Mozes wel praten.)

Mosjeh slaat. Als je goed op de woorden let: hij ziet de Egyptenaar slaan en hij slaat ook.‘Hij doet wat hij ziet doen aan wie het doet’ (M.Buber, Werke II, 44.) Pas bij ‘verbergen in het zand’ blijkt er een dode geval­len te zijn.

3. Waarom kijkt Mosjeh rond en ziet hij zo uitdrukkelijk dat er niemand is? Is hij bang? Is hij - zo vaak vermoed in de traditie - een soort stiekemerd die kijkt of de kust veilig is? Er is geen rede om dat aan te nemen. Mosjeh ziet dat er niemand is. Hij is dus de enige die iets kan doen. Wat hij ziet maakt hem verantwoordelijk en hij neemt die verantwoordelijkheid.

4. Daarna is er de ruzie tussen de twee gelijken. Blijkbaar is de schuldige degene die aange­sproken wordt. Waarom Mosjeh zich als een rechter gedraagt! Wie heeft hem aangesteld. Het lijkt veel op de vraag die later in de woestijn vaker gesteld zal worden. Wie heeft jou aangesteld? Waarom moest jij zo nodig? Mosjeh daad van bevrijding is een publiek geheim gebleken. De daad is toch bekend gewor­den. Mosjeh vlucht de woestijn in. Blijkbaar niet zonder reden: De pharao zoekt hem te doden.

5. Je zou verwachten: Mosjeh is nu door schade en schande wijs geworden. Hij zal er zich nu niet meer mee bemoeien. Maar bij de dochters van Jethro, - lastig gevallen door ‘de herders’ - blijkt Mo­sjeh het weer of nog steeds niet te kunnen laten. Weer neemt hij het op voor de zwakkeren. En zijn bevrijding is niet enkel doen wat hij doen moet, maar meer doen dan hij verantwoordelijk is.

6. Daar vindt Mosjeh zijn Nachtegaal (Tsippor­ah). Het kind dat geboren wordt heet Gersom:’Een vreemde­ling ben ik geworden in een vreemd land’. De naam is een label. Hij beschrijft wat er aan de hand is met het kind. Hij be­schrijft ook de situatie van Mosjeh zelf. Hij be­schrijft tenslotte ook de situatie van Israël.

7. Horen, zien en kennen, Exodus 2,23-25.

Nieuw tijd, nieuw onderwerp.
23 En het geschiedt na die vele dagen -     de koning van Mitsraïm sterft
en de kinderen van Jisraëel zuchten nog steeds onder de dienst en schreeuwen het uit.
Hun hulpgeroep stijgt op tot G-d uit de dienst.
24 G-d nu hoort hun klacht.G-d gedenkt zijn verbond met Abraham, Isaak en Jakob.
25 G-d ziet de kinderen van Jiraëel en G-d kent.

Situatie. En het geschiedde na die vele dagen geeft de tekst wanneer je meer letterlijk ver­taalt. Vele dagen: bijvoeglijke naam­woorden zijn relatief zeldzaam. Er mag dus extra aandacht zijn voor vele dagen. De traditie zegt: 400 jaar!

1. De slavernij is niet ‘van voorbijgaande aard’. Toch: ook de dagen van de onderdrukker duren niet eeuwig. Eens komt ook zijn tijd. De koning van Egypte sterft. En alsof zijn koningschap als een donkere wolk boven het land hing, nu pas klinkt de klacht van de slaven op naar omhoog, naar G-d, vanuit hun knechtschap. G-d hoort, herinnert zich de vaderen, ziet en kent. Horen, zien en kennen is volstrekt het tegendeel van: horen zien en zwijgen.

2. Abraham, Isaak en Jacob. Drie namen. Zij zijn te zien als een samenvatting van Genesis.

3. Zo weergegeven als het in de voor­afgaande regel staat, staat het niet in de tekst. In het hebreeuws staat: G-d (Elohiem, afgekort El, bijv. in Imm/anoe/el, Nathanael, Gabriël, Micha­ël) hoort, G-d herinnert zich, G-d ziet, G-d kent. Na heel die afwezigheid van de naam van G-d presenteert de tekst hier een geheel nieuwe pagina, een binnen Exodus tot nu toe nieuw onder­werp. Betekent dat iets? Heel de rest is er het gevolg van.

4. Horen, zien en kennen blijken ge­baseerd op G-ds ‘zich herinneren’. Hij herinnert zich. Zijn verleden gaat verder terug dan daarnet. Hij zal niet vergeten. Dan vallen de namen van de vaderen als zaad in de akker.

                                                                                             

8. De brandende braamstruik. Exodus 3,1-10.

Verandering van tijd, plaats en onderwerp.
1. En Mosjeh -  geschiedt,
herder zijnde voor de kudde van zijn schoonvader Jethro, de priester van Midjan.
Hij herdert de kudde achter de woestijn en hij komt bij de berg G-ds, de Choreb.
2 Een engel van de Heer laat zich aan hem zien als een laaiende vlam 
uit het midden van een braamstruik.
Hij kijkt, -     en zie, de braamstruik staat in brand, maar wordt niet verteerd.
3 Mosjeh zegt: Laat ik toch afwijken om te zien dat groot zichtbare:
waarom verbrandt de braam­struik niet.
4 De Heer ziet, dat hij het gaat bezien.
G-d roept hem toe uit het midden van de braamstruik -  en zegt: Mosjeh, Mosjeh!
En hij antwoordt: Hier ben ik.
5 Hij zegt: Kom niet dichterbij hier:
maak los van bovenaf je schoeisel, want de plaats -  waarop je staat is grond van heiligheid.
6 Hij zegt: - Ik ben de G-d van je vader, 
de G-d van Abraham, de G-d van Isaak en de G-d van Jakob.
Daarop verbergt Mosjeh zijn aangezicht, want hij vreest G-d te schouwen.
7 De Heer zegt: Ik heb ziende de ellende van mijn volk in Mitsraïm gezien.
Ik heb hun gejammer over hun drijvers gehoord, ja, ik ken hun smarten.
8 Ik ben ben afge­daald ---    om hen te redden -     uit de hand van de Mitsriem
en om hen op te voeren uit dit land naar een goed en wijd land,
  een land vloeiend van melk en honig,
naar de ­plaats van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten,
  Perizieten, Chiwwie­ten en Jebusie­ten.
9 En nu --  zie, het gejammer van de kinderen van Jisraëel is gekomen tot mij;
ook heb Ik gezien de verdrukking waarmee de Mitsriem hen verdruk­ken.
10 Nu ga, ik zend jou [24] tot Phar'o,
   om uit te brengen mijn volk,  de kinderen van Jisraëel uit Mitsraïm. 

1.  Intussen is Mosjeh bezig, herder te zijn voor de kudde van zijn schoonvader - een plaatje apart. Het verdient alle aandacht: Pastor Mosjeh. We horen over hem en de kudde. Zo zullen we hem nog vaker tegen komen, met de kudde, met het volk, tot in Johannes 10 toe. (Afbeeldingen van de goede herder zijn bekend vanouds. Zie ook het beeld bij de hoofdin­gang van de IPABO in Am­sterdam.)

2.  Met zijn kudde komt hij bij de berg G-ds, achter de woestijn. Waar is dat? Vanuit Egypte gezien is het bij de Jordaan, vanuit Israël gezien is het bij de ‘Rode Zee’. Kijk je in een Atlas van de Bijbel dan zie je de Sinaï gelokaliseerd, ergens ‘midden in de Negev’. Hoe dan ook: Mosjeh heeft bij wijze van spreken, hier al ‘de woestijn achter de rug’. Is dit ‘bergen verplaatsen’? Deze berg ligt in ieder geval in Exodus 3

3. De brandende struik: Een engel van de Heer laat zich zien. Een engel is vaak ‘G-d naar het ondermaanse gekeerd’, G-d bij wijze van spreken (Zie bijv. Genesis 18). Bij een engel moet je je niet een figuur met onmeetbare vleugels voorstellen, maar dien je te vragen: wat is er te horen, wat wordt te verstaan gegeven? Een engel vertolkt van al zo hoge welke woorden horen bij dat wat gebeurt. De engel geeft antwoord op de vraag: waar gaat het over.

4.Telkens als de gangbare tekst het in zijn vertaling heeft over ‘verschijnen’ moet je je goed realiseren, dat het Hebreeuws het heeft over zien, zich laten zien en gezien worden. Het heeft niets met verschijningen te maken. Het gaat over een proces verbaal, een tekst, om te lezen. Bijbels lezen is oorspronkelijk altijd hardop. Bij lezen hoort dan ook horen. Zie Deuteronomium 6,4!

5. Mosjeh gaat om te zien. Hij krijgt te horen! Die twee werkwoorden lijken steeds ruzie met elkaar te maken. Aan het oog geven we ons sneller gewonnen dan aan wat we horen. Israël mag geen beelden maken. De grondtekst van de synagoge is Hoor Israël de Heer is onze G-d, de Heer is één.(Zie eind vorige opmerking.)

6.Waarom laat G-d Mozes dit gebeuren zien? Omdat hij (Mozes) denkt dat de Egyptenaren de kinderen van Israël verteren. G-d laat hem een vuur zien dat brandt maar niet verteert. Hij zegt hem:'Precies zoals de doornstruik brandt en niet verteerd wordt, zo zullen de Egyptenaren niet in staat zijn Israël te vernietigen’ (Ex.R.2,5). De struik is als het volk in de slavernij: hij brandt maar verbrandt niet. (De brandende struik heet in het hebreeuws siné. Je hoort: Sinaï, de berg waar het geheim van de bevrijding, het verbond gesloten wordt.)

