Exodus – een prelude
Dr. Jan Engelen
Amsterdam oktober 2015

 

0.1.          Bij de eerste woorden

Het bijzondere aan de Hebreeuwse bijbel als tekst te midden van andere teksten is dit: de tekst is zo genoteerd, - eerst in het geheugen maar daarna ook op schrift, - dat je ziet hoe een zin in elkaar zit, waar hij eindigt, waar hij halverwege is, welke woorden bij elkaar horen, welke woorden extra accenten krijgen. Je krijgt niet alleen de woorden maar ook de regieaanwijzingen. Daarom zal ik proberen de eerste regels van Exodus 1 met alle commentaar die de tekst er als notatie bij geeft.

Exodus 1,1
We-élèh sjemooth beneej jisraeel habaiem mitsrajmah
eeth jaácov iesj oeveitho baoe.

(Je zou deze woorden, nog zonder ze te begrijpen, zacht voor je uit kunnen spreken. Er zit een soort rijm in.

Weélèh sjemoth beneej Jiesraeel. De L springt er uit. De Lamed is de grootste letter van het hebreeuwse alfabeth. Het werkwoord LaMaD betekend leren. Er zijn leraren die zeggen: de Lamed is de grootste letter want leren is het allerbelangrijkste. Leren is misschien zelfs op de eerste plaats willen leren. Al kijken voordat je kijkt – dus openheid, willen zien, horen, meemaken, enz. Mozes zelf, de leraar, die bij het brandende braambos wil zien wat er aan de hand is. De leraar die leerling wil zijn. Nieuwsgierigheid, het willen weten. Meemaken.
Beneej Jiesraeel habaíem mitsrajmah. De letter B springt er uit, in het hebreeuws Beeth. Het is de eerste letter van Genesis. Het werkwoord bouwen en het zelfstandig naamwoord beeth-huis beginnen met een b. Maar ook ben-zoon en bath-dochter, waar je uit gebouwd bent. Het belang van de Beeth komt terug in iesj oebeitho baoe.)

We-éleh. We betekent en. Het verhaal zegt ahw: het verhaal gaat door! Welk verhaal? Zie Genesis 1-50. We-éleh is ahw het clipje dat de twee bladeren, Genesis en Exodus bij elkaar houdt. In het vernederlandst hebreeuws: het bindt we-eleh sjemooth aan Bereesjieth.  Als je dat in de goede volgorde zet krijgt je te lezen: om te beginnen zijn dit de woorden!

Op we-éleh geeft het hebreeuws een accent-teken. Een rebiah.  Dat betekent “even je adem inhouden”, reserve, spanning opbouwen. De dirigent heeft zijn dirigeerstokje opgeheven. Je haalt adem. Nu begint het. Wat we-eleh? We-eleh sjemooth!

Sjemooth, sjeem! Sjemooth is meervoud.  Naam, namen. Als je de naam kent weet je waar het over gaat. Vuur is iets totaal anders dan water of een stoel. Dat hoor je aan de naam die het ding of het gebeuren heeft. Namen noemen, denk aan Adam die hoort dat het niet goed is omalleen te zijn. Dan brengt God alle dieren bij hem om te zien hoe hij ze noemen zou. God lijkt nieuwsgierig naar het naamgevend vermogen van de mens.  Door hetzelfde een andere naam te geven wordt het iets anders. Met Sjemooth- namen noem je, bepaal je, definieer je. Dan weet je waar het overgaat. Waar gaat het dan over?

Wat nu komt is bijna magisch:  Beneej Jisroeel! De zonen, de kinderen van Israël. Sjemooth eindigt in het Hebreeuws met een postpositief accent. Dat is een soort scheidingsteken dat even wil laten rusten, een voorloper van “we komen bij de helft van de eerste zin”.  Even rusten en dan weer verder.

En dit de namen

Nu komt het. Welke namen? Over wie hebben we het? Beneej Jisraeel! Daar hebben we het hele onderwerp. Het onderwerp van al die verhalen. Beneej heeft een verbindend accent. Zo weet je: het hoort bij het volgende woord: jisraeel. Het gaat over de kinderen van Israël. Het gaat dus niet over de Israëliërs of de Israëlieten. Dat zijn te grote woorden. Het gaat over kinderen. Kinderen van Israël. Kinderen van, met alle afhankelijkheid en kwetsbaarheid die kinderen eigen is, ook als ze al wat groter zijn.
Maar “de kinderen van Israel”, - dat zijn toch zij! Daar komen we nog op. Misschien is het anders.
Eventueel: als je zegt: ”Het staat in de bijbel”, dan ben je bijbels, joods gezien altijd beperkt bezig. Want de traditie is schriftelijk, maar ook mondeling, namelijk “hoe de leraren er in de praktijk van elke dag mee omgaan”. De mondelinge traditie kan vastliggende woorden zachter maken, nuanceren, openen.

