Dr.Jan C.M.Engelen, Genesis 1-12: Aan het begin, aan het hoofd.

"Aan het begin" - aan het hoofd

Bresjith/Genesis 1-12

ouverture

Want Mozes heeft er, van oude tijden , in elke stad, die hem prediken, en hij wordt op elke sjabbath in de synagogen voorgelezen (Hand 15,21).

 door Dr. Jan C.M.Engelen

Inhoud

Vooraf                                                                                                                                   

Hoofdstuk 1 De eerste woorden. Gen 1,1-3.
Hoofdstuk 2 Tot zeven leren tellen. Gen 1,3 tot 2,4a.
Hoofdstuk 3 De opzet, en hoe het uitpakt. Gen 2,4b -4, 26
Hoofdstuk 4 Catastrofe of Troost in de catastrofe - een heel verschil. Gen 6-9
Hoofdstuk 5 De Toren. Gen 11
Hoofdstuk 6 Terach—Avram/Abram. Gen 11,27-12,1 

 

Vooraf

Het boek Genesis is het eerste boek dat je in een reguliere bijbel vindt.

Het typisch christelijke deel van de Bijbel, het zogenoemde Nieuwe Testament, maakt voor Christenen vanzelfsprekend deel uit van de bijbelse literatuur. Pas enkele eeuwen na het begin van de jaartelling worden deze latere, apostolische boeken voor Christenen even fundamenteel als de eerdere Boeken.
Boeken,
in het grieks biblia. De bijbel is het  boek der boeken, een boek dat uit boeken bestaat.

Vóór het begin van het christendom is de Bijbel de schriftelijke traditie van de Joodse gemeenschap. Naast de schriftelijke traditie kent de joodse gemeenschap de mondelinge traditie, de Talmoed. De mondelinge traditie laat zien, hoe men van generatie op generatie, omgaat met de verhalen-vanouds. Het doorgeven van generatie op generatie (mondeling) maakt in de Joodse Traditie wezenlijk deel uit van de collectie verhalen die wij vaak, en ten onrechte, de naam Oude Testament geven. Hoezo ‘ten onrechte’? Zie de inleiding.

Het Oude Testament is niet geschreven en doorgegeven met het oog op het Nieuw Testament. Het leidt zogezegd niet vanzelf naar het Nieuwe Testament. De beweging is eerder omgekeerd. Het Nieuwe Testament leidt vanzelf naar het Oude. (Zie eventueel Lukas 16,31.)

Noblesse oblige. Het zogenoemde Oude Testament is door en door Joodse literatuur. Men zal derhalve minstens bij de Joodse traditie te rade moeten gaan om te leren hoe dat gaat, lezen in of horen naar die oude verhalen. Hebben alle verhalen in de Bijbel dezelfde toonhoogte? Klinken zij allemaal met hetzelfde gezag? Ook hier geeft de inleiding eerste informatie.

Het boek Genesis is het eerste boek van de Tora. De Tora vertelt een oude geschiedenis die steeds opnieuw weer met Pesach (Pasen) zo goed als nieuw blijkt.

·        Over iemand die oog heeft voor miskende mensen. God is zijn naam. Over God en hoe/wie hij is. God in dit verhaal kan er niet tegen dat mensen slaaf worden gemaakt. Hij is geen God over de ruggen van ontkende mensen heen. Hij reikt de weg aan uit de duisternis van de slavernij naar het licht van vrijheid en bevrijding.

·        Over hoe moeilijk, menselijkerwijs bijna onmogelijk, de weg van vrijheid en bevrijding is. Onder leiding van Mozes zal het volk steeds opnieuw weer als voor het eerst en nu serieux, een weg zoeken door een onbegaanbaar land, over wegen die nog niet gegaan zijn (woestijn).

·        Over het onwaarschijnlijke land aan de overkant, ver weg of dichtbij, dat de belofte draagt. Over het Veelbelovende Land. Over werkelijk leven.
·   
Over de tocht door de Jordaan naar het land dat de belofte draagt. Over de Tora: woorden die geschieden.

 Verhalen onderweg laten het leven van elke dag zien als sporen van genegenheid. Bevrijding als daad van genegenheid. Een daad van genegeeenheid noemt de bijbelse literatuur waarheid.  De Tora, een weg die waarheid blijkt, echt volop leven. (Woorden die wij niet snel bij elkaar denken blijken, peinzend over de Torah, organisch bij elkaar te horen.  Zie Jo 14,6.)

Bedenk  van meet af aan: tijdens de Babylonische Ballingschap is de Tenach geworden. Israël bestaat in die dagen niet meer, Jerusalem en de Tempel zijn verwoest. Het volk is vermoord, overlevenden gedeporteerd naar Babylon. Een handje vol overlevenden gedragen door de herinnering - Gods hand.

Voor de goede orde

Steeds opnieuw blijkt in onderwijsland de discussie gevoerd te moeten worden over “schepping of evolutie”. Die discussie is even zinvol als de discussie over sinasappelschillen of dakgoten. Ze hebben niets met elkaar te maken.

De aarde van ‘hemel en aarde’ heeft niets te maken met de aarde van de aardrijkskunde of de planeet van de astronauten.

De aarde in het scheppingsverhaal is het toneel voor de mens waar zo aanstonds over verteld gaat worden: geschapen naar Gods beeld, op Hem gelijkend. De aarde van ‘hemel en aarde’uit het scheppingsverhaal heeft niets te maken met temperaturen, aardlagen, mineralen en luchtverontreiniging – tenzij wanneer de mens van vandaag zich herkent in de mensen van de verhalen vanouds en meedromen van vrede in een nog steeds door domheid en waan geterroriseerde wereld. De tijd van Genesis 1 is de tijd van het verhaal. Die duurt zolang het verhaal duurt. Die verhalen zijn voorlopig de wereld nog niet uit. Ook al delen ze het lot van de geterroriseerde wereld en zijn of worden zij steeds weer opnieuw misbruikt voor domheid en onbenul nog steeds zijn die verhalen de wereld nog niet uit. Nog steeds blijken zij het stof van  dromen die zeker weten dat er ook op deze planeet genoeg is om te vermoeden wat bevrijding en vrijheid zouden kunnen betekenen.

De aarde van hemel en aarde heeft alles te maken met de verwachting die het hoofd weer op durft heffen na veertig jaar woestijn, aan het einde van exodus met alles wat daarbij is komen kijken, - voor de Jordaan, waar de aarde van alledag overgaat in het land dat de beloften draagt, aan de overzijde en nog verder – goddank eindelijk een beetje thuis.

Genesis aan het hoofd van de Tora, is koploper. Het vertelt wat je weten moet voordat je het verhaal over Wij waren slaven in Egypte maar Hij heeft ons bevrijd kunt verstaan. Je moet toch weten wie die wij zijn. Wij, vertellers van die verhalen, zijn volgens die verhalen de kinderen van Abraham, Isaak en Jacob - alsof verhalen vertellen wie je bent! Alsof identiteit geen kwestie van biologie, van genen, van afstamming, burgelijke stand en een hapje geschiedenis, kortom puur verleden is. Verhalen. Abraham, Isaak en Jacob, deze drie namen blijken een code. Ze vatten heel het boek Genesis samen. Zie Mt 1,2. 

Namen lijken labels, lijsten, cartouches rondom minstens één verhaal. Namen lijken wel plaatsen. Ze bieden rruimte voor minstens een verhaal. Want noem de naam Abraham en stel de vraag wie is Abraham? Als iemand het weet (of weet waar het zoeken moet) beginnen nu terstond de verhalen over hem. Ken je de naam niet, stel je die vraag niet, ken je die vraag niet, - dan stellen de verhalen over Abraham voor jou niets voor en gaan ze nergens over.

Goed, proberen we het. Wie is Abraham? Volgens de verhalen is het na Genesis 1 tot 12 de man van Gods alternatief. Hoezo alternatief? Dat wordt een langer verhaal. Twee vragen moet je eerst beantwoorden. 1) Hoe gaat het in de regel? 2) Hoezo is Abraham een alternatief ofwel anders?

Als je wat vertellen kunt, wie weet wel vertellen moét, wat vertel je dan? Waar begin je? Hoe? Hoe breng je ordening in de chaos die deze tijd en deze wereld is. Hoe maak je toehoorders tot tijdgenoten van Abraham zodat zij zich zijn keuze voor het enige alternatief kunnen voorstellen? Dat is rol en de taak van het-verhaal-aan-het-hoofd. Het wil allen die van ver of van dichtbij gekomen zijn tot één volk maken. Alle oren en ogen worden dezelfde kant op gericht - zoals bij een voorstelling in een theater of concertzaal.

Het rumoer, alle klank, elke poging van het orkest om de juiste toonhoogte te vinden, wordt gestaakt. Nu de creativiteit van de kunstenaar aan de orde is doet het eigen initiatief, mijn woord of begrip, mijn kunnen of present zijn, niet meer ter zake. Alles waar je in de regel mee bezig bent moet je even vergeten om te luisteren naar dat onbekende, dat niet-eigene, dat andere dat nu begint. Wanneer iemand begint te lezen neemt de tekst het woord.

Bijbels lezen is eigenlijk hardop lezen, want je moet en zult het woord horen. Het geloof is uit het horen (Rom 10,17). Hoor, Israël, de Heer is onze God (Deut 6, 4). Zo men spreken wil van een joodse geloofsbelijdenis, dan is dit de regel die ervoor in aanmerking komt. Elke ochtend en elke avond zal hij gebeden worden als vertolking van de grondhouding van joden. Zij wil­len horen. Wanneer in de woestijn het verbond gesloten wordt, geeft de tekst te lezen: En we zullen het doen en we zullen horen (Ex 24, 7). Het doen staat vooraan, typeert de wijze van horen. Want horen is meer dan het opvangen van geluidstrillingen. Het wil de handen richten, aanwijzing voor het leven van elke dag zijn.

Wanneer de Bijbel open gaat is er, sinds de Verlichting een probleem, een pre-occupatie. Vanaf het begin willen sommigen de vermoede - want van tevoren reeds begrepen - inhoud van Genesis 1 vastleggen. Deze vasthoudendheid (aan wat eerder, of door eerdere generaties, begrepen is)  loopt het opnieuw luisteren naar het verhaal voor de voeten (vgl Mt 16,22). Iedereen weet toch waar het scheppingsverhaal over gaat! De lezer weet het al, meent h/zij! Horen hoeft dan niet meer.

Het zou kunnen zijn dat het verhaal hier en nu iets anders te vertellen heeft dan wat ik weet. Anders gezegd: ga je een verhaal gaat lezen, dwing dan het verhaal niet bij voorbaat jouw uitleg op. Geef het verhaal het woord. Eventueel: zoek informatie die de tekst verstaanbaar maakt. Hij komt toch uit een andere wereld dan die van nu! Wat is dat voor wereld? Wat zijn dat voor mensen? Wat doen zij, waar zijn ze mee bezig, wat motiveert hen en waarom vertellen ze deze verhalen?

Wat je als begin van de verhalen van Genesis hoort,  het eerste verhaal van de Bijbelse literatuur, heeft niet de eeuwen getrotseerd om de mens van nu antwoord te kunnen geven, wanneer h/zij, vér over de sterren en de donkere gaten heen, op zoek is naar (wat voor hem/haar, hier en nu, met de huidige stand van zaken en het wetenschappelijke apparaat van onze dagen) het prille begin van de aardkorst zou kunnen zijn, - het begin van het universum waarin wij sinds het begin van de Nieuwe Tijd opeens blijken te leven. (Let wel: als iets een begin heeft, is er dan een vóór die tijd? Zo ja, dan is het begin het begin niet.)

Genesis 1 is niet het het eerste woord over het tersluikse gelijk van God als De Beste Natuurweten­schapper. Genesis 1 is niet het eerste en ook niet het laatste woord. Het heeft niet de behoefte, een einde te maken aan de nieuwsgierigheid waarmee een mens kan kijken in en naar deze wereld. Genesis 1 is een begin van een immens agglomeraat van verhalen. Het stemt het verstaan af op wat het gaat vertellen. Wat wil er dan verteld worden? Daartoe kunnen geen andere woorden dienen dan die welke de tekst geeft.

Maar waarom wil het dan geen andere woorden geven dan deze? Ook die vraag kan men alleen voorleggen aan de tekst, desnoods noteren in een voetnoot of in een vragenlijst. Wie weet is het een goede vraag, een vraag die van begrip getuigt. Misschien is het een vraag die reeds in de tekst aan het werk is en die zo aanstonds beantwoord gaat worden. Feit is: niet alle vragen zijn in dit verband goed.

Welke vragen zijn goede vragen? Dat zijn de vragen die met het onderwerp te maken hebben. Het onderwerp is de tekst. Mijn eigen vragen, vragen die aansluiten bij mijn verleden, mijn inzichten en behoeften komen later - gaandeweg. Ik werk wel steeds met mijn eigen, al dan niet geweten, mij bekende vragen. Misschien ben ik die vragen wel, maar zolang ik luister of lees zij zijn enkel aan de zijlijn aan de orde. Aldus werkt de tekst, spreekt hij mij toe, spant hij met , tegen en voor mij samen om mij op verhaal te laten komen en mezelf onvermoed tegen te komen in het verhaal.

Een goed verhaal komt nooit alleen. Daarom horen mondelinge en schriftelijke traditie bij elkaar. Betekent dat iets? Voegt de mondelinge traditie iets toe aan het massieve corpus van tekst? Een drietal voorbeelden kunnen dit ietwat aangeven.

1. Genesis 1 begint in het hebreeuws met Breesjieth. Het heeft Joodse leraren gefascineerd, dat dit eerste woord Van de Tora, begint met de letter B. Ook in het Hebreeuws is dat de tweede letter van het alfabet. Van die vondst hebben zij een les gemaakt. De Schrift begint met de letter

B, zegt een van de leraren, om je eraan te herinneren dat wat wij aanzien voor het begin, het begin niet is. Het eigenlijke begin, de letter A, vind je in Ex 20,1: Ik ben de Heer, je God, die je uit het land Egypte, uit het diensthuis heb doen uitgaan. Het woordje Ik - grammaticaal niet noodzakelijk en alleen gebruikt bij extra nadruk - staat uitdrukkelijk in de Hebreeuwse tekst: Anokhi. Daar staat ook in het hebreeuws de alef, de eerste letter.

2. Een ander verhaal bij Genesis 1 begint met de vraag: Waarom begint de Schrift, Gods woord, met zoiets onbelangrijks als In het begin? Waarom begint de Tora niet met zoiets belangrijks als het verbond, of de Tora? Waarom niet de tempel of de Mesjiach? Op deze vraag komt als antwoord: Natuurlijk is de Tora belang­rijk, en het verbond ook. Natuurlijk, de tempel, moge hij herbouwd worden; of de Mesjiach, moge hij spoedig komen. Maar het allerbelangrijkste voor een mens is het om te beginnen. Daarom begint de Schrift met zoiets belangrijks als het begin.

3. De Joodse traditie kent ontelbare van dit soort korte verhalen. Ze gebruikt deze verhalen om een woord te laten staan en te verstaan, om de reikwijdte van een woord, een regel of een tekst aan te geven. Zon verhaal heet midrasj (meervoud midrasjiem). Het woord midrasj is afgeleid van het werkwoord darasj: onderzoeken, leren. Je kunt eraan horen, hoe men zoekt naar de betekenis, de geldigheid, de toepasbaarheid en creativiteit van hetgeen men bestudeert. Deze uitleg bij wijze van verhaal hecht zich zelfs aan een letter.

Beroemd is de midrasj van R(abbi) Jonah in de naam van R. Levi over de Hebreeuwse B, de beth. R. Jonah zegt in de naam van R. Levi: Waarom wordt de wereld geschapen met de letter B. Zoals de bet aan alle zijden gesloten is, maar open aan de voorkant (in het Hebreeuws leest men van rechts naar links), zo is het je niet toegestaan te onderzoeken, wat boven en wat beneden is, wat voor en wat achter is. Het heeft geen zin, je hoofd te verliezen in wat voor de schepping was, of wat later na dit leven zijn zal. Je moet hier en nu leven.  Anderen zeggen: je moet niet met je hoofd in de wolken lopen. Het heeft ook geen zin, steeds maar weer terug te willen, achteruit te kijken. Ook helpt het niet, op de grond te gaan liggen omdat je meent dat je niet verder kunt. Je kunt alleen maar vooruit. Het is heel aardig, dat dit voor onze begrippen achteruit is, want men leest het Hebreeuws van rechts naar links. Weer een ander zegt: met een B, omdat je dan kunt horen dat het een zegen (beraka) is.

Uit deze opmerkingen bij het eerste woord van de Tora - B’reesjiet / In den beginne, - blijkt: voor de joodse leraren is Genesis 1 niet een stopwatch of een tijdsbalk, die het begin in de tijd probeert vast te leggen. Nu het eerste woord gehoord is, blijkt iets anders begonnen. Iets anders is de opzet en in eerste instantie beslissend: om te beginnen.

In de joodse traditie probeert men ook een woord beter te verstaan vanuit de andere plaatsen waar dit woord functioneert. Zo wijst men bij B’reesjiet/ln den beginne op Spreuken 8, 22. Daar geldt de Tora als begin van Gods weg. Ook wijst men op Jeremia 2, 3 waar Israël het begin van Gods oogst is. Ook het Johannes-evangelie opent met Aan het hoofd/ln het begin - in alle eerbied verwijzend naat de Tora - Gods Woord, zijn Voor-Woord, woord dat aan mijn spreken, mijn logica, met ratio(naliteit) voorafgaat en mijn woord tot antwoord maakt.

Om te beginnen: God schept de hemelen en de aarde. De Joodse traditie noemt Genesis met een andere naam. Daar heet het boek naar het eerste woord: B’reesjiet. De synagoge van vandaag begint met B’resjíeth/Genesis officieel, - dwz in de liturgie, - op het feest Vreugde der wet/Sjimchath Tora. Maar voordat men daarin leest heeft men toch iets anders gelezen?

Aan Genesis 1 gaat het laatste deel van Deuteronomium vooraf, het slot van de vijf boeken van Mozes. Op Sjimchath Tora wordt de boekrol teruggedraaid, af- en opgerold naar het begin. Opnieuw gaat het volk bij Mozes in de leer.

Voor Joodse kinderen is Sjimchath Tora een groot feest. In de synagoge worden bruidssui­kers uitgedeeld. Zo zoet is Gods woord. Het moet heerlijk zijn om weer te gaan leren. Dat zien de kinderen aan de feestelijke gezichten van de grote mensen, dat proeven ze aan hun eigen plezier - een blijvende herinnering, je thuis weten.

Hoofdstuk 1: De eerste woorden

Gen 1,1-3

Kijk eens naar de werkvertaling
zie of je wat lijnen of strepen kunt zetten

De eerste regel van B’reesjieth/Genesis telt in het Hebreeuws zeven woorden: B’reesjieth barah elohiem eeth ha-sjamaiem we-eeth ha-arets.

B’reesjíeth begint met het voorzetsel be/in of bij. Daarna reesjieth, afgeleid van roosj. Roosj is hoofd, zoals in het hoofd der school. De eerste, niet persé een aankondiging van tijd. De knoop in het koord zorgt ervoor dat het touw niet uitrafelt, geeft het verhaal een begin.

Barah/scheppen. Het werkwoord scheppen klinkt in de regel vertrouwd. Scheppen betekent voor de meeste mensen iets ma­ken. De LXX (Septuaginta, voor-christelijke, joodse vertaling) geeft maken; de Vulgata (latijnse, christelijke vertaling - vulgus betekent volk) geeft creare/scheppen, zoals bij een creatief mens, iemand die kunstenaar is.