7. Mosjeh wordt geroepen. Hij is terstond beschikbaar. Zoals Abraham. Zoals Samuël.

8. De sandalen van zijn voeten. Er is een direct contact met de grond. Zoals Jozua voor Jericho (Jozua 5,15), zoals ook de dienst­doende priesters in het heiligdom op de berg, in de Tempel in Jerusalem (Ex.R.2,6).

9. Let op: ‘G-d’ wordt steeds verbonden met de namen van de vaders. Niet direct G-d of onze G-d, maar de G-d van Abraham, de G-d van Isaac, de G-d van Jacob. Iedere naam wordt afzonderlijk genoemd. G-d is voor ieder van hen een andere ervaring: ieder heeft zijn eigen levensverhaal. Tegenover Mosjeh, begint de zelfidentificatie van G-d met de G-d van je vader’. Het begint thuis. Daar begint je leven, jouw  proces van voortdurend leren.

10. De schrijver en dus ook de lezer, weet meer dan Mosjeh. Mozes moet stapje voor stapje ontdekken wat er aan de hand is. Daarbij zal ‘zien’ vervangen worden door ‘woorden om te horen’. De struik wordt een stem, de stem een verhaal, het verhaal is ‘wat zal gebeuren’.

 

9. De Naam. Exodus 3,11-15.

Ik en jij en de naam
11. En hij spreekt - Mosjeh tot G-d: wie ben ik, dat ik naar Phar'o zal
dat ik de kinderen van Jisraëel uit Mitsraïm zal leiden?
12 Daarop zegt hij want ik zal zijn met jou!
en dit zal voor jou het teken zijn dat ìk je gezonden heb:
de dag dat jij hebt doen uitgaan het volk uit Mitsraïm zul je G-d dienen op deze berg.
13 Mosjeh zegt G-d -     Zie ik kom tot de kinderen van Jisraëel en zeg hen:
De G-d van jullie vaderen heeft mij tot jullie gezonden.
Dan zeggen zij mij: hoe is zijn naam? Wat zal ik hun dan antwoorden?
14 G-d zegt -      tot Mosjeh:  ik zal zijn als ik zal zijn.
Hij zegt -  zo zul je zeggen tot de kinderen van Jisraëel:
Ik zal zijn heeft mij tot jullie gezonden.
15 Ook nog zegt G-d tot Mosjeh: -     zo zult je zeggen tot de kinderen van Israël:
De Heer, de G-d van jullie vaderen, de G-d van Abraham, de G-d van Isaak
en de G-d van Jakob, zendt mij tot jullie.
Dit is mijn naam voor eeuwig en zo wil ik herinnerd worden van geslacht tot geslacht.

1.  De Naam. De woorden brengen als geheim met zich mee de Naam van G-d. Na Elohiem zal het tetragram, G-ds eigen Naam in vier (gr.: tettares) letters (grammata) geïntroduceerd en uitgelegd wor­den.

2.De uitleg van het onvoorziene onderwerp (G-d) begint thuis, de G-d van je vader. Pas daarna, na het naadloos aansluiten bij waar ieder begint, thuis, de beginsitua­tie, geeft de tekst de aanslui­ting bij het grotere geheel:’De G-d van Abraham, Izaak en Jacob’.

3. G-d zien betekent sterven. Daarom bedekt Mosjeh zijn gelaat. Een andere verklaring zegt:”Jij liet zien dat je ontzag voor me had. Je bedekte je gezicht toen ik mij aan je wilde laten zien. Wees ervan overtuigd: daarom zul je 40 dagen en 40 nachten bij mij zijn op de berg” (Ex R.III, 2).

4. G-d heeft zich genoemd als een G-d van mensen, de G-d van je thuis, de G-d van Abraham, de G-d van Isaak en de G-d van Jakob. En deze G-d laat zich kennen als iemand die ogen heeft: raoh raïthi, ‘ziende heb ik gezien’, terdege heb ik gezien. Wat heeft hij gezien, waar heeft hij oog voor? ... ani ammi, de ‘noodkreet van mijn volk [25] ‘, in Egypte.

5. V.7: Horen, zien, kennen. Die reeks is al eerder gezien. Zij blijkt niet toevallig. Er bestaat blijkbaar een variant op ‘Horen, zien en zwijgen’.

6. Uiteindelijk wordt de naam van Mosjeh gekoppeld aan het onderwerp van heel dat spre­ken: Welnu, kom, ik stuur jou.

7. Mosjeh vraagt: Wie ben ik... Hij vraagt naar zijn identiteit. Hij krijgt te horen dat zijn identi­teit op een niet te vermoeden wijze ge­wijzigd is. Wie ben ik, krijgt als ant­woord: Ik zal zijn met jou. G-d maakt zich bekend zich als zijn toekomst, de komende. En van díe ‘ik’ is hij de gezondene.
  Een andere verklaring zegt: Mozes vraagt naar de naam van G-d omdat hij zijn volk al de Grote Naam van G-d bekend wil maken die hem op de Sinai geopenbaard zal worden (Ex.R.III,5).

8. Vanaf Ik zal met je zijn is G-d niet meer los verkrijgbaar. Als het over G-d gaat zal over hem gesproken worden via deze Mosjeh die daarnet gehoord heeft, dat hij een mens met een missie geworden is.

9. Waarom zullen ‘ze’ vragen: hoe is zijn naam? Zij horen: G-d van jullie vaderen, maar zij weten blijkbaar niet waar dat over gaat. Ze hebben van die G-d geen ervaring. Hoe is zijn naam? Waaraan is hij te herkennen? Hoe is hij kenbaar? hoe toegan­kelijk? aanspreekbaar?

10. Ex 3,14: Ehjeh asjer Ehjeh, Ik zal zijn als/die ik zal zijn. Over de betekenis van die tekst is veel nagedacht, zonder al te veel resultaat. Duidelijk is dat het niet gaat over :’To be or not to be, that is the question.’  Het gaat ook niet over het abstracte zijn. Zijn is daarnet al persoons-betrokken beschreven: met jou. De betekenis van de tekst moet gezocht worden in de richting van een persoonlijke en betrokken aanwezigheid - een aanwezigheid waar je iets van merkt, zoals je soms kunt voelen dat iemand naar je kijkt. ’Ga je gang, begin maar, durf het aan op weg te gaan, in je doen en laten zul je merken dat ik er ben’, simpeler gezegd:’Je bent niet alleen’. In de taal van een kind kun je als omschrijving proberen: ’Ik ben er ook nog’ - terwijl je de ander aankijkt. Meer dan je woorden zegt je zien waar je woorden voor zoekt. Daarmee is G-d niet hanteerbaar geworden, niet objectiveerbaar. Hij blijft zich ontrekken, is niet beschikbaar­heid, niet voorhanden. Hij blijkt meer garantie voor wat op mij toe­komt, mijn toekomst.

‘Ik zal bij je zijn heeft mij tot jullie gezonden’ - dat zal de sleutel zijn waarmee Mosjeh naar het volk zonder toekomst (denk aan de slavernij en kindermoord) kan gaan.

‘Ik zal zijn die ik zal zijn’ is de uitleg van het tetragram. Die naam zal volop terugko­men bij het sluiten van het verbond bij de Sinaï.

11. Mosjeh zal proberen wat hij kan om onder zijn [26] opdracht uit te komen. Hij staat niet te trappelen om aan het werk te mogen. Uitverkiezing of uitverkoren volk klinkt in onze oren (waarom eigenlijk?) onsympathiek. Maar uitver­kiezing betekent een verantwoor­de­lijkheid meer hebben.

10. Om te overwegen: een principe-verklaring

en handreiking voor de praktijk.

Een intermezzo omwille van intellectuele integriteit!

Je kunt je werk niet goed doen wanneer je voortdurend geplaagd wordt door het gevoel, het niet te weten. Hoe kun je je werk waarderen wanneer je voortdurend je eigen tekort opmerkt? Dat geldt voor alles, dat geldt ook voor onderwijs, dat geldt ook voor katechese. Voor katechese komt daar nog iets bij. Katechese heeft te midden van alle vakgebieden een specifiek probleem. ‘God’, wat is dat? wie is dat? Hoe moet je dat trouwens vragen, met ‘wat’ of met ‘wie’? ‘Geloven in God’ - wat doe je dan? hoe werkt dat, waar heb je het over?

   Een begin in de richting van een antwoord is reeds eerder gegeven. Geloven is etymolo­gisch geduid in de richting van love. Geloven heeft dus niet zozeer te maken met kennen of weten. Het is meer een kwestie (lat. quaerere, zoeken, vragen) van houden van, lief hebben.

   Is er verschil tussen kennen of weten en houden van? Als onderwerp ben ik bij houden van minder gewapend, meer weerloos. Ook wanneer mensen elkaar kennen dan is dat kennen niet het kennen of weten van 'iemand die zijn zaakjes kent'. Geloven is om te beginnen even ontwapend als houden van bijvoorbeeld muziek, of intens luisteren naar een stem die je lief is.

   Vertrouwen heeft iets van "opzien naar ogen die je aanzien". Van aangezicht tot aangezicht weet je vaak niet waar je blijft. Daarnet nog geheel en al thuis in mijn eigen wereld ben ik nu nergens meer. Op een vergelijkbare wijze voel je je ook thuis in de wereld van geloven.

   Ik geloof heet in het latijn: credo. Een filoloog kan je vertellen dat credo verband houdt met cor dare, je hart geven.

Bij ik geloof in God is het onderwerp (ik) derhalve niet de basis van de uitspraak. Niet ik maak het werkwoord waar ik onderwerp van ben waar. Ook de klassieke filosofie heeft geprobeerd dat verschil in betekenissen aan te geven. In de klassie­ke filosofie zegt men: houden van is zich assimileren [27] aan het object. Houden van tegenover kennen. Kennen is het object assimileren aan, opnemen in zichzelf.

   Kennen is zoiets als spijsvertering of ademhaling: opnemen in het eigen systeem. Bij houden van gaat het de andere kant op. Het zwaarte­punt ligt niet in het ik.

