EXODUS - deel I


W
erkvertaling van de eerste hoofdstukken

en toelichting [1] .


De hier geboden vertaling is hebreeuws nederlands.
De eigennamen behouden hun hebreeuwse klank.
Vind je dit irritant: gebruik je bijbeltekst.

 

 

© Jan.C.M.Engelen,
docent voor katechese & katechetiek,
1985-96
IPABO Amsterdam/Alkmaar.

printversie
topics

Het hieronder volgende commentaar is geen doorlopend commentaar.
Er worden slechts enkele puntjes aangestipt.
Zie het als kapstokjes.
Ze houden eerste informatie bijeen.

Elke nieuw nummer geeft een afgesloten eenheid informatie.
Nummers houden series aantekeningen bij een tekst bij elkaar.

Eeen andere inleiding

 

De hebreeuwse titel van het boek is naar joods gebruik het eerste woord. Dat is: SJEMOOTH. Dat is het meervoud van sjeem: naam. Sjemooth betekent: NAMEN . De LXX heeft het boek naar grieks gebruikt genoemd naar het veronderstelde belangrijkste onderwerp. Zo is de naam Exodus gekomen, eks: uit; hodos: weg. Het boek Uitweg, uittocht.

Wanneer het verleden programmatisch wordt!

Het verhaal over ‘Wij waren slaven in Egypte en Hij heeft ons bevrijd’, blijkt volop actueel tijdens de Babylonische ballingschap. Daar wordt/blijkt het verleden programmatisch.

   Het verleden wordt programmatisch. Dat wil niet zeggen:’Het heden is afgeleid van het verle­den’, ‘Er is niets nieuws onder de zon!’, of: ‘Je draagt je verleden altijd mee: littekens blijven’. Hoe waar een en ander soms ook kan zijn, het is omgekeerd. Wie van deze verhalen houdt - n.b.: love: geloven - , voor wie dit verleden een moment van het heden wordt, zo iemand laat zich niet enkel bepalen door het verleden. De ge-love-ige leeft niet met ‘de rug naar de toekomst’ om uit te zien naar het verleden toen alles (- wat dan wel? -) “beter” (?) was. Maar het verleden wordt programma­tisch.

   ‘Dit van nu hebben we ook eerder meegemaakt.’ Situaties worden herkenbaar. Je komt in de buurt van iets dat je bekend voorkomt. Je bent niet meer onthand. Wanneer je de tijd de tijd geeft om tijd te zijn, wanneer je verleden begint te groeien, ontstaat er ruimte. Je kunt van je verleden leren. Op een instituut als de IPABO is daarom de praktijk wezenlijk. Ervaring opdoen, mee-maken. Situaties waarin de 'dingen' zomaar [2] gebeuren, worden plaatsen waar je kunt leren, oefenmomenten. Leven wordt  zoiets als learning by doing. Het verleden [3] kan verder gaan dan je herinnering.

   ‘Vrij-zijn’ is ‘bevrijd zijn’ [4]. In het beroemde verhaal van de profeet Ezechiël 16 (v.6) lezen we: En ik kom voorbij bij je en ik zie je, trappelend in je bloed [5] , en ik zeg je in je bloed: Leef, en ik zeg je in je bloed: leef!  Lees die tekst hardop. Je hoort hem iemand zeggen. Iemand presenteert zich als tekst, spreekt je aan. Dan ben je niet meer ‘alleen’ [6] .

Nu, aangesproken, begin je. Daarmee komen we in de buurt van ‘schepping’. Dat is in dit geval een oorspronkelijk, exclusief bijbels woord. Het brengt een ander woord dichterbij, een woord dat we ook uit het bijbels tegoed kennen.: verrijzenis - opnieuw en nu echt, beginnen [7] .

Motief en ‘doel [8] ‘-stelling van 'slavernij en bevrijding' is pedagogisch en didactisch, maatschap­pelijk en persoonlijk kritisch. Zo zegt de Tora: Een vreemdeling onderdruk je niet en je brengt hem niet in het nauw, want vreemdelingen waren jullie in het land Mitsraïm. (Ex 22,21 Zie ook Exodus 23,9;  Deuteronomium 16,11.) En de profeet Jesaja legt uit. Bijv.: Laat de zoon van de vreemdeling die zich verbonden heeft met de Eeuwige niet zeggen: De Heer zal mij zeker buiten zijn volk sluiten. (Jes 56,3.)

Om te proberen:

Slavernij of Bevrijding

 - mag je dat "vertalen" met: Afgodendienst of Godsdienst?

Een bijbel-verhaal is nooit ‘een verhaaltje met een moraaltje’. Wat het verhaal te vertellen heeft, vertelt het zelf zodra er iemand is die vertellen wil en kan. Daar is vertel-ervaring voor nodig, oefening: meemaken en zelf proberen. Zodanig thuis zijn in ‘de tekst [9] ‘ dat je het verhaal kunt vertellen op basis van het zien van de toehoorders.

   De verteller moet bij het verhaal letten op wat er staat, meer nog op hoe het er staat. Daartoe dient hij/zij te letten op de opzet (scenario, choreografie) van het verhaal: waar komt het vandaan (‘er was eens’), waar wil het naar toe en hoe brengt het je daarheen, wat wordt onderweg en in het voorbijgaan gereleveerd, relevant gemaakt, gemobiliseerd om dat wat te vertellen is uit de doeken te doen, expliciet te maken? Vervolgens: hoe breng ik, verteller, dat over het voetlicht.

Bij de hier gegeven college-aanteke­ningen kan niet worden inge­gaan op alle de­tails van de tekst. Dat schiet niet op en is niet leerzaam. Wanneer je met ‘een verhaal in het bijzonder’ aan het werk wilt is het van­ belang, de tekst goed voor ogen te hebben en daar­toe minstens te beginnen met meer algemene tekst-gebonden voorbereidin­gen. Bijvoorbeeld: een ana­lyse van de tekst. Wat is de bedoeling van die ‘analyse’? Je moet de tekst eerst a.h.w. zelf alle recht van spreken geven. Anders gezegd: je moet de tekst - losmaken van de eerste greep die je min of meer 'spontaan' op de tekst hebt. Weet je nog van de middelbare school hoe moeilijk dat was, lezen wat er staat. Probeer de tekst te ontrukken aan het 'dictaat' van de lezer. Laat de tekst zichzelf articuleren. De meest eenvoudige manier is: schrijf een stukje over in een goede lay-out.

Het boek Exodus begint met de achter­grond voor het exodus-verhaal. De naam Jozef zegt niets meer. De geest van gast­vrij­heid, - zo ken­mer­kend voor Mitsraïm in Gene­sis, - verandert in onder­druk­king. (Om anachronisme te voorkomen is Mitsraïm niet vertaald met Egypte).

   Mitsraïm is de bijbelse naam voor Egypte. Er zijn leraren die zeggen: mi-tsarar, vanwaar je gejend, gesard wordt, treiterland. Mitsraïm, het sarland, treiterland.