We-eleh sjemoot. Zie we-eleh debariem, Deuteronomium, 1,1. Zie ook: en het geschiedde na deze woorden. Zie Genesis 22,1.

Ha-baiem, de komenden, die gekomen zijn. Beneej … habaiem. Het allitereert. Er staat een verbindend accent. Die gekomen zijn hoort bij het volgende. Het staat zo genoteerd dat je verwacht wat komen gaat (mitsraimah, naar Mitsraiem, Egypte. Die –h aan het einde geeft de richting aan. Naar Egypte). In het komen zie je waar ze komen, dat zit erin,  omsloten. Het gaat niet over een vakantiereisje. En het gaat over de brandende oven Mitsaiem, dat zul je merken. Houd je hart maar vast!

In de masoretische bijbel staat op Mitsraimah een masoretische kanttekening. In de kantlijn wordt aangegeven: dit woord komt in de Thora 28 keer voor. 
Onder Mitsraimah staat een atnach, een pauzeteken. Dat geeft aan: einde eerste helft van de zin. Egypte was het laatste woord van Genesis.

Met Ja’akov. Opmerkelijk. De namen Israël en Jacob in een zin.  De “oude Jacob”, en de nieuwe Israël. Het is die Jacob van “Esau en Jacob”. Rebecca, de moeder krijgt wanneer de zwangerschap begonnen is te horen: twee volkeren zijn er in je schoot (Genesis 25,23). Het is ook de Jacob van Rachel en Leah en hun beider dienstvrouwen. De Ja’acov van de twaalf zonen.

Man of elk en zijn huis zijn aan elkaar geplakt door de leestekens. Ze zijn gekomen. Dat staat vast. Hier staat het slotaccent, nog versterkt door de dubbele punt van de sof passuq, einde van de zin. Daarmee zet de zin het eerste decor, de achtergrond voor wat komen gaat. Om te beginnen is het de achtergrond voor al die namen.

En dit zijn de namen van de zonen van Jisraeel die gekomen zijn naar Egypte
met Ja’akov, de man en zijn huis – ze zijn gekomen.

 

0.2.     Vers 2-5: de namen van de zonen van Ja’akov.


Ze worden genoemd. De zonen en alle verwikkelingen die dit met zich mee brengt.  Re’oeveen, Sjim’on, Lewie, Jihoedah,
Jisschachar, Zevoeloen, en Vinjamien,
Dan en Naphthali, Gad en Aser.

De genealogische relaties zijn een systematisering van de relaties tussen bevolkingsgroepen. Tel eens. Dat zijn er 11! Jozef die door zijn broers verdonkeremaand is staat er niet bij.

V. 5.
Wa-jehie en het geschiedt. Het is de vertelvorm. Denk aan het scheppingsverhaal. “Het geschiedt avond en het geschiedt ochtend …”
kol nefesh. Kol: alles. Zie alles is gekomen – Jozua 21,45; voor jullie 23,14. Nefesh is ziel, maar denk dan niet aan ons klassieke ziel><lichaam. Ziel is jij, typische jij. Heel de mens, deze uitzondering op het geheel, totaal eigen, individu.
jootseëej die voortkomen. Van J`TS, uitgaan/
Zeventig zielen. Daar is het beroemde “zeventig”, grieks septuaginta, sinds genesis 11 is dat het getal van de volkeren.  En dan komt de verloren zoon.

En Joseef is in Egypte.

Welke angst je ook hebt voor het lot van die broers, zonen van één vader in Egypte – wees niet bang. Jozef is er al. Het komt wel goed.

V. 6.
wajamath. Wa-en, ja is een toevoeging die de verleden of verhaaltijd aanduidt. Math kennen we van schaak mat, de sjeik is dood.
en al zijn broers en heel dat geslacht.

V.7.
En de kinderen van Jisraeel – groeien en bloeien – scheppingstaal – zeer zeer, en heel het land wordt vervuld met hen.

Daarmee is het eerste decor voor wat komen gaat klaar.
Wat komt nu? Goede vraag. Dat komt.