   Daarom is een katecheet altijd meer een amateur dan een connaisseur. Hij of zij is, wanneer het over deze zaken gaat niet binnen maar bezig. Je spreekt als katecheet altijd vanuit het proces waar je zelf geheel bij betrokken bent, vanuit onderweg-zijn. Leren aan anderen is de ander meenemen, of je laten meenemen door wat de ander fascineert, door waar de ander van opziet. (De rabbijnen hebben hierover een bekende uitspraak: I have learned much from my teachers, and from my colleages more then from my teachers, but from my disciples more then from them all. [28] ) De vragen nodigen je uit om te spreken: je moet wel. (Geloven wordt vaak meer urgent wanneer je je kinderen 'ook iets wilt meegeven'. Wat moet je dan doen als je zelfs geen vermoeden hebt van wat! Ook deze zaken zijn niet los verkrijgbaar.)

God is niet los verkrijgbaar. Je kunt geen laboratorium inrichten of een opstelling maken die G-d voor het voetlicht zal halen of zal isoleren. G-d is niet het object van mijn denken. Hij is ook niet de inhoud van mijn denken. G-d hoort bij al die verhalen vanouds waarin zijn naam opduikt, aan het licht komt, - verteld, vertaald, vertolkt wordt. Hij is een heel ander verhaal. Hij is heel die geschiedenis van ontredderde mensen die uitgaan op bevrijding. Ik kan niet over hem beginnen. Ik heb inzake hem niet het eerste woord. Mijn spreken is hier hoogstens afgeleid van luisteren, mijn woorden van horen zeggen, antwoord.

   Al die verhalen die God ‘ten tonele voeren’, waar talen die naar? over wat en wie hebben die het?

   Letterlijk: God mag het weten. In het verhaal over de Uittocht wordt het uit de doeken gedaan. Exodus 3 is bij wijze van spreken het visite-kaartje van God. Het is zijn vooroorspronkelijk verhaal. In dit verhaal wordt God bij wijze van spreken geboren, komt hij aan het licht. Exodus is zijn kerstverhaal, beginverhaal. Het begin van die heel andere geschiedenis over die heel andere God blijkt Pésach [29] te zijn. Hier hoort Mozes de woorden, krijgen wij met hem het woord. Mijn woord heb je, ben je, zou een goede samenvatting zijn van dit tafereel in no man's land [30] . Wat is dat dan voor woord? Wat verbreekt hier voor wie horen wil de stilte, wat brandt hier zonder te verbranden [31] ? Wat wil hier gezien worden door wie ogen heeft?

In Exodus 3 wordt verteld (d.w.z. vertelt God in het verhaal in de ik-vorm) wie God is. Je moet op de vraag:’Wie is God’ niet naar goed Constantijns voorbeeld nazeggen:’De schepper van hemel en aarde’. Dan zit je in het verkeerde ver­haal [32] . Je zult naar Exodus moeten, en wel naar Exodus 3.

De situatie is kort weergegeven en weer te geven. Twaalf zonen, worden zeventig zielen, pars pro toto voor heel een mens ontkennende en moordadige wereld [33] . In die dagen kan Mozes alleen het kind van de rekening zijn. Toch is medelijden in staat, hem ‘uit het water te trekken’. Wie is die geredde drenkeling? Het blijkt iemand te zijn die het niet laten kan, partij te kiezen voor wie het slachtoffer. Drie verhalen dienen daartoe als acta. Is dat dan de verborgen, d.w.z. aan het licht [34] komende agenda? Is dat een soort ‘motiva­tie’, een ogen­schijnlijk ‘zo maar’, los verhaaltje waarvan nog maar alleen de verteller weet dat het ten diepste de kern raakt van wat komen gaat.

   Het veelbelovende begin van dit ‘goed kind’ (Ex 2,2) blijkt toch in te dommelen met ‘boompje, beesje, huisje’. Een nachtegaal zingt haar lied: Geers­jom - vreemdeling benik, vreemdeling op deze aarde!

   Alsof er niets aan de hand is - wie peinst over het vreemdeling-zijn - wanneer wie leest zijn of haar ogen opslaat om verder te lezen: het lijkt het land Arcadië. Mozes hoedt de schapen maar laat zich van de weg afbrengen door een vreemd licht dat in zijn ogen brandt. De fata morgana blijkt een stem, een naam, een beginnende geschiedenis als Mozes lijdend voorwerp (‘ik zend je’) en onderwerp (‘wie ben ik?’ en ‘ik ga, ik zeg, wat zal ik hun dan zeggen) wil worden. Mozes blijkt ‘hun’ vraag te verstaan. Voor een antwoord gaat hij niet te rade bij zijn eigen denk-inhoud. Hij laat zich souffleren. Aldus laat het verhaal de stem in het gebeuren uitleggen wat er gaande is, gebeuren zal - wat het geheim is van die alternatieve geschiedenis. ‘Ik zal zijn die ik zal zijn’. Wat mag de strekking van die (in het hebreeuws drie) woorden zijn?

   In ieder geval dient men ze te verstaan uit de ruimte die hetzelfde woord eerder aangereikt heeft:’Ik zal zijn met jou’. De stem maakt zich bekend als degene die betrokken is, degene die hoort, ziet en kent - bijbels ‘kennen’ gaat tot en met ‘één zijn met [35] ‘.

God blijkt in dit verhaal geen ‘object van mijn denken’, maar ‘iemand die tot je spreekt’. Als je dit verhaal - in de ware zin van het woord - gelooft, zegt hij tot jou: Ik zal met je zijn. God is geen factor in mijn verklaring of begrip van de wereld, het leven, enz. Zo je wil: hij gaat mijn denken vooraf, ontvalt voortdurend mijn greep op de wereld, blijft (v)oor­sprong. In woord en daad kan ik proberen die afstand, naderend om te horen, te overbruggen. En ik kan dat doen omdat ik, zo toegesproken, weet dat de bron van die woorden betrokken­heid is, genegenheid, ogen die mij aanzien, mij toespreken, vrij spreken.

   Ik zal met je zijn betekent in ieder geval dat ik, krachtens deze stem, niet meer alleen [36] ben. Pas nu gaat Genesis 1 [37] open. Na Genesis t/m Deuteronomium mag je in het licht van de eerste dag zien: Je bent er, je mag er zijn, wees er, wees welkom. En alles mag beginnen. Eerst met hoe het van nature gaat, mensen die zelf hun wereld gaan inrichten (met het uitzicht op Pharaonië - ‘Welaan, laten wij ons een stad bouwen!’ Gen 11), die het woord van de ander niet nodig hebben en de ander uiteinde­lijk ook niet, die uiteindelijk elkaar naar het leven blijken te staan. Pas bij Abraham begint het vermoeden van wat werkelijk en als enige mogelijkheden biedt: leven voor God wil zeggen naaste voor je naaste zijn.

Wanneer het over ‘God’ gaat: om te beginnen spreek je niet over iets wat jij uitvindt. Hij is in verhalen thuis, in verhalen, niet in mijn denktechnische en denktheoretische verantwoor­ding. Niet om over na te denken en uit te leggen. God is een verhaal met alle gevolgen vandien. Dat verhaal is om te beginnen tegen de bestaande wanorde van slavernij en ontkenning van mensen. Het heeft wezen­lijk te maken met bevrijding en herademing, met mens zijn op aarde onder de hemel. Wanneer die zaken een beetje duidelijk beginnen te worden krijgt ieder die (mee-)spreken wil het woord.

10b. Afsluitend. Exodus 3,16-22

16 Ga, verzamel de oudsten van Israel -  en zeg hen:
De Heer, de G-d van jullie vaderen heeft zich aan mij laten zien,
de G-d van Abraham, Isaak en Jakob, zeggend:
Mij bekommerend heb ik mij bekommerd om jullie en om wat jullie in Mitsraïm wordt gedaan.
17 En ik zeg, - ik zal jullie opvoeren uit de ellende van Mitsraïm
naar het land van de Kanaänie­ten, Hethie­ten, Amorieten,
   Perizzie­ten, Chiwwie­ten en Jebusieten,
naar een land vloeiend van melk en honig.
18 Zij zullen horen naar je stem.
En jij zult gaan, jij en de oudsten van Israel naar de koning van Mitsraïm
-  en je zult tot hem zeggen:
De Heer -- de G-d van de Hebreeën, heeft ons benaderd;
nu dan, wij moeten dus gaan -- een weg, drie dagen in de woestijn.
wij zullen een offer brengen voor de Heer, onze G-d.
19 Ik weet evenwel, dat de koning van Mitsraïm jullie niet zal geven te gaan,
ook niet door een sterke hand.
20 Maar ik zal mijn hand uitzenden.
Ik zal de Mitsriem slaan met al mijn wonderteke­nen, die ik te midden van hen zal doen.
Daarna zal hij jullie laten gaan.
21 Dan zal ik geven genegenheid voor dit volk in de ogen van de Mitsriem.
En het zal geschieden, wanneer jullie wegtrekken, dat je niet leeg wegtrekken.
22 Iedere vrouw zal dan van haar buurvrouw en van haar huisgenote 
  zilveren en gouden dingen en kleren.
Die zullen jullie je zonen en dochters te dragen geven.
Zo zullen jullie de Mitsriem plunderen.

1.God bekommert zich. Dat is het geheim van de uittocht.

2. Als is gezegd met die twee voorzetsel: uit – naar.

3. Het goud en zilver wordt hen meegegeven. Onheilspellend. Het zijn de attributen die straks nodig zijn voor het gouden kalf.

 

11. Mond en God - Ex 4.

De opdracht is gegeven. Mozes zal naar Egypte, naar de pharao gaan. Maar het gaat over een volstrekt niet eenvoudige zaak. Het is alsof Mozes de zwaarte van zijn taak begrijpt. Hij zal proberen eraan te ontkomen.

