home

basis

 

 

 

 

 

JOZEF

EN ZIJN BROERS

(GENESIS 37.39-50)

door Dr.J.C.M.Engelen

Op deze pagina vind je een serie suggesties om zelfstandig Jozef en zijn broers meer studieus te verwerken en toegankelijk te maken voor speel-leersituaties op de basisschool. Je hoeft niet alle vragen te beantwoorden en alle stappen te zetten. Maak een keuze die jou verantwoord lijkt.

In kleine fragmenten krijgen grote delen van het verhaal een toelichting. Wellicht kan dat diensten bewijzen.

Beginsituatie.
Dit zelfstudiepakket gaat over Jozef en zijn broers. Dit pakket vooronder­stelt eerste kennis en inzicht in de totaal-compositie van de Bijbelse literatuur. Je moet derhalve enigermate vertrouwd zijn met de samenhang tussen het zogenoemde Oude en het Nieuwe Testament en weet van de drie hoofddelen waaruit de Schriftelijke Traditie van Israël bestaat. De student weet ook, dat Egypte in de Bijbelse literatuur niet enkel een geografische code is.

De verhaaldraad.

Het is zinvol een meer exact, nl. van de tekst afgeleid, beeld van het verhaal te hebben. Daartoe dient het opstellen van de verhaaldraad. "Wie, wat, waar, hoe" ofwel een ordening aan de hand van tijden, plaatsen en handeling, kosten je ongeveer 8 uur werk.

 Je groep op de basisschool bepaalt de accenten die je in Jozef en de broers gaat leggen. Misschien dient het de voorkeur vooral met de werkwijze van drama en beeldende vorming het verhaal dichter bij te brengen. Waar ga je op letten, indien je dit verhaal gaat doen met de kinderen uit je groep. Wat moet je ter voorbereiding doen. Wat doe je? Waarom? Hoe zou je ermee doorgaan als je tijd en ruimte had.

Jozef en zijn broers

Een gijzeling, een grote ramp, of een ongeluk op straat waar je toevallig getuige van bent - zoiets laat je niet los. Je bent er mee bezig. Zo'n gebeuren speelt zich als het ware voor je ogen af. Je bent er zelf bij. Betrokken. Op zo'n moment voel je dat mensen bij elkaar horen. ‘Verbond’ of ‘broederschap’ zijn woorden waarvan de waarheid en betekenis steeds blijkt.

            Maar met ‘broederschap’ is het een beetje eigenaardig gesteld. Mensen blijken zozeer uit op vrede en ‘goede verhoudingen’ dat het er op lijkt, dat ‘broederschap’ een voor de hand liggend gevoel is. Nu speelt bij ‘broederschap’ het gevoel beslist een belangrijke rol. Denk er maar eens over wat het voor je betekent, wanneer je merkt dat een ander hetzelfde blijkt te denken en te voelen als jij, bijvoorbeeld bij vriendschap. Maar broederschap is geen romantiek. Dat wij elkaars broeders zijn is niet iets voor zeer gevoelige mensen. Het gaat bij dit woord vooral over gevoeligheid als de kwetsbaarheid van de ander. Wat dat betreft blijkt het leven telkens opnieuw weer lessen voor ons in petto te hebben en moeten we steeds opnieuw weer leren. Waarom ‘moeten’ we dat? Omdat het levensgevaarlijk is om te leven ten koste van de ander. Daar is menig verhaal over.

            Het Goede Boek begint er zelfs ongeveer mee. Misschien mag je het zo zeggen. Wat er in het Paradijs mis gaat, dat weet je niet. Het speelt zich af binnen het Paradijs en dat is aan ons oog onttrokken. Maar wat daar verkeerd gaat blijkt buiten vreselijk: iemand doodt zijn broer. (De broederschap blijkt zeer bedreigd. Zelfs onze actuele milieuproblematiek is extreem urgent, omdat onze aarde ook de aarde van onze broeders is).

Genesis 37:1-11

Precies omdat het verhaal zo gemakkelijk te begrijpen is, is het onbegrijpelijk. Jacob en Jozef. Die oude man Jacob - eindelijk heeft hij tegen alle verwachting in dan toch een kind gekregen heeft van Rachel (Gen 29,6 vv.), zijn eerste en echt enige liefde.
Jozef heeft zijn naam niet voor niets gekregen. Het is niet een naam die schoonheid vertaalt of vreugde. Die naam is uit op meer. Jozef betekent: "Moge de Heer er nog aan toe voegen", hopelijk komt er nog een kind van Rachel. Zo is uiteindelijk ook Benjamin geboren. Hij blijkt de laatste kaart, de laatste troef op de tafel van vader Jacob. We zullen zien dat "hoe men omgaat met Benjamin" op het beslissende moment de doorslag geeft (Gen 44,14 - 45,1).