 


 

0.3.      Wanneer het verleden programmatisch wordt!

Het verhaal over ‘Wij waren slaven in Egypte en Hij heeft ons bevrijd’, blijkt volop actueel tijdens de Babylonische ballingschap. Daar en dan wordt/blijkt het verleden programmatisch.

Het verleden wordt programmatisch. Dat wil niet zeggen: ’Het heden is afgeleid van het verle­den’, ‘Er is niets nieuws onder de zon!’, of: ‘Je draagt je verleden altijd mee: littekens blijven’. Hoe waar een en ander soms ook kan zijn, het is omgekeerd. Wie van deze verhalen houdt - n.b.: “houden van”, engels to love let op het woord geloven - , voor wie dit verleden een moment van het heden wordt, zo iemand laat zich niet enkel bepalen door het verleden. De ge-love-ige leeft niet met ‘de rug naar de toekomst’ om uit te zien naar het verleden toen alles (- wat dan wel? -) “beter” (?) was. Maar: het verleden wordt programma­tisch. Het verleden laat zien wat gaande is en komen gaat. Het verleden geeft een model. Achteruitkijken om vooruit te kunnen zien.

‘Dit van nu hebben we ook eerder meegemaakt of dat komt bekend voor.’ Situaties worden herkenbaar. Je herkent. Dan voel je je niet meer zo onhandig.
Wanneer je de tijd de tijd geeft om tijd te zijn, wanneer je verleden begint te groeien, ontstaat er ruimte. Je kunt van je verleden leren. Daarom is de praktijk wezenlijk, zijn je eigen verhalen belangrijk. Ervaring opdoen, mee-maken.
Situaties waarin de 'dingen' eerder zomaar [2] gebeurden, worden plaatsen waar je van kunt leren, oefenmomenten. Leven wordt  zoiets als learning by doing. En je verleden [3] kan verder gaan dan je herinnering.

‘Vrij-zijn’ is ‘bevrijd zijn’ [4]. In het beroemde verhaal van de profeet Ezechiël 16 (v.6) lezen we: En ik kom voorbij bij je en ik zie je, trappelend in je bloed [5] , en ik zeg je in je bloed: Leef, en ik zeg je in je bloed: leef! 
Lees direct bovenstaande tekst hardop. Je hoort hem iemand zeggen. Iemand presenteert zich als tekst, spreekt je aan. Dan ben je niet meer ‘alleen’ [6] , ook als jij de tekst uitspreekt, je hoort de ander die jij stem geeft.

Nu, aangesproken, begin je. Daarmee komen we in de buurt van ‘schepping’. Dat is in dit geval een oorspronkelijk, exclusief bijbels woord. Het brengt een ander woord dichterbij, een woord dat we ook uit het bijbels tegoed kennen.: verrijzenis - opnieuw en nu echt, beginnen [7] .

Motief en ‘doel [8] ‘-stelling van 'slavernij en bevrijding' is pedagogisch en didactisch, maatschap­pelijk en persoonlijk kritisch. Zo zegt de Tora: Een vreemdeling onderdruk je niet en je brengt hem niet in het nauw, want vreemdelingen waren jullie in het land Mitsraïm. (Ex 22,21 Zie ook Exodus 23,9;  Deuteronomium 16,11.) En de profeet Jesaja legt uit. Bijv.: Laat de zoon van de vreemdeling die zich verbonden heeft met de Eeuwige niet zeggen: De Heer zal mij zeker buiten zijn volk sluiten. (Jes 56,3.)

Om te proberen:
Slavernij of Bevrijding - is dat een vertaling van: Afgodendienst of Godsdienst?

Een bijbel-verhaal is nooit ‘een ver­haaltje met een mo­raaltje’. Wat het verhaal te vertellen heeft, vertelt het zelf zodra er iemand is die vertellen wil en kan. Daar is vertel-ervaring voor nodig, oefening: meemaken en zelf proberen. Zodanig thuis zijn in ‘de tekst [9] ‘ dat je het verhaal kunt gaan vertellen op basis van de toehoorders die je aanzien.

De verteller moet bij het verhaal letten op wat er staat, meer nog op hoe het er staat. Daartoe dient hij/zij te letten op de opzet (scenario, choreografie) van het verhaal. Waar komt het vandaan (‘er was eens’), waar wil het naar toe en hoe brengt het je daarheen, wat wordt onderweg en in het voorbijgaan gereleveerd, relevant gemaakt, gemobiliseerd om dat wat te vertellen is uit de doeken te doen, expliciet te maken? Vervolgens: hoe breng ik, verteller, dat over het voetlicht.