Vaak voegde men er diepzinnig aan toe: de scheppende kunstenaar maakt iets van iets anders; God schept uit het niets. Herinner je de uitleg bij de letter B, hierboven. Het heeft geen zin te speculeren over hetgeen aan Gods scheppen vooraf zou gaan. Het leidt nergens toe. Voor de verliefdheid bestaat is er niets zoals dit.

Maar heeft God dan soms niet uit niets geschapen? Indien iemand er behoefte aan heeft daarover te denken, wie zal  zeggen dat het niet mag? Feit is evenwel dat de tekst het daar niet over heeft. De schepping uit niets is een wijsgerig, traditioneel thema, zo men wil, in de geloofsleer gehaald als demonstratie van Gods Almacht. Maar ook daar zijn misverstanden over. De Schrift zegt slechts in zeer bepaalde situaties, dat God almachtig is. Dan gaat het er over, dat het volk in ellende verkeert. Hij zal het voor de mensen opnemen want zo is Hij. Maar indien de mens niet wil, kan God ook niets. Bijbelse literatuur is, met alle respect, geen filosofie. Het heeft niet de pretentie vragen overbodig te maken door kwesties op te helderen.

Binnen de bijbelse literatuur is met het woord scheppen iets bijzonders aan de hand. Het bijbelse barah/scheppen heeft alleen God als onderwerp. Het is derhalve een woord zonder vergelijk. Wat God hier doet, heet barah. Het wordt vertaald met scheppen, maar het is niet onzinnig te noteren, dat we niet weten wat barah/scheppen is. We kunnen Gods scheppen met niets anders vergelijken. Het is enkel te verstaan vanuit hetgeen het gevolg is van God én dit doen van Hem, aan het begin als begin.

Het gevolg van Gods scheppen aan het begin als begin is het vervolg van die eerste zin: hemel en aarde staan naast elkaar. Ze worden in één adem genoemd. Gods scheppen staat daar (garant) voor. Het is zijn initiatief, zijn voorzet en opzet.
 

Hemel en aarde komen niet uit de lucht vallen. Ze vinden in de tekst plaats. Waar is de hemel? Bijvoorbeeld in Genesis 1,1. De hemel is daar de partner van de aarde. Dat is het resultaat van Gods scheppen.

Maar hemel en aarde, is dat niet het heelal? Waarom niet Als begin van zijn scheppen: het heelal, of universum?Woorden maken de werkelijkheid toegankelijk. De werkelijkheid heet hier: hemel en aarde, niet universum. Hemel en aarde maken afstand en nabijheid mogelijk van zaken die blijkbaar verschillend zijn. Kies je voor heelal dan moet je ook zeggen: onze vader die in het heelal zijt (Onze Vader), en, eer aan God in het universum (eer aan God in de hoge).
Hemel en aarde zijn als zoveel bijbelse woorden en verhalen, woorden die op geen enkele ervaring teruggaan. Ze zijn zoiets als openbaring, het hoge woord eruit, extra-taal: woorden waar je niet op komt terwijl ze zich aandienen als vanzelfsprekend. (Noem eens wat van die woorden, die extra-taal! Bijvoorbeeld scheppen, God, plaats, tijd, vrede, broer, vader, vrouw, man, mens, kleding, brood, vrijheid. We beschouwen die woorden als onze eigen taal. Is de taal een uitvinding van ons, of zijn wij uitvinding van de taal? Of moet men dit soort zaken anders vragen?)

In eerste instantie is nu ruimte gemaakt voor een van de belangrijkste en over het algemeen nooit begrepen gege­vens van Genesis 1. Alles wat er in genoemd wordt, heel de inventaris van he­mel en aarde, alles wat komen gaat . . . het is niet God. De hemel, de zon, de maan, de sterren, planten of dieren . . . ze zijn God niet, ze zijn geen God. Wat wij kennen als belangrijke elementen voor onze samenleving, milieu, werkverdeling, grondstoffen en eerlijke prijzen voor grondstoffen, - of mis­schien nog beter: alles wat een mens belangrijk vindt, alles waar hij zich aan hecht, waar hij of zij zich afhankelijk van voelt . . . het is God niet.

Daarnaast - wij blijken nauwelijks in staat dat te beseffen - heeft het scheppingsverhaal in de oud-oosterse wereld rondom de Middel­landse Zee altijd de indruk gewekt, een zeer atheïstisch verhaal te zijn. Wat de andere volkeren als goden kennen zijn in het bijbelse landschap dingen, maaksels, afhankelijk van de Éne die plaats gaat maken voor de mens op aarde onder de hemel.

Hemel en aarde horen dank zij Gods scheppen bijeen. Vanuit onze kultuur zijn wij gewend, die twee op grote afstand van elkaar te zien. Bijbels gesproken zijn zij dankzij God dicht bijeen. Dat staat als een paal boven water. In de tekst is dat een feit. Maar bijna ontnuchterend na dit eenheids-visioen neemt de tweede zin het laatste woord alleen over. Alleen - als ware het zonder partner.

De aarde nu - Het woord aarde wordt uit de tekst genomen, aan een nader onderzoek onderworpen, bekeken. Het verhaal maakt zichtbaar wat het betekent: de aarde alleen. De aarde nu . . . De aarde alleen is woest en leeg, duisternis over het gelaat van de diepten.

Vanuit Jeremia 4, 23 kan men verstaan, hoe woest en leeg verstaan wil wor­den. Jeremias hart krimpt ineen. Hij kan niet zwijgen. Hij hoort krijgstrom­petten, ziet oorlog en verwoesting. Alles op zijn kop. Ik zie de aarde, en zie: woest en leeg; en naar de hemel: en er is geen licht. Het heeft er de schijn van dat God niet gesproken heeft, nog niet, en dat hij ook nooit zal spreken. De chaos compleet en definitief is.

Woest en leeg, maar dan uiteengeschreven in een zin, treft men ook aan in Jesaja 34, 11. Ook daar is het een dag als een oordeel, apocalyptisch, verschrikkelijk. Aarde zonder hemel. Onpeilbaar diep en duister. Denk maar aan de beelden die je kent van zovele oorlogen met al hun mensen-ontkennend geweld.

Het voorafgaande visioen, de beginselverklaring waar je van opkijkt, de ver­rassende eenheid van hemel en aarde bijeen, die zeven Hebreeuwse woorden aan het begin blijken toch een fata morgana, een luchtspiegeling in het hete woestijnzand, een illusie, tevergeefs. Maar de tekst is het hier niet mee eens. Dit soort peinzen zal ter­stond een halt toegeroepen worden: niet zo snel! Het verhaal is nog niet uit. Het begint nog maar pas.

Aarde zonder hemel is woest en leeg, dat is toegegeven, zelfs aangegeven en verkondigd. Die lege onherbergzaamheid, en die onherbergzame leegte hoort bij de begin-situatie. Onontwarbaar is de diepe duisternis waarin geen woord te vinden of te lezen is. Maar het begint nog maar pas: geest van God is - zwevend boven de wateren.

De geleerde fantasie is bij Gods geest zwevend boven de wateren zwaar aan het werk. In brede halen ziet men driftige wolken boven een oerzee op hol geslagen, als ware men de duisternis over het gelaat van het peilloos diepe vergeten. God, zo heeft men ontdekt, zou hier in de tekst ook kunnen betekenen: reusachtige. Een reusachtige storm.

Het Hebreeuws spreekt over roeach elo­him, geest Gods. Wat is dat? Het is bekend, dat geest zo'n christelijk woord is, liefst met het woordje heilig en het bepaalde lidwoord erbij: de Heilige Geest. Dat zal er wel mee te maken kunnen hebben - maar zo ver zijn we op de eerste pagina van de Schrift zeker nog niet.

Wie een onbekend woord op het spoor wil komen dient te letten op het effect van dit woord in de tekst: hoe zaait het woord zich uit? Wie weten wil wat geest Gods betekent, moet letten op wat nu komen gaat, waar dit woord het geheim van is, wat het in zich draagt, wat eruit komt. Er gaat iets gebeuren. Een stem zal zich aandienen. Chaos en duisternis vinden een zeker einde, hebben in het verhaal hun tijd gehad wanneer een stem begint te spreken.

Een stem gaat spreken, rept over licht. Dan blijkt er een begin gemaakt te zijn, dan is er iets begonnen. Gods Geest is het geheim van het begin. Het is al begonnen. Hemel en aarde, van af de eerste woorden in de tekst in één adem genoemd, horen toch bijeen. Daarom zweeft Gods geest boven de wateren: attent op een stem, op zoek naar licht.

Licht gaat schijnen in de duisternis. Johannes heeft het zo gelezen, gehoord, gezien, geschreven (Jo 1,5;3,19;8,12). Wanneer een blindgebo­rene de ogen worden geopend (Jo 9), ziet hij hetgeen hier in Gen 1, 3 als eerste gezegd is: Licht geschiede! Aan alle sporen van verwoesting en tever­geefs, aan alle duisternis is hier paal en perk gesteld. Wie het leest, kan hier alleen nieuwsgierig worden. In s hemels naam, wat is hier gaande? Het lijkt een goede vraag. Je kunt er mee verder gaan, want dit is precies wat er aan de hand is. De hemel, Gods naam wordt inzet van een verhaal gemaakt, wordt aldus bewaard tot op deze dag. Ondanks alle duisternis is er geest Gods, zwevend boven de wateren. Er gaat iets gebeuren, er zal iets gebeuren. Het onderwerp van scheppen gaat spreken.

Er blijkt iets te komen, dat luistert naar de naam licht.

Wie het duister een beetje kent, weet wat het licht waard is.

Het volk dat gaat in duisternis, zal zien een groot licht. Daarmee spreekt Jesaja het volk toe dat de vijand kapot heeft willen knijpen (Jes 9, 1). Mattheüs schrijft die woorden neer, wanneer Jezus uitwijkt naar Galilea, als Johannes is overgeleverd (Mt 4, 16). Het vraag mag rijzen, wat het betekent, wanneer de geest boven de wateren zweeft, wanneer de stem begint te klinken om het lícht te laten wórden. Zo immers begint na Deuteronomium het boek Genesis opnieuw. Zo heft Mozes zijn verhaal weer aan in Gen 1, 1. Zo zal ook het getuigenis opnieuw beginnen, bij de Jordaan (Mt 3,6; Mk I,5; Lk 3,3; Jo 1,28).

Maar, zo mag men vragen, wat heeft dat er nu weer mee te maken? Wat heeft de komst van Jezus bij de Jordaan te maken met het scheppingsverhaal?

Aangegeven is in het bovenstaande: de overgang van Deuteronomium naar Genesis. Aangegeven is ook: hemel en aarde horen dank zij Gods scheppen bijeen; het verhaal begint aan de horizon, waar hemel en aarde in elkaar overgaan. Genoteerd is ook de warboel van een aarde zonder ordeningsprincipe, de duisternis, de geest, het spreken van God. Maar hoort daar niet ook het verhaal te beginnen over het verschijnen van de Mesjiach, de Christus  - Hij die komt als een geroepene, als eindelijk het goede?  (Voor eindelijk het goede zie Jo 1,46. Het goede is daar overeenkomstig Mozes en de Profeten.)

De Geest duidt op het onvoorstelbare, het wonderlijke van niet alleen-zijn. Wanneer de aarde alleen is spreekt de tekst over een verhouding die er tóch, en welhaast persoonlijke is: en de Geest van God over het aangezicht van de wateren. Welk vermoeden reikt de Geest aan? Een rein hart schep mij, God, een vaste geest vernieuw in mij; werp mij niet weg van voor Uw Aangezicht en neem Uw Heilige Geest niet van mij weg. Psalm 51 (12-13) weet zo te bidden.

Scheppen is het werk(woord) van God. Gescha­pen zijn heeft te maken met voor Gods aangezicht zijn. Weg zijn van voor zijn aangezicht betekent, zonder zijn Geest zijn. De Geest lijkt: Gods aange­zicht naar de wereld gekeerd. Alsof God ziet!

Als God naar deze wereld kijkt, wat kunnen wij dan zien? Wanneer God naar de wereld kijkt, wordt redding (hosjoea) zichtbaar (Ps 51,13; Ex 2, 25; 3, 7), wordt bevrijding een feit, en bouwt Hij de muren van zijn stad (Psalm 51, 20). Als God begint, dan wordt alles nieuw.

Wanneer in het verhaal van Noach de wateren de aarde bedekken, wordt de tijd nauwkeurig vastgelegd (van Gen 7, 24 tot 8, 13). De ark gaat open op de eerste dag van de eerste maand: een nieuwe tijd begint. Op diezelfde dag wordt ook de verbondstent in de woestijn opgericht (Ex 40, 2), zoals het voltooien van de tempel-tent (Ex 40, 33) alles te maken heeft met het voltooien van het werk op de zevende dag (Gen 2, 2-3. Dezelfde verhouding tussen hemel en aarde en het huis van de Heer treft men ook aan in 2 Kron 6, 1 en 18).

R. Abbahu en R. Chiyya Rabbah spreken met elkaar. R. Abbahu zei: Vanaf het begin zelf van de schepping ziet de Heilige, Hij zij gezegend, de daden van de rechtvaardigen en de daden van de afbrekers. Daarom verwijst en de aarde was woest en leeg naar de daden van de afbrekers; en God zegt: er geschiedt licht  wijst op de daden van de rechtvaardigen. Het zou kunnen zijn, dat ik nog niet weet, om welk van deze Hij zich verheugt, over de eersten of over de laatsten. Maar omdat er geschreven is: En God ziet het licht, hoe goed het is, volgt daaruit dat hij een verlangen heeft naar de daden van de rechtvaardigen, en niet naar de daden van de afbrekers.

R. Chiyya Rabbah zegt: Vanaf het begin zelf van de schepping ziet de Heilige, Hij zei gezegend, de tempel gebouwd, verwoest en opnieuw gebouwd. In het begin schept God wijst op de gebouwde tempel, zoals je leest in: Opdat ik de hemel moge planten, en de fundamenten van de aarde moge leggen, en tot Sion zeggen: Jij bent mijn volk (Jes 51, 16). En de aarde was woest, verwijst naar de verwoeste tempel, zoals je kunt lezen in: Ik zag de aarde en zie, het was woest (Jer 4, 23). En God zegt: er geschiede licht. Dat is de tempel herbouwd en hecht verankerd in de Messiaanse tijd, zoals je kunt lezen: Sla op, schijn, want je licht is gekomen, en de heerlijkheid Gods is opgestaan over je (Jes 60, 1) (Midrasj Genesis Rabbah, 11, 5).

Wie kennis genomen heeft van het citaat uit de midrasj (joodse verhalende uitleg bij de tekst) merkt op, dat in Gen 1 iets anders aan de hand is dan een reconstructie van het vermoedelijke, van hoe het gegaan is toen deze we­reld tot bestaan gekomen is. Wie begint met Genesis, met hemel en aarde ook één, met licht in de duisternis, hij of zij begint met alle verhalen. Alles zal meeklinken. Wie dat een beetje op het spoor komt, gaat de verhalen anders lezen, gaat meer belezen lezen en wordt door het ene verhaal naar het andere gebracht.

Het scheppingsverhaal probeert niet, wie lezen wil, binnen te voeren in zoiets als de oorsprong en het ontstaan van de aarde. Het verhaal voert zijn lezers binnen in de spanning van alle verhalen die komen gaan. Met die verhalen staat het leven van de mens, op aarde onder de hemel, op het spel. Het zou belangrijk zijn!

Een belangrijke regel bij het lezen van (bijbelse) teksten is: alles wat de tekst wil zeggen, staat er. Niets méér, en ook niets minder. Waarover gaat de tekst dan? Dat zegt de tekst zelf. Elk toeval in de tekst is een feit. Wat er toevallig staat, staat er feitelijk. Uit het regelmatig terugkeren van feiten in de tekst kan men gaan vermoeden, dat er regels aan het werk zijn.

Rondkijkend in de warwinkel die onze wereld heet, kan een mens zich afvragen wat hij of zij daar mee moet. Wat is er met die wereld van ons? Wie met die vraag aankomt bij Gen 1, krijgt daar als principe te horen, dat die wereld in de taal van het verhaal aarde heet. Deze aarde hoort bij iets anders, ge­naamd hemel, en samen hebben ze alles te maken met God, die in het begin schept. Na deze informatie kan men bij zichzelf te rade gaan. Heeft het zin, de hier aangeboden gegevens als relevant te beschouwen? Gaat dit ergens over? Men kan concluderen, dat dit geen antwoord is op de vraag. Men kan het voor gezien houden. Men kan ook vermoeden, dat met deze eerste zin eigenlijk nog nauwelijks iets gezegd is. Het moet nog worden waar gemaakt, ingevuld. Dan gaat men opnieuw te rade bij de tekst.

Door het woordje en (hemel en aarde) is er een tweedeling en verbinding gemaakt: een deze zijde en een overzijde. Déze zijde is de aarde, de plaats van de men­sen (Ps 115, 16). De overzijde is de hemel, de plaats van God. Deze verdeling over twee plaatsen, maakt afstand en nabijheid mogelijk. Zo is er een verband. De afstand tussen hemel en aarde wordt overbrugd. Iemand spreekt.

Joodse leraren hebben opgemerkt, dat God in Gen 1 tien keer spreekt. Ook is opgemerkt, dat in het verhaal van de zeven dagen God bij tien verschillende werkwoorden onderwerp is. Bij het eerste werk­woord (scheppen) kan alleen Hij onderwerp zijn. In de andere werkwoorden gaat Hij de mens voor. De mens kan spreken, zien, zeggen, tot en met onder­scheid maken, heiligen, rusten, en zegenen in navolging van God.

Hemel en aarde horen bijeen. Dan is er de aarde alleen. Gods geest boven de wateren. De duisternis uit de aanhef van Genesis wordt in het volle licht van Gods woord geplaatst. Wie en wat het ook zijn moge, degene die de tekst God noemt, gaat spreken. Hij zegt: Er geschiede licht. Aldus geschiedt.       God ziet. Wat ziet God? Dat het licht goed is? Is er niet meer aan de hand dan de eenvoudige mededeling dat het goed is? Het lijkt belangrijk, hier aandacht aan te besteden, want het goed zijn krijgt alle aandacht in Gen 1. Zeven keer staat het er, de zevende keer zelfs zeer goed.

Ki tov zegt het Hebreeuws. Aldus heeft de band tussen hemel en aarde in Gods ogen een kleur gekregen: hoe goed! Hoe blijkt beter dan dat. God ziet niet, objectief constaterend, dat het goed is. Hij is partij, betrokkene. Hij zegt: hoe goed. Gods zien zaait zich uit en gaat geheel op in het vervolg van zijn spreken. Hij laat horen hoe hij het licht herkent. Hij ziet dit wel zitten, de geschiedenis van het licht, sinds zojuist een feit.

 De eerste regels van het boek Genesis confronteren degenen die lezen willen, terstond met het theater, het podium van alles wat er verder in het werk van de Schriften aan de orde zal komen. Het wordt het verhaal van hemel en aarde. Hoe God, de hemelen, vanaf het begin in zee wil gaan met de aarde, zich daaraan bindt, zich ermee verbindt. Zijn stem zal zich uiten, richting geven, en namen noemen voor al het vele dat er te zien valt, zodra de ogen van een mens zich openen. De wereld gaat beschreven worden. Eerst: inventarisatie van een begin-situatie. In het volgende verhaal verteld worden wat in die beginsituatie van doorslag-gevende betekenis is: inventarisatie van de relatie. Daar zal het over de verhouding gaan. Over de een en de ander, of de Een en de ander of de een en de Ander. Aldus wordt voor het eerst gewag gemaakt van het verbond en de doorslaggevende betekenis ervan.