   Op dezelfde wijze is midbar gewoon woestijn. Maar er zijn leraren die zeggen min-dabar, dat kun je ook lezen als min-dabar, vanwaar het woord. Hét woord komt uit de woestijn – uit waar je zelf je eigen weg moet zoeken, uit waar je leven iets anders is dan een ouwe jas die je maar moet aantrekken. Nee, min-dabar, vanwaar het woord. En als het woord komt, wanneer je kijk begint te krijgen op [10] , dan vindt inspiratie plaats, in-spiritus, de geest van de/het andere. Dan ben je niet meer alleen.

  

Exodus begint (als de eerste beel­den van een film) nogal amorf, met vage perso­nen en motieven, anoniem, alge­meen. Plotse­ling wordt het con­creet. Personen komen in beeld. Na­men wor­den men­sen. Mosjeh. Wij zeggen in de regel (- waarom eigenlijk? Onder invloed van Grieken en Romeinen) Mozes.

De "vertaling" is een woordelijke weergave van het hebreeuws als dat bestaat. Wanneer dit je erg stoort: leg er een gangbare vertaling naast. Vaak kun je dan ook zien wat in de vertalingen wegvalt.

 

 
beneej Jisraeel, de kinderen van Israel

 

1. De namen.  Exodus 1,1-7.

Begin: onderwerp.

1. En dit [11] - namen van de zonen van Jisraëel, die gekomen zijn naar Mitsraïm  met Jacob,
- ieder met zijn huis, ze zijn gekomen:
2 Ruben, Simeon, Levi en Juda;
3 Issakar, Zebulon en Benjamin;
4 Dan en Naftali, Gad en Aser.
5 En het geschiedt - alle zielen uitgaand uit de lendenen van Jakob, zeventig zielen.
Maar Joseef is in Mitsraïm.
6 Joseef nu sterft, en al zijn broers en heel dat geslacht.
7 Maar de zonen van Jisraëel -     ze zijn vruchtbaar en breiden zich uit;
zij vermenigvuldigen zich en worden talrijk, zeer zeer
en gevuld is het land, met hen.

Zeven regels aan het hoofd vormen kort en bondig de ouverture tot het hoofdverhaal van de TeNach [12] , - de kern van de Tora, - over slavernij en bevrijding, over G-d [13] die bevrijdt. Namen worden genoemd. Iedere naam is een verhaal. Al die namen brengen wie het weten wil tot degenen die de pharoa wil reduceren tot pionnen op zijn bord van willekeur.

1. Slavernij - Je hebt al wat meer kennis gemaakt met eerste hoofdlijnen in de bijbelse literatuur. Bij het woord Egypte-Mitsraïm weet je derhalve al van de dreigende slavernij. Bij ‘met Jacob naar Mits­raïm geko­men’ moet je - al enigermate betrokken - je hart vast­hou­den. Want met Mitsraïm be­gint het ver­haal over die mens­onterende slavernij - nog steeds zo herkenbaar in onze wereld. De tekst veronder­stelt je onrust. Daarop ver­volgt het verhaal: Je hoeft niet bang te zijn: Jozef is al in Mitsraïm/Egypte!

2. Zeventig volke­ren - Het aantal 70 vind je al in Genesis 46,27. Zie ook Deuteronomium 10,22. Het loopt parallel met de lijst van de volkeren in Genesis 11. Bijbels gesproken bestaan er op deze wereld 70 volkeren [14] . Als vraag kun je stellen: Heeft die overeenkomst iets te betekenen?  De twaalf zonen van Jacob (Israël) worden de zeventig (heel de wereld). Israël wordt a.h.w. ‘de wereld’. Daarmee roept de tekst een vermoeden op.

   De geschiedenis van Israël is  een particulie­re geschiede­nis, namelijk de geschiedenis van één volk, van ‘de zonen van (Abraham, Isaac en) Jacob’. Het lijkt erop, dat de geschiedenis van deze twaalf –zo je wilt - representatief wordt gemaakt voor wat er aan de hand is met ‘onze wereld’. De particuliere geschiedenis als beeld voor de algemene gang van zaken. De slavernij, het klein houden van een volk, wordt een beeld van hoe wij [15] in onze wereld met mensen omgaan, of hoe onze wereld met mensen omgaat.

Wellicht ook interessant om te weten

3. Levi­nas, Frans/Joods filosoof, zegt, dat de Israël in de Talmoed niet de aanduiding is van een volk. Israël is vaak de aanduiding voor een kwaliteit van het mens-zijn. Voor welke kwaliteit? (Qualis is latijn. Het betekent ‘hoedanig?’) Kwaliteit is "hoedanigheid". De kwaliteit van het ‘niet-natuurlij­ke’, ‘niet-vanzelfsprekende’, van ‘geroepen worden’ en ‘verantwoor­de­lijkheid’.

4. Bij Lukas vind je ‘zeventig leer­lingen’ (sommige teksten geven twee-en-zeventig - Lk 10,1.17. In de Septuaginta en Handelingen (7,14) wordt het getal vijfenze­ventig genoemd.

5. Er zijn tradities die bij Jona 1,5 zeg­gen:’Er zijn 70 beman­ningsleden aan boord, uit elk volk een. Alle goden ter wereld wor­den tij­dens die fameuze storm aange­roepen. Alleen de G-d van Isra­ël niet. Jona slaapt. Jona hoeft niet te bidden. Hij weet waar die storm vandaan komt!)

6. Exodus 1,5, zie Genesis 1. Zo ook: voor Exodus 1,8 zie Richteren 2,10.

 

2. De Slavernij een feit.

Exodus 1,8-14

 

Een nieuw onderwerp.
De "vertaling" is een woordelijke weergave van het hebreeuws als dat bestaat
.


8 Dan staat een nieuwe koning op over Mitsraïm, die Joseef niet kent.
9 Hij zegt tot zijn volk:
Zie, - het volk van de zonen van Jisraëel is ons te veel en te sterk.
10 Welnu, laten wij vooral wat ons betreft wijs tegen hem zijn, zodat het niet veel wordt
-   en het zal geschieden:
a
ls ‘oorlog’ geroepen wordt, dat het zich ook toevoegt aan wie ons haten
en vecht tegen ons en optrekt uit het land.

11 Daarom stellen ze opzichters van herendiensten erover aan
om het te onderdrukken door dwangar­beid:
het moet bouwen voorraadsteden voor phar'o, Pitom en Raämses.
12 Maar zoals ze het onderdrukken zo groeit het en het breidt zich uit
en ze gruwen voor het gezicht van de zonen van Israël.
13 Mitsraïm doet de zonen van Jisraëel onder mishandeling dienen.
14 en zij maken bitter hun leven door harde dienst
-
met leem en met tichelstenen en met alle dienst op het veld
alle hun dienst waarmee zij hen doen dienen onder mishandeling.

1. Nieuw. - Een nieuwe koning. Hij heeft dus van Jozef ‘nooit gehoord’. Hij heeft met Jozef ‘dus ook niks te maken’. Hij is een nieuweling. Iemand die ‘pas komt kijken’ en daarom ‘van niets’ weet. Je zegt: ‘Jozef’, en hij heeft niets gehoord.