We gaan bij deze lezing niet steeds in op alle de­tails van de tekst. Dat schiet niet op en is niet leerzaam. Wanneer je met ‘een verhaal in het bij­zonder’ aan het werk wilt is het van­ belang, de tekst goed voor ogen te hebben. Daarom moet je proberen, minstens te begin­nen met meer algemene tekst-gebonden voorbereidin­gen. Bijvoorbeeld: kun je de tekst ana­lyseren of zelfs deconstrueren. Wat is de bedoeling van die ‘deconstructie’?
Om de tekst zelf alle recht van spreken te geven moet je hem losmaken van de eerste greep die je min of meer 'spontaan' op de tekst hebt. Weet je nog van de middelbare school hoe moeilijk dat was,
lezen wat er staat. Probeer de tekst te ontrukken aan het 'dictaat' van de lezer. Laat de tekst zichzelf articuleren. De meest eenvoudige manier is: schrijf een stukje over en probeer een eigen layout te geven. Hoe zet je de woorden bij elkaar? Waar voeg je meer wit in tussen de woorden. Waar begint iets nieuws?Let daarbij op verandering van tijd of plaats en verandering van onderwerp, thema of handelend persoon.

Het boek Exodus begint met de achter­grond voor het exodus-verhaal. De naam Jozef blijkt dadelijk al niets meer te zeggen. De geest van gast­vrij­heid, - zo ken­mer­kend voor Mitsraïm in Gene­sis, - verandert in onder­druk­king. (Om anachronisme te voorkomen is Mitsraïm niet vertaald met Egypte).

Mitsraïm is de bijbelse naam voor Egypte. Er zijn leraren die zeggen: het is afgeleid van mi-tsarar, vanwaar je gejend, gesard wordt, treiterland. Mitsraïm, het sarland, treiterland.

Op dezelfde wijze is midbar gewoon woestijn. Maar er zijn leraren die zeggen min-dabar, vanwaar het woord. Hét woord komt uit de woestijn – uit waar je zelf je eigen weg moet zoeken, uit waar je leven iets anders is dan een ouwe jas die je maar moet aantrekken. Nee, min-dabar, vanwaar het woord. En als het woord komt, wanneer je kijk begint te krijgen op [10] , dan vindt inspiratie plaats, in-spiritus, de geest van de/het andere. Dan ben je niet meer alleen.

  

Exodus begint (als de eerste beel­den van een film) nogal amorf, met vage perso­nen en motieven, anoniem, alge­meen. Plotse­ling wordt het con­creet. Personen komen in beeld. Na­men wor­den men­sen. Mosjeh. Wij zeggen in de regel (- waarom eigenlijk? Onder invloed van Grieken en Romeinen) Mozes.

 

1. De namen.  Exodus 1,1-7.

Begin: onderwerp.

1. En dit [11] - namen van de zonen van Jisraëel, die gekomen zijn naar Mitsraïm  met Jacob,
- ieder met zijn huis, ze zijn gekomen:
2 Ruben, Simeon, Levi en Juda;
3 Issakar, Zebulon en Benjamin;
4 Dan en Naftali, Gad en Aser.
5 En het geschiedt - alle zielen uitgaand uit de lendenen van Jakob, zeventig zielen.
Maar Joseef is in Mitsraïm.
6 Joseef nu sterft, en al zijn broers en heel dat geslacht.
7 Maar de zonen van Jisraëel -     ze zijn vruchtbaar en breiden zich uit;
zij vermenigvuldigen zich en worden talrijk, zeer zeer
en gevuld is het land, met hen.

Zeven regels aan het hoofd vormen kort en bondig de ouverture tot het hoofdverhaal van de TeNach [12] , - de kern van de Tora, - over slavernij en bevrijding, over G-d [13] die bevrijdt. Namen worden genoemd. Iedere naam is een verhaal. Al die namen brengen wie het weten wil tot degenen die de pharoa wil reduceren tot pionnen op zijn bord van willekeur.

1. Slavernij - Je hebt al wat meer kennis gemaakt met eerste hoofdlijnen in de bijbelse literatuur. Bij het woord Egypte-Mitsraïm weet je dus al van de dreigende slavernij. Bij ‘met Jacob naar Mits­raïm geko­men’ moet je – meegenomen door de spanning van het verhaal, al enigermate betrokken, ja partijdig - je hart vast­hou­den. Want met Mitsraïm be­gint het ver­haal over die mens­onterende slavernij - nog steeds zo herkenbaar in onze wereld. De tekst veronder­stelt je onrust. Want op die onrust van de lezer ver­volgt het verhaal: “Je hoeft niet bang te zijn: Jozef is al in Mitsraïm/Egypte!”