 Steeds blijft er het begin aan het hoofd, dat waar het om begonnen is -  met recht en rede de eerste lezing in de nacht waarin christenen het paasfeest vieren. De eerste vingeroefeningen, toonladders spelen. Als een intense grondtoon hoort wie lezen wil, hoe God een boog spant tussen hemel en aarde (vergelijk Gen 49, 24). Daarmee begint de Tora, Mozes opnieuw.

Genesis is het eerste van de vijf boeken van Mozes. Mozes zegt betekent In de Tora staat, en omgekeerd. Mozes is de leider van het volk., de leraar van en voor zijn volk. Daartoe is hij blijkbaar in het biezen mandje gelegd en uit het water gevist. Hij kan het niet helpen, dat zijn oog gevoelig is voor de verantwoordelijkheid van de mens (vergelijk Ex 2, 11-15). Hij kent zijn taak. Een brandende struik in de woestijn brengt hem niet tot vervoering of ontroering, maar zet hem op weg om opnieuw, nu echter met zijn volk, door de zee heen te gaan. En zijn motief? lemand is hem voor geweest, heeft hem die zo moeilijk pra­ten kan (vgl Ex 4, 10), woorden gegeven.

Op het einde van het boek Deuteronomium sterft Mozes. Jozua staat als zijn opvolger gereed. Met de Tora in de hand gaat hij naar de overkant (van de Jordaan). Daar zal de stem van Mozes  opnieuw klinken: Genesis 1 en verder,  elke sabbat, in elke stad, in de synagogen (vgl Hand 15, 21).

In Gen 1 klinken na Deuteronomium de eerste woorden opnieuw. De Schrift heeft het woord, is taal en teken, is stem geworden wanneer iemand zijn stem geeft aan de tekst en begint te lezen. Voor ieder die horen wil.

Hoofdstuk 2 : Tot zeven leren tellen

Gen 1,3 tot 2,4a

Na de eerste woorden, heil en onheil spellend, neemt de tekst alles is nog nieuw, alles moet nog wennen, maar toch! - een onverwachte wending, een beslissing. Het hoge woord. God spreekt. Nog voordat de lezer kennis kan nemen van hetgeen God gaat spreken, is daar dat eerste gegeven waarover men zich verbazen kan: God spreekt.

In het huis van de Schriften is het geen geheim, dat God niet de God van de machten en de krachten is, niet het geweld of de schoonheid van het bekoorlijke landschap. De God waar het verhaal vol van is, blijkt een God te zijn die spreken kan. Zijn spreken is de eerste invulling van scheppen.

In het chassidisme, de grote joodse beweging van vroomheid en toewijding in het Oost-Europa van de achttiende en negentiende eeuw is rabbi Sussja geen onbekende. Hij is een geliefd leraar, niet om zijn grote geleerdheid, maar omwille van zijn toewijding en zijn eenvoudige, diep menselijke vroomheid.

In de joodse traditie spreekt men graag over de leraren. Iemand die ergens uit­leg aan geeft, zal graag de naam noemen van degene die hem geleerd heeft. Wie noemt van wie hij geleerd heeft, brengt de verlossing dichterbij. Want de leer, dat wat je geleerd hebt van je traditie, is nooit onpersoonlijk of boven-persoonlijk. De waarheid is geen luchtbel op grote hoogte waarvoor een mens op zijn of haar tenen zou moeten lopen, en - wie weet - dan wel bij kan komen. Niets daarvan. De waarheid, dat wat je van de ervaring van anderen en hun omgaan met de Schrift en met mensen leren kunt, gaat van leraar naar leerling, van mens tot mens, is door en door gebonden aan men­sen—zoals dit ook in het zogenoemde Nieuwe Testament door en door het geval is. Christen zijn is niet zoiets als burgerlijke stand of status, een klasse mensen waar men al dan niet toe behoren kan. Het geeft aan, wie je leraar is, in wiens naam je leert. Daarom zijn de leerlingen altijd onderweg met hun leraar. Ze maken zijn leven mee, zullen daarvan getuigen.

Terug naar rabbi Susja. Hij had een bijzonder probleem. Iedereen kon on­derwijs geven in naam van zijn leraar, maar rabbi Susja kon niet leren in de naam van zijn leraar. Iedere keer wanneer zijn leraar zei: En God sprak, werd rabbi Susja namelijk helemaal wild. Dan sloegen bij hem alle stoppen door. Hij begon te schreeuwen en zich wild te bewegen. zodat er niets meer met hem te beginnen viel. Dan werd hij naar buiten gebracht. Hij stond dan op de bin­nenplaats, sloeg op de muur, en schreeuwde: En God sprak! Stel je voor: God spreekt. Hij werd pas weer stil als zijn leraar aan het einde van het verhaal gekomen was. Daarom kon rabbi Susja niets leren in de naam van zijn leraar. Maar rabbi Israël van Rizin voegt aan dit verhaal toe: Maar de waarheid is, dat zeg ik jullie - de waarheid is, zeg ik jullie: Wanneer iemand in waarheid spreekt en iemand neemt in waarheid op, dan is één woord vol­doende - met één woord kan men de wereld verheffen met één woord kan men de wereld vrij maken van zonde.

Hoe spreekt God dan? Dat vertelt het verhaal. Maar de Bijbel zegt zo vaak dat God spreekt! Dan wordt ook verteld wat Hij zegt. Hoe moet ik me dat dan voorstellen? Dat moet je je niet voorstellen. Je moet het lezen, liefst hardop; dan kun je het ook horen. Het is net alsof het verhaal jou erbij haalt, tot getuige wil maken van hetgeen verteld gaat worden. God spreekt. Er is een woord te horen.

En God zegt: Er geschiede licht. En er geschiedt licht. En God ziet het licht, hoe goed het is. En God maakt scheiding tussen het licht en het duister. En God roept het licht dag en het duister roept Hij nacht  En er geschiedt avond en er geschiedt ochtend. Dag één (Gen 1, 3-5).

Dat is alles voor dag één. De lezer hoort het eerste wat God zegt, wanneer Hij begint te spreken. Hij wil dat wij - wie wij ook zijn, op dit ogenblik in ieder geval ook toehoorders of lezers van dit verhaal - mét het verhaal onze zinnen zetten op het licht.

Er bestaat zoiets als licht. Dat is het eerste wat Hij gewild heeft, als geschieden-is. Maar wat is licht? Een lamp voor mijn voet is je woord, een licht op mijn pad (Ps 119, 105). De psalmist wil zich aan dat woord houden, Gods uitspra­ken bewaren. De opening van jouw woorden geeft licht, begrip voor de eenvou­dige (Ps 119, 130). De synagoge bidt elke morgen: Gezegend jij, onze God, koning van de wereld, die het licht vormt, en die de duisternis schept. Die vrede maakt, en die alles schept. Die licht laat schijnen op de aarde en op allen die haar bewonen in betrokkenheid en die haar in zijn goedheid elke dag, steeds, zijn werken van het begin nieuw maakt.

Elke dag kan de eerste zijn. Het licht is elke dag het eerste dat een men krijgt: weer een nieuwe dag! Wat is het licht niet een uitkomst - eindelijk! - wanneer je niet slapen kunt!

Ezechiël ziet hoe de aarde verlicht wordt door zijn gewicht (in de regel vertaald met zijn heerlijk­heid). Rabbi Berechjah zegt in de naam van rabbi Isaak: Het licht is gescha­pen vanaf de plaats van de tempel. Hij verwijst daarbij naar Ez 43,2 en voegt eraan toe: Zijn gewicht/heerlijkheid is niets anders dan de tempel, zoals te lezen is: Jij troon van glorie, hoog vanaf het begin, jij plaats van ons heiligdom (Jer 17, 12, GenR 111, 4).

Gen 1, 3-5 noemt het licht vijf keer. Geen wonder. dat rabbi Simon daarin de aanduiding ziet van de vijf boeken van Mozes. Zo kan het licht van de eerste dag heel wat voeten in de aarde hebben. Het wordt  een soort ruimte. Die wordt gevuld op de vierde dag. Dan is er sprake van de zon, de maan en de sterren, de grote en kleine lichten, om te heersen over de dag en de nacht. Daar klinkt voor het eerst dat gevaarlijke woord heersen - gevaarlijk, want heersen en heersers zijn al te bekend uit de geschiedenis van de mensen.

Ook het woord heersen krijgt in Gen 1 heeft niet zijn betekenis vanuit de mensen. Men zal het vanuit de hemel  - Mt 21, 25 reikt dit alternatief aan -  vanuit de Schriften dienen te verstaan. Kinderen blijken dit te begrijpen. Op de vraag: Wat betekent de baas zijn?, antwoordt een kind van zes jaar, als men een beetje doorvraagt: de baas is degene die de anderen helpt. Bij die uitspraak hoeft zelfs geen uitroepteken. Het is zonder meer duidelijk. Bijbels heersen is mogelijk maken. God is er zelf hét voorbeeld van.

Nadat Gods spreken het licht heeft aangeheven, geschiedenis heeft laten worden, betreedt de lezer de ruimte die straks dag twee heet. Het eerste kar­wei geldt het plafond. Een uitspansel zal er zijn.

Er  moet als het ware een open ruimte in het vele oer-water gemaakt worden, zodat er een droge plaats te voorschijn kan komen - anders kan de mens nooit leven. Het firmament duwt het water naar boven, zal het daar tegenhouden. Want het water is boven. De regen maakt dat duidelijk. Gods woord houdt dank zij het firmament het water boven vast. (In het verhaal over Noach zullen de hemelsluizen opengaan en blijft er bijna niets meer.)

Het plafond gegeven moet nu ruimte gemaakt worden. Water wordt van water gescheiden. Zo komt er water en lucht of hemel.

Op de vijfde dag zullen die twee ruimten gevuld worden met vis en gevogelte. Waar de mens niet kan leven, is toch leven mogelijk. De vogels en de vissen zijn er het bewijs van.

De derde dag brengt het land binnen bereik. Het water vloeit samen op één plaats. Het droge komt te voorschijn, het land, de aarde. De aarde wordt groen. Er verschijnt zaaddragend gewas.

In de tekst wordt een belangrijke zinsnede neergeschreven: naar zijn aard. De aarde brengt planten en dieren voort naar hun aard. God zoekt als het ware in zijn boekenrek naar een biologie-boek. Daarin zoekt Hij de aard van de plant en het beestje op. Zoals het is,  zo maakt Hij het. Daarom is een leeuw anders dan een kanarie en lijkt een mier niet op een schelvis. Daarom zijn de verschillende planten niet hetzelfde. Ze zijn anders ge-aard.

De veelvuldige herhaling van naar zijn aard anticipeert op wat nog komen moet. De lezer kan  vermoeden dat straks de mens ook naar zijn aard geschapen wordt. Tegende achergrond van die verwachting zal de mens dan een uitzondering blijken!

Belangrijk is ook de notitie zaaddragend gewas. Wat de wereld in-houdt blijkt te bestaan met het oog op de toekomst. Wie de toekomst naar zijn hand wil zetten, doet alsof hij of zij de wereld zijn of haar programma voorschrijft. Wie zal dat dan doen?

De farao in het Egypte van Ex 1 wil de jongetjes laten vermoorden. Dat lijkt zijne majesteitelijke hoogheid een kwestie van optreden met beleid. Door de jongetjes te vermoorden wil de pharao de toekomst uitzetten. Daarmee blijkt de farao in de mening te verkeren, God zelf te zijn. Veel verdriet zal hij hebben, wanneer hij uitgerekend in de dood van zijn eerstgeborene, zijn zoon, mens blijkt te zijn.

De zesde dag wordt getuige van de schepping van de dieren op aarde. Daar­na komt de mens als uitzondering. Al geruime tijd - in feite sinds 1,1 - is in de tekst het woordje scheppen niet meer gevallen. Nu komt het opeens weer te voorschijn.

Tegelijk is er meer. De toon van het verhaal wordt anders. Laat ons de mens maken. De mens wordt geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Wil men weten, hoe de mens er bijbels gesproken voor staat, dan is degene naar wie men kijken zal geportretteerd als  nie­mand anders dan God zelf. Wanneer de kersverse opa en oma zich buigen over de wieg van hun jongste kleinkind en zeggen: Precies onze Karel, is er bijbels gesproken in ieder geval sprake van een vergissing. De mens lijkt op de God van dit verhaal naar wiens beeld, op wie gelijkend, hij geschapen is. Daarom is ook Paulus wel te volgen wanneer hij zingend zegt: Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene van heel de schepping (Kol I, 15).

De mens is geschapen naar Gods beeld, op Hem gelijkend. Dit is een meervou­dig gebeuren: mannelijk en vrouwelijk schept Hij hen. Opmerkelijk. Niet of ... of, maar en ... en. Leven als mens is: leven in meervoud, in vruchtbaar verschil. De mens kan, mag en zal niet onverschillig zijn.

De mens wordt geschapen naar Gods beeld, op Hem gelijkend. Daarmee wordt iets gezegd wat uniek is voor de bijbelse literatuur. God is het model voor de mens. Hoe spreekt de Bijbel over de mens? Wat is een mens? Volgens dit verhaal moet je voor het antwoord naar God kijken. Hoe is Hij, hoe doet Hij? De mens van Gen 1 kan wat, kan heel wat. Als je het goed verstaat komen er werelden uit zijn hand. Deze zienswijze wordt in de mondelinge traditie terstond concreet gemaakt.

De Joodse traditie zegt: de attributen, de eigenschappen van God zijn een opdracht voor de mens. Maar dit klinkt te algemeen. Voor de mens, meer precies zou zijn: voor mij. Peinzend over God schrijf ik mijzelf de Wet, de Tora voor. God is goed betekent op de eerste plaats: het is mijn opdracht, goed te zijn, goed te doen. God is barmhartig geeft op de eerste plaats aan, dat het mijn opdracht is, barmhartig te zijn. Wat Gods eigenschappen betekenen moet je primair noteren in de eerste persoon enkelvoud: ik en mijn. Het is geen verplich­ting voor jou, niet iets wat ik een ander op kan of zal leggen. Het is mijn verplichting, wanneer ik zeg: God is goed. Bij wijze van spreken geef ik aan, hoe ik mij verplicht weet. Zo is deze uitspraak niet ideologisch maar pragmatisch, proprammatisch. Zo wordt de mens het eerst in het verhaal neergezet: door God geschapen. God als vader en moeder tegelijk.

mensenzoon - mensenkind - schepping

Elke mens is door God geschapen. Niemand kan zeggen: Mijn vader is groter of beter dan jouw vader, want God is ons aller Vader, onze Vader. Omdat God Vader is horen wij als broers en zussen bijeen. Dat is geen romantiek; daar hoef je maar even verder voor te kijken. Het eerste en tweede verhaal over broers heeft niets van Bruderschaft, of oude jongens krentenbrood. Sprekend over broers is de mens gewaarschuwd: het luistert zeer nauw.

God zegent de mens. Zegenen betekent: (de Naam van) God in verband brengen met iets concreets.

Bij het laatste avondmaal neemt Jezus het brood, hij spreekt de zegenbede uit. Hij zegt dan de woorden die Joodse mensenzeggen wanneer zij brood gaan eten: Gezegend ben Jij, Heer onze God, die brood uit de akker doet voortkomen. Aldus is dit brood in verband gebracht met God, met het verbond tussen God en het volk.

Hoe dramatisch vertalingen kunnen zijn kan men weten sinds:  Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt U. Peroe oe pheroe, zegt het hebreeuws puur poetisch: Groei en bloei, maak heel mijn wereld mogelijk. Planten en vruchten blijken beschikbaar voor het menu. De mens van Gen 1 leeft nog niet ten koste van. Dan wordt het avond en och­tend. Dag zes is een feit. Alles is voorbereid met het oog op wat komen gaat, de zevende dag.

Rabbi Sjimon ben Yochai leert: De sjabbath doet zijn beklag bij de Heili­ge, Hij zij geprezen: Alle dagen hebben een partner maar ik heb geen part­ner! God geeft hem ten antwoord: De gemeenschap van Israël is jouw partner. En wanneer zij voor de berg Sinaj staan zegt Hij hun: Herinner je wat ik de sjabbath gezegd heb. De gemeenschap van Israël je partner is. Daarom staat er: Ge­denk de dag sjabbath om hem te heiligen (Gen. R. 11, 8 bij Ex 20,8).

Heiligen is het laatste werk uit het verhaal van de zeven dagen. Heiligen is voor katholieken vaak een bijvoeglijk naamwoord als zelfstandignaamwoord gebruikt, in het meervoud. Maar heiligen is in het eerste verhaal van Genesis een werkwoord. Het betekent: apart stellen, onderscheiden, onderkennen, om tot zijn recht te laten komen.

En voltooid zijn de hemelen en de aarde en heel hun bevolking. En God vol­tooit op de zevende dag al zijn werk dat Hij gemaakt heeft, en God staakt op de zevende dag van al zijn werk dat Hij gedaan heeft. En God zegent de zevende dag, en Hij heiligt hem, omdat Hij op hem staakt van al zijn werk dat God geschapen heeft door het te doen (Gen. 2, 1-3).

De geschiedenis van het Boek met de Boeken is niet te volgen, tenzij wan­neer men in Gen 1 meegaat, en meetelt totdat men het getal zeven, de ze­vende dag, bereikt. Zonder de zevende dag, de sjabbath, kan men de joodse samenleving en geschiedenis niet begrijpen. Joodse mensen kende men aan drie zaken: ze waren besneden, ze aten geen varkensvlees, en ze hielden de sjabbath. De laatste jaren begint men te vermoedendat er met Jood-zijn meer aan de hand is.

Rond de jaren vijftig - midden 20ste eeuw - is de vrije zaterdag nog onbekend. Veel mensen werken op zaterdag twee uur korter. Verder gaat alles gewoon door. Alleen joodse mensen werken op die dag niet. Het is hun zondag. Histo­risch gezien is daarmee de zaak wel op zijn kop gezet.

De zondag is de heilige dag van de Christenen geworden als verlengde van de sjabbath. De zevende dag duurt namelijk zo lang als de laatste maaltijd op sjabbath duurt. Zeker in de oude tijden - wanneer de lijnen van de communicatie nog behoorlijk kort zijn - probeert men die dag zo lang mogelijk te rekken. Meestal zijn er gasten. Toevallig aanwezige vreemde­lingen worden aan tafel genodigd.    

Het is niet onwaarschijnlijk, dat de eerste (Joodse) Chris­tenen het verhaal over Jezus vertellen, het brood breken en de beker delen tijdens deze laatste maaltijd van sjabbath. Dat gebeurde derhalve in de nacht van zaterdag op zondag.

Vrij snel worden er meer niet-Joden Chris­ten. De band met de Joodse samenleving en ideeën-wereld wordt losser en minder bekend. Om de herinnering aan de eerste dag van de week, de dag van de verrijzenis, niet te verbreken maar te benadrukken verschuift men de Christelijke bijeenkomst naar de zondagochtend. Het gebeurt vroeg in de morgen, want de eerste dag van de week is een gewone werkdag. De maaltijd wordt geleidelijk aan meer ritueel, begint meer een gebedsdienst te worden. Wanneer in 1956 paus Pius Xll de nachtmis van Kerstmis en Pasen weer invoert, grijpt hij in feite terug naar een gewoonte uit de vroegste geschiedenis van de kerk.

Boven is de midrasj van rabbi Sjimon ben Yochai weergegeven. Israël is de partner van de sjabbath. Rabbi Sjimon de zoon van Yochai leeft in de tijd waar­in de Romeinen de tempel in Jeruzalem verwoesten. Zijn uitspraak wordt dan geheel en al waar. Het heiligdom in de ruimte (tempel) word het heilig­dom in de tijd. De zevende dag wordt een steeds terugkerend gebeuren in de tijd. Wat God verenigd heeft, kan de mens niet scheiden, gaat naar het gevoel van Israël zeker op voor de sjabbath en het verbond. Op vrijdagavond wordt de zevende dag nog steeds verwelkomd als een bruid. De synagoge zingt: Lecha dodi, kom bruid.