Deze nieuwe koning houdt zich aan het spreekwoord: On­bekend maakt onbemind. Hij spreekt tot zijn volk en schept afstand. Let op de woorden die hij zegt: ‘het volk van de kinderen van Israël’ en ‘wij/ons’. Zijn spreken plaatst hen tegenover ons. En over dat ‘tegenover’ is hij zeker.

2. Bedreiging en overheersing. - Het volk is groter dan wij blijkt toch een ongelukkige vertaling te zijn. Het gaat hier niet om een vergelijking, alsof de een groter is dan de ander. Veeleer is een relatie aan de orde, waar­bij de een de ander te groot is. De uitspraak van de Pharao zet de betreffende volkeren agressief tegenover elkaar. Het gevolg daarvan is nazi-taal: met beleid optreden tegen.  Hij stippelt zijn beleid uit: opzichters over slavendienst! De slavernij is een feit.

3. Onder mishandeling: geweld. - De slavernij wordt verder toegespitst met onder mishande­ling laten werken. Je vindt de uit­drukking die het hebreeuws gebruikt alleen nog in Leviticus 25,43.46 en 53. Daar gaat het over de relatie met de broer. Wanneer je onder mishandeling, als een slavendrij­ver, tegen je broer te keer gaat, dan weet je blijkbaar niet wat slavernij is. Dan leef je alsof je niets weet bij: Wij waren slaven in Mitsraïm en Hij heeft ons bevrijd. Dan wordt je iemand als de koning [16] van Exodus 1,8. Op wie lijk je dan?

4. Niet ken­nen, bang zijn voor, onderdruk­ken. - Hoe eenvoudig en herkenbaar is het geheim van de sla­vernij

 

3. De vroedvrouwen.

Exodus 1,15-22.

Een nieuwe situatie.
De "vertaling" is een woordelijke weergave van het hebreeuws als dat bestaat
.

15 De koning van Mitsraïm nu zegt de vroedvrouwen der Hebreeuwse vrouwen,
van wie de een Sifra heet en de ander Pua.
16 Hij zegt - bij het doen baren van de Hebreeuwse vrouwen moeten jullie goed zien
naar het harde tweevoud [17]
als hij een zoon is, dan moeten jullie hem doden,
en als zij een dochter is, zij zal leven.
17 Maar de vroedvrouwen vrezen G-d en ze doen niet
wat de koning van Mitsraïm tot hen gezegd heeft, en zij laten de jongens leven.
18 De koning van Mitsraïm roept daarop de vroedvrouwen
en hij zegt hun: Waarom hebben jullie dit woord gedaan en laten jullie de jongens leven?
19 De vroedvrouwen zeggen tot Phar'o:
De Hebreeuwse vrouwen zijn niet als die van Mitsraïm; want sterk [18] zijn zij:
voordat een vroedvrouw bij haar komt hebben zij al gebaard.
20 En G-d doet de vroedvrouwen goed;
het volk vermenigvuldigt zich en wordt zeer talrijk.
21 En het geschiedt: omdat de vroedvrouwen G-d vrezen geeft Hij hen huizen.
22 Phar'o gebiedt aan heel zijn volk zeggend:
elke zoon geboren, - werp hem de Jeoor in,
en elke dochter laat haar leven.

De bedoeling van de slavernij wordt concreet gemaakt in het tweede agenda-punt van de pharao. Eerst stelt hij slavendrijvers aan. Vervolgens richt hij zich nu de vroed­vrou­wen. Zij moeten goed toe­zien bij de beval­ling. Waarom die toevoeging ‘goed’? Die extra aandacht blijkt gemotiveerd. De jongetjes moeten gedood worden.

1. Het is de vraag of de vroedvrouwen Joodse vrouwen zijn. Het kunnen ook Egyptische vrouwen. Dergelijke tradities geven aan dat er algemeen verzet is tegen de arrogantie van de pharao. Met vrouwen begint het verzet tegen de bestaande orde van de slavernij. Zij zijn het begin van iets echt anders.

   (Er zijn ook tradities die in deze vrouwen Jochebed en Mirjam zien (volgens de mondelinge traditie de moeder en zus van Mozes – Ginzberg, Legends of the Jews, III, 252). Zij zouden dezelfde zijn als Siphra (vogel?) en Pua (rood?). Weer anderen zeggen dat Pua dezelfde is als Elisjeva, de vrouw van Aäron, de schoondochter van Jochebed. Mirjam zou gehuwd zijn met Kaleb. Samen met Jozua is hij een van de twee goede getuigen voor het land in het verhaal van de verspieders – Numeri 13. Uit de verbinding van Mirjam met Kaleb zou het koninklijke geslacht van David stammen. Daarmee is ze ook een van de stammoeders van de Messiach. Tegelijk is aangegeven waar de legende zich op baseert die zegt dat Jezus van een priesterfamilie afstamt. [19] )

2. Van vroedvrouwen naar heel het volk. - De vroedvrouwen voeren de opdracht van de pharao niet uit. Hun solidariteit met de slachtoffers resul­teert in een op­dracht aan het hele volk. De onder­drukking - eerst nog bijna clandestien, onttrokken aan het oog van de wereld - wordt uitgebreid, een publieke zaak, voor heel het volk!

   Tegelijkertijd krijgen de vroedvrou­wen hui­zen. Vroedvrouwen waren in die tijd meestal vrouwen  die zelf geen kinderen had­den. Zij krij­gen nu ‘plaat­sen’ waar ze zelf thuis zijn. Voor huizen zie ook Ruth 4,12 en 2Samuel 7,11.

3. De Jeoor, in de regel weergegeven met ‘Nijl’, betekent leven en vruchtbaarheid voor Egyp­te. De rivier die leven geeft wordt een rivier des doods dank­zij de hogere macht van de pharao. Waarom de jongetjes? Zie Exodus 1,10. Zij zouden zich later kunnen aansluiten bij de tegenstanders en tegen Mitsraïem ten strijde trekken om uit te kunnen trekken. 

   (Een verhaal vertelt dat de droom van de pharao plaats vindt in het 113e jaar nadat Israël in Egypte gekomen is. In de droom ziet hij een oud man met een weegschaal in de hand. In de ene schaal ligt een kind. In de andere schaal legt hij al de ouderen, de edelen en de wijzen van Egypte. Het kind geeft de doorslag. Een kind legt meer gewicht in de schaal dan alles wat aanzien en betekenis heeft. De wijzen leggen de droom uit. Een groot kwaad zal over Egypte komen. Een zoon zal geboren worden voor Israël en dat zal het einde betekenen voor heel Egypte. Daarom besluit de pharao alle jongetjes te willen doden. Daarop protesteren de Egyptenaren. Geen Egyptenaar zal zijn hand opheffen tegen Egypte. Daarop besluit de pharao alle Hebreeuwse jongetjes te doden. (Ginzberg, II, p.254; V, p.393, n.21.

4. Let op de betekenis: G-d vrezen is niet doden, laten leven. Zij vergrijpen zich niet aan de weerlozen. Zo kom je bij de fundamentele mensenrechten. G-d vrezen betekent iets doen.