2. Zeventig volke­ren - Het aantal 70 vind je al in Genesis 46,27. Zie ook Deuteronomium 10,22. Het loopt parallel met de lijst van de volkeren in Genesis 11. Bijbels gesproken bestaan er op deze wereld 70 volkeren [14] . Als vraag kun je stellen: Heeft die overeenkomst iets te betekenen?  De twaalf zonen van Jacob (Israël) worden de zeventig (heel de wereld). Israël wordt a.h.w. pars pro toto ‘de wereld’. Daarmee roept de tekst een vermoeden op.
De geschiedenis van Israël is  een particulie­re, een privé geschiede­nis, namelijk de geschiedenis van één volk, van ‘de zonen van (Abraham, Isaac en) Jacob’. Het lijkt erop, dat de geschiedenis van deze twaalf –zo je wilt - representatief wordt gemaakt voor wat er aan de hand is met ‘onze wereld’. De particuliere geschiedenis als beeld voor een meer algemene gang van zaken. De slavernij, het klein houden van een volk, wordt een beeld van hoe wij [15] in onze wereld met mensen omgaan, of hoe onze wereld met mensen omgaat.

3. Emmanuel Levi­nas, Frans/Joods filosoof, zegt, dat Israël in de Talmoed niet de aanduiding is van een volk. Israël is vaak de aanduiding voor een kwaliteit van het mens-zijn. Voor welke kwaliteit? (Qualis is latijn. Het betekent ‘hoedanig?’ Bij kwaliteit schieten in Nederland de bestuurders, de managers en de journalisten in de statistieken en cijfertjes. Meten is weten smuiken ze dan.  Dan krijg je harde cijfers voor kwaliteiteit. Maar: ) Kwaliteit is "hoedanigheid". De kwaliteit van het ‘niet-natuurlij­ke’, ‘niet-vanzelfsprekende’ van ‘geroepen worden’ en ‘verantwoor­de­lijkheid’.

4. Bij Lukas vind je ‘zeventig leer­lingen’ (sommige teksten geven twee-en-zeventig - Lk 10,1.17. In de Septuaginta en Handelingen (7,14) wordt het getal vijfenze­ventig genoemd.

5. Er zijn tradities die bij Jona 1,5 zeg­gen: ’Er zijn 70 beman­ningsleden aan boord, uit elk volk een. Alle goden ter wereld wor­den tij­dens die fameuze storm aange­roepen. Alleen de G-d van Isra­ël niet. Jona slaapt. Jona hoeft niet te bidden. Hij weet waar die storm vandaan komt!)

6. Exodus 1,5, zie Genesis 1. Zo ook: voor Exodus 1,8 zie Richteren 2,10.

 

2. De Slavernij een feit. Exodus 1,8-14.
Een nieuw onderwerp.

8 Dan staat een nieuwe koning op over Mitsraïm, die Joseef niet kent.
9 Hij zegt tot zijn volk:
Zie, - het volk van de zonen van Jisraëel is ons te veel en te sterk.
10 Welnu, laten wij vooral wat ons betreft wijs tegen hem zijn, zodat het niet veel wordt

-  
en het zal geschieden:
a
ls ‘oorlog’ geroepen wordt, dat het zich ook toevoegt aan wie ons haten
en vecht tegen ons en optrekt uit het land.
11 Daarom stellen ze opzichters van herendiensten erover aan
om het te onderdrukken door dwangar­beid:
het moet bouwen voorraadsteden voor phar'o, Pitom en Raämses.
12 Maar zoals ze het onderdrukken zo groeit het en het breidt zich uit
en ze gruwen voor het gezicht van de zonen van Israël.
13 Mitsraïm doet de zonen van Jisraëel onder mishandeling dienen.
14 en zij maken bitter hun leven door harde dienst
-
met leem en met tichelstenen en met alle dienst op het veld
alle hun dienst waarmee zij hen doen dienen onder mishandeling.

1. Nieuw. - Een nieuwe koning. Hij heeft dus van Jozef ‘nooit gehoord’. Hij heeft met Jozef ‘dus ook niks te maken’. Hij is een nieuweling. Iemand die ‘pas komt kijken’ en daarom ‘van niets’ weet. Je zegt: ‘Jozef’, - en hij heeft niets gehoord.