Het is een oud idee: de sjabbath en de eeuwigheid zijn één. Daarom mag op sjabbath ook eigenlijk niet getreurd worden: De zevende dag is een teken van de verrijzenis en de komende wereld. Daarom zal er op die dag geen klagen zijn (Vita Adae et Evae, 41, 1).

Een legende vertelt: In de tijd dat God de Tora aan Israël geeft, zegt Hij tot hen: Mijn kinderen! Als jullie de Tora aannemen, en mijn geboden onderhouden, zal ik jullie voor heel de eeuwigheid het meest kostbare geven dat ik bezit. En wat, vraagt Israël, is dat kostbare bezit dat U ons wilt geven als wij uw Tora gehoorzamen? De komende wereld. Laat ons in deze wereld een voorbeeld zien van de komende wereld? De sjabbath is een voorbeeld van de komende wereld. (Otijoth de R. Akiba, Otzar Misrasjim, p 407.

De joodse traditie kent nauwelijks een definitie van eeuwigheid. Zij geeft wel aan, hoe men de eeuwigheid of eeuwig leven kan proeven en meemaken. De komende wereld is geen postume tijd en plaats die begint na het sterven van een mens. Het wezen van de komende wereld is de eeuwige sjabbath.

De zevende dag in de tijd is een voorbeeld van de eeuwigheid. In het boek Job, hoofdstuk drie wordt de duisternis vervloekt. Het licht is derhalve een zegen. Als sjabbath begint, steekt moeder thuis de sjab­baths-kaarsjes aan. Daarna zal in de orthodoxe joodse familie geen vuur meer aangestoken worden totdat de sjabbath voorbij is. Daarom ook wordt er geen radio of televisie aangezet, en niet gerookt. Sjabbath is een dag sta­ken. Door deze éne dag wordt er een verschil gemaakt tussen de dagen. Zes dagen zijn er om te werken, de zevende dag houdt men daarmee op. De mens is verplicht vrij te nemen, tijd te krijgen, samen met anderen te zijn. Gedurende één dag zal de mens niet prutsen aan de hem gegeven wereld. Thuis en in sjoel (de synagoge) is ieder zelf bezig. Het is niet het afwerken van een programma waar anderen voor gezorgd hebben. Je moet het zelf doen. Zo ben je samen bezig.

In het zeven-dagen-verhaal is de wereld geschapen. Alles is geordend, heeft zijn plaats en functie gekregen. Daarmee is het toneel gereed. Opnieuw zal nu het verhaal verteld worden. Alle aandacht zal gegeven worden aan het samen-leven van de mens of de mensen. Daartoe is in het eerste verhaal tot zeven keer toe het woordje tof/goed herhaald. Wat is goed? Het volgende verhaal zal het vertellen. Nu sluit het eerste verhaal: niet in een datering, maar in een samenvatting. Dit is de verwekking van hemel en aarde in hun geschapen zijn. Traditioneel vertaalt men: ... de geschiedenis ... toen. Be­ter zou zijn: dit is wat er aan de hand is (de geschiedenis van) met hemel en aarde - ze zijn geschapen. Daarmee is iets gezegd. Bijvoorbeeld: Niet wij hebben de wereld uitgevonden. Ook: de samenhang waarin wij leven is goed. Wat zou dat betekenen? Wat maakt het goede goed?

Wanneer je aan het begin van hoofdstuk 2 gekeken hebt naar de werkvertaling loont het de moeite diezelfde vertaling nog eens te bestuderen. Je zult merken dat je anders gaatg lezen, dat er meer staat. Kun je strepen trekken, samenhangen zien?

Hoofdstuk 3: De opzet, en hoe het uitpakt

Gen 2,4b - 4,26

Op de dag dat de Heer God de aarde en de hemelen maakt - en elke plant van het veld is nog niet op de aarde, en elk kruid op het veld is nog niet uitgekomen, want de Heer God heeft het niet doen regenen op aarde, en een mens (adam) is er niet om te dienen op de akker (adamah) ...

Een nieuw verhaal begint. Het voorafgaande telt - zo te zien - niet meer. Planten en bomen zijn er niet, want het heeft nog niet geregend, en er is nog geen mens om het land te bewerken. Boerenwijsheid, gezond verstand lijkt aan het woord.

In de Nederlandse weergave van de Hebreeuwse tekst verschijnt naast het woordje God nu ook de naam de Heer. Daarmee wil aangegeven zijn, dat nu, voor het eerst in de Tora, de naam van God, zijn eigennaam, verschijnt. Deze naam wordt ook wel tetragram(maton) genoemd. Tetra komt van het Griekse tettares; het betekent vier. Gods eigennaam telt vier letters: JHWH. In de joodse traditie wordt deze naam niet uitgesproken. Dat doet alleen de hogepriester, op Grote Verzoendag, in het heilige der heilige. Heiligdom op de berg bestaat niet meer sinds het jaar 70 van de gewone jaartelling. De Romeinen verwoesten dan Jerusalem en het Huis vande Heer dat daar staat.  Gods eigennaam wordt derhalve sinds die tijd niet meer uitgesproken. In plaats daarvan zegt men iets anders. Wanneer men studeert, zegt men in het Hebreeuws Ha-Sjeem, de naam. In de liturgie zingt men Adonaj, mijn Heer.

Wanneer in de Hebreeuwse tekst die vier letters verschijnen, geeft de tekst ook aan, dat men geacht wordt iets anders te lezen. Het Hebreeuwse schrift bestaat uit enkel medeklinkers (mdklnkrs). Op een gegeven ogenblik ontstaat de vrees, dat men niet meer zal weten hoe de woorden uitgesproken moeten worden. Daarom worden vanaf de negende, tiende eeuw de klinkers erbij geschre­ven. Het zijn de zogenoemde Massoretische leestekens. Klinkers worden door middel  van puntjes en streepjes aangegeven.

Bij de medeklinkers van de godsnaam (JHWH) zet men de klinkers van het woord Adonaj. De tekst geeft daarmee aan: Er staat de godsnaam, maar je moet Adonaj of HaSjeem, de Naam lezen.

Vanuit het Nieuwe Testament kunnen christenen vertrouwd zijn met dit gebruik. Een bekende regel zegt: Uw naam worde geheiligd. Heiligen betekent: apart stellen, onderscheiden, onderkennen, tot zijn recht laten ko­men. Uw naam worde geheiligd betekent dan: Moge God onderscheiden worden, tot zijn recht komen.

Men kan erover nadenken, hoe dat gaat, wanneer God tot zijn recht komt. Heiligschennis of schending van Gods naam is het tegen­overgestelde. Er is veel in de geschiedenis van Christenen dat men niet direct heiliging van de naam kan noemen.

Kiddoesj Ha-Sjeem, heiliging van de Naam is in de rabbijnse literatuur een woord geworden om de marteldood aan te duiden van Joodse mensen die omwille van hun Joodse leven vermoord werden. Ook de dood van Jezus aan het kruis kan zo begrepen worden.

In Gen 2, 4 begint een nieuw verhaal. Het logica is kenmerkend voor het leven van mensen die verbonden zijn met hun grond. Er groeit nog niets; het heeft nog niet geregend. Wie in het voorjaar in het Midden-Oosten is, wordt verrast door de rijkdom van het land. Alles is groen en bloemig, de temperatuur van begin april is heerlijk. Twee à drie maanden later is het bar en boos. Er groeit nergens meer iets, tenzij wanneer het land in cultuur gebracht is, en men er regelmatig water op brengt.

Het heeft nog niet geregend. In de bijbelse wereld is de regen iets bijzonders. Van het Loofhuttenfeest tot Pesach (Pasen) bidt de synagoge dagelijks om regen of dauw. De vruchtbaarheid van het komende jaar is er afhankelijk van.

Het vallen van de regen ziet men als het herleven van de doden. In de tekst van het dagelijks gebed wordt drie keer gezegd: mechajej hametiem, die de doden doet leven. Drie zaken worden daarmee aangegeven: 1. het ont­waken uit de slaap; 2 het komen van de regen; 3. de opstanding der doden in de komende tijd. Wat is belangrijker, het vallen van de regen of de opstanding der doden. Het antwoord lijkt zeker voor gelovigen duidelijk. Toch! De vallen van de regen acht de joodse traditie belangrijker dan de opstanding van de doden. De laatste is immers alleen voor de rechtvaardigen. De regen valt voor de rechtvaardigen en voor de afbrekers. Waar meer mensen baat bij hebben, dat is belangrijker.

Het gaat nu komen in het verhaal. Een mist trekt op uit de aarde, maakt de grond nat—alsof een pottenbakker met zijn werk wil beginnen. Het gezicht van de adamah/akker wordt vochtig gemaakt, en God vormt de Adam/mens.

Het Hebreeuwse woord voor vormen wordt in Gen. 2, 7 anders geschreven als in 2,19. Wel het zelfde woord, maar anders gespeld. In 2, 7 staat een dubbele jotha. Sommige leraren zien  in die verdubbeling een aanduiding van de schepping van Adam en Eva. Anderen zeggen: Daarmee wil gezegd zijn dat de mens dubbel geschapen is, namelijk met een dubbele kant, een goede en een slechte. En als gezegd wordt dat de mens met heel zijn hart van God moet houden, is daarmee aangegeven dat je met je goede en met je slechte hart van God moet houden.

Letterlijk staat er: En de Heer God vormt de mens. De midrasj ziet daarin de mens, namelijk Avraham/Abraham, de vader van de gelovigen. Echter: niet Avraham maar Adam komt te voorschijn. Adam is geschapen omwille van Abraham. Rabbi Levi zeigt Er is geschreven, de grootste man onder de Anakiem (Joz 14,15). Met man wordt hier  Avraham bedoeld. Waarom wordt hij de grootste man genoemd? Omdat hij het waard was, voor Adam geschapen te worden. Maar de Heilige Hij zij gezegend, dacht: Hij zou kunnen zondigen, en dan is  er niemand om het recht te zetten. Daarom zal ik eerst Adam scheppen, zodat wanneer hij zondigt, Avraham kan komen om de dingen recht te zetten (GenR 14, 6).

Nu het verhaal opnieuw gaat beginnen, zijn de leraren ook bezig met het begin van alle verhalen. Ook Mattheüs (1, 2) laat dit met Avraham beginnen. Terwijl wij verhaals-gewijze over de schouder van de schepper meekijken, fluisteren de leraren reeds de naam Avraham.

De mens wordt geschapen, stof uit de aarde. Het woordje "uit" dat vertalingen in de regel geven, staat hier nog niet. De mens geschapen, stof uit de aarde, kan er op wijzen dat hij/zij los zand is. De samenhang is nog zoek. Er zou nog vocht bij moeten om er klei van te maken. In het verhaal gaat de adem van het leven die bindende, levenwekkende rol spelen. Stof is in het hebrreuws afar. De klinkers worden niet geschreven. Men zou dus in plaats van afar ook ofer  kunnen lezen. Dat betekent: jonge man in de kracht van zijn leven.  De mens wordt dan geschapen als een jong mens, geheel en al zin in leven.

een tuin - det.

Aarde van akker is in het hebreeuws adamah. Rabbi Berechjah en rabbi Chelbo zeiden in de naam van Rabbi Samuel de Oudere: Hij werd geschapen van de plaats van de verzoening, zoals je lezen kunt: Een altaar van aarde (adamah) zul je voor Mij maken (Ex. 20, 21). De Heilige Hij zij geprezen zei: Waarlijk, ik zal hem scheppen vanaf de plaats van zijn verzoening, en moge hij leven (Gen. R. 14, 8).

De bekendste commentator in de Joodse Traditie is ongetwijfeld Rasji, genoemd naar de be­ginletters van zijn naam: Rabbi Sjelomo ben Jitschak, 1040-­1105 in Troyes, Frankrijk. Rasji schrijft in zijn grote commentaar op de Pentateuch (de vijf boeken van Mozes): Stof uit de aarde. Hij verzamelde zijn stof (dat waarvan hij gemaakt was) uit heel de aarde, van de vier hoeken, zodat, waar de mens zou sterven, de aarde hem zou ontvangen om hem te begraven. Zo is de mens overal thuis, overal kan hij leven. Tegelijk is aan­gegeven, dat de mens fundamenteel verbonden is met de plaats van het al­taar. Gods adem maakt de mens levend.

In de neusgaten blaast God de Hauch des Lebens, de adem die het leven is. Zo wordt de mens een levende nefesj, een levende ziel, een levende uitsparing, een eigen ruimte. Die mens moet een plaats hebben. Onmiddellijk schieten bomen uit de grond en maakt God de tuin van Eden voor de mens, in het oosten.

Omdat de Eufraat en de Tigris twee rivieren zijn (van de genoemde vier, de anderen zijn de Nijl en de Jordaan) rond de tuin, heeft men het paradijs wel willen zoeken op de plaats waar de Eufraat en de Tigris ineen vloeien, in Qurnah, vijfenzeventig kilometer ten noord­oosten van Basra. Ongeveer honderd kilometer ten Westen van Qurnah ligt het ruïneveld van Ur met de imposante zikkurath, de tempeltoren uit onge­veer 2000 voor het begin van de christelijke jaartelling afkomstig. In het ver­haal van de toren van Babel zal een dergelijke bouwwerk als belangrijk re­kwisiet dienen.

een tuin - det.

Heeft de tuin van Eden bij Qurnah gelegen? Wie zal het zeggen? Vanwege al de overvloed aan water is het er in ieder geval erg groeizaam ondanks de overstelpende hitte in de zomer. In de zeer oude verhalen uit de Sumeri­sche cultuur kan het een rol spelen—werk genoeg voor archeologen en oud­heidkundigen. Voor het verhaal in Gen. 2 is het niet belangrijk.

Waar ligt de tuin van Eden? In elk geval in Gen. 2 en 3. Daarna gaat de poort dicht. De mens komt er niet meer in. Het geheim wordt in de tekst verzegeld, en be­waard door een engel met een vlammend zwaard, ook al staat in Qurnah aan het begin van de Schatt el-Arab waar Euphraat en Tigris samenvloeien een - naar lokale maatstaven - riant gebouw dat naast een Arabisch opschrift in fraaie mozaïktegeltjes te lezen geeft Resthouse Garden of Eden.

-

uit - weg

De naam Eden kan afkomstig zijn uit het Sumerisch. Het heeft dan de betekenis van steppe, een open veld. In het Hebreeuws kan het woord geluk, vreugde bete­kenen. Bomen schieten er uit de grond, en niet zo maar bomen: iedere boom aangenaam om naar te zien, en goed om van te eten. Alle aandacht krijgt de boom des levens in het midden van de tuin, en daarbij de boom van kennis van goed en kwaad. Het woord goed krijgt voor het eerst het woord kwaad naast zich. Wat mag dat wel betekenen?

Nergens in het verhaal vindt men (wat voor wie niet leest, vaststaat) dat het een appelboom zou zijn. In de tradi­tie vindt men discussies over welk soort boom bedoeld is. Tarwe, zo groot als de ceders van de Libanon, druiven, citroen of een vijgeboom. Rabbi Azarjah en Rabbi Judah de zoon van Rabbi Sjimon zeggen in de naam van Rabbi Joshua de zoon van Levi: De hemel verhoede dat wij zouden weten welk soort boom het is. De Heilige Hij zij gezegend heeft niet geopenbaard, en zal niet openbaren aan de mens, welke boom het is (GenR 15, 7). In de uitleg wordt hierbij verwezen naar Lev 20, 16. Niemand mag weten welke boom het is, anders zal men er de boom op aankijken: Door deze boom heeft Adam de dood in de wereld gebracht!. En daar moet je een boom niet op aankijken.

Wat is de boom van kennis van goed en kwaad? Veel is daarover gespeculeerd, maar wat de tekst aanreikt is voldoende. Adam en Chawwah/Eva eten van de boom. Direct daarop doen zij een feitelijke ontdekking. Ze ontdekken dat ze naakt zijn. De kennis van goed en kwaad is dan eenvoudige feiten-kennis. Maar nog steeds blijft het de vraag, wat goed, en wat kwaad is? Het zal blijken.

Adam vindt plaats op een plek waar het van nature zeer vruchtbaar is. Het land is omgeven door stromende rivieren. De Eufraat en de Tigris zijn reeds ge­noemd. Nu komt er de Pishon bij. In de regel identificeert men deze met de Nijl. De Gichon zou aan de voet van Jeruzalem kunnen liggen maar het land Koesj (in de regel Ethiopië) maakt het onmogelijk, zo te denken. Hoe kan men al dit water bij elkaar brengen? Dat hoeft geen probleem te zijn. Ze zijn bij elkaar gebracht, en wel op deze plaats, in Gen 2, 10-14. Deze rivieren brengen heel de oude wereld bijeen, al de plaatsen waar - gezien de natuur­lijke omstandigheden - leven mogelijk is. Zij omcirkelen de tuin van Eden. Straks, als de mens daar niet meer leeft, zal hij afhankelijk zijn van de regen.

De mens, nog maar pas een levende ziel geworden, staat gereed. Zijn leefwe­reld is beschreven. De Heer God neemt de mens, en plaatst hem in de tuin van Eden, om te dienen en te bewaren. Voor het eerst hoort de mens van gebieden, opdragen. Die éne boom in het midden wordt aangewezen. Ieder weet nu al, wat er gebeuren gaat, maar het verhaal doet alsof dienaangaande nog niets te verwachten is. De mens mag niet eten van de boom van kennis van goed en kwaad, want op de dag waarop hij daarvan eet, zal hij stervend sterven. Moet deze dramatische consequentie verbonden worden met zoiets onzinnigs als het eten van de vrucht van een bepaalde boom? Hierop is wel gezegd: Stel je voor dat God de mens iets heel moeilijks opgedragen had - dat zou gemeen zijn geweest. Het was de mens zeker niet gelukt. Daarom is de opdracht eenvoudig. Bij de overvloed van het paradijs is slechts één uitzondering. Daar moet hij af blijven, maar zelfs dat kan de mens niet. Ook verdient het aandacht, dat de bijbelse verteller klaarblijkelijk niet tevreden wil zijn met de conclusie of constatering dat mensen nu eenmaal sterven. Geboortepijn, hard werken, sterven, en wat daar aan leed, moeite en verdriet mee verbonden is, maakt de verteller tot element in een vertelling waarin de mens het verhaal over hemzelf verteld wordt. Een wezenlijk ver­haal, over relaties en consequenties. Zo leven wij.

En spreekt de Heer God. Een opvallende zin. Eerder (2, 16) gebiedt God de mens zeggend. De toegesprokene, of degene aan wie God gebiedt, is aange­geven. Nu is dat niet het geval. Waarom niet? Wil de tekst zich direct tot de lezer richten? Wordt de lezer als het ware tot mens-in-de-tuin gemaakt? En wat zal de lezer dan horen en niet vergeten?

Het is niet goed te zijn de mens alleen. Na de zeven keer goed in het zeven­-dagen-verhaal wordt hier gezegd wat onmogelijk is: niet goed. Nadat God de schepping goed en uiteindelijk zeer goed genoemd heeft, staat er nu: niet goed. Het kwade kan eigenlijk niet.

Een kind dat tussen geparkeerde autos uitkomt, en overreden wordt: dat kan eigenlijk niet. Het zou niet mogen! En wat is dan niet goed? Dat de mens alleen is, of doet alsof hij alleen is. Wat het betekent, niet alleen te zijn, zal de tekst verderop aangeven: een hulp hem tegenover, van aangezicht tot aangezicht. Niet het verlengde van mezelf wordt me toegezegd, niet iemand die mijn eenzaamheid opheft, of iemand die de klussen en karweien opknapt, maar een hulp hem tegenover—en de rollen zijn nog niet verdeeld in de zin van de man dit en de vrouw dat.