 

4. Rondom een kind.

Exodus 2,1-4.

Een nieuw onderwerp.
De "vertaling" is een woordelijke weergave van het hebreeuws als dat bestaat
.

1. Een man uit het huis van Levi gaat en hij neemt een dochter van Levi.
2. Zwanger baart de vrouw een zoon.
Zij ziet dat hij goed is,  en ze verbergt hem drie maanden.
3 Ze kan niet langer hem verborgen houden en ze neemt voor hem een biezen kistje,
asfalteert het met asfalt en pek, zet het kind erin
en zet het in het riet aan de oever van de Nijl.
4 Zijn zus gaat op enige afstand staan om te weten wat er met hem zou gebeuren.

Na Exodus 1 is de slavernij een feit. De Je-oor/Nijl is een open mond. In die omstandigheden begint een nieuw verhaal: een man, een vrouw, een kind. Zie ook Mattheüs 1,18 en Lukas 1-2.

1. Het kind is - in weerwil van de vertalin­gen - tob, goed. Zie daartoe Genesis 1. Het eerste dat Genesis 1 goed noemt is het licht. Is dit kind licht in de duisternis? Is Pasen nabij?

2. Licht - De taal van ‘het licht in de duisternis’ ken je wellicht van Kerstmis. Maar kerstmis is bijbels gesproken een relatief laat feest, ontstaan midden vierde eeuw. In die tijd ontstaat de behoefte om alles te dateren (:’Hier is het gebeurd’; ‘Toen en toen is het gebeurd’). Uit dezelfde tijd dateren ook de meeste historische of heilige plaatsen in Israël. Waarom de 4e eeuw? In die tijd wordt het christendom de officiële staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk. De hoofdsteden van dat Romeinse Rijk zijn Constanti­no­pel en Rome.

   ‘Licht in het duister’ hoort bij het exodus-­verhaal. Daarom ook vind je het in de liturgie van de paasnacht in de katholieke kerken van het Oosten en het Westen. Denk aan het Paasvuur, de Paaskaars, het Paaslicht - met alle daarbij horende vreugde. (Ook de doopkaars krijgt zijn licht van de paaskaars.)

3. Van meewerkend voorwerp naar onderwerp - Nadat de namen van de zonen van Jacob genoemd zijn laat de nieuwe ko­ning de nachtmerrie van de sla­vernij los. Daarop volgt de beraamde moordaanslag. Vrouwen worden (als meewerkend voor­werp) erbij gehaald. De vroedvrouwen zullen de hebreeuwse jongetjes moeten doden. Maar vrouwen worden op een geheel andere wijze onderwerp in Exo­dus. Zie daartoe de vroed­vrouwen, de moe­der, de zus. Zie ver­derop ook de dochter van Pha­rao en de doch­ters van Jethro.

4. Namen en Naam - Behalve de naam van de stam, Levi, worden er geen namen genoemd. Voort­durend zal men vra­gen naar de naam. Wanneer dan eindelijk een naam genoemd wordt krijgt die alle nadruk: Mo­sjeh! Mozes.

5. Het biezen kistje. - Het woord (tevah in het hebreeuws) vindt je alleen hier en in het verhaal over de ‘sont-’ of oer­vloed.

   Je moet je een gevlochten, rieten tas voorstellen, wat te kort gevlochten zodat de randen omhoog gaan staan. Het matje wordt dan een mandje. In zo'n rieten mat werden de doden gerold voor hun begrafenis. Ze strijkt pek aan de binnenkant om de zaak wat langer te laten drijven. Zo werden langs de Nijl en op de Eufraat en de Tigris bootjes gemaakt, rieten tobben die we kennen uit de reliëfs bijvoorbeeld van Ninivé in het British Museum in Londen. Blijkbaar heeft dit kistje te maken met die drijvende doodskist waarin rechtvaardige Noach zijn woord aan het bewaren is.


5. Uit het water getrokken.

Exodus 2,5-10.

Een nieuw onderwerp.
De "vertaling" is een woordelijke weergave van het hebreeuws als dat bestaat
.

5 De dochter van Phar'o daalt af om te baden in de Je-oor,
en haar meisjes aan aan de rand van de Je-oor.
Ze ziet het kistje te midden van het riet, zendt haar dienares en ze neemt het.
6 Zij maakt het open en ziet hem, het kind, en zie: een huilend jongetje,
Ze krijgt medelijden met hem en zegt: uit de Hebreeuwse kinderen is deze.
7 Dan zegt zijn zus tot de dochter van Phar'o:
Zal ik voor jou een voedster uit de Hebreeuwse vrouwen gaan roepen.
Zij zal voor jou het kind zogen?
8 Tot haar zegt de dochter van Phar'o: Ga.
Het meisje gaat en roept de moeder van het kind.
9 En de dochter van Phar'o zegt tot haar:
Neem dit kind mee en zoog het voor mij, en ik, ik zal je geven je loon.
De vrouw neemt het kind en zoogt het.
10 Het kind wordt groot en zij brengt het naar de dochter van Phar'o;
hij is voor haar als zoon.
Zij roept zijn naam Mosjeh, en ze zegt: want ik heb hem uit het water getrokken.

1. Zie de bedrijvigheid langs het water. Alsof er geen vuiltje aan de lucht is: het hof gaat uit. De prinses en haar dames maken een bescheiden uitje om te gaan baden. Mirjam, het zusje van het kind heeft zich al verstopt tussen het riet aande oever. Het kistje wordt opgemerkt. Een dienstmeisje wordt gestuurd.

2. Hoe weet men dat het een joods kind is? Je moet dan niet nadenken, maar letten op wat de tekst noemt voor­dat het kind een ‘hebreeuws kind’ ge­noemd wordt. Het huilt. Ieder kind huilt! ‘Zo is de wereld. Ieder kind moet ge­vonden worden, ontferming vinden.’

3. Tegenover ‘niet kennen, bang zijn voor, onderdrukken’ staat zoiets als medelijden hebben met, herkennen, je betrokken voelen. Daarop volgt concreet een daad.

4. Mosjeh: uit het water getrokken. De naam Mosjeh is etymolo­gisch een Egyp­tische naam. MSS betekent ‘zoon van’. Denk aan Ramses, Thutmozes. Toch geeft de Schrift een eigen woord­verkla­ring: ik heb hem uit het water getrokken. Zijn naam is een programma: wat dit kind overkomen is zal hij anderen doen over­komen. Daarmee prelu­deert de tekst al op de doortocht door de Rietzee (Schelf­zee, ‘Rode Zee’). (Je kunt ook denken aan een zin als:’The only purpose of freedom is to create it for others’.)                       

           

6. Drie portretten van Mosjeh.

Exodus 2,11-23.

Een nieuw onderwerp.
De "vertaling" is een woordelijke weergave van het hebreeuws als dat bestaat
.