Aan het begin van het verhaal hoedt Jozef samen met zijn broers de schapen van zijn vader. Die schapen staan er niet voor niets, al weet nog niemand dat een van hen straks geslacht zal worden om het bloed te leveren voor de kleren van Jozef. In het verhaal liggen alle ingredienten die het verhaal zullen maken al gereed. Je hoeft alleen maar te kijken.

Jozef roddelt over zijn broers. Als er iets fout is gegaan rent hij als een kip zonder kop naar zijn vader om het kwade tot verhaal te maken. Alsof je zelf beter bent als de anderen slechter zijn. Jozef lijkt het niet te weten maar gooit wel roet in eigen eten. En vader Jacob blijkt niet veel kaas gegeten te hebben van de meest simpele psychologie. Weet hij dan niet wat er zich in casa Iacobi afspeelt! Hij laat een uitgerekend feestelijk gewaad maken voor "zijn jongen". Is hij bijna blind? Wil hij zijn lieveling direct herkennen. in het oog springend als hij is. In ieder geval: als de broers bij elkaar zijn zie je onmiddellijk de grote uitzondering: Jozef! Aan het feestkleed herken je hem. Hij staat er gekleurd op. Bewaar die kleuren. Ze krijgen een staartje. Ze zullen bloedrood blijken als de scheuren zichtbaar zijn.
Als de broers dit ogen uitstekend vertoon van vaderlijke liefde zien, haten ze hem. Kunnen ze anders? De NBG-vertaling zegt dat ze "niet meer vriendelijk" met hem kunnen spreken. Het gaat niet meer over "niet willen". Het gaat over "niet kunnen". Maar het hebreeuws zegt niet: "niet meer vriendelijk". Daar hangt een ander zwaard boven het verhaal: "niet meer tot vrede met elkaar kunnen spreken". Elk woord dat er uit komt is "niet tot vrede". Het lijkt een breuk tot de dood hen scheiden zal.

(Voor Jacob zie het einde van de pagina onder deze link)

Genesis 37:12-22

Niet alleen is Jozef Jacobs lieveling. Hij wil het nog weten ook. Hij maakt geen geheim van het gelukkig gesternte waaronder hij geboren blijkt. De volle korenschoven van het rijke land zijn in Jozefs dromen decorstukken voor zijn grandeur. De zon, de maan en de sterren verkondigen zijn ‘heer’-lijkheid"Jij wilt toch niet zeggen dat wij zullen komen om jou als koning te vereren!. Voor zijn broers is hij een zweer die open breken zal.

            Toch: wie is Jozef? Je hoort het hem zeggen:’Ik zoek mijn broers!’ En ook als het strakjes toch nog heel goed met Jozef zal gaan, ook als hij onderkoning in Egypte wordt en heel de wereld van brood voorziet - op het einde van het verhaal, als Jacob gestorven is zijn zijn broers bang voor hem (Gen 50:15-17). Hij blijft Jozef die ook dan nog zeggen moet:’Ik zoek mijn broers’.

Genesis 37:18-27

Jozef, op weg naar zijn broers, zegt:’Ik zoek mijn broers’. Hoe is het intussen met zijn broers? Alsof het verhaal op die vraag wacht: het begint direct. ‘Zij zagen hem van verre’. Hij moet dus nog komen? De volgende zin zegt rechtstreeks wat wij al vreesden. Voordat hij bij hen  gekomen was, smeedden zij een aanslag tegen hem. Alles is daarop gericht:’Tegen hem’. Alsof het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Jozef in de put. Hoe verder. Daartoe hoeven zij enkel hun ogen op te slaan. Dan zien zij de kamelen. Dan valt ook het woord Egypte. Egypte wordt een grote les. De slavernij is het gevolg van hoe broers met elkaar omgaan.

Genesis 37:31-36

Weer komt het gewaad van Jozef te voorschijn. Hij kreeg het van zijn vader Jacob, een feestkleed. Ze hebben het hem uitgetrokken toen ze hem in de put gooiden. En nu ze hem hebben verkocht - bijna mis je de ‘dertig zilverlingen’! - wordt het gewaad verscheurd. Het kleed wordt een stilleven over de droeve broederschap met al zijn haat. Het bloed van het geitebokje moet Jacob suggereren dat een wild dier zijn geliefde zoon heeft verscheurd. En als Jacob het gewonde kleed ziet, dan zegt hij ook:’Een wild dier!’ Heeft Jacob zich door zijn zonen laten misleiden? Of zou Jacob er meer van weten dan wij vermoeden en is voor hem dit kleed het beeld van broers die ‘bij de beesten’ af zijn.

            Nu zijn zoon verdwenen is, spreekt Jacob over zijn dood. Dan kunnen zij niet meer met hem ‘Onze Vader’ zeggen.