1. Let op drie keer ‘niet’ in 4,1. Wie zal wat niet?
Daarop volgen drie elementen: staf, vlees, bloed. Wat zijn wat voor zaken? Substitueer deze woorden. De staf duidt de waardigheid van de man aan - bijv. daaraan herkende je de herder. Voor vlees en bloed: zie ook Mt 16,17.

2. Nadruk dient te vallen op Ex 4,10. Mozes, de leraar, blijkt niet een man van woorden te zijn. Zijn tong is, zo staat er letterlijk, zwaar. Mozes, de leraar kan niet spreken.  Als deze man zwaar van tong leraar is, dan is dat van nature onmogelijk. Aäron zal zijn mond, en hij zal Aärons God zijn.

3. De Schrift maakt er geen geheim van dat mensen voor en met elkaar onvoorstel­ba­re mogelijkheden hebben. De mens overschrijdt zijn grenzen - beperktheden - ver. Je zou er overigens over dienen te peinzen, in hoeverre mond en God - wat Mozes en Aäron voor elkaar zijn, elkaar ‘uitleggen’.

5. Genesis begint met de beschrij­ving van de stilte van wat aan woorden onttrokken is of waar geen woorden voor zijn. [Nota bene: in heel de TeNaCh is alleen G-d onderwerp bij het woord bara/schep­pen.] Vervolgens, na duisternis en alles overstro­mende vloed maakt de tekst met alle bescheidenheid, als ware het terloops, gewag G-d spreekt.  Al de andere werkwoorden van wat G-d na scheppen in Genesis 1 doet zijn voorbeelden voor wat de mens kan en mag doen, wat bij uitstek menselijk is. Het eerste, door en door menselijke is dan spreken. (Duidt ‘taalachterstand’ niet op een kwaal dat het vakgebied nederlands ver overschrijdt?)

[(**)

Voor de aardigheid. Bij een merkwaardige tekst.
De Bloedbruidegom.

1. In Ex 4,14 wordt gesproken over het ‘broer-zijn’ (Mozes en Aäron, leraar! én priester!) en de noodzaak van het broederlijk zijn, wil de uittocht en bevrijding kunnen beginnen, wil gesproken worden wat gezegd dient te worden. De broederschap beheerst Ex 4,14-17 en 4,27-31. Deze tekstgedeelten maken een inclusio rond 4,18-26. Wat mag daar gaande zijn?

2. Mozes (letterlijk staat er) gaat naar zijn schoonvader. Hij vertelt hem dat hij wil terugkeren naar zijn broers in Egypte. Daarop zegt Jetro niet ‘ga in vrede’, maar:’ga naar vrede. Daarmee is niet de sfeer van zijn gaan, maar de doelstelling van zijn missie aangegeven. Nu degenen die hem naar het leven stonden er niet meer zijn kan hij terug gaan naar wat zijn leven is, werken aan de bevrijding, gaan met het oog op vrede. (‘Vrede’ duidt de situatie aan waarover G-d in Gen 1 zegt, ‘hoe goed!’ het is.)

3. Mozes neemt zijn vrouw, zijn zonen, zet hen op een ezel en gaat naar Egypte. Het lijkt een soort kersttafereel. In feite zijn beelden vanuit deze tekst bij het christelijke kerstfeest terecht gekomen. Beide tochten zijn immers ‘met het oog op de bevrijding’ of ‘verlossing’.

4. Mozes met zijn staf - altijd bij wijze van spreken de Tora, in ieder geval op de plaats die strak gereserveerd zal zijn voor ‘het goede boek’ - in zijn hand. Hij krijgt te horen dat hij alle wonderen [wonder: het woord dat geschiedt! ‘En hij heeft het gezegd, en hij doet het nog ook!’] voor het aangezicht van de pharao moet laten geschieden. Hij zal onvoorstelbare moeten laten geschieden. Waarom moet hij dat zo uitdrukkelijk? Waarom zal hij zijn opdracht bijvoor­beeld niet terug kunnen geven met woorden als:’Mission imposseble!’ Waarom mag hij niet opgeven, de moed niet laten zakken? God zal het hart van de pharao verharden.

5. Het blijkt vaker dat lezers dit verharden van het hart van de pharao ‘gemeen’  vinden. Nu maakt God het toch onmogelijk dat de pharao alsnog zal omkeren! Maar lees je de tekst dan niet te veel als een ‘verslag’ uit het journaal? Op welke wijze kan de tekst anders zeggen dat de tegenstand van de pharao menselijk gesproken onmogelijk is en tot het onmoge­lijke gaat? En is de bevrijding, het vrij maken en vrij worden, geen Titanen­werk!

7. ‘Israël mijn eerstgeboren zoon’ (Ex 4,23) Israël wordt hier voor het eerst met die naam aangesproken. Vgl Ex 12,12.29. Eerstgeborene tegenover eerstgeborene, i.p.v. eerstgeborene. Vergeet daarbij niet dat vaker de volgende generatie het slachtoffer blijkt van wat nu verkeerd gedaan wordt.

8. In een nachtverblijf. Het licht moet wijken. Iets wil zich onttrekken aan de directe zichtbaarheid. De Heer zoekt Mozes te doden. Maar wie leest krijgt te horen water gebeurt. Zipporah, de vrouw van Mozes, tot nog toe zo onopvallend in het verhaal, neemt met vier actieve werkwoorden het initiatief in de tekst. Wat moet zij (‘een hulp hem tegenover’) in het verhaal. Welk gevaar moet er bezworen worden. Voordat de gedane zake een keer nemen moet er bloed vloeien. De besnijdenis van haar zoon. Zij raakt ‘hem’ aan en noemt hem:’bloedbruide­gom’. Aan het kind, de toekomst, wordt uitgelegd wat gebeuren zal. Het gaat om het verbond (bruid en bruidegom), over leven en dood. En aan haar zoon wordt hem duidelijk gemaakt wat toekomst en heden is.
 Hoezo zoekt de Heer Mozes te doden? Hoe kan het verbondsbloed van ‘haar zoon’ hem redden?

9. Op weg naar zijn broer komt Mozes zichzelf tegen (vgl Gen 32,22vv). Het gevaar van de pharao mag men niet onderschatten. Hij blijft dreigen ten einde toe. Maar uiteindelijk heeft Mozes maar een tegenstander, namelijk. Mozes zelf. Alleen de band van het verbond zal ver hinderen dat de bevrijder van morgen de onderdrukker van de dagen daarna is.]

12 . When Mozes came in Egypts land: Let my people go. Exodus 5,1.

1. Hoe is het mogelijk dat de pharao zich verzet tegen de bevrijding van de slaven? Onder het motto:’Wie is DE HEER dat ik naar hem zou moeten luisteren?’ kan hij blijven doen wat hij wil. Zijn ‘Ik ken de HEER niet’ geeft hem de vrijheid(?) te doen en te laten wat hij wil, òf ‘dwingt hem niet anders te doen dan hij kan’.   
  
(M.a.w.: de onvrijheid waarmee hij anderen de grond in duwt is de onvrijheid waarin hij ook zichzelf geen enkele ruimte geeft of gunt. Hij is nu eenmaal zo, botte buffel, frisch und frölich pharao in de Finster­nisse Ägyptens. Alsof je, wanneer je als de pharao de God van dit verhaal niet kent, geen ruimte hebt. Denk terug aan Abraham: mens zijn voor G-d +/= broer voor de broer, naaste voor wie naast je is.)

2. De eerste bevrijdende interventie van Mozes en Aäron leidt tot een verdere verzwaring van de slavernij. Voortaan moeten ze dezelfde productie leveren, maar ook zelf zorgen voor het materiaal. De slaven zijn ‘lui’ (5,8.17).

3. Israëlische opzichters - ook hier collaborateurs - beklagen zich bij de pharao (5,15):’Waarom doet U zo met Uw knechten?’ Het motief van de luiheid wordt herhaald. Terwijl ze naar buiten gaan ontmoeten ze Mozes en Aäron. Ze voegen hen toe: De HEER oordele over jullie. Mozes en Aäron krijgen de schuld dat de slavernij nog bitterder geworden is. Daarop keert Mozes zich tot de Heer met een tekst die later uitgebreid aan de orde zal komen in de Psalmen en in Job. Het is de klacht van de mens die geconfron­teerd wordt met het radeloos makende leed dat wereld heet:’Jij hebt niet bevrijd, jij hebt je volk niet bevrijd!’

4. Maar nog is het verhaal niet afgelopen. Dit is nog pas het begin.

13. Bij de plagen.

Ze zijn eigenlijk te verschrikkelijk om ze te behandelen. Het tellen van de plagen - letterlijk zegt het hebreeuws ‘slagen’ - is het vertellen van de verhalen, van kwaad tot erger, tot de climax (dood van de eerstgeborene, of leven exodus).

Apart te noemen is - omwille van het ‘spreekwoord’ - de negende plaag (Exodus 10,21vv): de Egyptische duisternis. Als het duister is, wat is er dan? Je kunt niets meer onder­scheiden. Dingen zijn ‘zonder verschil’, anoniem (‘Je weet niet meer wat iets is’) en je kunt je niet meer oriënteren, je bent de ruimte kwijt - nergens meer!

Bij 11,4: Mozes gaat weer praten met ‘zijn volk’. Israël wordt van toeschouwer medespeler.

14  Pesach - Enkele opmerkingen bij Exodus 12.

Exodus 12 is een beroem hoofdstuk. Het is het verhaal over het definitieve begin van de exodus, over Pesach en de nacht van Pesach. Pesach/Pasen betekent: het voorbijgaan van de Heer.