11 En het geschiedt [20] -- in die dagen -
Mosjeh is groot geworden was en hij gaat uit [21] naar zijn broers
en hij ziet hun dwangar­beid [22] .                 (vgl 2,25; 3,7.9)

Hij ziet een Mitsraïm-man slaand een Hebreeer-man van zijn broers.
12 Hij kijkt naar alle kanten, en hij ziet dat er niemand is.
Hij slaat hij de Mitsri en verbergt hem in het zand.
13 Op de tweede dag gaat hij uit, zie, twee Hebreeuwse mannen vechten.
Hij zegt tot de afbreker: Waarom sla jij je naaste?
14 Hij zegt: Wie heeft jou gesteld tot overste en rechter over ons?
Spreek je soms om mij om te brengen zoals gij de Mitsri omgebracht hebt?
Dan vreest Mosjeh, zeggend: Jazeker, bekend geworden is het woord [23] .
15 Phar'o hoort dit woord en zoekt Mosjeh om te brengen.
Mosjeh vlucht van voor het aangezicht van Phar'o. Hij gaat zitten in het land Midjan
en gaat zitten bij de bron.
16 De priester van Midjan nu heeft zeven dochters.
Zij komen en ze putten en vullen de drinkbakken  om de kudde van hun vader te laten drinken.
17 Dan komen herders en jagen hen weg.
Mosjeh staat dan op en helpt hen. Hij laat hun kudde drinken.
18 Zij komen bij hun vader Reüel,
en hij zegt: Waarom komen jullie vandaag zo gehaast terug?
19 Zij zeggen: Een Mitsri heeft ons geholpen uit de hand van de herders.
Puttend heeft hij voor ons geput en de kudde te drinken gegeven.
20 Hij zegt tot zijn dochters: En waar is hij?
Waarom heb je die man achtergelaten? Roep hem om brood te eten.
21 Mosjeh stemt daarop toe bij de man te verblijven.
Deze geeft zijn dochter Sippora aan Mosjeh.
22 Zij baart een zoon en hij roept zijn naam Gersom,
want, zegt hij: ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land.

Van Ex 2,13-22 geeft de tekst drie por­tretten van Mosjeh. Wie is hij? Wat is het voor mens? Waaraan is hij te herkennen?

1. De tekst neemt de lezer/toehoorder mee naar een Mosjeh die groot geworden is. We horen hoe hij uitgaat naar zijn broers om te zien naar hun dwangarbeid. Let op die woorden. ‘Uitgaan’ en ‘zien’ zullen in exodus nog furore maken.

Terstond aan het begin, wanneer Mosjeh zelf na zijn huilen als drie maanden oud kindje onderwerp wordt, gebruikt de tekst rond Mosjeh het woord broers, en wel ‘zijn broers’. De toevoeging ‘zijn’ geeft een relatie aan. Duiden relaties consequenties aan?

2. Let op de situatie. Wat krijgt Mosjeh te zien? Een Egypte­naar slaat een Hebreeër, een van zijn broers. Let op de aard van die verhouding. Het is geen verhou­ding tussen gelijken. Hier is sprake van ‘cipier en gevan­ge­ne’, beul en slachtoffer. Het is een verhouding waarin woorden niet helpen. Praten heeft geen zin. (In het volgende verhaal, bij de onenigheid tussen twee He­breeuwse mannen, zal Mozes wel praten.)

Mosjeh slaat. Als je goed op de woorden let: hij ziet de Egyptenaar slaan en hij slaat ook.‘Hij doet wat hij ziet doen aan wie het doet’ (M.Buber, Werke II, 44.) Pas bij ‘verbergen in het zand’ blijkt er een dode geval­len te zijn.

3. Waarom kijkt Mosjeh rond en ziet hij zo uitdrukkelijk dat er niemand is? Is hij bang? Is hij - zo vaak vermoed in de traditie - een soort stiekemerd die kijkt of de kust veilig is? Er is geen rede om dat aan te nemen. Mosjeh ziet dat er niemand is. Hij is dus de enige die iets kan doen. Wat hij ziet maakt hem verantwoordelijk en hij neemt die verantwoordelijkheid.

4. Daarna is er de ruzie tussen de twee gelijken. Blijkbaar is de schuldige degene die aange­sproken wordt. Waarom Mosjeh zich als een rechter gedraagt! Wie heeft hem aangesteld. Het lijkt veel op de vraag die later in de woestijn vaker gesteld zal worden. Wie heeft jou aangesteld? Waarom moest jij zo nodig? Mosjeh daad van bevrijding is een publiek geheim gebleken. De daad is toch bekend gewor­den. Mosjeh vlucht de woestijn in. Blijkbaar niet zonder reden: De pharao zoekt hem te doden.

5. Je zou verwachten: Mosjeh is nu door schade en schande wijs geworden. Hij zal er zich nu niet meer mee bemoeien. Maar bij de dochters van Jethro, - lastig gevallen door ‘de herders’ - blijkt Mo­sjeh het weer of nog steeds niet te kunnen laten. Weer neemt hij het op voor de zwakkeren. En zijn bevrijding is niet enkel doen wat hij doen moet, maar meer doen dan hij verantwoordelijk is.

6. Daar vindt Mosjeh zijn Nachtegaal (Tsippor­ah). Het kind dat geboren wordt heet Gersom:’Een vreemde­ling ben ik geworden in een vreemd land’. De naam is een label. Hij beschrijft wat er aan de hand is met het kind. Hij be­schrijft ook de situatie van Mosjeh zelf. Hij be­schrijft tenslotte ook de situatie van Israël.

 

7. Horen, zien en kennen,

Exodus 2,23-25.

Nieuw tijd, nieuw onderwerp.

23 En het geschiedt na die vele dagen -     de koning van Mitsraïm sterft
en de kinderen van Jisraëel zuchten nog steeds onder de dienst en schreeuwen het uit.
Hun hulpgeroep stijgt op tot G-d uit de dienst.
24 G-d nu hoort hun klacht.G-d gedenkt zijn verbond met Abraham, Isaak en Jakob.
25 G-d ziet de kinderen van Jiraëel
en G-d kent.

Situatie. En het geschiedde na die vele dagen geeft de tekst wanneer je meer letterlijk ver­taalt. Vele dagen: bijvoeglijke naam­woorden zijn relatief zeldzaam. Er mag dus extra aandacht zijn voor vele dagen. De traditie zegt: 400 jaar!

1. De slavernij is niet ‘van voorbijgaande aard’. Toch: ook de dagen van de onderdrukker duren niet eeuwig. Eens komt ook zijn tijd. De koning van Egypte sterft. En alsof zijn koningschap als een donkere wolk boven het land hing, nu pas klinkt de klacht van de slaven op naar omhoog, naar G-d, vanuit hun knechtschap. G-d hoort, herinnert zich de vaderen, ziet en kent. Horen, zien en kennen is volstrekt het tegendeel van: horen zien en zwijgen.

2. Abraham, Isaak en Jacob. Drie namen. Zij zijn te zien als een samenvatting van Genesis.

3. Zo weergegeven als het in de voor­afgaande regel staat, staat het niet in de tekst. In het hebreeuws staat: G-d (Elohiem, afgekort El, bijv. in Imm/anoe/el, Nathanael, Gabriël, Micha­ël) hoort, G-d herinnert zich, G-d ziet, G-d kent. Na heel die afwezigheid van de naam van G-d presenteert de tekst hier een geheel nieuwe pagina, een binnen Exodus tot nu toe nieuw onder­werp. Betekent dat iets? Heel de rest is er het gevolg van.