Genesis 39,1-10

Als je de eerste regel van vandaag meer letterlijk zou vertalen, dan zou je zien dat die eerste regel meteen de toon zet:’En Jozef werd afgevoerd naar Egypte.’ Afgevoerd, bijna met de zekerheid van:’Die zien we nooit meer terug!’ Zijn situatie is zonder enig uitzicht. Maar daarna zal het verhaal ons gaan vertellen over de hand van Jozef.

            Jozef wordt als slaaf gekocht en komt in huize Potifar. Daar blijkt Jozef een gelukkige hand te hebben. Alles blijkt ‘in zijn hand’ te lukken. Potifar blijkt ook ogen in zijn hoofd te hebben: alles wat hij heeft geeft hij Jozef ‘in zijn hand’. En alles groeit en bloeit. Potifar hoeft zich alleen maar te bemoeien met het brood dat hij eet. Wat mag dat zijn? Waarom staat dit er zo? Wat wil er verteld worden met het woordje ‘brood’? Waar is het een beeld van? Dat zal volgende week duidelijk worden. Je kunt er dus alvast met elkaar woorden voor zoeken. Wat suggereert het verhaal met ‘brood’?

            Voor de directe voortgang van het verhaal is het nu alleen nog nodig om even naar Jozef te kijken. Jozef mag dan wel alleen zijn, kind van de rekening van zijn broers zijn, maar het lijkt erop, dat nu dan ook alle oog voor hem alleen is. Hij blijkt een plaatje: prachtig van gestalte en prachtig van uiterlijk. Twee keer het woord prachtig. Wederom: je hoeft alleen maar ogen in je hoofd te hebben.

Slaaf Jozef

Zou je mogen zeggen dat het Egypte van de Bijbel zoiets is als ‘de grote wereld’ of ‘de wereld van de groten’, de wereld die je tegen komt in de krantenkoppen? Hoe gaat dat met een mens in deze wereld? Vroeger had men daar een liedje over. ‘Als je voor een dubbeltje geboren ben, dan wordt je nooit een kwartje!’ Dat lied was duidelijk. Je hoefde niet al te optimistisch te zijn. Het leven hield niet over. Maar het blijft natuurlijk wel de vraag, of mensen voor een stukje munt-geld geboren worden. Het blijft ook de vraag, of de Bijbel ons wil vertellen, hoe het in ‘de wereld van de krant’ toe gaat. Wil de Schrift ons enkel vertellen over de status quo? Alvorens evenwel die vraag te beantwoorden moet eerst de vraag zelf duidelijk worden. Zonder vraag is een antwoord geen antwoord, betekent het niets. Daarom eerst: hoe gaat het toe in Egypte?

Straks zal blijken dat in Egypte de vraag:’Wat kies je?’ veel belangrijker is. Doet dat er dan toe, kiezen? Maakt dat verschil?

            Misschien moet de vraag verduidelijkt worden aan de hand van voorbeelden. Ook op het sportveld moet je kiezen, vaak heel snel. En een chauffeur in het verkeer. Ook een leerling die een tekst vertaalt. Hoe leer je, de goede keuze te maken? In hoeverre is oefenen - ook zo iets allerdaags als ‘huiswerk’ - een zich oefenen in het maken van de goede keuze, het nemen van de juiste beslissing? (Ervaring speelt daarbij een rol. Dat is zoiets als ‘actieve herinnering’. In het verhaal van Jozef komen we daar nog op.)

Genesis 39:11-23

Hierboven is de vertelling van Genesis opgehouden met het beeld van Jozef, - een plaatje, prachtig. Daar blijken nu ogen voor te zijn. ‘Hierna sloeg de vrouw van zijn heer haar ogen op Jozef’. Je ziet mevrouw Potifar haar ogen opslaan. Zij ziet alleen maar Jozef. Wordt het nu een verhaal van kat en muis?

            In de afgelopen eeuwen is er veel slechts gezegd over de vrouw van Potifar. Zij wil de voor de hand liggende maar verkeerde kant op. Toch is haar eigenlijk niets kwalijk te nemen. Kan een bergbeek er iets aan doen dat hij naar beneden snelt? Mevrouw Potifar heeft in ieder geval ogen in haar hoofd. Alles wat groeit en bloeit komt uit de hand van Jozef. Dan Jozef zelf!

            Let op die hand! Als zij uiteindelijk niets anders kan doen dan Jozef ‘bij zijn lurven’ te pakken, dan heeft ze alleen nog ‘zijn kleed in haar hand’. Dat legt ze naast zich. Alles spreekt nu tegen haar. En ‘papa Potifar’ zal begrepen hebben ‘van de hoed en de rand’. Hij doet niet wat verwacht mag worden wanneer een slaaf zich vergrijpt aan de vrouw van zijn heer. Jozef wordt niet ter dood gebracht. Hij verdwijnt opnieuw ‘in de put’ - hier vertaald als gevangenis.