Deze nieuwe koning houdt zich aan het spreekwoord: On­bekend maakt onbemind. Hij spreekt tot zijn volk en schept afstand. Let op de woorden die hij zegt: ‘het volk van de kinderen van Israël’ en ‘wij/ons’. Zijn spreken plaatst hen tegenover ons. En over dat ‘tegenover’ is hij zeker.

2. Bedreiging en overheersing. - Het volk is groter dan wij blijkt toch een ongelukkige vertaling te zijn. Het gaat hier niet om een vergelijking, alsof de een groter is dan de ander. Veeleer is een relatie aan de orde waar­bij de een de ander te groot is. De uitspraak van de Pharao zet de betreffende volkeren agressief tegenover elkaar. Het gevolg daarvan is nazi-taal: “met beleid optreden tegen!”  Hij stippelt zijn beleid uit: opzichters over slavendienst! De slavernij is een feit.

3. Onder mishandeling. - De slavernij wordt verder toegespitst met onder mishande­ling laten werken. Je vindt de uit­drukking die het Hebreeuws gebruikt alleen nog in Leviticus 25,43.46 en 53. Daar gaat het over de relatie met de broer. Wanneer je onder mishandeling, als een slavendrij­ver, tegen je broer te keer gaat, dan weet je blijkbaar niet wat slavernij is. Dan leef je alsof je niets weet bij: Wij waren slaven in Mitsraïm en Hij heeft ons bevrijd. Dan wordt je iemand als de koning [16] van Exodus 1,8.

4. Niet ken­nen, bang zijn voor, onderdruk­ken. - Hoe eenvoudig en herkenbaar is het geheim van de sla­vernij

 

3. De vroedvrouwen. Exodus 1,15-22.
Een nieuwe situatie.

15 De koning van Mitsraïm nu zegt de vroedvrouwen der Hebreeuwse vrouwen,
van wie de een Sifra heet en de ander Pua.
16 Hij zegt - bij het doen baren van de Hebreeuwse vrouwen moeten jullie goed zien
naar het harde tweevoud [17]
als hij een zoon is, dan moeten jullie hem doden,
en als zij een dochter is, zij zal leven.
17 Maar de vroedvrouwen vrezen G-d en ze doen niet
wat de koning van Mitsraïm tot hen gezegd heeft, en zij laten de jongens leven.
18 De koning van Mitsraïm roept daarop de vroedvrouwen
en hij zegt hun: Waarom hebben jullie dit woord gedaan en laten jullie de jongens leven?
19 De vroedvrouwen zeggen tot Phar'o:
De Hebreeuwse vrouwen zijn niet als die van Mitsraïm; want sterk [18] zijn zij:
voordat een vroedvrouw bij haar komt hebben zij al gebaard.
20 En G-d doet de vroedvrouwen goed;
het volk vermenigvuldigt zich en wordt zeer talrijk.
21 En het geschiedt: omdat de vroedvrouwen G-d vrezen geeft Hij hen huizen.
22 Phar'o gebiedt aan heel zijn volk zeggend:
elke zoon geboren, - werp hem de Jeoor in,
en elke dochter laat haar leven.

De bedoeling van de slavernij wordt concreet gemaakt in het tweede agenda-punt van de pharao. Eerst stelt hij slavendrijvers aan. Vervolgens richt hij zich nu de vroed­vrou­wen. Zij moeten goed toe­zien bij de beval­ling. Waarom die toevoeging ‘goed’? Die extra aandacht blijkt gemotiveerd. De jongetjes moeten gedood worden.

1. Het is de vraag of de vroedvrouwen Joodse vrouwen zijn. Het kunnen ook Egyptische vrouwen. Dergelijke tradities geven aan dat er algemeen verzet is tegen de arrogantie van de pharao.