4. Horen, zien en kennen blijken gebaseerd op G-ds ‘zich herinneren’. God herinnert zich. Voor hem gaat het verleden verder terug dan "daarnet". Hij zal niet vergeten. Wat zal hij niet vergeten? Zo vallen de namen van de vaderen als zaad in de akker. Welke akker is dat en wat zal de vrucht zijn?

                                                                                             

8. De brandende braamstruik. Exodus 3,1-10.

Verandering van tijd, plaats en onderwerp.

1. En Mosjeh -  geschiedt,
herder zijnde voor de kudde van zijn schoonvader Jethro, de priester van Midjan.
Hij herdert de kudde achter de woestijn en hij komt bij de berg G-ds, de Choreb.
2 Een engel van de Heer laat zich aan hem zien als een laaiende vlam
 
uit het midden van een braamstruik.
Hij kijkt, -     en zie, de braamstruik staat in brand, maar wordt niet verteerd.
3 Mosjeh zegt: Laat ik toch afwijken om te zien dat groot zichtbare:
waarom verbrandt de braam­struik niet.
4 De Heer ziet, dat hij het gaat bezien.
G-d roept hem toe uit het midden van de braamstruik -  en zegt: Mosjeh, Mosjeh!
En hij antwoordt: Hier ben ik.
5 Hij zegt: Kom niet dichterbij hier:
maak los van bovenaf je schoeisel, want de plaats -  waarop je staat is grond van heiligheid.
6 Hij zegt: - Ik ben de G-d van je vader, 
de G-d van Abraham, de G-d van Isaak en de G-d van Jakob.
Daarop verbergt Mosjeh zijn aangezicht, want hij vreest G-d te schouwen.
7 De Heer zegt: Ik heb ziende de ellende van mijn volk in Mitsraïm gezien.
Ik heb hun gejammer over hun drijvers gehoord, ja, ik ken hun smarten.
8 Ik ben ben afge­daald ---    om hen te redden -     uit de hand van de Mitsriem
en om hen op te voeren uit dit land naar een goed en wijd land,
  een land vloeiend van melk en honig,
naar de ­plaats van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten,
  Perizieten, Chiwwie­ten en Jebusie­ten.
9 En nu --  zie, het gejammer van de kinderen van Jisraëel is gekomen tot mij;
ook heb Ik gezien de verdrukking waarmee de Mitsriem hen verdruk­ken.
10 Nu ga, ik zend jou [24] tot Phar'o,
   om uit te brengen mijn volk,  de kinderen van Jisraëel uit Mitsraïm. 

1.  Intussen is Mosjeh bezig, herder te zijn voor de kudde van zijn schoonvader - een plaatje apart. Het verdient alle aandacht: Pastor Mosjeh. We horen over hem en de kudde. Zo zullen we hem nog vaker tegen komen, met de kudde, met het volk, tot in Johannes 10 toe. (Afbeeldingen van de goede herder zijn bekend vanouds. Zie ook het beeld bij de hoofdin­gang van de IPABO in Am­sterdam.)

2.  Met zijn kudde komt hij bij de berg G-ds, achter de woestijn. Waar is dat? Vanuit Egypte gezien is het bij de Jordaan, vanuit Israël gezien is het bij de ‘Rode Zee’. Kijk je in een Atlas van de Bijbel dan zie je de Sinaï gelokaliseerd, ergens ‘midden in de Negev’. Hoe dan ook: Mosjeh heeft bij wijze van spreken, hier al ‘de woestijn achter de rug’. Is dit ‘bergen verplaatsen’? Deze berg ligt in ieder geval in Exodus 3

3. De brandende struik: Een engel van de Heer laat zich zien. Een engel is vaak ‘G-d naar het ondermaanse gekeerd’, G-d bij wijze van spreken (Zie bijv. Genesis 18). Bij een engel moet je je niet een figuur met onmeetbare vleugels voorstellen, maar dien je te vragen: wat is er te horen, wat wordt te verstaan gegeven? Een engel vertolkt van al zo hoge welke woorden horen bij dat wat gebeurt. De engel geeft antwoord op de vraag: waar gaat het over.

4.Telkens als de gangbare tekst het in zijn vertaling heeft over ‘verschijnen’ moet je je goed realiseren, dat het Hebreeuws het heeft over zien, zich laten zien en gezien worden. Het heeft niets met verschijningen te maken. Het gaat over een proces verbaal, een tekst, om te lezen. Bijbels lezen is oorspronkelijk altijd hardop. Bij lezen hoort dan ook horen. Zie Deuteronomium 6,4!

5. Mosjeh gaat om te zien. Hij krijgt te horen! Die twee werkwoorden lijken steeds ruzie met elkaar te maken. Aan het oog geven we ons sneller gewonnen dan aan wat we horen. Israël mag geen beelden maken. De grondtekst van de synagoge is Hoor Israël de Heer is onze G-d, de Heer is één.(Zie eind vorige opmerking.)

6.Waarom laat G-d Mozes dit gebeuren zien? Omdat hij (Mozes) denkt dat de Egyptenaren de kinderen van Israël verteren. G-d laat hem een vuur zien dat brandt maar niet verteert. Hij zegt hem:'Precies zoals de doornstruik brandt en niet verteerd wordt, zo zullen de Egyptenaren niet in staat zijn Israël te vernietigen’ (Ex.R.2,5). De struik is als het volk in de slavernij: hij brandt maar verbrandt niet. (De brandende struik heet in het hebreeuws siné. Je hoort: Sinaï, de berg waar het geheim van de bevrijding, het verbond gesloten wordt.)

7. Mosjeh wordt geroepen. Hij is terstond beschikbaar. Zoals Abraham. Zoals Samuël.

8. De sandalen van zijn voeten. Er is een direct contact met de grond. Zoals Jozua voor Jericho (Jozua 5,15), zoals ook de dienst­doende priesters in het heiligdom op de berg, in de Tempel in Jerusalem (Ex.R.2,6).

9. Let op: ‘G-d’ wordt steeds verbonden met de namen van de vaders. Niet direct G-d of onze G-d, maar de G-d van Abraham, de G-d van Isaac, de G-d van Jacob. Iedere naam wordt afzonderlijk genoemd. G-d is voor ieder van hen een andere ervaring: ieder heeft zijn eigen levensverhaal. Tegenover Mosjeh, begint de zelfidentificatie van G-d met de G-d van je vader’. Het begint thuis. Daar begint je leven, jouw  proces van voortdurend leren.

10. De schrijver en dus ook de lezer, weet meer dan Mosjeh. Mozes moet stapje voor stapje ontdekken wat er aan de hand is. Daarbij zal ‘zien’ vervangen worden door ‘woorden om te horen’. De struik wordt een stem, de stem een verhaal, het verhaal is ‘wat zal gebeuren’.

  9. De Naam.

Exodus 3,11-15.