Tege­lijkertijd kan nu iets gezegd worden over scheppen. Het scheppingsverhaal zegt tot zeven keer toe: goed. Wanneer niet goed alleen is dan is goed: niet alleen. In het scheppingsverhaal wordt wie horen wil/kan, te verstaan gege­ven dat de wereld ten gevolge van Gods scheppingswoord en -daad niet al­leen is. Hij is er ook nog (zie Ex 3, 14), Hij die mijn hoofd optilt (Ps 3, 4). Het hoofd, het begin aan het hoofd, mijn hoofd: Hij tilt het op, is het geheim van het begin, mijn hoofd in zijn handen (vergelijk Hoogl 2, 6).

Het verhaal heeft de luisteraar of lezer erbij gehaald, tot getuige gemaakt van de woorden: Het is niet goed, te zijn de mens alleen.

(Aldus weergege­ven is het geen mooi Nederlands, maar het staat de lezer vrij, er beter Neder­lands van te maken. De bekende vertalingen doen dat ook; het is een recht­vaardige keuze. Men kan ervoor kiezen, de vreemde tekst naar de lezer te brengen, te ontdoen van het vreemde, om het als vertrouwd en eigen over te brengen. Men kan er ook voor kiezen, de lezer naar het vreemde, onbekende te brengen, om het eigen-aardige van deze tekst te laten zien).

De lezer weet steeds reeds, wat er komen gaat. Dat is het voordeel van de tekst. Hij kan altijd al gelezen zijn. Veel taal komt ons onder ogen om weer vergeten te worden. Het nieuws van vandaag is straks weer oud. Wat zouden wij de woorden onthouden! Alle reclame-folders, wat moeten we ermee? Wanneer een klein kind begint te lezen/schrijven gaat het anders. Al die streepjes en krulletjes blijken nogal weerbarstig te zijn. Spelenderwijs geven zij hun geheim prijs. Ik kan al boom schrijven!, gebracht met de vreugde van een overwinning op de chaos. Schepping ontstaat, ordening begint.

De lezer weet wat er komen gaat, maar hij of zij is ertoe uitgenodigd, zich van den domme te houden. Ik ben niets anders gewend dan wat ik uit mijn korte leven (sinds 2, 7 of 1, 27) ken. Nu blijkt dit niet goed en wel alleen te heten. Zou dan nu goed en niet alleen komen? Ik voel iets vreemds, iets nieuws in mij. Wanneer er straks woorden voor bestaan, zal het warmte of vreugde he­ten. Nu zijn de oren en ogen gespitst. Er gaat hoe dan ook iets gebeuren. Wat?

God in het verhaal blijkt meer te vertellen: Ik zal maken voor hem een hulp hem tegenover. Ongelukkig is de vertaling die hier zegt: Een hulp die hem past alsof de andere mens een soort confectiepak is, dat je al dan niet past, dat je gebruiken kunt zolang het past, en dat, niet meer passend, afgedankt kan worden. Zo is het met de ander niet.

Soms hebben mensen er moeite mee, dat de andere mens gelanceerd wordt als hulp. Dat zou te min zijn. Emancipatorische kringen zien dan vrouwen weer de schort aanbinden, want er moet en zal geholpen worden. Alsof helpen enkel be­trekking heeft op het werk van slaven en sloven. Het mag een zeldzame troost zijn, dat de ander mij tegenover een hulp is. Dat doet zo goed. Zou ik dat voor hem of haar ook kunnen zijn? Het is zelfs leerzaam. Genesis 2 is nog steeds revolutionair, emancipatorisch en solidariserend. Want Gen. 2 (en ook 3) gaat niet enkel over de idylle of desillusie die liefde en huwelijk kun­nen zijn. Adam en Eva spreekt niet over het huwelijk, of, over de mens als man en vrouw. Adam en Eva legt uit wat om te beginnen en betekent, in hemel en aarde. Wat betekent het, in elkaars verband te leven? Sociaal, wat is dat?  Een hulp hem tegenover. De ander tegenover mij, van aangezicht tot aangezicht. Ik in het verhaal zal met aandacht volgen, wat er nu gebeuren gaat. Hoe dan ook, ik ben erbij betrokken, partij gewor­den. Vreemd is het, wat dan nu gaat gebeuren.

Het begint veelbelovend. Weer gaat God vormen; zo ben ook ik uit zijn handen gekomen. Maar wat is dat? Alles leeft op het veld, al het gevogelte des hemels, het komt hierheen. God brengt het naar de mens. Wat moet dat? Om te zien hoe hij het zou noemen! Een levenswerk voor biologen wordt gepresteerd alsof het geen moeite kost. De mens gaat alle dieren noemen. Zoals hij ze noemt, zo zijn ze. Meesterschap blijkt, vakmanschap. Namen vallen, en daar gaan ze voorbij: heel het beestenspul, het bestiarium, het eerste circus op aarde. Maar ook vertelt de tekst, waarom dit vlug gebeurd moet zijn. Want deze namen noemende mens is op zoek naar zijn hulp hem tegenover. Al dit zoeken levert niets op. En voor de mens, niet vond hij een hulp hem tegenover. Teleurstelling, onzekerheid. Er ontstaat een zeker gemis. Pas tegen de achtergrond van dit gemis zal de ander tevoorschijn ko­men, niet vanzelfsprekend. Nu niet en nooit. Er zullen wel dieren bij geweest zijn die een hulp waren, maar niet hem tegenover, geen partners, geen gelij­ken, niet evenwaardig. Daarmee is de mens van Gen 2 heel iemand anders dan die uit het voorafgaande verhaal. Kon de mens van Gen 1 in zekere zin alles en was hij/zij af, in Gen 2 is sprake van gemis, van zoeken en niet vinden.

Nauwelijks is het gemis genoteerd, of God—nee, beide namen hoort men hier: de Heer van Gods betrokkenheid als partner in het verbond (JHWH) én God als de boven deze wereld uittronende Godheid, de rechtvaardige rechter. De Heer God doet een diepe slaap over de mens komen. Daar gaat straks weer iemand wakker worden. Daar zullen grote ogen worden opgezet!

De bedoeling van de diepe slaap van Adam was het, hem een vrouw te ge­ven, zodat de mensheid tot ontwikkeling zou komen, en alle schepselen het verschil zouden kennen tussen God en de mens. Toen de aarde hoorde wat God besloten had te doen, begon zij te schudden en te beven. Ik heb de kracht niet, zei ze, om de kudde van Adams afstammelingen te eten te geven. Maar God kalmeerde haar. Hij zei: Ik en jij samen, wij zullen voedsel vinden voor de kudde. Daarom is de tijd verdeeld tussen God en de aarde. God nam de nacht en de aarde nam de dag. Een verfrissende slaap voedt en sterkt de mens, maakt het hem mogelijk te leven en te rusten, terwijl de aarde vruch­ten voortbrengt met de hulp van God die het water geeft. L.Ginzberg, Legends I, 64v.)

Sinds de uitvinding van de narcose mag God in dit verhaal dan ook een knap anesthesist en chirurg tegelijk heten. Hij neemt éen van Adams zijden— gewoonlijk vertaalt men ribben. Door het woordje zijde wordt een relatie gelegd met de ontmoetings-tent, de tempel in de woestijn (Ex 26, 20 GenR 17, 6). De rib heeft het voordeel, dat de vorm ervan iets van genegenheid kan uitdrukken, een arm om de schouders. Het geheel van Gods activiteit kost geen druppel bloed. Op de plaats van de rib/zijde komt vlees. Kijk waar het lichaam ter plaatse beweeglijk is. Ademhaling en emotie wordt er zichtbaar, vlak boven het middenrif.

Hij brengt haar naar de mens. Die hoeft niet eerst wakker te worden. De mens hoeft zelfs niet te zien. Hij begint meteen te zeggen: Deze keer: been van mijn been, vlees van mijn vlees en deze zal geroepen worden vrouw  (2, 23).

Vlees van mijn vlees en been van mijn been is een uitdrukking waarmee in de Bijbel hechte verwantschap en verbondenheid wordt aangeduid. Als Ja­kob bij zijn oom Laban aankomt, slaat Laban zijn armen om hem heen, en roept uit: Dit is vlees van mijn vlees en been van mijn been, en hij kust hem hartelijk. Zo is het ook hier. Je zou kunnen vertalen: we horen bij elkaar! (Bouwhuys en Deurloo, Dichter bij Genesis, Amsterdam 1967, 43.)

God bouwt; in het Hebreeuws: wajjiben. In het Hebreeuws klinkt ver­wantschap met een ander woord mee: binah betekent begrip. In de midrasj vindt men daarom: Rabbi Eleazar zei in de naam van Rabbi José de zoon van Zimra: Zij was begiftigd met meer begrip/verstand dan een man (GenR 18, 1). In de joodse traditie geldt het meisje als volwassen, als verant­woordelijk voor eigen daden, vanaf het twaalfde jaar. De jongen zal dan nog een jaar moeten wachten.

Voor de goede orde is het belangrijk, ook te letten op de namen. Tot 2, 23 heet de mens mens (adam). In 2, 23 wordt de eerste naam geroepen: vrouw; in het Hebreeuws zijn dat drie letters. Alef -  sjin - hee. Je spreekt uit: isjáh.

Het woord lsjah ijkt op Isj, man. De letters zijn: alef, jod, sjin. De beide namen klinken bijna hetzelfde.

In het Hebreeuws wordt de letter hee (H) achter een bijvoeglijk naamwoord gezet wanneer het erbij horende zelfstandige naamwoord vrou­welijk is. Isjah lijkt de vrouwelijke vorm van Isj te zijn. Maar dat is niet zo. De twee woorden hebben als woorden niets met elkaar te maken. Alleen hun klank en schrijfwijze suggereren verwantschap.

Van Rabbi Eliëzer (rond 100 van de gewone jaartelling) is een mooie toevoeging of uitleg be­kend. Het verschil tussen man (JSj, uitspraak: isj) en vrouw (SjH, uit­spraak: isjah) is JH. Dit is de afkorting van Gods eigen naam (JHWH). Het verschil tussen man en vrouw is God. Man en vrouw zonder God zijn Sj. Dit Hebreeuwse woord spreekt men uit als eesj. Het betekent vuur. Man en vrouw zonder God zijn als vuur. Er blijft enkel as over.

Eerst wordt de vrouw geroepen. Daarna pas heet adam: man. Isjah/vrouw in 3, 20 wordt haar naam Chawwah/Eva, moeder van de levenden. De Sep­tuaginta vertaalt haar naam met Dzooë, leven. In de Vulgata, de Latijnse vertaling heet zij Heva, en zo kennen wij haar als Eva. Rib en leven worden in het Sumerische tekensysteem op de zelfde wijze geschreven.

Zo is er nu sprake van twee. Mensen kunnen aan elkaar gebonden zijn door het woordje en. De eenheid die daardoor mogelijk wordt is zo uitzonderlijk, dat de man zijn vader en moeder verlaat en een nieuw leven begint. Dan begint het nieuwe verhaal. De man en de vrouw zijn naakt. In het He­breeuws heet dat aroemmiem. De volgende regel vertelt over de slang die aroem (slim, sluw en geslepen) is.

Het toneel is nu voller geworden. Het laat een tuin zien, twee bomen in het midden. Na een korte verwikkeling zijn er twee mensen, man en vrouw, met een opdracht en een verbod. Terstond valt het oog op een nieuw wezen, slang genaamd. Een wonderlijke slang. Straks, bij de vervloeking, zal hij op zijn buik moeten kruipen. Is het nu nog een slang op poten wiens toestand veranderen zal, of wordt straks een feit een verhaal, een feit onderstreept?

Een en ander is tot stand gekomen onder het motto dat het voor de mens niet goed is, alleen te zijn. Zullen de twee zich harmonieus opstellen, zal er een niet-alleen zichtbaar worden tussen de mensen en God, tussen de mensen onderling?

Het verhaal is al te bekend, en toch zal de lezer voor een ogenblik moeten doen alsof het onbekend is. Laat ons dit eerste tweetal, beeld van elke ver­bondenheid die er op aarde en tussen de hemel en de aarde bestaat, volgen.

De slang blijkt goed geïnformeerd. Hij volgt een listige weg. Het is zeker wel zo, dat God gezegd heeft, dat je niet zult eten van elke boom in de tuin?. Heel onschuldig, en recht op het doel af. Er zal dus gegeten worden, en wel van die ene boom. De vrouw zal hem de man zelf aanwijzen. Haar eigen woorden plaatsen haar voor de boom. Van de vruchten van de bomen van de tuin mogen we eten. Van de vruchten van de boom in het midden van de tuin heeft God gezegd: Daar zul je niet van eten, en die zul je niet aanraken, want dan zul je sterven. (Raak mij niet aan, zegt in de tuin degene die de boom des Levens geworden is - Jo 20, 17.)

Ach, sterven! Zo ver is het nog niet. We beginnen nog maar pas. Op die dag zullen je ogen open gaan. Dat zullen ze ook. Ze zullen zien hoe het kostuum van Adam en Eva getailleerd is.

De ogen gaan al open.

De vrouw ziet wat de lezers reeds weten vanaf 2, 9. De boom is goed om van te eten en plezierig voor het oog. Nu is hij ook nog aangenaam om er wijs van te worden. Ze neemt de vrucht, eet, en geeft aan haar man. Dan gaan de ogen open. Ze kennen hun situatie, en beginnen kleren te maken van vijgebladeren.

Weg is de eenheid. Een zekere privatise­ring vindt plaats. Het verschil wordt weggewerkt, en daardoor benadrukt. Voortaan staat de mens in het verhaal er gekleurd op: groen! Het oog wil ook wat. Ze zijn begonnen zich te distantiëren, en zullen zo aanstonds ver­wijderd worden. Zij gaat in op wat haar ogen zien. Hij ook. Hij had moeten horen naar het woord hem gegeven.

Nu zij niet hebben willen horen, gaan ze terstond horen. God maakt nog even een ommetje in de koelte van de tuin. De man en de vrouw onttrekken zich aan het voor de hand liggende praatje. Ze zijn geen goede buren meer. Ze horen Gods stem. Ze verbergen zich van voor het aangezicht van de Heer God in het midden van de bomen van de tuin. God roept.

Waar ben je? Hoe is dit de plaats waar je terecht gekomen bent? Hoe komt het, dat je je verstopt hebt? Wat is dit voor spelletje? Waarom ben je niet waar je wezen zou?

Het antwoord op de vraag Waar ben je? zal het gebeurde hernemen, maar van achter naar voren. Het begint bij de uitkomst.

Het verhaal is toch niet tegen te houden. Alles komt eruit, al zijn de accenten opvallend. De vrouw die jij mij gegeven hebt!. En zij: De slang!. Na het simpele dat gebeurd is, weigert men antwoord, wil men geen verantwoordelijkheid dragen.

Zoals door de overtreding van één de dood koning is geworden door één, veel meer zullen zij die overvloed van genegenheid en de gave van de gerechtigheid ont­vangen, in het leven koning zijn door die éne, Jezus Mesjiach . . . Want zoals door de ongehoorzaamheid van de éne mens de velen zondaar zijn geworden, zo zullen ook door het horen van de éne de velen rechtvaardigen geworden (Rom 5,17-19). Paulus zet de niet horende Adam tegenover Jezus, de nieuwe Adam, tot en met: Want zoals allen in Adam gestorven zijn, zo zullen zij ook allen in de Mesjiach tot leven worden opgewekt (1Kor 15, 22).

De slang zal op zijn buik kruipen. Vijandschap zal er zijn tussen de slang en de vrouw, tussen jouw zaad en haar zaad. Het woord tot de slang staat precies in het midden. Waar zij bij elkaar in de buurt komen (kop en hiel), zal het bedreigend zijn.

In de christelijke traditie heeft deze tekst de naam proto-evangelie gekregen: het eerste evangelie. Eva wordt dan Maria. Dit zal best een goede leeswijze zijn, wanneer men het niet te exclusief verstaat. De vrouw zal namelijk ook steeds gezien moeten worden als vertegenwoordiger voor het volk. Slangenzaad (bijvoorbeeld in Mt 3, 7) vindt hier ook zijn betekenis; let wel: niet als beschrijving van de ge­noemden van buitenaf. Mensen die elkaars taal verstaan kunnen zo spreken.

De vrouw zal met smart haar kinderen baren. Een feit krijgt een plaats in een verhaal, maar laat men Jo 16, 20 en volgende verzen niet vergeten (al zal het volgende verhaal een heel eigen groot verdriet aangeven). Bij de slang en de man klinkt vervloekt. Bij de vrouw is daar geen sprake van. En even feitelijk als het is met het krijgen van de kinderen, zo feitelijk zal de verhou­ding tot de man beschreven zijn. Benno Jacob (Das Erste Buch der Tora, Genesis) zegt: Niets zou veranderd zijn, als zij de vrucht niet gegeten had. De vrouw had ook in de tuin van Eden slechts met pijn geboren doen worden en zich aan de man te ondergeschikt moeten maken. Wat met de overtreding van het gebod verloren is gegaan, zal in het volgende gezegd worden. Met betrekking tot de ondergeschikt­heid moet men niet te snel zijn met de interpretatie: toekeer of toewending zou beter zijn. Men kan in deze woorden hier ook zoiets als een correctie zien op 2, 24, zoals 4, 1 als een bijsturing van 2, 22 gelezen kan worden, de man uit de vrouw zoals de vrouw uit de man. 

Adam heeft een keuze gemaakt. God had hem geboden, maar hij heeft ge­hoor gegeven aan zijn vrouw. Daarom wordt de adamah/aarde vervloekt omwille van hem. Niet hij wordt vervloekt, maar de aarde omwille van hem. Wat betekent dit? Al de dagen van zijn leven zal hij in pijn er van eten. Het is niet een vervloeking voor alle generaties, maar voor Adam zelf. De aarde zal niet meer vanzelf zijn vruchten geven. Doornen en distels zullen ervoor in de plaats komen. In het zweet van zijn gelaat zal hij brood eten, totdat hij zal terugkeren naar de aarde waaruit hij genomen is.

Het verhaal in Gen 3 werkt niet met het idee van zoiets christelijks als het begrip erfzonde. Daar is geen sprake van. Adam wordt gestraft: hij, voor zijn daad. De dood lijkt niet het gevolg te zijn van zijn overtreding. Het betekent een einde aan zijn geploeter.  

De mens roept de naam van zijn vrouw Chawwah/Eva, moeder van het le­ven. En God voltooit het werk dat Hij aan de mens begonnen is. Hij geeft hem kleren. Niet meer de vijgebladeren, maar kleren van huiden. Het is een van de werken van barmhartigheid geworden: de naakten kleden.

God ziet de mens als zijn gelijke. Hoe? Hoe kan de mens aan God gelijk zijn? Blijkbaar door kennis te hebben van goed en kwaad. De mens in het verhaal is nu geen kind meer. Koning Salomo zal aan God een horend hart vragen. Hij wil leren, onderscheid te maken tussen goed en kwaad (1Kon 3, 9). Nu zal de mens niet meer aan de boom des levens mogen komen. Wat mag de boom des levens zijn?

Een vervulde begeerte is een boom des levens (Spr 13, 12). Spreuken beschrijft ook de wijsheid als een boom des levens voor wie er op steunen (Spr 3, 18). De synagoge zingt dit vers wanneer de Tora-rol terug gedragen wordt naar de ark.

De vrucht van de rechtvaardige is een boom des levens (Spr 11, 30). Zo ook: een verzachtende, genezende tong (Spr 15, 4).