1. Let op de volgorde: Mozes - Aäron: eerst de leraar, dan de priester. Wat kan daar de reden van zijn? Een leraar leert je. Dat gaat over kennen en kunnen. Een priester heeft wellicht meer te maken met toewijding, ernst, vroomheid enz. Maar vroomheid en toewijding lopen als emotie het risico te ontaarden wanneer zij niet weten wat zij toegedaan zijn. (Ter vergelijking: de Nazi-manifestaties - men ziet ze regelmatig op de t.v. - lijken een soort liturgie. Bijna niemand van de daar aanwezigen is daar met slechte bedoelingen. Maar ook bijna niemand weet waar het over gaat - met alle  gevolgen vandien. Denk ook aan alle problemen die zich kunnen hebben voorgedaan wanneer iemand zegt: Maar ik bedoel het goed!)

2. Kijk je naar 11,10, dan weet je: Het gaat gewoon door. Er verandert niets. De Pharao is niet te vermurwen. Zijn verzet is zo mateloos dat de tekst zegt: de Heer verhardt het hart van de pharao. De bevrijding uit de slavernij lijkt een Titanenstrijd: Götterdämmerung. Het woord komt van zijn koningstroon in de hemel en springt als een grimmig krijgsheld midden in het onzalige land - vergelijk Wijsheid 18,14-16.  Lees Wijsheid 18,5.

Er verandert nooit iets. Wanneer je dat gevoel kent - als je weet van leed waar geen einde aan (b)lijkt te komen, - pas dan begrijp je wat Ex 12,2 toch zegt: Er komt iets anders, iets nieuws. Nu begint het! G-d zelf zal gaan door het midden van Egypte - Ex 11,4.

   Deze maand, de eerste van de maanden van het jaar! Zie eventueel ook Jozua 4,19 en neem dan tegelijk nota van Genesis 8,13.

3.  Kijk over wie het gaat: de hele vergadering van Israël, ieder, familie, gezin, buren, aantal personen. Het gaat ieder met wie je leeft aan.

   Voor de 10e dag van maand een met het paaslam: zie Johannes 1,29. Let je op de verdere aanduidingen van tijd, dan is Johannes 2,1 Pasen: de vijftiende dag van maand 1. (De dag waarop het water de bruidegom ziet en bloost).

4. Zie je hoe terugkomen: bloed, vlees, staf. Zie eventueel terug naar 4,2, boven.

5. Het bloed (van de dood) wordt voor de mensen binnen (achter de bestreken deur) de garantie van leven. Je moet dit gegeven bewaren tot in het evangelie toe. Je weet nu dat leven is ‘op leven en dood’, overleven, net zoals het leven zelf.

6. Het paasfeest wordt in de joodse familie met name thuis gevierd. Vader, of een eregast, vertellen het verhaal over ‘wij waren slaven ...’ De maaltijd wordt regelma­tig onderbroken door het lezen, uitleggen en vragen stellen over of bij dit verhaal. De voorbereiding en het feest zelf hebben voor de joodse familie heel wat voeten inde aarde. Maar heel dat theater - dit woord is hierr volstrekt niet oneerbiedig bedoeld - wordt opgezet, zoveel wordt tot en met het bittere kruid, in scene gezet met een specifieke bedoeling. Het kind aan huis moet opmerken, dat deze nacht alles anders is. Het zal dan vragen: Waartoe dient deze dienst van jou? Wat is de bedoeling van dit alles, waarom doe je het? Het kind vraagt de ouder: waarom doe je? Het krijgt als antwoord: mij (Exodus 13,8) en ons ( 13,14). Door de vraag engageer je je, krijg je identiteit.

7. De paasmaaltijd begint met de jongste die vraagt:’Waarom is deze avond anders dan alle andere avonden?’ De vraag van het kind maakt de volwassene tot verteller, tot ver-antwoordelijke. Zonder de vraag taal je nergens naar, kan er geen verhaal zijn. (Didactisch heet zo’n - desnoods zo kort als een gebaar - verhaal: motivatie!) Zonder het vragende kind blijft alles zoals het was, enkel de bestaande orde of wanorde.

Zie eventueel ook Exodus 13,8.14, Deuteronomium 6,20 en Jozua 5,21. De doelstelling van de verhalen is didactisch, om door te geven aan de volgende generatie.

8. ‘Ook trok een menigte van allerlei slag mee’ - Ex 12,38. Dit is een belangrijke notitie. Het Exodus-verhaal blijkt hier vanaf het begin geen exclusieve Joodse aangele­genheid te zijn.

9. Maar de tocht naar de vrijheid zal niet simpel zijn. Zie Ex 13,17. Het valt niet mee om vrij te zijn. Dat moet ook geleerd worden en is geenszins eenvoudig. Sommigen zeggen dat het een leven lang leren betekent. Veertig jaar woestijn duiden daarop. Maar onderweg ben je niet alleen. Ook daar reserveert de tekst ruimte voor: overdag een wolkkolom voor hen uit, ‘s nachts een vuurkolom (13,21). En wanneer verderop de Egyptenaren komen om het volk weer terug te drijven naar de slavenstal Egypte - dan zal de wolkkolom zijn plaats vooraan verlaten en achter hen gaan staan (14,19).

10. Op het beslissende moment blijkt alles een val. Voor hen de zee, achter hen de legers van de Pharao. Zie je wel dat er geen ontkomen aan is! Nu blijkt de taak van de leraar. Mozes slaat met de staf op het water. Mozes en zijn staf - je mag er steeds verdacht op zijn dat dat iets of alles met de Tora te maken heeft. Het water wijkt. Met de Tora in de hand kom je aan de overkant, is de dood geen dood meer. Pas de volgende ochtend ziet Israël de dode Egyptenaren. Pas dan begrijpen ze het onmogelijke dat gebeurd is en gaan ze vertrouwen in G-d in en Mozes (vgl Jo.2,22).

   Aan de overkant wordt het lied van Mozes gezongen. Religieuze Joodse mensen bidden deze tekst ieder ochtend als deel van het ochtendgebed. Iedere ochtend ben je als het ware aan de dood ontkomen. Je ziet elkaar en mag zeggen:’We leven nog, we hebben het gehaald.’ Centraal in de tekst: ‘Wie is als jij onder de Goden, Heer!’

11. Beproeven, toetsen: tot klinken brengen. (Denk aan de toets van de piano!) Wat is toetsen? Zie daartoe Ex 15,25. Zie daarna het begin van dit vers. Daar staat het werkwoord waarvan Tora is afgeleid. Het is hier vertaald met ‘wees aan’. Je mag ook lezen: ‘gaf hun Tora aan een stuk hout’. Dat kan christenen te denken geven. Toetsen, beproeven, de Tora tot klinken brengen. De Tora als klankbord en klankkast.

12. Ex 15,26: Als je leeft met de Tora, dan zullen de slagen die Egypte (het slaven­huis) geslagen hebben jou niet treffen. Hierbij geeft de tekst een beroemd woord - het geeft ook een beetje de doelstelling van het ‘leven met het boek’ aan: want ik de Heer ben je Genees­heer. God als arts, de Tora als therapie in een proces van heel worden, mens worden. De Tora als klankbord, klankkast.

15. Op water en brood     

1. De woestijn biedt geen rozengeur en maneschijn. Dorst. Water is het eerste dat ontbreekt: ‘We hebben dorst en we krijgen niets te drinken’. De vrijheid smaakt om te beginnen bitter. Het volk mort. Ex 15,3. Eenmaal in de woestijn begint de ellende (uit-landig) meteen. ‘Waren we maar door de hand van de Heer in Egypte gestorven. Daar had je nog de vleespotten en brood’. Zelfs:’Je hebt ons de woestijn ingevoerd om ons van de honger te laten omkomen!’ Bevrijding gaat niet gemakkelijk of vanzelf. Je moet je losmaken en je weet, je merkt, dat je nergens (niet-ergens) bent. Het land van de vrijheid is immers een volkomen onbekend gebied. Hoe kun je als slaaf weten wat zoiets zou zijn. Vrijheid is immers niet waar je als slaaf van droomt. Het is concrete, steeds praktische werkelijkheid. Om te doen.

2. Dan is er het brood uit de hemel: manna zegt het hebreeuws. Letterlijk is dat een vraag: ‘Wat is dat? Je moet en mag derhalve zeggen: in de woestijn leefden ze van het manna. Dan zeg je: in de woestijn leefden ze van Wat is dat?, leefden ze van vragen.

3. Van het manna mag ieder nemen wat nodig is. ‘Zoveel mogelijk’ weggraai­en, heeft geen zin. Het manna is nauwelijks van blijvende aard. Je kunt het niet oppotten. Het vergaat. Er is voldoende voor iedereen. Elke dag voldoende (Vgl: ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’ - in de versie van Lukas. Op vrijdag, de vooravond van sjabbath, is er een dubbele portie. Op Sjabbath hoeft men dan niet te rapen. In het Onze Vader van Mattheus heet dit het ‘erbij zijnde brood’, om er bij te zijn, op de dag des Heren. Mt en Lk zeggen dus verschillende zaken m.b.t. het brood.)

4. Manna eten is afzien van voorbarige verzadiging, langzaam maar zeker overscha­kelen naar het eten van ‘wat God wel behaagt’ (‘Uw wil geschiede ...’). Maar het is ook een hachelijk avontuur: leven op een noodrantsoen. Voldoende voor1 dag!

5. Na het manna is er weer de dorst. Het leidt tot de brandende vraag in de woes­tijn:’Is de heer in ons midden of is Hij dat niet!’ (Ex 17,7).

   De plaats en het belang van die vraag is niet genoeg te onderkennen. Eerst de plaats. Precies deze vraag maakt uiteindelijk de woestijn tot woestijn. Niets is er te vinden, zelfs niet waar het naar toe moet. Iedere oriëntatie is verloren, de mens ten einde raad. Het is wellicht de vraag die je niet zelf kunt beantwoorden, of wellicht niet definitief te beantwoorden vraag. Het blijkt de steeds weer als nieuw te beantwoorden vraag. Steeds weer alsof het voor de eerste keer is.