            Intussen heeft Jozef een keuze gemaakt. Alles in zijn hand, maar niet de vrouw van zijn heer. (Zij is op de plaats gekomen van het brood.) Er is een grens, tenminste voor Jozef.

Genesis 40:1-15

Bij het spel ‘Monopolie’ is het anders. Als je daar in de gevangenis zit kan je niets gebeuren, kun jezelfs je ‘zaken’ blijven regelen. Maar in de gevangenis van Jozef gaat het anders. Als je zo ‘in de put zit’ gaat alles aan je voorbij. Totdat het deksel open gaat. Daar vallen er nog twee naar binnen. De schenker en de bakker. Jozef wordt aangesteld om deze gevallen goden te bedienen. Weer opnieuw: slaaf Jozef.

            De hoge heren slapen slecht. Beelden blijven trillen op hun netvlies. Welke woorden horen daarbij? God mag weten wat het betekent (v.8) maar Jozef kan de droomdruiven wel wassen.

Genesis 40:16-23

Slaaf Jozef heeft woorden waar de mens ten einde raad is. Het lijkt erop, dat we daarover verbaasd moeten zijn. Die verwondering delen we dan met de koekenbakker. Hij heeft nu genoeg durf verzameld om ook zijn drie lege broodkorven aan Jozef voor te leggen.

            Zoals Jozef het gezegd heeft gebeurt. Op de verjaardag van de farao krijgen de super-gevangenen de hoofdprijs. De een kost het de kop en de ander mag weer volop schenken - al blijft het typisch dat het brood van elke dag blijkbaar minder telt dan de wijn van de overvloed en vreugde.

            Jozef wordt gewoon vergeten. Egypte blijft Egypte. Het leven gaat gewoon door.

Genesis 41:1-13

Na twee jaar. Niemand praat meer over Jozef. Hij wordt dood gezwegen. Alsof het verhaal een heel andere kant uit wil, zo gaat de aandacht naar de farao. Maar de farao is onderwerpbij een werkwoord dat we al vanaf het begin van de geschiedenis van Jozef kennen. De farao droomt zeven schitterende bonken van runderen. Maar met de verwondering over dat veelbelovende maar plaats voor de verbijstering over zeven rundachtige staketsels die doen alsof ze buren zijn. Ze gaan naast de vette koeien staan en het meest ondenkbare gebeurt: de magere koeien vreten hun vette soortgenoten op.

            Even is er de adempauze van het ontwaken en ‘het is alleen maar een droom’. Daarna komt het angstbeeld van weer zeven. Magere korenaren die zich op eigen wijze ‘ontfermen’ over hun volle soortgenoten. Pas dan komt er het bij uitstek menselijke, het enige dat paal en perk kan stellen aan aan ‘zo gaat het nu eenmaal’ (zie inleiding van de week). Iemand herinnert zich. Er komen woordem en verhalen over vroeger.

Genesis 41:14-24

De farao krijgt niet te horen hoe de hebreeuwse slaaf heet. Hij vult de naam Jozef in. Hij ontbiedt Jozef. Ze schieten hem zijn kleren aan. En Jozef luistert naar de dubbele nachtmerrie van de farao.

            Met dat al begint het verhaal van Jozef nu een duidelijk keerpunt te vinden. De geschiedenis begon met het kleed en de droom over het koren. Die droom begint nu uit te komen. Eerst verdient de droom van de faroa alle aandacht. En je kunt je afvragen, of deze koning van Egypte een slechte koning is. Hij kan niet slapen als het probleem van de wereld, mensen die van honger omkomen, beelden worden die hem zelfs in zijn slaap aan de praat houden, de rust niet gunnen.

’Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet’

Ofwel: De Onderkoning en de broers

Wat zullen de broers van Jozef gedacht hebben, toen zij Jozef uit hun leven probeerden weg te schrijven naar Egypte. Een zorg, hun enige zorg leek het wel, minder. ‘Die zien we nooit meer terug!’ Je kunt altijd proberen de tijd naar je hand te zetten. Maar kun je de tijd doen stilstaan? Is een verhaal of een verwikkeling afgelopen afgelopen als jij besloten hebt er een punt achter te zetten?

            ‘Die zien we nooit meer terug’. Hun stelligheid was niet meer dan een gescheurde doek. Dat zoiets gaat rafelen is bekend. Zij zullen ontdekken dat geluk en ongeluk vaak in kleine hoekjes schuil gaan. De tijd zal hen wel leren waar zij geen flauw vermoeden van hebben, de verrassing van de Schriften: een God die zegt ‘Ik ben (er ook nog)’(Ex.3,14). De honger zal het hen leren.

            Leert de geschiedenis niet, hoe talrijk de parallellen zijn? Weet je van situaties die je kunt vergelijken met Jozef en zijn broers? Waar komt de onderdrukker van gisteren om betrokkenheid vragen? Waar komt boontje om zijn loontje en krijgt hij dan ‘genade-brood’?