   (Er zijn ook tradities die in deze vrouwen Jochebed en Mirjam zien (volgens de mondelinge traditie de moeder en zus van Mozes – Ginzberg, Legends of the Jews, III, 252). Zij zouden dezelfde zijn als Siphra (vogel?) en Pua (rood?). Weer anderen zeggen dat Pua dezelfde is als Elisjeva, de vrouw van Aäron, de schoondochter van Jochebed. Mirjam zou gehuwd zijn met Kaleb. Samen met Jozua is hij een van de twee goede getuigen voor het land in het verhaal van de verspieders – Numeri 13. Uit de verbinding van Mirjam met Kaleb zou het koninklijke geslacht van David stammen. Daarmee is ze ook een van de stammoeders van de Messiach. Tegelijk is aangegeven waar de legende zich op baseert die zegt dat Jezus van een priesterfamilie afstamt. [19] )

2. Van vroedvrouwen naar heel het volk. - De vroedvrouwen voeren de opdracht van de pharao niet uit. Hun solidariteit met de slachtoffers resul­teert in een op­dracht aan het hele volk. De onder­drukking - eerst nog bijna clandestien, onttrokken aan het oog van de wereld - wordt uitgebreid, een publieke zaak, voor heel het volk!

   Tegelijkertijd krijgen de vroedvrou­wen hui­zen. Vroedvrouwen waren in die tijd meestal vrouwen  die zelf geen kinderen had­den. Zij krij­gen nu ‘plaat­sen’ waar ze zelf thuis zijn. Voor huizen zie ook Ruth 4,12 en 2Samuel 7,11.

3. De Jeoor, in de regel weergegeven met ‘Nijl’, betekent leven en vruchtbaarheid voor Egyp­te. De rivier die leven geeft wordt een rivier des doods dank­zij de hogere macht van de pharao. Waarom de jongetjes? Zie Exodus 1,10. Zij zouden zich later kunnen aansluiten bij de tegenstanders en tegen Mitsraïem ten strijde trekken om uit te kunnen trekken. 

   (Een verhaal vertelt dat de droom van de pharao plaats vindt in het 113e jaar nadat Israël in Egypte gekomen is. In de droom ziet hij een oud man met een weegschaal in de hand. In de ene schaal ligt een kind. In de andere schaal legt hij al de ouderen, de edelen en de wijzen van Egypte. Het kind geeft de doorslag. Een kind legt meer gewicht in de schaal dan alles wat aanzien en betekenis heeft. De wijzen leggen de droom uit. Een groot kwaad zal over Egypte komen. Een zoon zal geboren worden voor Israël en dat zal het einde betekenen voor heel Egypte. Daarom besluit de pharao alle jongetjes te willen doden. Daarop protesteren de Egyptenaren. Geen Egyptenaar zal zijn hand opheffen tegen Egypte. Daarop besluit de pharao alle Hebreeuwse jongetjes te doden. (Ginzberg, II, p.254; V, p.393, n.21.

4. Let op de betekenis: G-d vrezen is niet doden, laten leven. Zij vergrijpen zich niet aan de weerlozen. Zo kom je bij de fundamentele mensenrechten. G-d vrezen betekent iets doen.

4. Rondom een kind. Ex 2,1-4.

Een nieuw onderwerp.
1. Een man uit het huis van Levi gaat en hij neemt een dochter van Levi.
2. Zwanger baart de vrouw een zoon.
Zij ziet dat hij goed is,  en ze verbergt hem drie maanden.
3 Ze kan niet langer hem verborgen houden en ze neemt voor hem een biezen kistje,
asfalteert het met asfalt en pek, zet het kind erin
en zet het in het riet aan de oever van de Nijl.
4 Zijn zus gaat op enige afstand staan om te weten wat er met hem zou gebeuren.

Na Exodus 1 is de slavernij een feit. De Je-oor/Nijl is een open mond. In die omstandigheden begint een nieuw verhaal: een man, een vrouw, een kind. Zie ook Mattheüs 1,18 en Lukas 1-2.

1. Het kind is - in weerwil van de vertalin­gen - tob, goed. Zie daartoe Genesis 1. Het eerste dat Genesis 1 goed noemt is het licht. Is dit kind licht in de duisternis? Is Pasen nabij?

2. Licht - De taal van ‘het licht in de duisternis’ ken je wellicht van Kerstmis. Maar kerstmis is bijbels gesproken een relatief laat feest, ontstaan midden vierde eeuw. In die tijd ontstaat de behoefte om alles te dateren (:’Hier is het gebeurd’; ‘Toen en toen is het gebeurd’). Uit dezelfde tijd dateren ook de meeste historische of heilige plaatsen in Israël. Waarom de 4e eeuw? In die tijd wordt het christendom de officiële staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk. De hoofdsteden van dat Romeinse Rijk zijn Constanti­no­pel en Rome.

   ‘Licht in het duister’ hoort bij het exodus-­verhaal. Daarom ook vind je het in de liturgie van de paasnacht in de katholieke kerken van het Oosten en het Westen. Denk aan het Paasvuur, de Paaskaars, het Paaslicht - met alle daarbij horende vreugde. (Ook de doopkaars krijgt zijn licht van de paaskaars.)