   Het belang van die vraag is haar inhoud, wat zij inhoudt. Zij strekt zich uit over heel het bestaan van degene die de vraag stelt. Als je, om het makkelijk te zeggen, weet dat in het verhaal G-d degene is die bevrijdt en je ervaart die bevrijding, je begrijpt (herkent, voelt aan) waar dat over gaat, dan blijft er nog de vraag naar het geheim van die bevrijding: waar komt die vrijheid, die vreugde, ‘in G-dsnaam’ vandaan, wat is het? Je krijgt geen antwoord, of een merkwaardig antwoord. Merkwaardig in die zin, dat alleen jij het antwoord verstaat - steeds voorlopig, steeds als betrof het een oase - dat jou gegeven wordt. Dit antwoord vind je de verre echo van 2 Kronieken 6,18, bij de in gebruik neming van de Tempel in Jerusalem: G-d heeft gezegd in het donker te willen wonen. Dat is: ontrokken aan wat voor ons zichtbaar is. Eventueel is een ander woord daarvoor: de hemel. Het beeld: op de wolken des hemels, onttrokken aan wat voor ons zichtbaar is, nog niet zichtbaar. Deze elementen zijn met Hemelvaart en Pinksteren aan de orde (Handelingen van de Apostelen, 1 & 2 Wellicht is het overbodig om bij die brandende dorst ook te verwijzen naar Johannes 19.28).

7. We hebben gezien: brood. We zagen ook water, in verband gebracht met ‘beproeven’. Je hebt die twee nodig om Mattheüs 4,1vv te verstaan. Blijft nog over ‘aanbidden’ Daarvoor moet je naar Exodus 32-34.

16. In de woestijn

Binnen de christelijke traditie speelt Amalek nauwelijks een rol. Bij de Joodse seider-tafel, wanneer Joodse mensen Pesach vieren, komt ieder jaar weer opnieuw Amalek ter sprake.

1. In de woestijn is er terstond Amalek. Amalek is een woestijnvolk. Het wil de net bevrijde slaven geen doorgang, geen vrijgeleide bieden door de woestijn. Amalek is anti-emancipatorisch. Wie voor een dubbeltje geboren is dient volgens Amalek een dubbeltje te blijven. Er mag niets veranderen. Voor alles dienen de bestaande verhoudingen te blijven, ook wanneer de bestaande orde in feite voor de meesten wan-orde is!

.

2. De strijd tegen Amalek wordt gestreden onder leiding van Josjoea (Jehosjoe­a, grieks: Jèsoes). In Ex 17 vind je Amalek de eerste keer. Je komt hem ook tegen in Deuteronomium 25,17-19. Daar is Amalek degene die het volk in de rug aanvalt.

            Achter in de karavaan lopen de zieken, de kinderen en de oude mensen. Amalek is de laffe aanvaller - hij zoekt de zwakste plek om te laten zien hoe sterk hij is.

3. Nog een derde keer vind je Amalek. Het is in het verhaal over Saul. Saul moet vechten tegen Amalek. Niets mag van Amalek overblijven. Je begrijpt, het gaat hier niet over feiten als die welke onze geschiedschrijving bezig houdt. Het gat hier rover een paradigma. Amalek staat model voor een bepaald soort groepen. Het zijn mensen die erop uit zijn dat armen arm blijven. Alles wie zwak is nemen we te pakken. Saul moet - profetische uitleg van de Tora - definitief afrekenen met Amalek. Dat gebeurt ook. Maar Saul spaart de runderen van Amalek. Je kunt die waarde toch niet verloren laten gaan. Saul spaart ook Agag, de koning van Amalek. Daar kan hij zelf winst van maken: losgeld. Zo doende is Saul de facto solidair met dé vijand van Israël bij uitstek. Daarmee maakt hij zich tot anti-koning, anti-bevrijder. (Dit laatste verhaal vind je in iedere kinderbijbel - uiteraard zonder situering of uitleg. Saul is daare gewoon ongehoorzaam geweest.)

3. Bij de eerste confrontatie met Amalek helpt Mozes een (letterlijk) handje. Hij moet de berg op en zijn handen uitspreiden. Als hij zijn handen hoog houdt gaat het goed, als hij zijn arm laat zakken gaat het fout. Daarom komen er twee mannen. Ze helpen hem zijn handen uit te steken.  Mozes met uitgestrekte armen - het zal niet moeilijk zijn dan te denken aan de Tora!  Jethro, de schoonvader van Mozes, niet-Israël, verheugt zich over de bevrijding. Nu blijkt dat deze G-d groter is dan alle andere Goden (Ex 18,11).

4. De volgende dag is Mozes bezig met recht spreken. Dat blijkt een reuze klus. Daarop komt Jethro met een democratiserend voorstel. Hij vraagt:’Waarom doe je dat alleen?’ Stel oudsten aan! Dat gebeurt. (Van dat woord oudsten is afgeleid ‘ouderlin­gen’, bekend in de Kerken van de Reformatie. De griekse vertaling van oudsten luidt presbyteroi. De verbastering daarvan kennen wij in de Katholieke Kerk ook: priesters.)

5. Ex 19,2: het volk legert zich tegenover de berg. Dit woord tegenover moet je nog kennen als je Mt 27,61 leest.

17. De Tien woorden.

Christenen (alle kerken) kennen deze ‘woorden’ beter als ‘de tien geboden’. Daarmee is het risico gegeven van een groot misverstand. Dit wordt in de hand gewerkt door onze interpretatie van ‘Gij zult ... gij zult niet’. Wij horen dat alsof het duits is: du sollst. Dan moet en zul je.

In het hebreeuws staat op deze plaatsen een vorm van het werkwoord dat de ‘toeko­mende tijd’ aanduidt. Dus letterlijk:’Eens zal de tijd aanbreken dat je zult’. Je zou dus mogen zeggen: De tien woorden geven tien fragmenten toekomstmuziek. Het zijn tien Paasklokken. Zij geven aan waar het naartoe moet, kan, zal, mag. Als je het daarmee eens bent, als dit je wel wat lijkt, dan is er natuurlijk niets op tegen om dit te anticiperen, te oefenen. dan merk je hoe dat gaat. De ‘tien woorden’ worden dan daden, richting-aanwijzers, anticiperen waar het heen gaat, de 'goede tijd', de tijd(ing) van het Goede [38] .

1. Het eerste woord is:’Ik ben de Heer die je uit het slavenhuis heeft gevoerd’. Dat is verleden tijd, een herinnering. Terugblik om vooruit te kunnen zien. Zie Ex 3,14: garantie voor de toekomst. De rest van de tekst kan men als volgt omschrijven: Als je met deze G-d in zee gaat, dan zal de tijd aanbreken dat je het niet hoeft te hebben van Goden die geen Goden zijn. Dan zul je niet meer in je leven centraal stellen wat niet centraal staat, wat je klein houdt, afhanke­lijk. Je hoeft je heil niet meer te zoeken bij wat geen toekomst biedt: het verleden is voorbij. Zo je wilt: alles wordt nieuw.

2. Dit betekent dat in de gangbare christelijke indeling alle geboden een plaats opschuiven. Het beroemde 'vierde gebod' is het 'vijfde woord', over vader en moeder. Waarom zul je hen ‘eren’? Heel simpel: ze zijn ouder, ze hebben al wat meer meege­maakt, ze kunnen je meenemen in hun ervaring - dan weet je dat jij niet alleen bent! In feite is dit het model voor iedere pedagogiek. Je kunt leren van hun ervaring, ook van hun 'fouten'. Uiteraard gaat dit niet enkel op voor je vader en/of moeder, maar voor ieder die is als zij [39] .

3. Tien woorden gaan de weg, gaandeweg. Tien, twee handen vol. Zo moet je ze ook verdelen: twee keer vijf. De eerste vijf zijn religieus, de tweede vijf sociaal. ‘Vader en moeder eren’ hoort bij de religieuze geboden. Zo als je van God het leven kreeg/krijgt, zo kreeg/krijg je het ook van hen.

4. Het meest bekende gebod is het zesde. Vroeger heette dat:’Gij zult geen onkuisheid doen’. Deze tekst werd vooral ingezet in de strijd tegen de seksualiteit en tegen het lichaam. In het hebreeuws is dit het 'zevende woord'. Het zegt feitelijk:’Eens zal de tijd aanbreken dat je niet leeft van de ontrouw’, of ‘dat je de trouw van de ander respecteert’.

5. Het meest onderschatte woord is het negende, over ‘geen vals getuigenis geven’.

Het vals getuigenis geeft ‘doodt’ de ander, zorgt ervoor dat de ander ‘geen leven meer’ heeft.

19. Het gouden kalf

Deze voorlopige aantekeningen bij Exodus kunnen niet afgesloten worden zonder enkele opmerkingen bij Ex 32-34 - in alle voorlopigheid. Toegankelijke literatuur is Th.Naaste­pad, Het gouden kalf, (Verklaring van een bijbelgedeelte) Kampen.

Motief van het verhaal: het duurt te lang. Mozes blijft te lang weg. De mensen willen zekerheid. Dan moet er maar zekerheid komen. Aäron is de aangewezen man. Aäron denkt een goede rem gevonden te hebben: je moet je sieraden inleveren. Hij heeft het nog niet gezegd of ze rukken die van hun oren.