            (In 1989 viel het ‘communistisch’ bewind in Tsjechoslowakije. Er waren er, die wraak wilden nemen op de vroegere onderdrukkers. De toneelschrijver Havel - de eerste in vrijheid gekozen president  -  was tegen het vervolgen van de vroegere onderdrukkers. Hij zei zoiets als: ‘Wanneer wij zo tekeer zouden gaan als zij, waarin zouden we dan verschillen? hoe zouden we dan beter zijn!’)

Genesis 41:25-33

Als het over dromen gaat - ga naar Jozef (zie ook Mt. 1). Hij droomde zijn wereld open. Alle afdalen (de put in, naar Egypte, de gevangenis in) ten spijt, men kan hem niet verdonkeremanen. Aan het licht gebracht legt de farao hem zijn nachtmerries voor. Als een kleine jongen eindigt hij zijn woorden met:’Ik heb het de geleerden voorgelegd, maar er is niemand die het mij kan verklaren’ (v. 24). Alsof het geen moeite kost. Jozef spreekt tot de faroa en wel over wat hem bezig houdt. Die twee dromen zijn één. En het gaat over een beslissing van God. Jozef legt dan niet zozeer de dromen uit. Eerder legt hij uit, welke plichten de farao heeft, wat hij moet doen.

Genesis 41:37-45

De droombeelden van de farao heeft Jozef voor hem van taal voorzien. En hij heeft verteld, wat er allemaal georganiseerd zal moeten worden. Een wijs en verstandig man zal moeten worden aangesteld om dat alles te regelen. Farao ziet rond. Ook zijn dienaren vinden het voorstel goed. ‘Maar kunnen we iemand vinden in wie de geest van God is?’

            Er klinkt geen antwoord op die vraag. De woorden blijken een lijst te zijn om Jozef heen, een soort krans. Door jou heeft God gesproken. Niemand is daarom zo wijs als jij. En binnende kortste keren staat Jozef er weer gekleurd op. Weer een feestgewaad. Het zegelring komt erbij en de gouden ketting. Jozef wordt een Egyptenaar als de farao. Maar weer is er de grens. De troon. ‘Alleen door de troon zal ik boven je staan’. 

Genesis 42,1-12

In de grote wereld van Egypte gaat alles zijn gewone gang. Zaaien en oogsten volgen elkaar op. En wat er meer is gaat via de handen van Jozef naar de graansilo's voor de komende kwade dagen. Dan breekt de hongersnood uit en in Egypte is volop.

Vader Jacob ziet dat er koren is in Egypte. De hebreeuwse bijbel gebruikt hier het woord ‘zien’. Hoe ziet hij dat? Dat vertelt het verhaal niet. Maar het werkwoord zien komt terug bij het onderwerp ‘broers’. Jacob zegt tot zijn zonen:’Waarom zien jullie elkaar aan?’ Als het gaat over dood en leven is elkaar zitten aan te staren weinig produktief. Die verlamming moet doorbroken worden. ‘Ga! Koop!’

Benjamin wordt achtergehouden. Wij, de lezers - de lezers kunnen altijd meer weten dan degenen over wie je leest - weten waarom.

            Terwijl de broers zich buigen voor Jozef, herinnert deze laatste zich zijn dromen. Waartoe dient die herinnering? Waarvan mag dat een kiemcel zijn?

 

Genesis 42:13-28

Je zou de vraag mogen stellen, of Jozef zo koninklijk omgaat met zijn broers. Begint hij hier niet al een oud-oosterse potentaat te worden? Als hij zo hoog gezeten is kan hij gemakkelijk met nobele schijn het ‘kat en muis’-spel spelen. Aan de andere kant: het loont misschien meer het verhaal te volgen.

            Drie dagen blijven ze gezamenlijk gevangen. Dan zal een van hen hun jongste broer moeten halen. Na de drie dagen blijft een van hen in de gevangenis en zullen zij allen gaan. Alsof hier het woord verbond verkend wordt: wat de één overkomt, overkomt allen. En zij zeggen:’Nu overkomt ons, wat wij onze broer hebben aangedaan’.

            Ruben distanciëert zich. Hij speelt voor oudste - wat hij indertijd, toen het er op aan kwam niet deed. Hij chanteert de broers. ‘Heb ik het niet gezegd! Jullie hebben niet geluisterd!’

            Jozef zet een heel drama in scene opdat zij zelf zullen zien wat ze gedaan hebben.

Genesis 42:29-38

Ze komen terug met koren en met het geld. Tevreden gezichten zou je je kunnen voorstellen. Maar je weet, dat al die welvaart niet kan verbergen dat er weer een broer minder is - alsof de geschiedenis zich herhaalt. Terwijl zij nu toch werkelijk onschuldig zijn! Maar wat betekent onschuld als het leed zo pijnlijk is dat het blauw van de hemel een grote klacht is. ‘Jozef is er niet meer, en Simeon is er niet meer en Benjamin wil je meenemen!’