Ik en jij en de naam
11. En hij spreekt - Mosjeh tot G-d: wie ben ik, dat ik naar Phar'o zal
dat ik de kinderen van Jisraëel uit Mitsraïm zal leiden?
12 Daarop zegt hij want ik zal zijn met jou!
en dit zal voor jou het teken zijn dat ìk je gezonden heb:
de dag dat jij hebt doen uitgaan het volk uit Mitsraïm zul je G-d dienen op deze berg.
13 Mosjeh zegt G-d -     Zie ik kom tot de kinderen van Jisraëel en zeg hen:
De G-d van jullie vaderen heeft mij tot jullie gezonden.
Dan zeggen zij mij: hoe is zijn naam? Wat zal ik hun dan antwoorden?
14 G-d zegt -      tot Mosjeh:  ik zal zijn als ik zal zijn.
Hij zegt -  zo zul je zeggen tot de kinderen van Jisraëel:
Ik zal zijn heeft mij tot jullie gezonden.
15 Ook nog zegt G-d tot Mosjeh: -     zo zult je zeggen tot de kinderen van Israël:
De Heer, de G-d van jullie vaderen, de G-d van Abraham, de G-d van Isaak
en de G-d van Jakob, zendt mij tot jullie.
Dit is mijn naam voor eeuwig en zo wil ik herinnerd worden van geslacht tot geslacht.

1.  De Naam. De woorden brengen als geheim met zich mee de Naam van G-d. Na Elohiem zal het tetragram, G-ds eigen Naam in vier (gr.: tettares) letters (grammata) geïntroduceerd en uitgelegd wor­den.

2.De uitleg van het onvoorziene onderwerp (G-d) begint thuis, de G-d van je vader. Pas daarna, na het naadloos aansluiten bij waar ieder begint, thuis, de beginsitua­tie, geeft de tekst de aanslui­ting bij het grotere geheel:’De G-d van Abraham, Izaak en Jacob’.

3. G-d zien betekent sterven. Daarom bedekt Mosjeh zijn gelaat. Een andere verklaring zegt:”Jij liet zien dat je ontzag voor me had. Je bedekte je gezicht toen ik mij aan je wilde laten zien. Wees ervan overtuigd: daarom zul je 40 dagen en 40 nachten bij mij zijn op de berg” (Ex R.III, 2).

4. G-d heeft zich genoemd als een G-d van mensen, de G-d van je thuis, de G-d van Abraham, de G-d van Isaak en de G-d van Jakob. En deze G-d laat zich kennen als iemand die ogen heeft: raoh raïthi, ‘ziende heb ik gezien’, terdege heb ik gezien. Wat heeft hij gezien, waar heeft hij oog voor? ... ani ammi, de ‘noodkreet van mijn volk [25] ‘, in Egypte.

5. V.7: Horen, zien, kennen. Die reeks is al eerder gezien. Zij blijkt niet toevallig. Er bestaat blijkbaar een variant op ‘Horen, zien en zwijgen’.

6. Uiteindelijk wordt de naam van Mosjeh gekoppeld aan het onderwerp van heel dat spre­ken: Welnu, kom, ik stuur jou.

7. Mosjeh vraagt: Wie ben ik... Hij vraagt naar zijn identiteit. Hij krijgt te horen dat zijn identi­teit op een niet te vermoeden wijze ge­wijzigd is. Wie ben ik, krijgt als ant­woord: Ik zal zijn met jou. G-d maakt zich bekend zich als zijn toekomst, de komende. En van díe ‘ik’ is hij de gezondene.
  Een andere verklaring zegt: Mozes vraagt naar de naam van G-d omdat hij zijn volk al de Grote Naam van G-d bekend wil maken die hem op de Sinai geopenbaard zal worden (Ex.R.III,5).

8. Vanaf Ik zal met je zijn is G-d niet meer los verkrijgbaar. Als het over G-d gaat zal over hem gesproken worden via deze Mosjeh die daarnet gehoord heeft, dat hij een mens met een missie geworden is.

9. Waarom zullen ‘ze’ vragen: hoe is zijn naam? Zij horen: G-d van jullie vaderen, maar zij weten blijkbaar niet waar dat over gaat. Ze hebben van die G-d geen ervaring. Hoe is zijn naam? Waaraan is hij te herkennen? Hoe is hij kenbaar? hoe toegan­kelijk? aanspreekbaar?

10. Ex 3,14: Ehjeh asjer Ehjeh, Ik zal zijn als/die ik zal zijn. Over de betekenis van die tekst is veel nagedacht, zonder al te veel resultaat. Duidelijk is dat het niet gaat over :’To be or not to be, that is the question.’  Het gaat ook niet over het abstracte zijn. Zijn is daarnet al persoons-betrokken beschreven: met jou. De betekenis van de tekst moet gezocht worden in de richting van een persoonlijke en betrokken aanwezigheid - een aanwezigheid waar je iets van merkt, zoals je soms kunt voelen dat iemand naar je kijkt. ’Ga je gang, begin maar, durf het aan op weg te gaan, in je doen en laten zul je merken dat ik er ben’, simpeler gezegd:’Je bent niet alleen’. In de taal van een kind kun je als omschrijving proberen: ’Ik ben er ook nog’ - terwijl je de ander aankijkt. Meer dan je woorden zegt je zien waar je woorden voor zoekt. Daarmee is G-d niet hanteerbaar geworden, niet objectiveerbaar. Hij blijft zich ontrekken, is niet beschikbaar­heid, niet voorhanden. Hij blijkt meer garantie voor wat op mij toe­komt, mijn toekomst.

‘Ik zal bij je zijn heeft mij tot jullie gezonden’ - dat zal de sleutel zijn waarmee Mosjeh naar het volk zonder toekomst (denk aan de slavernij en kindermoord) kan gaan.

‘Ik zal zijn die ik zal zijn’ is de uitleg van het tetragram. Die naam zal volop terugko­men bij het sluiten van het verbond bij de Sinaï.

11. Mosjeh zal proberen wat hij kan om onder zijn [26] opdracht uit te komen. Hij staat niet te trappelen om aan het werk te mogen. Uitverkiezing of uitverkoren volk klinkt in onze oren (waarom eigenlijk?) onsympathiek. Maar uitver­kiezing betekent een verantwoor­de­lijkheid meer hebben.

verder met exodus
de foto's in exodus van oude bouwwerken zijn afkomstig van abandoned places

info koningsgraven

printversie


[1] W.Barnard, Stille Omgang, Notities bij de lezing van de Schriften volgens een vroeg-middeleeuwse traditie, Brasschaat 1992 (afgekort SO). M.Buber, Die Fünf Bücher der Weisung, Fünf Bücher Des Moses verdeutscht von Martin Buber Gemeinsam mit Franz Rosenzweig, (3e) Köln 1954; C.Chalier, De Aartsmoeders, Hilversum 1987; A.Chouraqui, Noms, DDB 1974; The Midrash Rabbah I, Genesis; II, Exodus Leviticus, Vert.H.Freedman en M.Simon, Soncino, Londen - Jerusalem - New York 1977; L.Ginzberg, The Legends of the Jews, Philadelphia 1968 (Ginzberg). N.Leibowitz, Studies in Shemot, vert. A.Newman, Jerusalem 1976; E.Levinas, In de tijd van de volkeren, Leuven/Apeldoorn 1991. Tenachon 10, W.Witlau en Y.Aschkenazy, B.Folkertsma Stichting voor Talmudica, Hilversum 1987.