Niemand weet wat de boom des levens is geweest. De tuin is immers gesloten. Na de aftocht van Adam en Eva is niemand er meer geweest. Maar de betekenis ervan is blijven hangen; men heeft er een plaats voor gezocht. De wijsheid, de rechtvaardigheid, heil­zaam spreken en een vervuld verlangen wijst het boek Spreuken ervoor aan. In Gen. 3 mag de mens niet meer aan de boom des levens komen. Daarom volgt de verbanning uit de tuin. Buiten de tuin zal zichtbaar worden wat de consequentie is van Adams keuze, (samen met Eva) alleen te zijn of te doen alsof hij alleen was, en met de God van het verhaal niets te maken heeft. Binnen de tuin blijkt de ander al de schuld te krijgen. De relatie blijkt brok­kelig uiteen te vallen. Buiten zal het gewelddadig zichtbaar worden. Een klemmend verhaal, over onze wereld?

Adam en Chawwah/Eva verdwijnen uit de tuin. Een engel met vlammend zwaard komt het podium van het verhaal op. Hij zal de toegang bewaken. Dit mag men niet te eenzijdig verstaan. Aan de orde is niet alleen bewaken tegen, maar ook bewaren voor.

De engel bewaakt en behoedt met het vlammende zwaard. Sommigen zeggen: Daaraan kun je zien, dat het paradijs op een berg gelegen heeft. Soms zie je de bliksems heen en weer gaan langs de top van een berg.

Het is niet goed, de mens in zijn alleen zijn. De mens heeft gedaan alsof hij alleen is. Adam en Eva kan men zien als een eerste voorbeeld van hoe het gaat wanneer men doet alsof men alleen is. Wanneer ik met iemand in vriendschap leef omdat wij samen tegen een derde zijn, zal die vriendschap niet lang bestaan. Dan komen de verwijten. De opzet was: niet alleen. De uitkomst is geworden: alleen.

De mens weigert mens te zijn voor God. Het zal blijken te betekenen: geen broeder willen zijn voor de broeder. Adam en Eva kunnen of willen niet komen tot onze Vader. Ze verstoppen zich en blijven het antwoord schuldig. Het verhaal van Kaïn en Abel zal ook niet tot onze Vader komen. Eerder zal de aarde rood zijn, het gevolg van de mens die doet alsof hij ongelimiteerd, God is.

En de man kent Chawwah zijn vrouw en zij wordt zwanger en zij baart Kaïn en zij zegt: ik heb verworven (kanithi) een man met God. En zij voegt toe, om te baren zijn broer Havel (Gen 4, 1-2). Havel/Abel is in de hebreeuwse Bijbel bekend uit het begin van het boek Prediker: Havel heveliem, ijdelheid der ijdelheden. Tevergeefs,  niets, damp.

Zijn naam geeft aan: het zal niet goed gaan met Abel. Zijn naam is naar achteren geschoven. In de regel noemt de tekst eerst de naam en dan de rol of relatie. Abel, zijn broer. Nu staat er zijn broer Abel. Abel komt het toneel op om alleen broer te zijn, Hij is enkel zijn rol. Daar blijft hij in. Eerst is er Kaïn, volop individu (letterlijk: ondeelbaar, geheel.) Abel: damp, bijna niks.

Na Adaam en Chawwah is er de derde mens: Kaïn. Zijn naam wordt vertaald. Het is een woordspeling op het woord kanah, verwerven, bezitten. De twee jongens, Kain en Abel, zijn zoiets als alles en niets. Zeven keer valt in het verhaal de naam broer. Dit is het eerste verhaal over de broederschap. Van broers naar vader scheelt maar een generatie. Alle mogelijk­heid derhalve om over Onze Vader te spreken. Maar in 4, 1-16 komt het woord vader niet voor. Zoekt men zoiets als een vader, zoekt men naar een figuur die de rol van de ander kan spelen, het tegenover, dan kan men alleen bij de Heer (4, 9) te­recht. Welke rol speelt God in de geschiedenis van de broederschap? Hij vraagt naar Abel. Waar is hij? God vraagt antwoord-verantwoording. Zijn vragen is de enige bescherming voor het slachtoffer.

Een verhaal over twee broers, de eerste twee. Niets heeft het van de uitbun­digheid die psalm 133 suggereert - tenzij wanneer men daar het onderwerp van de laatste volzin onderstreept. De broederschap is in de Schrift een the­ma, zo niet het fundamentele thema. Daarin gaat het ook over Esau en Ja­kob, Jozef/Juda en de broers. Het woord broeders hoort men ook als geheim van het verrijzenisverhaal. Degenen die steeds leerlingen heten, noemt de gekruisigde broers - want na de man en de vrouw vertolkt de broeder­schap het verbond. In kindertaal (met alle droefheid die dan mogelijk is): Wil jij mijn broertje zijn?

Kaïn wil niet. Hoe kan hij trouwens weten wat broer of naaste is? Ben ik soms mijn broeders hoeder? Leg je het accent op hoeder, dan kan het onverschillig klinken. Leg je het accent op Bén ik soms ... Dan imiteer je Kaín. De lezer hoort zichzelf dan als ware hij onschuldig vragen: Ben ik soms . . .?

Het verhaal gaat snel. Adam kent. Kennen is in de Schrift een zeer vereni­gend, gemeenschap vertolkend woord. Wanneer de slavernij in Egypte een feit is, de droefheid ont-zettend, hoort de lezer over God die kent. Hun erva­ring is zijn ervaring. God is ermee verbonden. Weet zeker dat er dan iets gebeuren gaat. De engel Kracht-Gods of Man-Gods (Gabriël) gaat naar Maria. Wie het weet, herinnert zich Maria/ Mirjam. Zitten we in het begin van het Exodus-verhaal? Is Mozes in gevaar, en hebben we iemand nodig die op haar broertje past? Wees gegroet, jij vol genegenheid, de Heer met je!. Maria schrikt na het verhaal dat ze hoort. Hele registers vol verhalen komen over haar neer. Hoe kan dit geschieden omdat ik geen man ken?. Kennen is niet enkel boven de wenkbrauwen, het is tot en met één zijn.

De dramatis personae bevolken snel het podium. Twee keer geeft de tekst: En het geschiedt. Wat geschiedt er? Kaïn gaat een offer brengen. Het oog van God valt op Abel. Kaïn ziet dat Abel gezien wordt. Zijn gezicht valt. Straks zal dat zijn broer blijken. En Kaïn zegt (4, 8). Dan vult de tekst niets in. Wat is dit spreken dat niets zegt? En het geschiedde bij hun zijn in het veld (4, 8). Geen herders. Ja, één herder, en die zal er dadelijk niet meer zijn.

Kaïn staat op. Tegen Abel zijn broer. Kaïn is niet gezien. De geziene, Abel, zal er niet meer zijn. Hij doodt hem. Waar is Abel, je broer? Hij zegt: Ik ken niet! Inder­daad, geen verbondenheid, geen band, geen broederschap, geen gemeen­schap. De eerste dode in het verhaal van God en de mensen is het gevolg van een verhaal over mensen alsof er geen God is, alsof je kunt beschikken over het leven van een ander. In de gedode broer blijkt een nieuw onderwerp, komt God - om alleen maar een vraag te zijn. Niet meer zoals in Gen 3,9: Waar ben jij?, want dat is inmid­dels bekend. Maar: Waar is hij, Abel, je broer? (4, 9). Ben ik soms ...? Hoge woorden komen eruit, tekenen hetgeen een verplichting blijkt.

Met de dood van de broer is zijn stem niet verdwenen. Hij schreeuwt vanaf de akker (adamah). Uit jouw hand heeft de akker het bloed van je broer gekregen. Kaïn weet dan, dat hij verdreven is van het aangezicht van de akker. Het land zal/kan hem niet meer dragen. Het verhaal over de broe­der-schap wordt een verhaal over al dan niet leven op het land. Zo is het een verhaal over het verbond. Wanneer het bezitten van het land het gevolg is van leven in het verband van het verbond, dan betekent leven alsof je al­leen bent het ondergraven van leven op/in het land. Het verhaal van Kaïn en Abel kan dan ook een uitleg zijn van het drama van de ballingschap. Mee klinkt het verlies van de tien stammen, verdwenen na de verovering van Samaria, inclusief beschreven. De beweging vanuit de tuin naar de aarde in Gen 3 en 4 heeft een logische, of liever theologische volgorde. Ze verhouden zich tot elkaar als de twee tafelen van de decaloog (de zogenoemde tien ge­boden of Tien Woorden). Het gaat ten naaste bij over het grote gebod, en over het tweede, dat daaraan gelijk is. Wanneer de verhouding tot God ver­stoord is, kan de relatie tot de broeder niet ongebroken blijven" (K.Deurloo, Kain en Abel, Amsterdam 1967, p.127).

Ook Kaïn wordt geaccepteerd: als een getekende. Hij weet dat hij geen plaats meer vindt op de akker. Het land zal hem niet meer dragen. Daarmee komt hij als het ware buiten bereik van God. Hij heeft geen bescherming, is een rechteloze geworden. Maar dit blijkt niet waar te zijn. Wie Kaïn doodt, heeft niets geleerd van Kaïns ervaring, terwijl hij of zij dat wel zou kunnen. Kaïn is immers een verhaal geworden, een teken. Een stem, de stem van een slachtoffer, is schrift geworden, heilige Schrift, verhaal.

Kaïn vestigt zich in het land Nod, het land waar de ballingen leven, in het oosten. Met name het oosten is altijd een plaats geweest waar moordenaars heen konden vluchten, want de vrijsteden die Mozes later zal aanwijzen lig­gen in het oosten, de plaats waar de zon op komt (Deut 4, 41). Kaïn bouwt de eerste stad.

Steden zijn altijd iets dreigends. Een stad is, naar men weet, een andere samenleving dan het land. In een stad is minder gelegen­heid om wortel te schieten. Dan komen er meer mensen, tot en met Lamech. Weer komen er zonen. Java/ (de naam lijkt op Havel/Abel), de vader van degenen die in tenten wonen. Met kudden. Juval lijkt ook op Havel. Hier begint de muziek. Interessant, deze aankondiging van de geboorte van de muziek, wanneer men rekening houdt met hetgeen komen gaat (G.Bernheim, La Voix et lécriture, in La Bible au présent, Parijs 1982, p.226).

Dan komt Tuval-Kain de namen van Abel en Kaïn samen, de man van ijzer. Dan begint Lamech met zijn stem. Voor het eerst spreekt een man tot zijn vrouw, tot zijn twee vrouwen. Zal Kaïn zevenvoudig gewroken worden, Lamech zevenenzeventig keer. Spreken is zingen geworden, onbegrensd. Er volgt ook geen vraag, geen onderbreking. Vanzelfsprekend blijft het staan, als ge­zegde, als lied. Dan hoort men weer van Adam. Seth wordt geboren. Weer roept Chawwah/Eva de naam. Seth betekent vervanger, aangewezene, want God heeft mij aangewezen (sath) een ander zaad. Seth krijgt Enosj: mens, mensen. Enosj gaat de naam van de Heer aanroepen. Een nieuwe geschiede­nis gaat beginnen.

Het was de opzet, dat het goed zou worden. De mens zou mens zijn voor en met God. De mens heeft dat in het verhaal geweigerd - of moet men zeg­gen: de mens blijkt dat te weigeren. Liever heeft hij geen boodschap aan verhalen. Je kunt je toch niet met alles en iedereen bezighouden. Alsof alles en iedereen de mens naast je is. Alsof een mens zich niet beperken laat door degene die op hem of haar afkomt, degenen met wie je dagelijks leeft. Zet wat zinnen uit het dagelijks taalgebruik waarin mensen met elkaar omgaan onder elkaar, dan zie je hoe mensen met elkaar omgaan, welke ruimte zij elkaar toestaan. En dat is nog te algemeen. Want ik hoef niet te spreken over mensen. Mijn probleem is niet de derde persoon, de andere. Ik ben verantwoordelijk voor mijn gebaar en taal.

De Joodse Traditie zegt: Wie zijn broeder rood doet worden, is een moordenaar - hij maakt zich immers schuldig aan bloedvergieten. Kostbaar is het leven van een mens. Daarmee wordt niet gesproken over de ultieme kwesties die vaak het onderwerp bepalen wanneer het gaat over leven en dood. Kostbaar is het leven van een mens, ben jij die naast mij staat, is hij of zij over wie ik spreek. De apostel Petrus zegt heel praktisch: Stel niet kwaad tegenover kwaad, schelden tegenover schelden.  Zegen elkaar, want daartoe ben je geroepen, dat je leven mag voor Gods aangezicht als broeder voor je broeder, als zuster voor je zus, als naaste voor wie naast je is. Zo ben je als kin­deren die nog van één vader weten (vergelijk I Petr 3, 8). Want het luistert nauw, waar mensen samenleven. Kostbaar is het leven van een mens, want God wil bij hem of haar te gast zijn (vergelijk psalm 8, 5vv).

Gen. 2-4 vertelt een verhaal. Het laat mij peinzen over mogelijkheden en moeilijkheden, baant een weg door de woestijn, maar het is tot een verhaal gemaakt. Het wordt verteld van achteren naar voren. Uit het verdriet blijkt het verlangen. Het gemis schetst de verwachting. Dat kan een pad zijn. Men leert in het verkeer een heer of dame te zijn. Wie een straat oversteekt, dient te weten dat hij of zij niet alleen op de wereld is. Je moet naar links en rechts kijken; anders vallen er slachtoffers.

Ondanks het fiasco eindigt Gen. 2-4 met een opmaat. Er is iets nieuws be­gonnen. Nieuwe namen, nieuwe verhalen. De naam van God wordt aange­roepen. Hij wordt er in het verhaal weer bijgehaald. Een nieuw begin. Zou het dan toch mogelijk zijn? Het moet wel! Wie niet voortdurend de wonden van anderen wil verbinden, moet ophouden te slaan. Mens zijn is geen kwes­tie van je mannetje staan. Het zou mogelijk zijn op de wijze van broers en zusjes. Zo naïef zegt de Schrift het: zo realistisch, dicht bij huis, of huid. Broederschap is de enige mogelijkheid.


Hoofdstuk 4: Catastrofe of Troost in de catastrofe, - dat is een heel verschil -Gen 6-9

 

Op de Dam staat een man, stevige baard, nogal veel rimpels met met een heldere oogopslag,  zijn handen af te vegen aan zijn kleren. Even kijkt hij nog naar de grond. Een stapel balken, zomaar neergegooid, (maar wanneer is hier in Amsterdam ooit iets opgeruimd?) heeft zijn aandacht. Hij zucht, richt zich op, en verdwijnt: het Damrak af, richting Centraal Station of het IJ, daarachter. Kinderen lopen achter hem aan. Even later komt hij te­rug. Hij heeft zon houten balk, best een stevig stuk hout, over zijn schouder. Hij maakt een gooiende be­weging met zijn bovenlijf. De balk bonkt op de grond, springt op, en blijft liggen. Omstanders lachen. Mensen staan met elkaar te praten terwijl ze met hunhoofden naar hem wijzen. Iemand met een filmcamera komt van tussen het paleis en de Nieuwe Kerk. Er blijken meer cameras te lopen. Iemand spreekt de toch al wat oudere heer aan, houdt een microfoon voor diens baard. Het antwoord is maar kort. Hij veegt zijn handen aan zijn kleren en verdwijnt weer, richting Damrak. En daar komt hij weer, met weer een grote balk op zijn schouder.

de duif krijgt een missie

Het zal gaan regenen, zegt hij later. Het zal gaan regenen. Mensen begin­nen te grinniken. Ja, natuurlijk zal het regenen. Het zal hier in Amsterdam eens een keertje niet regenen!. Nee, schudt de oude heer: Het zal deze keer veel erger zijn dan ooit tevoren. Mensen beginnen te lachen. Steeds meer voorbijgangers blijven staan. De eerste jongens met stapels kranten komen de Dam op. Een snackbar op wielen, handel ruikend, komt er aanzetten. Niet alleen het oog wil wat. Intussen laat de oude man zich niet tegenhouden. Hij komt en gaat. De stapel hout groeit.

Ook radio en televisie besteden na enkele dagen aandacht aan de man op de Dam. Langzaam maar zeker begint de berg hout de vorm aan te nemen van een boot. Enkele actiegroepen hebben er bij de burgemeester op aangedron­gen, een einde te maken aan het bouwkundige experiment op de Dam. Dat hoort daar niet. De duiven worden bang. Maar de koningin heeft gezegd dat de man mocht doorwerken. Uiteindelijk bouwde de man voor het paleis.

Op een beetje wonderlijke wijze groeit vrij snel zoiets als een schip. Een brede loopplank completeert het geheel. Over het Rokin komt een grote karavaan dieren. Vooraan wat gruis - een enkeling probeert met een microscoop vast te stellen over welk micro-organisme het gaat. In elk geval, op een zeker moment herken je duidelijk diverse mierensoorten. Ook wes­pen en vliegen. Allerlei vogels bewegen zich boven de colonne: rode ibissen, gele kaketoes, zelfs gieren en condors klapwieken zeldzaam vredelievend mee. Op het grondvlak trekken honden, een enorme variëteit aan poezen, paarden, kamelen en aanverwant spul voorbij. Achteraan trekken olifanten enorme badkuipen met walvissen en zeekoeien, allemaal uit Artis. De stoet gaat onmiskenbaar in de richting van wat nu algemeen de ark heet, de loopplank op. Voordat iemand goed en wel beseft dat het gebeurd is, gaat na het laatste dier de poort dicht. Het begint te regenen. Op de Dam is de hilariteit groot Die oude heer had gelijk! Maar al vlug wordt er meer geregend dan gelachen. Mensen proberen te schuilen onder de gaanderij bij Peek en Cloppenburg. Een groep beter gesitueerden trekt zich terug bij Krasnapolsky. Als de regen niet ophoudt, gaan ze over van koffie op het betere werk. Alleen: langzaam maar zeker wordt de bediening slechter. Steeds meer obers moeten worden ingezet om de gangen te dweilen . . .

Het verhaal van Noach heeft steeds tot de verbeelding van mensen gespro­ken. Het is vele malen en op vele wijzen uitgebeeld, steeds opnieuw en an­ders verteld. Voor kleine kinderen is de hele dierentuin in hout gemaakt: Noach. Ook tal van katechese-projecten wordt het verhaal van Noach gebruikt.

Het is toch een verschrikkelijk verhaal. Alles gaat er aan! Sommigen vertellen liever dat van Noach iedereen mee mocht. Maar al die mensen die meegingen, moesten wel een beetje rekening houden met elkaar. Ànders ging het niet, met zn allen in het bootje! Het verhaal heeft het zelfs tot spreekwoord gebracht: Na ons de zondvloed!

Het verhaal van Noach hoort bij het geheel van Gen 1-11. Het is een onderdeel van de compositie die voorafgaat aan het verschijnen van Abraham op het toneel van de bijbelse vertellingen. Waarom Abraham? Waar komt hij vandaan? Waarom gaat er met hem iets nieuws beginnen? Abrahams geschiedenis staat tegenover dan liever de lucht in! (Babel). De mensen daar hebben van Noach geleerd, dat je solidair moet zijn. Zonder solidariteit gaat het met, wordt het een puinhoop. De solidariteit van Noach is herkenbaar als de uitvergroting van hetgeen in de tuin geschied is.