            Ruben - mag radeloosheid hier een excuus zijn?! - heeft een verlegenheidsoplossing. Zijn vader mag zijn beide zonen doden als hij Benjamin niet terug brengt. Jacob wil er niet van weten. Wie ziet bij dit echec nog enig uitzicht?

Het keerpunt

Het verhaal van Jozef en zijn broers is een geschiedenis die zich voortdurend uit de pagina's van Bijbel lijkt los te maken. Hoezeer ook een verhaal uit de ‘voortijd’, het is te herkenbaar om ‘van gisteren’ te zijn.

            Jacob lijkt de houding aangenomen te hebben alsof er ‘niets gebeurd’ is. Je hoort niets meer van Simeon die in Egypte gevangen is. Je hoort niets meer over het eerste Egyptische avontuur en de claim die gelegd is op Benjamin. Het verhaal staat helemaal stil. En alsof een nieuw verhaal begint, zo geeft Jacob zijn zonen opdracht, koren te kopen in Egypte. Juda zal Jacob bij de tijd brengen. Er is iemand (‘een man’, Gen 43,3 en verder) in Egypte die van de hoed en de rand weet. De jongste broer moet mee, hoe dierbaar hij ook voor Jacob is. Er zal geen brood zijn zonder de jongste zoon. En zonder broodis er geen leven. Er is geen keuze.

            De vader zal zijn jongste moeten laten gaan. Zonder dat iemand het beseft is de schuld van de kinderen de dodelijke dreiging met alle leed vandien voor de vader geworden. (Met dergelijke woorden kun je ook iets meer begrijpen van het kernverhaal van het Nieuwe Testament.)

            Juda komt naar voren. De reis, meer precies de afdaling naar Egypte is niet enkel een reis om brood. Het is ook een gaan in verantwoordelijkheid. Juda kan nog nauwelijks weten wat dat is. In Genesis is eigenlijk nog geen ervaring opgedaan over het woord ‘broederschap’. Toch begint hij met ‘Ja’-zeggen.

Genesis 43,1-14

‘Maar de honger was zwaar in het land.’ In het hebreeuws een kwestie van tellen tot drie: drie woorden. Nadat Jacob geweigerd heeft Benjamin mee te laten gaan, valt het verhaal stil. Tot deze drie woorden klinken. Dan zullen zij weer moeten gaan. Dan zal ook Benjamin mee moeten.

            Juda voert het pleidooi. Hij spreekt niet als Ruben over ‘mijn zonen!’ Integendeel. Zo weerloos en kwetsbaar als maar mogelijk is stelt hij zichzelf garant. Hij maakt zich verantwoordelijk voor ‘kome wat kome moet’.

            Juda die zich verantwoordelijk maakt doet het hart van zijn vader omkeren - alsof verantwoordelijkheid het enige is dat helpt!

Genesis 43:15-23

Jacob verdwijnt als het ware achter de coulissen van het verhaal. Hij heeft zijn hulp geboden nu niets meer baat. Zijn zonen nemen zijn woorden ter harte. Ze gaan, met geschenken, met dubbel geld en met Benjamin. Maar op een of andere manier gaan ze niet als zonen of broers. Er is iets gebroken, een band geknapt. Ze heten ‘de mannen’. En ze komen niet meer aan als hongerigen te midden  van hongerigen. Ze komen met geschenken, dubbel geld en hun broer. Kortom: zij brengen hun verleden mee. Er zullen nu zaken gedaan moeten worden.

            De mannen worden naar het huis van Jozef gebracht. Ze zijn bang. Het eerste geld dat in hun voorraadzakken lag! Dat is geen probleem, zegt de huisbeheerder van Jozef. En daar komt Simeon. Is er iets gebeurd, dat hun lot zich ten goede keert?

Genesis 43:24-34

De gebeurtenissen overvallen hen. Water om hun voeten te wassen, voedsel voor de ezels. Ze leggen de geschenken gereed met het oog op wat komen gaat, op ‘wat ze gehoord hadden’.

            Jozef komt. Zij geven de geschenken met alle ceremonieel. Hij vraagt naar hun welstand, naar hun vader. Dan ziet hij Benjamin men hij moet gaan omdat zijn tranen niet meer te bedwingen zijn.

            Aan tafel zien ze, dat ze een plaats gekregen hebben overeenkomstig hun leeftijd. Het maakt hun niet meer bang. Er is enkel verwondering. Zelfs dat de kleinste de grootste lijkt - het gerecht van Benjamin is vijf keer zo groot als dat van hun - het stoort hen niet. Geen jaloezie, enkel vreugde en feest.

Genesis 44:1-13

Terwijl de mannen nog bezig zijn met het verwerken van spijs en drank, blijkt Jozef een heel scenario bedacht te hebben. De zakken worden gevuld met koren. Het geld komt weer terug. En de zilveren beker van Jozef wordt gedaan in de voorraadszakken van Benjamin.