 Het hoogtepunt en de bezegeling van de bevrijding (Sinaï-Verbond) is tegelijk het dieptepunt. Boven G-d en Mozes, beneden het volk en het Gouden kalf o.l.v. Aäron.  Welke rol speelt Mozes? Wat zegt hij tegen wie. Let op de situaties. Je kunt hier boeiende zaken ontdekken m.b.t. de rol van de leraar [40] . Mozes ziet G-d ‘in het voorbijgaan’, Exodus 33,23. Zie de eigenschappen van G-d in Exodus 34,6-7. Opvallend zijn daarbij de ‘vrouwelijke’ eigenschappen [41] , allerlei synoniemen voor ‘betrokkenheid’, ten onrechte (?) vertaald met ‘barmhartig’.

20. De Sinaï

1. De bevrijding uit de slavernij is geen ‘gelukkig toeval’ - wanneer zoiets al bestaat. De slavernij is niet anoniem. Het geheim van de bevrijding wordt manifest bij het sluiten van het verbond. Dat is de doelstelling.

2. Het sluiten van het verbond is a.h.w. de voltooiing van de oogst die met Pasen begonnen is. In de joodse traditie heet dit het wekenfeest, 7 keer 7 dagen, dus op de vijftigste (gr. pentecostes) dag na pasen; in de christelijke traditie heet het Pinksteren. De synagoge viert dan het feest mattan Tora, van het 'geven van de Tora'. Het is het begin van het volk als volk. Het christelijke Pinksteren viert in de gave van de geest het begin van de kerk. Een eventuele verheldering geeft Jo 6,63: De woorden die ik gesproken heb zijn geest en leven.

3. Tijdens het wekenfeest leest de synagoge het boek Ruth. In de aanhef vindt je het feest van de tarweoogst. Ruth is een meisje 'uit de volkeren'. Ruth en Boaz is Israël en volkeren. Dat geeft perspectief op de gestalte van de Messias. Ruth is de 'bedovergrootmoeder' van David, dé koning.

4. Ex 19,2. Israël tegenover de berg: zie de spanning van waaruit het komende vertrekt. Mozes krijgt te horen: op adelaarsvleugelen heb ik jullie gedragen. Over drie dagen zal het verbond gesloten worden.

5. Tijdens het sluiten van het verbond is het toneel als bij een explosie van een volkaan: rook, vuur, de berg beeft. Je vindt hier ook de regie-aanwijzingen die je in Hand 2 nodig hebt, wanneer 'de leerlingen op een plaats bijeen zijn'. Donder en bliksem omgeven de 'Tien Woorden' (19,17v. en 20,18v).

6. De Tien Woorden spelen zich af tussen G-d die zichzelf 'Ik' noemt (Ex 20,1) als begin van de aanhef en de naaste als slot van de afsluiting (Ex 20,17).

7. Op de proef stellen: leven met de Tora; 'G-d vrezen': leven laten, niet alleen passief 'toestaan', maar in de zin van 'mogelijk maken'.

8. Zie waar G-d verblijft in Ex 20,21: in donkerheid. Hij is onttrokken aan de zichtbaarheid. Zie ook 1 Kon 8,10-12, wanneer Salomo de Tempel in gebruik neemt.

 Wat is de houding van het volk bij het sluiten van het verbond? De Rabbijnen wijzen dan graag op Ex 24,7: en we zullen het doen, en we zullen horen. M.a.w. ze willen al doen nog voordat ze weten wat van hen gevraagd wordt. Zo graag willen ze/we: er is geen reserve, geen aarzeling.

9. Voor de plaats van G-d, zie Ex 29,45v: in het midden. Johannes moet daarvan geweten hebben. Bij hem is het midden steeds de plaats waar alleen Jezus is: midden onder U..., een links, een rechts, hij in het midden ..., ging in hun midden staan en zei:'vrede zij op jullie'.

10. G-d spreekt met Mozes in de grootste intimiteit: zoals een man spreekt met zijn vriend, van aangezicht tot aangezicht (Ex 33,11). Waar gaat het dan over? Wanneer ik genegenheid gevonden heb in je ogen, maak me dan toch je wegen bekend. (Ex 33,13.) Daar bij is zeer te denken aan: Een vreemdeling ben ik op aarde, maak mij Heer je wegen toch bekend (Ps 119,19).

11. Bekend is Ex 34,6v: de eigenschappen van G-d. Vaak valt men over de zinsnede waarin verteld wordt, dat G-d de zonden der vaderen bezoekt aan de kinderen tot in het derde en vierde geslacht. Men is dan geneigd te vergeten, dat de daden van nu gevolgen hebben voor de volgende generaties. Tegenwoordig beginnen we dat weer te ontdekken. In deze tekst wordt aangegeven: je kan het nog zo fout doen, de gevolgen zijn niet eindeloos: er is een grens aan gesteld.

Het verbond aan de Sinaï maakt het geheim van de bevrijding uit de slavernij zichtbaar. Wat toen begon is hier te horen.

Volgens de traditie spreekt G-d in zeventig talen. Ieder die het horen wil kan het verstaan; de interpretatie-mogelijk­heden [42] zijn legio. En het kan goed zijn dat jouw verstaan als nieuw is. Wanneer je dan zou zwijgen zou je het verhaal te kort doen.

Amstelveen     (1)16 november 1993

Herten/Roermond,     (2) 5 januari 1998.

Voor het web geredigeerd, 8 augustus 2001

terug naar exodus 1-2.
terug naar exodus 3vv.



[1] W.Barnard, Stille Omgang, Notities bij de lezing van de Schriften volgens een vroeg-middeleeuwse traditie, Brasschaat 1992 (afgekort SO). M.Buber, Die Fünf Bücher der Weisung, Fünf Bücher Des Moses verdeutscht von Martin Buber Gemeinsam mit Franz Rosenzweig, (3e) Köln 1954; C.Chalier, De Aartsmoeders, Hilversum 1987; A.Chouraqui, Noms, DDB 1974; The Midrash Rabbah I, Genesis; II, Exodus Leviticus, Vert.H.Freedman en M.Simon, Soncino, Londen - Jerusalem - New York 1977; L.Ginzberg, The Legends of the Jews, Philadelphia 1968 (Ginzberg). N.Leibowitz, Studies in Shemot, vert. A.Newman, Jerusalem 1976; E.Levinas, In de tijd van de volkeren, Leuven/Apeldoorn 1991. Tenachon 10, W.Witlau en Y.Aschkenazy, B.Folkertsma Stichting voor Talmudica, Hilversum 1987.

[2] In wat 'zomaar' gebeurt blijkt iets regelmatigs schuil te gaan. Daarom is re-flectie, je terug-buigen over, zo belangrijk.

[3] Verhalen vergroten je herinnering. Zo wordt je geheugen groter dan je privé-verleden.

  [4] ‘Vergeten is ballingschap, herinneren is verlossing’ - een beroemde spreuk van de Rabbi Israel ben Eliëzer, meer bekend onder de naam Ba'al Sjem Tov (Meester van de Goede Naam). 1700-1760. Hij was de eerste leider van de Chassidiem, een joodse beweging waarin vroomheid en vreugde grote nadruk hebben, opnieuw begonnen in het Oost-Europa van begin 18e eeuw.

  [5] Bij de profeet gaat het over een pasgeboren kind waar niemand naar omkijkt: om weggeworpen te worden - maar er is iemand die zich ontfermt, iemand die ‘ik’ zegt.

  [6] Denk aan Gen 2,18 (het is niet goed...).

[7] De dagen van de weet in Genesis 1 zijn rangtelwoorden. De tweede dag, de derde dag, enz. Alleen dag één wordt geteeld met het hoofdtelwoord. Dag één is de uitzondering. Daar begint de uittocht uit de dood (vgl Genesis 8,13 en denk aan de bekende notatie na sjabbat, op de eerste dag van de week).

  [8] De doelstelling van de bevrijding is 'het Goede'. Zie voetnoot 27.

  [9] ‘Zo'n tekst plant zichzelf voort, overleeft de eeuwen, overwintert op het papier en gaat weer bloeien, als een warme adem het  zomer maakt’ (SO 1006).

[10] Denk aan de situatie in de praktijk of bij het maken van een werkstuk. Als het moeilijk is. Als je niet meer weet hoe je verder moet. Dan moet je als het ware putten uit het niets. Dat heet bijbels de woestijn. Nu moet je wel te voorschijn komen

[11] Het rabbijnenbijbel schrijft bij we-elèh, "en dit" een Rebia, een distictief accent. Het maakt een bepaalde scheiding. De lezer moet hier a.h.w. even inhouden. Je kunt niet ‘gewoon verder lezen’. Deze leesaanwijzing (accent) vraagt uitdrukkelijk ruimte voor het volgende. ‘En daar komt het dan’. Hetzelfde accent vind je ook in I,5: het geschiedt, I,7: en de zonen van Israël, en 1,9: Zie. Deze aanwijzing om te lezen geef ik aan door een streepje (‘ - ‘).

[12] Vgl. het gesprek op de berg met Mozes en Elia: Luk 9,31.

[13] Deze wijze van schrijven poogt aan te geven, dat het uitspreken van de Naam minstens ‘niet vanzelfsprekend’ is.

[14] Zeventig is in het grieks septuaginta. Het grieks is de taal van de septuaginta, de zeventig, de volkeren. Het grieks was in die tijd wat tegenwoordig het engels is.

[15] Om niemand de schuld te geven gebruik ik hier maar wij.

[16] "For my soul is as closely related to the soul of my father as to the soul of Pharaoh." Leon Wieseltier, Kaddish, Londen, Picador, 2000, p. 281. De context is daar anders als hier, maar de zin is even duidelijk.

  [17] Ha-abnaïem, deze dualis-vorm komt alleen hier voor. Afgeleid van èben/steen? Zodoende ‘dubbele steen’, geboortestoel, e.d. Koehler/Baumgartner verwijst ook naar de Midrasj Rabbah. Ex.R.I,14:’Een andere verklaring van het woord ha-abnaïm, zegt R.Judah ben Sjim'on, is, dat God de delen van het lichaam van een vrouw zo hard als stenen maakt wanneer ze op de geboortestoel zit, anders zou ze sterven.’ De tekst maakt n.a.v. Jeremia 18,3 ook een vergelijking met het wiel van de pottenbakker. Aan elke zijde houd een been het wiel stevig vast..