3. Van meewerkend voorwerp naar onderwerp - Nadat de namen van de zonen van Jacob genoemd zijn laat de nieuwe ko­ning de nachtmerrie van de sla­vernij los. Daarop volgt de beraamde moordaanslag. Vrouwen worden (als meewerkend voor­werp) erbij gehaald. De vroedvrouwen zullen de hebreeuwse jongetjes moeten doden. Maar vrouwen worden op een geheel andere wijze onderwerp in Exo­dus. Zie daartoe de vroed­vrouwen, de moe­der, de zus. Zie ver­derop ook de dochter van Pha­rao en de doch­ters van Jethro.

4. Namen en Naam - Behalve de naam van de stam, Levi, worden er geen namen genoemd. Voort­durend zal men vra­gen naar de naam. Wanneer dan eindelijk een naam genoemd wordt krijgt die alle nadruk: Mo­sjeh! Mozes.

5. Het biezen kistje. - Het woord (tevah in het hebreeuws) vindt je alleen hier en in het verhaal over de ‘sont-’ of oer­vloed.

   Je moet je een gevlochten, rieten tas voorstellen, wat te kort gevlochten zodat de randen omhoog gaan staan. Het matje wordt dan een mandje. In zo'n rieten mat werden de doden gerold voor hun begrafenis. Ze strijkt pek aan de binnenkant om de zaak wat langer te laten drijven. Zo werden langs de Nijl en op de Eufraat en de Tigris bootjes gemaakt, rieten tobben die we kennen uit de reliëfs bijvoorbeeld van Ninivé in het British Museum in Londen. Blijkbaar heeft dit kistje te maken met die drijvende doodskist waarin rechtvaardige Noach zijn woord aan het bewaren is.

5. Uit het water getrokken. Ex 2,5-10.

Nieuw onderwerp.
5 De dochter van Phar'o daalt af om te baden in de Je-oor,
en haar meisjes aan aan de rand van de Je-oor.
Ze ziet het kistje te midden van het riet, zendt haar dienares en ze neemt het.
6 Zij maakt het open en ziet hem, het kind, en zie: een huilend jongetje,
Ze krijgt medelijden met hem en zegt: uit de Hebreeuwse kinderen is deze.
7 Dan zegt zijn zus tot de dochter van Phar'o:
Zal ik voor jou een voedster uit de Hebreeuwse vrouwen gaan roepen.
Zij zal voor jou het kind zogen?
8 Tot haar zegt de dochter van Phar'o: Ga.
Het meisje gaat en roept de moeder van het kind.
9 En de dochter van Phar'o zegt tot haar:
Neem dit kind mee en zoog het voor mij, en ik, ik zal je geven je loon.
De vrouw neemt het kind en zoogt het.
10 Het kind wordt groot en zij brengt het naar de dochter van Phar'o;
hij is voor haar als zoon.
Zij roept zijn naam Mosjeh, en ze zegt: want ik heb hem uit het water getrokken.

1. Zie de bedrijvigheid langs het water. Alsof er geen vuiltje aan de lucht is: het hof gaat uit. De prinses en haar dames maken een bescheiden uitje om te gaan baden. Het kistje wordt opgemerkt. Een dienstmeisje wordt gestuurd.

2. Hoe weet men dat het een joods kind is? Je moet dan niet nadenken, maar letten op wat de tekst noemt voor­dat het kind een ‘hebreeuws kind’ ge­noemd wordt. Het huilt. Ieder kind huilt! ‘Zo is de wereld. Ieder kind moet ge­vonden worden, ontferming vinden.’

3. Tegenover ‘niet kennen, bang zijn voor, onderdrukken’ staat zoiets als medelijden hebben met, herkennen. Daarop volgt concreet een daad.

4. Mosjeh: uit het water getrokken. De naam Mosjeh is etymolo­gisch een Egyp­tische naam. MSS betekent ‘zoon van’. Denk aan Ramses, Thutmozes. Toch geeft de Schrift een eigen woord­verkla­ring: ik heb hem uit het water getrokken. Zijn naam is een programma: wat dit kind overkomen is zal hij anderen doen over­komen. Daarmee prelu­deert de tekst al op de doortocht door de Rietzee (Schelf­zee, ‘Rode Zee’). (Je kunt ook denken aan een zin als:’The only purpose of freedom is to create it for others’.)