            Niet verstoort de vreugde bij het vertrek. Het is goed gegaan. En terwijl zij weggegaan gaat de verteller terug naar Jozef. De huisbeheerder van Jozef moet de mannen achterna gaan en hun ter verantwoording roepen:’Waarom vergelden jullie goed met kwaad?’

            Dat gebeurt. Ze maken hun zakken open. Niets. Enkel onschuld blijkt. Maar terwijl zij steeds meer opgelucht adem halen wordt het drama tot het hoogtepunt opgevoerd. Elke zak die open gaat mist de beker. Totdat de laatste open gaat. De beker bij Benjamin. Alle schuld vanaf het begin van de geschiedenis van Jozef en zijn broers daalt neer op de jongste, de meest kwetsbare.

Genesis 44:14-23

Ze komen terug in het huis van Jozef. De tekst noemt hen nu niet meer ‘mannen’. Nu heten ze ‘Juda en zijn broers’. Ze vallen neer, putten zich uit in schuldbetoon. Allen zullen zijn slaven zijn voor ‘hun heer’. Maar zo gaat het volgens Jozef niet.

            Jozef brengt de broers precies terug tot de kern van de zaak: hoe ga je met je broer om? Benjamin alleen moet blijven. Halen zij nu opgelicht adem. Dat kan niet, want ze weten dat ze zo nooit bij vader Jacob kunnen aankomen.

            Terecht noemt de tekst hen ‘Juda en zijn broers.’ Juda neemt het initiatief. Hij breekt de ban van ‘het bloed kruipt waar het niet gaan kan’ door naar voren te treden en zich verantwoordelijk te weten. Hij herhaalt de vraag die Jozef eerder stelde naar de vader en de jongste broer. De dood heeft die twee met elkaar verbonden. Als de jongen zijn vader verlaat staat vast wat er gebeuren zal!

De broederschap

Het is in onze dagen gewoon geworden, zich te verbazen over het vanzelfsprekende gebruik van het woord ‘broederschap’. In sommige kerken spreekt men daarom uitdrukkelijk over ‘broeders en zusters’. Toch berust die correctie van ‘eenzijdig bijbels taalgebruik’ op een misverstand, tenminste wanneer men het boek Genesis wil geloven. Broeders hoort bij Genesis thuis en is dan altijd problematisch. Kain en Abel, Esau en Jacob, Jozef en de broeders. Geeft Genesis dan niets over zussen. Zeker wel. Lea en Rachel hebben die rol. En als er twee zijn die alle reden hebben om jaloers te wezen ... Maar daarover vindt men bij hen geen woord!

Het woord broederschap lijkt en lezing of les te zijn voor wie lezen en luisteren wil. (Zie C.Chalier, De Aartsmoeders, Gooi  Sticht, Hilversum 1987, p.134) Na deze verhalen is het woord niet meer naïef, niet meer enkel vrede. Integendeel: een aktieprogram, een steeds te leren les over verantwoordelijkheid. Alsof mensen elkaar broeders zijn (vgl.’Onze Vader’)!

            Een en ander wordt ondersteund door de plaats van Gen 37-50. Daartoe kan men zien naar het laatste woord van Genesis: Egypte. Heel deze geschiedenis geeft antwoord op de vraag, hoe Israël in Egypte - dat in Exodus het Egypte van de slavernij wordt - gekomen is. De slavernij is het evolg van hoe broers met elkaar omgaan!

Genesis 44:24-34

Juda spreekt voor ‘de man van Egypte’. Hij vertelt over zijn vader en wat er gebeurd is met één van diens liefste zonen. Als er iets met Benjamin gebeurt, dan is er voor de vader geen leven meer.

            Jozef hoort in het verhaal van Juda ook zijn levensverhaal. Hij zal opgemerkt hebben, dat voor Jacob Jozef verscheurd is. Maar hoort hij ook wat Juda daarna zegt? Jacob zou gezegd hebben:’ik heb hem tot nu toe niet weergezien’. Ligt er onder de as van al die jaren nog een vonkje vuur?

            Het verhaal wil daarbij niet stilstaan. Belangrijker zaken willen verteld worden. ‘Uw knecht is borg geworden ... als ik hem niet terug breng ... Ik zou het verdriet niet kunnen aanzien’. Een verhaal in de eerste persoon enkelvoud, over betrokkenheid en verantwoordelijkheid, over relaties en consequenties. Juda wil in plaats van Benjamin als ‘slaaf voor mijn heer’ achterblijven.