Noach vertrekt uit een situatie die - eindeloos vergroot, op wereldformaat - laat zien wat er buiten het paradijs als eerste geschiedt. Na de een tegen de ander (Kai en Abel) nu allen tegen allen. Groot is de boos­heid van de mensen op aarde. Alle brouwsels van zijn hart zijn alleen boos elke dag. God heeft spijt van het werk van zijn handen. De aarde is gevuld met enkel onrecht. De aarde waar Hij zijn zinnen op gezet had - de mensen wilden er niet aan. Allen tegen allen. Zoals Egypte tegen Israël zou gaan doen, zoals de rijken in het land tegenover de armen, de weduwen en wezen zouden doen. Zo, enkel onrecht, kan er geen land, kan er geen wereld zijn. Een wereld die enkel ten koste van wil bestaan, heeft te veel rood nodig. Peilloos is dan de diepte van het leed - zo hoog zal het water gaan.

De geschiedenis van Noach is niet een los verhaal. Je kunt het los­maken van de andere verhalen, maar daarna zul je het toch terug moeten zetten om het te lezen binnen het geheel waarin het zich aan de lezer aanbiedt, van­uit Genesis. Niet aan de orde is een grote ramp die zich naar het verhaal gaat ooit voltrokken heeft met als vragen: Is dat echt zo gebeurd? Waar heeft die ramp zich voltrokken? Enz. Aan de orde is de eenvoud van een simpele constatering: van allen tegen allen komt en blijft niets. De enige mogelijkheid is die van de rechtvaardige in bijbelse zin: hij of zij die het woord bewaart dat hem of haar gegeven is. Zo wordt het verhaal over de ramp het verhaal over Noach.

De naam Noach komt in het verhaal, wanneer de lezer tot Gen. 5, 29 gekomen is: En hij roept zijn naam Noach zeggend: Deze zal ons troos­ten vanuit ons werken en vanuit het ploeteren van onze handen van de akker die de Heer vervloekt heeft. Na al de namen die in Gen 5 klinken als aanhef van de geschiedenis zoals Genesis deze bewaart is dit de uitleg van de naam Noach.

De vader van Noach is Lamech. Hij kan gekend zijn vanuit Gen 4, 18-24. Geen geruststellende klanken klinken daar. In Gen 5 wordt het relaas van de namen opnieuw opgenomen, in een schema gezet: a wordt zo oud, krijgt een zoon, b. Na de zoon, b, leeft a zo veel jaar. Hij krijgt zonen en dochters. A wordt zo oud, en hij sterft. Daarop: b wordt zo oud, krijgt een zoon, c. Na de zoon, c ... enz.

Noach is de tiende naam in dit verhaal, de eerste naam waarbij de tekst een verklaring geeft. Er wordt over troosten gesproken. Is dat dan nodig? Wie het verhaal van de mensen een beetje kent, weet dat dit een goede vraag is. Het verhaal zal het op zijn eigen wijze vertellen. Als voorbode klinkt niet meer: X wordt zo oud, hij krijgt een zoon, maar: En Noach leeft vijfhonderd jaar, en Noach verwekt Sjem, Cham en Japhet. Niet meer één, maar drie namen klinken. En in 9, 28 staat niet meer: En Noach leeft na de zoon, maar: En Noach leeft na de vloed. Er is iets tussen gekomen. Meer dan iets. De vloed. Het begint met een voorspel - als men de grenzeloze vervaging van de grenzen een spel kan noemen.

En het geschiedt (6, 1). En de Heer ziet (6, 5). De woorden herinneren aan Gen 1, maar het tegendeel is het geval. De zonen Gods en de dochteren der mensen. De dochteren der mensen zijn in 6,1 vooraan ge­zet. Zij worden gezien, niet door mensenzonen maar door godszonen of go­denzonen. Wat hier ook plaats vinden moge, het gaat tegen alle verwachting (van Gen 5) in. De strekking van het verhaal is  duidelijk, maar de tekst lijkt er zo goed als niets van te willen vertellen. De lezer krijgt te horen, wat en hoe God ziet.

God krijgt spijt. Het spijt hem de mens gemaakt te hebben, of misschien beter nog: het doet Hem pijn. Uitwissen zal Hij de mens die Hij op aarde geschapen heeft. De mens, het vee, het kruipend gedierte en de vogel. Van het scheppingslied blijft niets meer over. Niets? En Noach vindt genegenheid in de ogen van de Heer (6, 8).

Deze zijn de verwekkingen van Noach. Noach is een rechtvaardig en onberispelijk man in zijn generaties. Noach wandelt met God. Troost, troost, zegt de tekst,  noach. noach. De heer Noach is mijnheer Troost. Noach wordt te midden van zijn tijdgenoten apart genoemd, apart gezet. Om hem zal het gaan, wil er nog iets van Gods wereld gered worden.

Allen die nu in leven zijn, volgens het verhaal zijn zij kinderen van Noach, kinderen van de over­levende. Hebben zij iets geleerd van het verhaal dat zij samen delen? Ben je bereid, iets van de geschiedenis te leren? De Schrift kent twee soorten men­sen - als men het zo onhandig zeggen mag. De ene groep weet er alles van wanneer men vertelt: Wij waren slaven in Egypte. De andere groep weet daar niets van. kan zich niet voorstellen wat het zou moeten betekenen: slaaf zijn in Egypte. Dat zijn de heidenen, of de volkeren: degenen die niets we­ten van bevrijding uit het diensthuis Egypte. Voor de volkeren gelden de Noachitische geboden. In de joodse gemeenschap is men er nooit op uit geweest, de volkeren te bekeren tot Israël en zijn of haar levenswijze. De zoge­noemde tien geboden hebben een tijd lang gegolden als samenvattting van de 613 geboden waar Israël sinds de Sinaï mee leeft. Voor de volkeren gel­den de noachitische geboden.

God ziet het kwaad (6, 5), het geweld (6, 12). Noach krijgt te horen wat God besloten heeft. Met Noach hoort ieder die het verhaal leest, ervan. Noach moet een ark gaan bouwen, een thebah. Dit woord zal later ook gebruikt worden voor het biezen mandje van Mosjeh/Mozes (Ex 2, 3). Noach zal een levensgrote kist gaan bouwen tegen de komende dood. Het hout waarvan de ark gebouwd zal worden (gofer-hout) vindt men alleen in dit verhaal. Het heeft geen kiel en geen stuur. Het heeft geen boorden, masten of zeilen. Het hoeft nergens heen te varen. Het moet een huis zijn. Het moet in staat zijn, zn bewoners gedurende de vloed te bergen. Het moet derhalve boven water kunnen blijven. Daarom moet het van hout zijn (B.Jacob).

Maak voor jou (6, 14) en neem voor jou (21). Wie al verder gelezen heeft, hoort hier het begin van het verhaal over Abraham: Ga jij voor jou (12, 1). Zo zegt het verhaal het, wanneer men de Hebreeuwse tekst letterlijk weergeeft. Het wordt een enorm gevaarte, een verzameling nesten, ook wel als kamers of vertrekken vertaald. Van alles wat leeft, zullen er twee meegenomen wor­den, mannelijk en vrouwelijk. En Noach doet. Zoals God hem geboden heeft, zo doet hij (22).

Noach zal de ark in gaan, hij en zijn huis. En van alle reine dieren zeven paar en van alles wat niet rein is twee: een man en zijn vrouw. Van de vogelen ook zeven paar. De verwachting van de toekomst zal levend gehouden worden.

Zoals in het eerste scheppingsverhaal het getal zeven de volheid van de werken aan het begin als begin onderstreept, zo zal het nu nog zeven dagen duren. Dan zal het einde beginnen. Noach doet zoals de Heer hem bevolen heeft. Verder blijkt niemand in het verhaal een boodschap te hebben aan de op gang komende ramp (het tegenovergestelde van Jona in Ninivé. Vijf hebreeuwse woorden zijn voldoende om heel de stad op het andere been te zetten.). Er is moniaal gezien niets aan de hand -  de tijd is niet getekend door wat Noach doet. Alleen Noach houdt zich aan hetgeen God hem gebiedt. Wat God hem zegt, is een woord voor hem.

De regen komt, spuit omhoog van onder de aarde, valt omlaag uit de sluizen des hemels. De hemel is geen gewelf meer, houdt het water niet meer. Noach gaat de ark in met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen. Hij neemt geen afscheid. Zou hij, de rechtvaardige dat ooit kunnen? Trouwens ook: hoe kan hij gaan, weggaan in het verhaal. Hij zal toch verantwoordelijk blijven voor de anderen? Dat heeft het verhaal voorzien. God sluit de deur achter Noach. God maakt een einde aan de verantwoordelijkheid van Noach tegenover de anderen. God garandeert zijn ontkomen.

De regen begint, de ark laat los. Het water stijgt tot 15 el (7 tot 9 meter) boven de hoogste bergen. Niets blijft over van mensen en vee, van kruipers en vliegers.

De vloed markeert het verschil tussen voor en na de vloed. Dit zou de plaats kunnen zijn om te peinzen over welke naam men geven zal aan het verhaal. Zondvloed zegt men vaak. Velen leggen, al dan niet bewust, een verband tussen de zonde en de vloed. Toch is die suggestie ten onrechte. Zondvloed zou eigenlijk sontvloed moeten zijn, de alles onder water zettende vloed Men zou het verhaal kunnen noemen naar de catastrofe, zo groot als de we­reld: het sontvloed-verhaal. Toch lijkt die naam niet gelukkig. De ramp is immers niet de doelstelling van het verhaal. Dat is de geschiedenis van Noach, Troost in de vloed. In de alles onderdompelende ellende is er een naam als een verhaal. Het blijkt mogelijk, door de ramp heen te komen. De ark vertelt ervan. De betere naam voor het verhaal blijkt de naam van Noach - een naam die, zoals elke naam, de kortste samenvatting van een verhaal is.

Noach dobbert met zijn levensgrote anti-doodskist boven op de wateren. Als het water tot op zijn hoogst gestegen is, gaat het dalen. De bergtoppen ko­men in zicht. De ark blijft steken op de Ararat. Waar ligt de Ararat? Er is een plaats voor gezocht in Turkije, of in het tegenwoordige Irak. Maar de naam van deze berg vindt men alleen hier. Ararat ligt in Gen. 8, 4. Dat zou vol­doende kunnen zijn.

Het water gaat niet zomaar dalen. De tekst geeft er een motief bij. God gedenkt Noach en al het gedierte en al het vee dat met hem in de kist, in de ark is. God doet geest oversteken naar de aarde. In de regel vertaalt men hier wind, en dat zal ook wel goed zijn. De lezer moge evenwel weten dat de tekst door dit woord herinneringen oproept aan dat eerdere verhaal waarin de geest alle beloften bevat van de ordening die nu komen gaat. En de wateren werden stil (8, 1). De woedende elementen bedaren. Na 150 dagen houdt het op. Daarvan heeft het veertig dagen geregend (7, 12).

Er zijn derhalve nog 110 dagen bij gekomen. B. Jacob wijst erop, dat dit veertig plus zeventig dagen zijn. Ook de zeventiende dag van de tweede maand laat dit getal zien (7, 11; 8, 14), want een maand duurt dertig dagen. En de afstand van de zeventiende dag van de tweede maand en de zeventien­de dag van de zevende maand is vijf maanden, 150 dagen. Veertig dagen is de tijd van het wachten (vergelijk Jona 3, 4), de tijd van het vasten (Mt 4, 2), die mogelijk is (vergelijk 1Kon 19, 8). Veertig dagen zou ook de tijd zijn, waarin een kind gevormd wordt in de moederschoot. De zwangerschap duurt zeven maal veertig dagen. Zeven is het getal van de voltooiing, een totale tijd, een volle tijd. Men denke aan het scheppingsverhaal, bekroond met de zevende dag. Men denke ook aan: Heer, hoe vaak zal mijn broeder tegen mij zondigen en zal ik hem vergeven? Tot zeven maal? Jezus zei tot hem: Ik zeg je, niet tot zeven maal maar tot zeventig keer zeven maal (Mt 18, 2 vv).

Na 150 dagen komen de wateren tot bedaren. God gedenkt Noach. Gedenken, iets uit het verleden tot deel van het heden maken - bij uitstek menselijk. God gedenkt Noach en de ark komt tot rusten. Het Hebreeuwse werkwoord doet de eigenlijke betekenis van de naam van Noach horen: wattanach rustte (al wil het verhaal uitdruk­kelijk aan troosten denken - 5, 29).

De bergen komen weer in zicht. Een raaf verlaat de ark, alsof het waaien van zijn vleugels de aarde doet drogen. Een duif gaat heen en weer, vindt aanvankelijk geen rust, maar keert na zeven dagen weer, met de palmtak vrede op aarde meldend. Na nog eens zeven dagen komt hij niet meer terug. Dan gaat de kist open. Het is het jaar dat als 601 geboekstaafd staat (8, 13). Het eerste jaar van de zevende eeuw begint. Op dag één van maand één. De aarde is droog. Alle man-, vrouw- en dierschappen verlaten de ark. Noach bouwt. Een altaar overbrugt de afstand tussen hemel en aarde.

Zijn we al in de tempel in Jeruzalem? Volgens de joodse traditie bouwt Noach zijn altaar op de plaats waar later de tempel wordt gebouwd. Het is ook de plaats waar Kaïn zijn broer slaat, waar Abraham Jitschak/lsaak zal opheffen en binden in het verbond. Het is de plaats waar David en Salomo het heilige huis in Jeruzalem zetten (vergelijk Gen  22, 2.14; 2Kron 3, 1).

God zegt: Dit nooit weer. Voortaan zullen de seizoenen elkaar weer opvol­gen, met alles wat daar aan zaaien en oogsten bij hoort. Het verbond wordt gesloten. Noach begint steeds meer een verhaal te worden, aan feiten her­kenbaar. We hebben het gehad, maar het blijft ons voor, wil leerzaam zijn, en kan dat zijn, zolang er mensen lezen, lezend meegaan, het verhaal in. Op het einde van deze geschiedenis ben je geworden als Noach, een overlevende, een hele wereld achter je, een hele wereld voor je. Het kan nu beginnen.

Het verhaal gaat niet verder. Het kan opnieuw gelezen worden. Noach krijgt alles in handen. De dieren zullen bang voor hem zijn. Ze zijn eetbaar geworden. Alleen het bloed niet.

De mens hoeft niet te menen, dat hij of zij heer en god of godin over het leven is. Wie het bloed van mensen vergiet, zal door een mens omkomen. Zoals een staart het spoor van een komeet trekt, zo zou de ster van dit verhaal vrede alom moeten zijn. Maar Noach, Troost, bemoediging-in-de-catastrofe blijkt vooralsnog legende (legenda, om te lezen) is. Liever doen wij na de ramp, alsof er niets gebeurd is. Onze neus bloedt. De aktualiteit leert dat een catastofe eigenlijk nooit voorbij is!

God sluit met Noach een verbond. Volgens het verhaal leven alle mensen in dat verbond, in de band van dit verhaal. Nooit meer zullen de wateren van Noach over de aarde gaan: Nooit meer zal ik op je toornen of schelden (Jes 54, 9) Wanneer je een regenboog ziet, zegt de synagogale traditie, zeg dan: Gezegend ben Jij, Heer onze God, koning van de wereld, die het verbond gedenkt, die getrouw blijft aan zijn verbond, en die zijn woord rechtop doet staan, kenbaar maakt, beschikbaar stelt. Zijn Woord geeft.

de droom - de boog

Na Gen 5,32 komen nu, in 9,18 opnieuw de namen van de drie zonen van Noach: Sem, Cham en Jafet. Zij geven eerst ruimte aan een kort verhaal. Daarna komt de volkerentafel, een opsomming van zeventig namen, alle volkeren ter aarde. Bijbels gesproken wordt de aarde bevolkt door zeventig volkeren. Daarom klinken ook hier reeds de namen die later mee zullen gaan spelen: Egypte, Ninivé, Assur, Kanaan. Gen 10 is daar vol van Na het verhaal over de toren van Babel zal de namenlijst bij Sem her­haald worden om tot Terach, de vader van Abraham te komen.

Eerst is er het korte verhaal, de geschiedenis van de zonen van Noach. Noach wordt een man van het land. Hij plant een wijnstok. De wijnstok is het eerste gewas dat na de vloed uitdrukkelijk geplant wordt. Wijn drinken heeft iets van drinken over de dood heen. Daarom lecháiem, op het leven, in Amsterdam verbasterd tot daar gaat-ie, wat heel iets anders is. Wijn, gegist, gestorven vruchtensap Met de man van het land die een wijnstok plant begint de geschiedenis volgens deze verhalen weer opnieuw. Daarmee ligt ook het onbehagen over de cultuur - oorspronkelijk cultivare, (lat. het land in cultuur brengen, landbouw) te wachten om een verhaal te worden, een vervelend en pijnlijk verhaal. Cham, de vader van Kanaan blijkt schaamteloos te zijn. Hij weet zijn broers te vertellen van onder de gordel. Daarmee is niet aan de orde het brusqueren van het schaamtegevoel rond het begin van de 21e eeuw in Noord-West Europa. In Cham wordt aangegeven wie Kanaan is. Sexualiteit is in de bijbelse literatuur vaak een aanduiding voor afgodendienst. (Zie Jo 8,2vv.) Cham ontbloot zijn vader die dronken in de tent ligt. Slaaf van slaven zal hij zijn. Niet Cham, maar Kanaan wordt vervloekt. Parallel: niet Sem wordt gezegend, maar de God van Sem, die in Gen 11, 26 een van de vaderen van Avram/Abram blijkt te zijn.

Hoofdstuk 5: De Toren

Gen 11

Het verhaal van de toren zal hier slechts kort vermeld worden. Babel, poort van God, maar ook babbel- en verwarringsstad. Het verhaal van de toren heeft zeker te maken met het gegeven, dat Mesopotamië, het land bij de Eufraat en de Tigris - Ur van Abraham ligt ongeveer 100 km van de mond van de Euphraat - voor dit verhaal een kostbaat requisiet geeft: de toren. Nu nog treft men daar op een lijnrechte horizon van plat en vlak land de immense resten van de zikkoerath,  tempeltorens met hoog omhoog reikende trappen. In het voor­jaar trok de koning-god van de stad in het Tweestromenland in feestelijke processie daar omhoog om zich boven te verenigen met de uitverkoren priesteres om aldus het huwelijk van de hemel en de aarde te vieren, het begin van het voorjaar te vieren en het land vruchtbaarheid te garanderen.

In het bijbelse Babel blijkt bevolkt met jonge mensen die zo uit de wereld van de consumenten-informatie, zo heet reclame officieel, gestapt zijn: energiek en zelfbewust. Zij poneren zich zeer aanwezig. Het zijn ware record-makers. Laten we ons een naam maken ( 11, 4 tegenover 12, 2). Maar hoe hoog zij ook bouwen, God moet afdalen om de stad en de toren te gaan bezien.

Een bekende midrasj vertelt: de torenbouw is zo ver gevorderd, dat de steendragers een jaar onderweg zijn voordat zij de bouwplats en de metselaars bereiken. En zo gebeurt het, dat soms een steendrager van de steigers valt. Dan huilen de bouwlieden, over de steen die verloren is gegaan.

De solidariteit van allen met allen, zelfregelaars en zelfverlos­sers, gaat de mist in. De mensen verstaan elkaar niet meer. Wie druk bezig is met de goede sier van zijn eigen naam, de fraai ogende voorgeven, zo iemand vergeet de naam die alle verhalen draagt. God is de te heiligen naam.

