Genesis 1,1-2,4a

als je het met woorden moet doen


Een werkblad
Werkvertaling met eventueel voorleesaanwijzingen door Jan Engelen

Met behulp van strepen kun je zelf een 'bladspiegel' maken.
Kijk eens of je samenhangen ziet, een schema, toevalligheden, regelmatigheden.
Waarom staan bepaalde woorden op een typische manier "gedrukt"?


1 Om te beginnen - God - SCHEPT - de hemel en de aarde.
2 De aarde - is - woest en leeg, en duisternis ligt op de vloed,
en de Geest van God zweeft over het aangezicht van de wateren.
3 En God zegt: Licht moet er zijn. [I licht
En - er - is -- licht.
4 En God ziet -- het licht: - hoe ***goed - is het,
en God maakt scheiding tussen het licht - en - de duisternis.
5 En God roept het licht - dag, en de duisternis roept hij - nacht.
En het is avond en het is morgen, dag één.

6 En God zegt: Er moet een uitspan zijn in het midden van de wateren, [II uitspan
om scheiding te maken tussen water en water.
7 En God maakt het uitspan en hij scheidt het water onder het uitspan
van het water boven het uitspan; en zo is het. 8 En God roept het uitspan - hemel**.
En het is avond en het is morgen: de tweede dag.

9 En God zegt: Het water onder de hemel moet op één plaats samenvloeien
en het droge moet te voorschijn komen; en het is zo. [III zee & land
10 En God roept het droge aarde,
en het samengevloeide water roept hij zee. En God ziet hoe ***goed is het.
11 En God zegt: De aarde moet jong groen voortbrengen, zaaddragend groeisel,
vruchtbomen, die naar hun A A R D vruchten dragen die zaad bevatten op de aarde.
En zo is het.
12 En de aarde brengt voort jong groen, groeisel dat naar zijn A A R D zaad geeft,
en geboomte, dat naar zijn A A R D vruchten draagt, die zaad bevatten.
En God ziet: hoe ***goed is het.
13 En het is avond en het is morgen: de derde dag. 14 [IV zon, maan & sterren

En God zegt: Lichten moeten er zijn aan het uitspan van de hemel
om scheiding te maken tussen de dag en de nacht,
en zij zullen er zijn om vaste tijden aan te wijzen van dagen en van jaren15
en als lichten zijn ze aan het uitspan van de hemel om licht te geven op de aarde**.
En zo is het.
16 En God maakt de beide grote lichten,
het grote licht om te heersen over de dag,
en het kleine licht om te heersen over de nacht, en de sterren.
17 En God zet ze aan het uitspan van de hemel om licht te geven op de aarde,
18 en om te heersen over de dag en over de nacht,
en om het licht en de duisternis te scheiden.
En God ziet: hoe ***goed is het.
19 En het is avond en het is morgen: de vierde dag.

20 En God zegt: wemelen moeten de wateren met gewemel van levende wezens, [V vissen
en gevogelte moet vliegen over de aarde langs het uitspan van de hemel. vogels
21 En God SCHEPt de grote zeebeesten en al het wiebelen van levende wezens
met het gewemel in het water, naar hun A A R D,
en allerlei gevleugeld gevogelte naar zijn A A R D.
En God ziet: hoe ***goed is het.
22 En God zegent ze en zegt: groei en word veel en vul het water in de zee,
en laat het gevogelte op de aarde veel zijn.
23 En het is avond en het is morgen: de vijfde dag.

24 En God zegt: de aarde moet levende wezens te voorschijn laten komen naar hun A A R D,
vee en kruipend dierspul en wild dierspul naar hun A A R D. [VI dieren
En zo is het.
25 En God maakt het wild dierspul naar zijn A A R D
en het vee naar zijn A A R D en alles wat op de aardbodem kruipt naar zijn A A R D.
En God ziet: hoe ***goed is het.
26 En God zegt: Laat ons een mens maken mens
naar ons beeld op ons lijkend,
om te heersen over de vissen van de zee en over het gevogelte van de hemel
en over het vee - en over de gehele aarde
en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.
27 En God SCHEPt de mens naar zijn beeld;
naar Gods beeld SCHEPt hij hem;
mannelijk en vrouwelijk SCHEPt Hij hen
.
28 En God zegent hen en God zegt tot hen:
Groei en bloei; vul de aarde en onderwerp haar,
heers over de vissen van de zee en over het gevogelte van de hemel
en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt.
29 En God zegt:
Zie, Ik geef je al het zaaddragend gewas op heel de aarde
en al het geboomte, waaraan zaaddragende vruchten zijn;
ze zullen je dienen om te eten.
30 Maar aan al het dierspul van de aarde en al het gevogelte van de hemel
en al wat op de aarde kruipt, waarin leven is, (geef Ik) al het groene kruid te eten;
en zo is het.
31 En God ziet alles wat Hij gemaakt heeft,
en zie: hoe heel ***goed is het
.
En het is avond en het is morgen: de zesde dag. [VII sjabbes
2,1 Zo worden voltooid de hemel en de aarde en alles wat er in is.
2 En God voltooit op de zevende dag het werk dat hij maakt,
en hij rust op de zevende dag van al het werk, dat hij maakt.
3 En God zegent de zevende dag en heiligt die,
omdat hij daarop rust van al het werk,dat God SCHEPt door het te maken.
4a Dit is wat er aan de hand is met de hemel en de aarde: ze zijn geschapen.

 

 

 

 

In het zevendagenverhaal heet God steeds God: elohiem. Afkorting EL. Denk aan namen al

Dan-i-EL (rechter van mij is God) GabriEL (mijn kracht.. ) ELisjeva (ELisabeth: God is mijn rust).

Elohiem is God als de Godheid, meer reflexief. De naam is grammaticaal meervoud (plurale tantum- komt alleen inhet meervoud voor).

Na het zeven-dagen-verhaal komt het verhaal over de mens en zijn tegenover. Daar heet God JHWH.

 

Voor meer commentaar moet je naar het grotere geheel van Genesis 1 tot 11 gaan.

Jan Engelen, Herten, 18.02.1998