Genesis 45:1-15

Het lievelingskind van Jacob was eerste door de broers als slaaf naar Egypte verkocht. Nu stelt Juda zich beschermend voor Jacobs oogappel. Nu kan Jozef geen tegenstander of vreemdeling meer zijn. ‘Ik ben Jozef leeft mijn vader nog’. Zij deinzen terug. Maar hij verontschuldigt hen:’Om jullie in leven te houden heeft God mij voor jullie uit gezonden’. Jozef stapelt woorden op elkaar totdat hij Benjamin omhelst en huilt, en tranen elkaar ontmoeten.

Genesis 45:16-24

‘De broers van Jozef zijn gekomen’. Het gerucht bereikt de farao. En farao legt nu aan Jozef uit wat hij te doen heeft. Al het zorgzame dat reeds bleek uit de nachtmerries over de komende hongersnood wordt nu zorgzaamheid voor ‘de vader’, ‘de vrouwen en de kinderen’.

            Jozef doet zoals hem gezegd is. En de broers krijgen kostbare kleren. Benjamin weer een vijfvoud. Uiteindelijk doet Jozef hen uitgeleide: een karavaan met het beste van Egypte en voedsel volop. Opmerkelijk is het laatste wat hij hen meegeeft:’Twist niet onderweg’. Nu alles goed gekomen is hoeven ze elkaar niet te verwijten wat er gebeurd is. Van schuld mag geen sprake meer zijn.

Genesis 45,25 tot 46,7

De woorden alleen zijn voor Jacob niet voldoende - lijkt het. Maar dan dient men toch zorgvuldig op de kleine woorden te letten. Het hebreeuws zegt niet:’Hij geloofde het niet’, maar ‘Hij geloofde hen niet’ (zie de St.Vert.). Dat is iets geheel anders. Pas als zij de woorden die Jozef ‘tot hen’ gesproken heeft overbrengen en hij de wagens ziet die ‘Jozef gestuurd heeft’, pas dan leeft ‘de  geest van vader Jacob’ op. Vader, want weer volop vader van zijn zonen. Direct daarop klinkt de nieuwe naam ‘Israël’ (Gen. 32,28!), die samenvatting van heel het verleden als uitzicht op de toekomst: hij de vecht met God en vechten blijft met God, todat die wereld van mensen er is, die mens wil zijn voor God en broeder voor de broeder.

            Israël zegt: ‘Ik wil gaan en hem zien’. En als Israël vertrekt hij. Naar Egypte? Nee, naar Jozef. Maar Jozef is in Egypte! Goed, toch zegt het verhaal niet dat ‘Jacob naar Egypte gaat’. Hij komt aan Egypte. Dat is toch meer genuanceerd.

Genesis 50:15-21

Zijn vader zegt:’Weiden je broers niet bij Sichem! Ik wil je zenden naar hen’. Hij zegt:’Hier ben ik’. Als een gezonden gaat hij om te zien naar de sjalom van zijn broers.

            Een ‘man’ zomaar uit het niets vandaan, vraagt hem wat hij zoekt. ‘Ik zoek mijn broers’. Dat is Jozef. Zo begint na het verhaal over de jaloezie en de onvrede Jozef onderwerp te worden in het verhaal (Gen.37:13vv) dat ons hem en zijn wereld doet kennen.

            Nu, in de tekst die we vandaag ter afsluiting van de geschiedenis van Jozef lezen, is Jacob gestorven. De broers zijn bang. Zal Jozef zich niet ‘op ons’ wreken?

            Aan het einde van het verhaal kan Jozef nog steeds zeggen:’Ik zoek mijn broers’. Of hij hen gevonden heeft en zij hem is een van de geheimen van de eeuwen en die zijn in Gods hand.


Lit.       
NBG-Bijbel (vertaling 1951).
ROOZE, Fr., Jozef, Gen.37-50, Kampen 1981.
ELDERENBOSCH, P.A., Hoor Israël, Den Haag 1971, pp.89‑117.
ENGELEN, J.C.M., Genesis Opnieuw, Hilversum 1984, pp.149‑191.
KOOT, A.Th., e.a., Naderen om te horen a, Hilversum 1981, pp.59-61.
TENACHON, 8.9, pp.117vv.
DRIJVERS,P. en SCHILLING,P., De twaalf gezichten van de messiaanse mens, Hilversum 1986, pp/105-118.
Mozes, Aan de hand van, een zomer, een herfst en een winter onder het beslag van Genesis 16 tot en met 50, Mededelin­gen Van der Leeuw-stichting nr. 46, Amsterdam/'s-Gravenhage 1974, pp.136­(3266)-218(3348).
WIESEL, E., Bijbels eerbetoon, Hilversum 1976, pp.110-135.

Voor verdere verwerking wanneer je veel tijd hebt:
MANN, Th., Joseph und seine Brüder, Frankfurt a.Main 1971.


De fragmenten zijn eerder gepubliceerd in: Handreiking 26, NBG-Haarlem, 1991-92.

tekeningen van Barbara Planken (2001)
© 1997, Jan Engelen, Herten/Roermond


bijbel home