Voor de interpretatie van het verhaal lijkt het belangrijk, te zien wat er het gevolg van is. De mensen gaan uiteen, verspreiden zich over de ganse aarde. Ze wilden een stad bouwen met een toren. Maar de wereld is groter dan je eigen tuintje. De spraakverwarring heet ook geen straf. Die wordt als feit geconstateerd. De mensheid wordt uitgezaaid over de hele aarde. Zo ontstaat de eerste diaspora. Intussen - en dit is de functie van het verhaal, de structuur van Gen 2,4b tot 11 afsluitend - is het contrast mogelijk gemaakt. Hier maken mensen zichzelf een naam. De geschiedenis van Abraham zal een heel ander verhaal zijn. Hij zal geschiedenis maken omdat hij gehoor geeft aan aan de belofte die verbonden is met het verlaten van je land, je familie, het huis van je vader, op weg naar het land - de mogelijkheid van leven - dat ik je zal laten zien (Gen 12,1). In het spoor van die uitnodiging klinkt als begin: Ik zal je naam groot maken. Duidelijk, voor wie daar oor voor heeft.

nagekomen berichtje

Hoofdstuk 6: Terach—Avram/Abram

Gen 11,27-12,1

Terach komt aan in Charan/Haran. Hij weet niet dat zijn weg ten einde is. Dat weet alleen wie meeleest, wie het spoor van de woor­den volgt en meegaat, het verhaal in. Alleen lezers of toehoorders van deze verhalen hebben de verwarring meegemaakt, waar de torenbouw in Babel/Babbel­stad op uitgelopen is.

De lezers en hoorders van een verhaal kunnen altijd meer weten dan degenen over wie zij horen of lezen. Door al lezend het hoofd te buigen voor wat geschreven staat ligt de lezer voor. Zijn of haar lezen maakt de tekst mogelijk. In het spoor van de tekst gaat het verhaal open.

Terach is de negende in de opsomming van namen ná de vloed (11,24). Terach brengt de verhalen en de lezers naar Charan.

Haran geeft de vertaling steeds, maar de H dient men hier als CH te lezen, zoals in Choréev/Horeb of Che­vrón/Hebron. Om minstens aan te duiden dat Parijs wellicht meer Paris is, geeft deze tekst vaak de hebreeuwse namen. Het is niet ons verhaal - tenzij wanneer wij Joodse mensen zijn. De vraag is immers, of wij de verhalen hebben of dat die verhalen ons hebben, wie die eerste persoon meervoud ook is.

Uiteindelijk gaat het over de vraag, wie het onderwerp van heel die geschiedenis is. Hij zal zich weldra melden. Dank zij Abraham hebben we daar weet van, Abraham, die om te beginnen een van de zonen van Terach is.

 Terach heeft al een hele geschiedenis achter zich Gen. 11 , 26 geeft aan: Abram, Nachor en Haran (uitspraak : Haran). Drie namen. Weer drie namen. In 6, 10 waren het Sem, Cham en Jafet. De een­voud van vader en zoon (van a naar b) is gaat daar op in drie namen (van q naar x, y, z). Het ritme van Ge­nesis 5 wordt woordt in Gen 6 verstoord door de vloed als gevolg van wat ten hemel schreiend is: de boosheid der mensen. Nu zal de tekst uit de drie er één nemen. Terach.

Terach ontbot op zijn beurt ook in drie namen. De laatstgenoemde ziet zijn dagen als eerste geteld. Haran sterft in Ur Kasdiem. In vertalingen treffen lezers in de regel aan: Ur der Chaldeeën. Dat kan best overeenstemmen met de feiten en de namen die de wetenschappers over culturele oudheden ter plaatse heb­ben menen te kunnen fixeren. Benno Jacob wijst erop, dat de identificatie van dit Ur met de door Wooley rond 1920 opgegraven beroemde archeologische vind­plaats op goede gronden betwijfelbaar is. Maar wat geeft het? Wie het ver­haal leest heeft te maken met de namen die er staan. Terach komt uit Ur Kasdiem en die plaats ligt in dit verhaal. Zo weten wij van Abram (later Abraham) uit Ur Kasdiem (ver­gelijk Hand 7, 4).

Terach in Charan heeft al een hele geschiedenis achter zich. Hij is de eerste van wie de Schrift uitdrukkelijk vertelt dat het kind stierf tijdens het leven van de vader. Haran sterft. Zijn zoon Lot valt dan onder het vader­schap van Terach. Neef Lot wordt als een broer voor Abram En dit zijn de verwekkingen van Terach. Terach verwekt Abram, Nachor en Haran en Haran verwekt Lot. En Haran sterft ten overstaan van Terach zijn vader in het land van zijn geboorte, in Ur Kasdiem. En nemen voor zich Abram en Nachor vrouwen. Naam van Abrams vrouw is Saraj en naam van Nachors vrouw: Milka dochter van Haran de vader van Milka en Jiska (Gen 11, 26-29).

Voor christenen is dit verhaal in de regel niet zo interessant. Al die namen wek­ken verwarring. Ze doen geen beroep op onze herinnering of ons voorstel­lingsvermogen. Ze maken bij ons niets los. Het zijn namen zonder verhalen, etiketten op flessen waarvan je niet eens weet of er wel iets in zit. Maar er is een tijd geweest waarin men niet op een knopje kan drukken om beeld en geluid aanwezig te brengen, of iets anders ter verstrooiing. In die tijd kan men zich enkel verwarmen aan elkaars nabijheid, aan woorden over en weer. Of aan een lied, al dan niet meegezongen. Of aan gezamenlijk bewaarde stilte. Zo zijn er verhalen alom. Vertellers gevraagd. Om namen te bewaren. Om te behoeden wat geweest is, en ter sprake te brengen hoe wij zien, horen en leven. Om te doen alsof onze dagen niet de eerste zijn. Het geheugen, weet hebben van een verleden, is kenmerkend voor de mens. Zonder verleden is er geen ik, hier en nu.

De open plekken in de verhalen hebben een duidelijke functie. De lerzer/toehoorder kan er in schuilen. Zo ontstaan verdere verhalen, creatieve pogingen om te plaatsen wat oninhaalbaar is. Ginzberg geeft een grote verzameling legenden van de joden, al dient men de titel wel te verstaan. Een legende is niet een verhaaltje, fabeltje of sprookjesachtige toestand van vroeger. Zoals in het bovenstaande al eerder aangereikt: het is legenda, om te lezen en te ver­staan. Wie kennis neemt van die verhalen, kan daarin vernemen, op welke wijze deze namen tot verhaal geworden zijn, hoe mensen met die verhalen geleefd hebben. De naam Jiska is in de traditie vertaald met zieneres. Jiska wordt vaak geïdentificeerd met Saraj. Zij heeft profetische gaven. Ze be­moedigt en onderricht de vrouwen zoals Abraham de mannen onderwijst. Nachor huwt Milka als dochter van haar vader.

Abram huwt Saraj omwille van haarzelf. En het geschiedt: Saraj onvruchtbaar. Een kind heeft ze niet. (Gen 11. 30). Op twee manieren zegt de tekst dit. De mededeling is als het ware dubbel onderstreept. Voor Saraj zit er niets in en komt er niets uit. Al die namen van vader op zoon, het spoor zoals de ouden zongen piepen de jongen is er voor Abram en Saraj niet. Hun nog niet vertelde verhaal is eigenlijk bij voorbaat al afgelopen - een hopeloos verhaal, al mag degene die leest (hij of zij leest immers reeds opnieuw, weet al min of meer, wat er gebeuren gaat), opgelucht zijn, en verder ademen.

Nachor blijft in Ur van 11, 29. Pas in Gen 24, 15.24 zal zijn naam weer te horen zijn, omwille van Rivka/Re­bekka, wanneer Eliëzer van Damascus op zoek is gegaan, op verzoek van Abraham, voor Jitschak/lsaak.

Terach—betekent zijn naam zoiets als zwerver?—sterft in Charan. Hij had naar Kanaan willen gaan, maar hij haalt het land niet. Avram/Abram (vader is verheven) blijft over, met Saraj en Lot, ook al geeft de tekst op geen enkele wijze aan dat Avram na de dood van zijn vader wegtrekt. Eén ogenblik verdwijnen allen uit beeld. De aandacht blijft alleen voor Terach. Hij sterft in Charan.

Met een explosie begint Gen. 12, 1. En God spreekt... Dan moet je doorlezen. God spreekt in het verhaal niet zo maar. Ook niet bij zichzelf. Het spreken van de Heer is bepaald gericht, heel specifiek. En God spreekt tot Avram. Voor hem gaat hier de hemel open. Avram/Abram krijgt een woord, wordt toegesproken, blijkt aansprakelijk en aanspreek­baar. Ga weg, voor jou.

Drie keer geeft de tekst uit: uit je land, uit je familie­kring, uit het huis van je vader. Drie instanties worden genoemd, met drie keer het bezittelijk voornaamwoord. Ga weg uit jouw . . . Drie keer stelt het spreken van de Heer zich aansprakelijk voor het doorsnijden van de banden, voor hetgeen komen gaat wanneer Abram met dit woord in zee gaat .

Alles van het verleden zal prijsgegeven worden. Ner­gens meer is Abram thuis. De tekst haalt hem uit zijn verleden. Hij zal moe­ten gaan als een man zonder land, zonder natuurlijke banden van verwan­ten, zonder onderdak, alsof hij nu pas, uit het woord, uit God (vgl Jo 1,13) geboren wordt. Overal nergens thuis is hij. De enige verblijfplaats die zich aandient, is het woord van God dat nu, in Gen 12, 1, aan hem geschiedt. God mag weten waar dat heen zal gaan. God mag het weten, God zal het weten: Abram is niet alleen.

Drie breuken. Wat biedt de God van dit verhaal in ruil daarvoor aan? Moet je als Abrahem alles inzetten om te gaan zoals gezegd is?

Lezers mogen weten wat God met zijn eigen naam te bieden heeft: Naar het land dat ik je zal laten zien. Dat is alles, het land dat ik je zal laten zien, achter de horizon van goed vertrouwen.Wie daar fiducie in heeft mag het zeggen. Kaal en leeg is dit aanbod. Het voorspelt weinig goeds, ten­zij wanneer men God voor vol aanziet. Wanneer het land in zijn hand met zijn gestalte daaronder, daarachter, iets betekent, dan zou je dit aanbod kunnen accepteren. Maar is God zo kredietwaardig?

Aangeboden: een land dat ik je zal laten zien. Prijs: alles wat je bent en hebt, je geld(ing) en je leven. De verbijstering mag en moet in Gen 12, 1 alle kans krijgen. Wie dit leest, moet zien dat hier de prijs van heel het bestaan ge­vraagd wordt, teneinde een nieuwe leefplaats te krijgen. Zal Abraham zijn leven geven, en is God zijn vriend?

Wat christenen kennen als de evangelische deugden, horen zij hier, zij het in bedekte termen. Gehoorzaamheid, armoede en maagdelijkheid vraagt God van Abram. Gaat hij daarop in, dan zal de tekst hem gaandeweg tot vader van velen maken, tot Abraham. Gehoorzaamheid, armoede en maagdelijkheid beschrijven niet primair het leven van kloosterlingen, zoals wij die in katholieke en protestantse tradities kennen. Men mag deze evan­gelische deugden niet min of meer exclusief claimen voor het leven van afge­scheidenen. Het gaat bij Abram niet over biologie of burgerlijke stand! Het gaat over de vruchtbaarheid van wat de Schrift noemt: het woord van God. Degene die in de regel bekend staat als Johannes, of als de vierde evangelist, heeft daar zijn papieren mee gevuld: het woord van God.

Gods aanbod aan Abram is radicaal en ridicuul, tenminste in eerste instan­tie, wanneer men verzekerd wil zijn, en meent te kunnen zijn, van de wieg tot het graf. Breek, breek, breek uit, Abram! Belachelijk! Tenzij! Tenzij wan­neer men concreet wordt.

Vooral nu de macht van het technisch vaardige Westen zo gigantisch geworden is, begrijpen wij de radeloosheid van dicht­gesmeerde scenarios, van mensen die geen raad meer weten, van de naar­geestigheid die een mens voortdurend overvallen kan. De plaats van de mens is de niet-plaats, de ordeverstoring. De hedendaagse Franse wijsgeer E. Levinas heeft dit grondig beschreven. Wij, op onze plek, met onze rech­ten veilig gesteld, in juridische constructies en tradities de anderen van het lijf houdend. De ernst waarmee wij onze posities bij de borrel of op de Unc­tad-zoveel-conferentie claimen, maakt duidelijk dat die positie er niet is. Onze zogenoemde redelijkheid kan nauwelijks meer dan een oratio pro domo zijn, een pleidooi voor het eigen honk. De beeldbuis heeft ons huis te veel overspoeld met bergen ellende uit heden en verleden—om over de florerende toekomst maar niet te peinzen. Defloratie. De eierschaal en de vliezen die daaraan hechten, alle geslotenheid die vorige geslachten hebben meegegeven, houden het niet meer.

Abraham is een uitbreker. Hij zal wel moe­ten. Niet op eigen initiatief! Hij vertrekt niet omdat hij op een gegeven ogen­blik een helder moment heeft, ook al heeft de joodse traditie verha­len over Abraham de godenwinkel van zijn vader onzin vindt - zie het eerste verhaal in Woord voor Woord 1 (Eykman).

Het kan anders! Het moet anders! Maar dat is niet een idee van de mens. Behoedzaam dient bewaard, dat de tekst het initiatief bij een ander legt. G-d is de Naam, wanneer men de jood­se gewoonte eer biedt door de naam van de Heer niet uit te spreken - want groter dan wij het zeggen kunnen is Hij! De Naam van G-d wordt niet uitge­sproken. Niet ijdel mag en zal die Naam gebruikt worden - ook al maken sommigen die van de prins geen kwaad weten er ten onrechte geen geheim van dat zij bij de G-d van het verbond kind aan huis zijn. Dat zullen zij ook wel zijn, maar laat men doen zoals een gast betaamt, en zich houden aan de naar goed gebruik geleerde woorden, en de naam van G-d heiligen.

Alleen de Hogepriester op Grote Verzoendag in het Heilige der Heiligen spreekt G-ds eigen naam uit. De oude Willibrord-vertaling (1978) heeft wellicht toch al te vrij­moedig gemeend, overal in de tekst de naam van G-d in de bekende vier of vijf letters neer te moeten zetten. Vrijmoedig, want wie die vertaling ge­bruikt, blijkt vaak over te slaan wat in de inleiding staat: Bij gebruik van deze tekst in de liturgie is het - in overeenstemming met een oud kerkelijk gebruik - gewenst, in plaats van Jahwe te lezen: (de) Heer. Is dit gewenst? Christen-zijn betekent leerling van de Christus, de Messias zijn. Leerling zijn, proberen Jezus te volgen, van Nazareth tot Jeruzalem. Dat kan niet zonder de synago­ge, hoe dan ook de Joodse Traditie ook al betekent dat vooralsnog veel huiswerk.

In plaats van G-ds naam hoort men  de Heer te lezen. De Statenvertaling heeft consequent HEERE. Misschien moet men daaraan wennen, maar het is wel duidelijk en eerbiedig. De nieuwste katholieke vertaling gebruikt Heer. De interconfessionele vertaling 2000 zal ook Heer gebruiken.

De stem, het spreken van de Heer, zondert in Gen 12,1 Abram af. Hij zou op weg moeten gaan. Naar het land God mag weten, en zal ook weten, waar. Temidden van de drie namen afgezonderd gaat Abram niet alleen. De Heer zal met hem zijn. Zo zal zijn naam een zegen zijn.

Abram zal gaan zien dat er iemand is die hem ziet. In Gen 22 zal dit gebeuren, op de berg van de ont­reddering, wanneer de zoon gebonden is in de ban(d) van het woord aan Avraham/Abraham. Omhooggeheven is hij daar met het kind dat hem lief is, meer dan lief. Nooit meer alleen. Vader in de zoon. Gekregen. Vader van allen die gaan in het woord dat hem een voet op de grond gegeven heeft.

Avram/Abram gaat. God zal hem het land laten zien. Waar­om? Waartoe zou Abram afstand moeten nemen van zijn verleden, van de plaats en tijd die hem draagt, van waar hij vrucht van is?

Ik zal je maken tot een groot volk, luidt de tekst. Alsof er geen totale onmoge­lijkheid was! Saraj is toch reeds apart gezet, onvruchtbaar genoemd. De man Abram kan willen wat hij wil. Nooit zal er een volk of volkje zn oorsprong vinden in Abram. Niet uit den bloede, niet uit het welbehagen van het vlees, niet uit het welbehagen van een mens, maar uit God geboren (Jo 1, 13) - dat is toch onzin?

Dat eerste verhaal over Abraham begint als een gedicht. Saraj is onvrucht­baar (A). Ga weg uit ... naar (B). Ik zal je maken tot (A). Zo zijn de twee themas gegeven die de geschiedenis van Avraham omlijsten en motiveren: land (B) en zoon (A). Ga weg voor jou of naar jou (Gen 12,1) hoort men nog één keer, in Gen 22, 2. Eerst met betrekking tot het land, dan tot de zoon. In Gen 12, 1 moet Abraham afstand doen van zijn land, in Gen 22, 2 zal hij de zoon moe­ten prijsgeven. Niet míjn zoon, maar mijn zóon.

Zonder verleden, zonder toekomst leeft Abraham nu. Vandaag. Zo is hij Abraham, vader van en voor velen, vader van degenen die, in de wirwar van de gebeurtenissen, uitgenodigd zijn, te luisteren naar een God die een woord voor de mensen heeft, een God die niet zegt: Ik heb geen boodschap aan jou. Wie heeft daar oren naar? Wie is ertoe in slaat, het hoofd op te heffen, het boven water te houden, of uit die alledaagse dood op te staan, bij de hand genomen, aan de hand van de verhalen.

Bij Abraham begint een weg om te gaan (Ps 1). Geen gekrioel van snel­wegen, geen video of filmband die je zo snel kunt laten spoelen dat de beel­den aan je voorbij flitsen zodat je ziet dat het nergens over gaat, maar een weg om te gaan. Stap voor stap, behoedzaam, alsof je het pad moet bewaren dat jou bewaart.

Lezers mogen zich herkennen in de weg die Abraham is gegaan, in de uitno­diging waar hij op ingegaan is, meeluisteren naar de stem. Het verhaal maakt lezers tot tijdgenoten, doet hen delen in de tijding. Waar taalt de stem naar? Is er in alle vruchteloosheid nu, heden, een stem?  Als jullie heden zijn stem horen (psalm 95, 7).

Wat Abraham mist, wat hem ontbreekt (vgl Ps 23,1), hij zal het krijgen. Verleden en heden liggen verhaalsgewijze gereed in Gods hand. Veertien verhalen lang, van Gen 12 lot en met 25, rond Abraham. Jitschak/ Isaak zal daarin naar voren komen, de zoon van de vader. Pas als Jitschak er is, komt, naar aanleiding van de dood van Sara, ook iets van het land in Abrahams hand (Gen 24). Zo tekent de toekomst zich af in een zeker per­spectief, een hapje grond voor zijn familie, een vrouw voor zijn zoon. Het woord tot Abraham heeft in Abraham een voet op de grond gekregen, is een verhaal gaan worden, een lang verhaal, - want door de Schrift heen, door heel de geschiedenis in haar spoor tot vandaag aan toe, is het woord in Avraham definitief begonnen, om te beginnen - schepping.

Daarmee is in eerste instantie het voorwerk voor de verhalen over Avraham, Jitschak en Jaäkov verkend.

Abraham komt niet uit de lucht vallen. Hij wordt toegesproken en krijgt het woord. In tegenstelling tot Adaam zal hij doen alsof hij iets gehoord heeft. Hij gaat, overeenkomstig het woord dat de Heer tot hem gesproken heeft. Nog voor de verhalen over Avraham beginnen staan de hoofdlijnen al die hem zullen portretteren: mens voor God, broer/naaste voor de broer/naaste.

De tekst is een bewerking van

Jan C.M.Engelen, Genesis opnieuw, Hilversum 1984.
Een groot deel van de afbeeldingen is van Mac Chagal en komt uit Musée National, Message Biblique, Nice.

© Herten/Roermond 1997

genesis

bijbel

home