[2] In wat 'zomaar' gebeurt blijkt iets regelmatigs schuil te gaan. Daarom is re-flectie, je terug-buigen over, zo belangrijk.

[3] Verhalen vergroten je herinnering. Zo wordt je geheugen groter dan je privé-verleden.

  [4] ‘Vergeten is ballingschap, herinneren is verlossing’ - een beroemde spreuk van de Rabbi Israel ben Eliëzer, meer bekend onder de naam Ba'al Sjem Tov (Meester van de Goede Naam). 1700-1760. Hij was de eerste leider van de Chassidiem, een joodse beweging waarin vroomheid en vreugde grote nadruk hebben, opnieuw begonnen in het Oost-Europa van begin 18e eeuw.

  [5] Bij de profeet gaat het over een pasgeboren kind waar niemand naar omkijkt: om weggeworpen te worden - maar er is iemand die zich ontfermt, iemand die ‘ik’ zegt.

  [6] Denk aan Gen 2,18 (het is niet goed...).

[7] De dagen van de weet in Genesis 1 zijn rangtelwoorden. De tweede dag, de derde dag, enz. Alleen dag één wordt geteeld met het hoofdtelwoord. Dag één is de uitzondering. Daar begint de uittocht uit de dood (vgl Genesis 8,13 en denk aan de bekende notatie na sjabbat, op de eerste dag van de week).

  [8] De doelstelling van de bevrijding is 'het Goede'. Zie voetnoot 27.

  [9] ‘Zo'n tekst plant zichzelf voort, overleeft de eeuwen, overwintert op het papier en gaat weer bloeien, als een warme adem het  zomer maakt’ (SO 1006).

[10] Denk aan de situatie in de praktijk of bij het maken van een werkstuk. Als het moeilijk is. Als je niet meer weet hoe je verder moet. Dan moet je als het ware putten uit het niets. Dat heet bijbels de woestijn. Nu moet je wel te voorschijn komen

[11] Het rabbijnenbijbel schrijft bij we-elèh, "en dit" een Rebia, een distictief accent. Het maakt een bepaalde scheiding. De lezer moet hier a.h.w. even inhouden. Je kunt niet ‘gewoon verder lezen’. Deze leesaanwijzing (accent) vraagt uitdrukkelijk ruimte voor het volgende. ‘En daar komt het dan’. Hetzelfde accent vind je ook in I,5: het geschiedt, I,7: en de zonen van Israël, en 1,9: Zie. Deze aanwijzing om te lezen geef ik aan door een streepje (‘ - ‘).

[12] Vgl. het gesprek op de berg met Mozes en Elia: Luk 9,31.

[13] Deze wijze van schrijven poogt aan te geven, dat het uitspreken van de Naam minstens ‘niet vanzelfsprekend’ is.

[14] Zeventig is in het grieks septuaginta. Het grieks is de taal van de septuaginta, de zeventig, de volkeren. Het grieks was in die tijd wat tegenwoordig het engels is.

[15] Om niemand de schuld te geven gebruik ik hier maar wij.

[16] "For my soul is as closely related to the soul of my father as to the soul of Pharaoh." Leon Wieseltier, Kaddish, Londen, Picador, 2000, p. 281. De context is daar anders als hier, maar de zin is even duidelijk.

  [17] Ha-abnaïem, deze dualis-vorm komt alleen hier voor. Afgeleid van èben/steen? Zodoende ‘dubbele steen’, geboortestoel, e.d. Koehler/Baumgartner verwijst ook naar de Midrasj Rabbah. Ex.R.I,14:’Een andere verklaring van het woord ha-abnaïm, zegt R.Judah ben Sjim'on, is, dat God de delen van het lichaam van een vrouw zo hard als stenen maakt wanneer ze op de geboortestoel zit, anders zou ze sterven.’ De tekst maakt n.a.v. Jeremia 18,3 ook een vergelijking met het wiel van de pottenbakker. Aan elke zijde houd een been het wiel stevig vast..

[18] Chajooth van het werkwoord chajah, levend, gezond, sterk zijn, in de zin van ‘natuurkracht’. De letter ‘Jotha’ kan ook geschreven worden als de ‘Waw’. Dan lees je chawwah, verbasterd tot Eva, ki eem kol-chai, want zij is de moeder van alle leven. Chajah is verder ook verbonden met hajah, zijn (in het Aramees chawah). In Ex 3,14 zijn vormen van dit werkwoord ingezet als uitleg van G-ds Naam: èjèh asjer èjèh.

[19] Ginzberg, V p.393, noot 19.

[20] De massoreten hebben hier als leesteken een ‘staande streep’ (legarmeh), voor het eerst in Exodus. Al het voorafgaande wordt onder een noemer gebracht: alle aandacht voor wat nu komt!

[21] Hetzelfde woord als in Ex 1,5.

[22] Exodus 1,11. Mozes ziet direct wat de door Phar'o aangestelde slavendrijvers doen.

[23] Dabar: woord dat daad en daad die woord is. Gebeuren en ‘wat gebeurt’ horen bijeen, zijn twee kanten van de ene medalje.

[24] ‘Het woord lekah is nadrukkelijk (vanwege de he) op het einde, a.h.w. om te zeggen:’Als jij hen niet bevrijdt zal niemand anders het doen’ (Ex.R. 3,3).

[25] ‘De indruk dat onze wereld niet helemaal is wat zij zou moeten zijn, heeft mensen steeds weer aan het denken en aan het dromen gezet. Die gedroomde betere wereld is echter in de Schrift met vaste hand gestroomlijnd tot een heilige zekerheid waarop heel haar verkondiging rust. Want wat de Schrift ook vertelt, haar verhaal wil mensen ertoe brengen hun verblijf op aarde te wijden aan de realisering vande droom zoals deze zich in een lange geloofsworsteling tot visioen en opdracht heeft verhelderd.’ H.Renckens, De Bijbel mee maken, omgangsvormen en proefteksten, Kampen 1988, p.148.

[26] ‘'Ik kan niet spreken', roept Mozes uit ... bij de eerste woorden van God, en hij vervolgt het gesprek door punt voor punt de goddelijke argumentatie te beantwoorden, waarbij hij tracht deze te weerleggen en uiteindelijk zijn toevlucht zoekt in het ongerijmde (Waarom ik en niet iemand anders? Er zijn zoveel aspirant-profeten in de wijde wereld ...!) - een ongerijmdheid waar God hem zonder moeite uithaalt, want jij bent het juist, Mozes, die ik gekozen heb om profeet te zijn en niet, zoals jij naïvelijk wenst, om het even wie anders.’ A.Neher, De ballingschap van het woord, van de stilte in de Bijbel tot de stilte van Auschwitz, Baarn 1992, p.151.