[18] Chajooth van het werkwoord chajah, levend, gezond, sterk zijn, in de zin van ‘natuurkracht’. De letter ‘Jotha’ kan ook geschreven worden als de ‘Waw’. Dan lees je chawwah, verbasterd tot Eva, ki eem kol-chai, want zij is de moeder van alle leven. Chajah is verder ook verbonden met hajah, zijn (in het Aramees chawah). In Ex 3,14 zijn vormen van dit werkwoord ingezet als uitleg van G-ds Naam: èjèh asjer èjèh.

[19] Ginzberg, V p.393, noot 19.

[20] De massoreten hebben hier als leesteken een ‘staande streep’ (legarmeh), voor het eerst in Exodus. Al het voorafgaande wordt onder een noemer gebracht: alle aandacht voor wat nu komt!

[21] Hetzelfde woord als in Ex 1,5.

[22] Ex 1,11. Mozes ziet direct wat de door Phar'o aangestelde slavendrijvers doen.

[23] Dabar: woord dat daad en daad die woord is. Gebeuren en ‘wat gebeurt’ horen bijeen, zijn twee kanten van de ene medalje.

[24] ‘Het woord lekah is nadrukkelijk (vanwege de he) op het einde, a.h.w. om te zeggen:’Als jij hen niet bevrijdt zal niemand anders het doen’ (Ex.R. 3,3).

[25] ‘De indruk dat onze wereld niet helemaal is wat zij zou moeten zijn, heeft mensen steeds weer aan het denken en aan het dromen gezet. Die gedroomde betere wereld is echter in de Schrift met vaste hand gestroomlijnd tot een heilige zekerheid waarop heel haar verkondiging rust. Want wat de Schrift ook vertelt, haar verhaal wil mensen ertoe brengen hun verblijf op aarde te wijden aan de realisering vande droom zoals deze zich in een lange geloofsworsteling tot visioen en opdracht heeft verhelderd.’ H.Renckens, De Bijbel mee maken, omgangsvormen en proefteksten, Kampen 1988, p.148.

[26] ‘'Ik kan niet spreken', roept Mozes uit ... bij de eerste woorden van God, en hij vervolgt het gesprek door punt voor punt de goddelijke argumentatie te beantwoorden, waarbij hij tracht deze te weerleggen en uiteindelijk zijn toevlucht zoekt in het ongerijmde (Waarom ik en niet iemand anders? Er zijn zoveel aspirant-profeten in de wijde wereld ...!) - een ongerijmdheid waar God hem zonder moeite uithaalt, want jij bent het juist, Mozes, die ik gekozen heb om profeet te zijn en niet, zoals jij naïvelijk wenst, om het even wie anders.’ A.Neher, De ballingschap van het woord, van de stilte in de Bijbel tot de stilte van Auschwitz, Baarn 1992, p.151.

[27] Ad-simulus. Simulus is ‘gelijk’ (simultaan, simuleren, facsimile); ad is ‘naar toe’.

[28] Babylonische Talmud, Taänith 7a Soncino Mo'ed IV, Londen 1938.

[29] Wij zeggen Pasen. Maar waarom moet een jongere naam beter zijn dan de oudere. Pasen heet oorspronkelijk Pésach, het voorbijgaan van de engel des doods, het voorbijgaan van de Heer. Je kunt zeggen Pasen is niet Pésach. Okay. Maar je maakt wel een verschil dat de bijbelse literatuur niet kent. Ook het zogenoemde Nieuwe Testament, het Apostolisch getuigenis kent dit onderscheid niet. Met andere woorden: Pasen is Pésach.

[30] ‘No man's land’ is ook ‘No God's land’.

  [31] ‘Zoals de glans en de glorie der hemelen zich concentreerde tot een braambos in brand, zo vatte God zijn moederlijkheid samen in het moederschap van Maria, het meisje uit Nazareth ... als provinciaaltje geworden ... tot la capitale, capitale de la douleur (Eluard) et de la gloire. Maria werd de incarnatie van 'het Jeruzalem dat boven is'. Maar dát Jeruzalem wordt bij de profeet (Jes 66, 13!) meteen het beeld en de norm van JHWH, van de Heilige, de Vurige, de Overdonderende: zoals een moeder haar kind troost, zo zal ik u troosten, in Jeruzalem zult gij worden getroost’ (SO 1013v).

[32] ‘Rabbi Leazar ben Abinah zegt in de naam van Rabbi Acha: Gedurende 26 generaties (van Adaam tot Mozes) was de alef voor de Heilige Hij zei gezegend aan het klagen. Hij bepleitte voor Hem: Meester van de wereld! Ik ben de eerste letter, toch heb je je wereld niet met mij geschapen! God antwoordt: De wereld met alles waar hij vol van is, is geschapen omwille van alleen de Tora. Morgen, wanneer ik mijn Tora kom openbaren aan de Sinaï, dan zal ik met jou beginnen: Ik (Anochi) ben de Heer je God die je uit Egypte ... (Ex 20,2).’ Gen.R. 1,10.

[33] ‘De verrijzenis van het lichaam’ - is dat niet exodus? Blijkbaar is het lichaam niet om vertrapt, uitgebuit of weggeworpen te worden. Slaven, mensen voor wie geen oog is en die ‘niet om aan te zien’ zijn, worden aangesproken door een Alternatief, een God die blijkbaar anders is dan alle Goden die in de bestaande wanorde de dienst uitmaken, nog steeds.

Voor ‘lichaam’: The body is that part of the soul which can be seen’ (William Blake, aangehaald SO. 999); ‘We zijn allemaal elkaars vlees en bloed, al weet ik dat mar heel weinig mensen dat geloven’ (James Baldwin, Wending 30, 1975, p.478, aangehaald in Th.de Boer, Tussen filosofie en profetie, de wijsbegeerte van Emmanuel Levinas, Baarn 1976,  p. 152 n.81).

[34] Het licht mag dan, gezien de grijpgrage handen, voor het oprapen liggen: sinds Jo 1, d,w,z, Gen 1 is de plaats van het licht welbepaald: het licht schijnt in de duisternis.

[35] ‘Hoe kan dit geschieden daar ik geen man ken?’ Lk 1,34.

[36] Vgl Deut 5,3:’Niet met onze vaderen heeft de Heer dit verbond gesloten, want met ons, met ons die hier vandaag allen leven.’

[37] Zeven keer ‘goed’, te verstaan vanuit Gen 2,18: niet goed - alleen zijn.

[38] Het goede is dat wat verder gaat dan het voor de hand liggende hier en nu. Het is meer, overrompelt, 'overvalt' me. Al het voorafgaande, het vanzelf sprekende, spreekt nu niet meer en zeker niet vanzelf. Daarom is het Goede geheel nieuw, 'van een andere orde', niet 'van mijn orde', l'anarchie du Bien (E.Levinas, Autrement qu'être ou au-delà de l'essence, Den Haag, Nijhoff: 1974, p. 94. Daarom maakt 'het Goede' mij onhandig: ik heb hier geen ervaring, ben een nieuweling, een - in de ware zin van het woord wellicht - amateur. In Gen 1 verraadt goed scheppingstaal. Vandaar (zeker lettend op Gen 2,18) kan men weten dat dit te maken heeft met 'niet alleen'. Daarom is 'het Goede' ook inspiratie: de aarde (Gen 1,2), de mens is daar toch niet alleen. Inspiratie: toegesproken worden, 'uit de tent gelokt worden' (Vgl Gen 15,5), 'uitgekozen worden', uitverkiezing.

[39] Op de Pedagogische Academie, tijdens je oefeningen in de praktijk, speel jij voor de kinderen de rol die vader en moeder hebben in het 'vijfde woord'.

[40] Dit is de eerste titel waarmee Jezus bij Johannes wordt aangesproken (Jo 38). Het is ook hèt woord van Maria Magdalena tegen degene van wie zij eerst dacht dat het de man van de tuin was (20,16).

[41] Bij ‘die de ongerechtigheid der vaderen bezoekt aan de kinderen en kindskinderen, aan het derde en vierde geslacht’. Naief ziet men dit vaak als beschrijving van een toch wel wrede, in ieder geval te strenge God. Ik noem dit naief omdat men dan voorbijgaat aan de consequenties van het kwaad. Denk aan oorlogen, denk aan het milieu anno 1993. Tegenover dit onvoorstelbare want niet eindigende leed wordt hier (Ex 34,7) een grens aan het kwaad gesteld. De gevolgen ervan zullen niet eindeloos zijn!

[42] ‘De joodse traditie is van mening dat de Tora zeventig gezichten heeft en dat een van deze gezichten zou ontbreken wanneer een lezer verstek laat gaan. Daarom pleit de de joodse traditie niet voor eenduidigheid van de tekst. Meer precies: zij weet dat ‘een enkel vers een veelvoud van betekenissen te voorschijn roept’ (Sanh 34a). Dit veelvoud van betekenissen hangt samen met die wonderlijke tegenstrijdigheid: de Oneindige spreekt in een Tora die volgens de Talmoed de taal der mensen spreekt. Het gaat er nu juist om deze betekenissen door interpretatie te ontvouwen. Iedereen is geroepen tot die taak. Ieder heeft de opdracht gekregen te studeren totdat men zelf een Sefer-Tora (Boekrol) geworden is, totsat men zelf de betekenis kan doorgeven die men, wie weet, als enige heeft kunnen lezen, in de wetenschap dat ieder verantwoordelijk is voor de uiteindelijke betekenis van de tekst en dat deze geen andere is dan haar oorspronkelijke betekenis.’ C.Chalier, De Aarstmoeders, Hilversum 1987, p.10v.